6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26
Het is bemoedigend voor het volk van God, zo zij, evenals Jacob, in dergelijke omstandigheden van beproeving, oefening, angst of onheil geplaatst zijn, om dan de gezegende uitslag van zijn worsteling met de Engel te zien. Hij trekt de beek Jabbok over, geheel zwakte; hij trekt ze weder over, geheel sterkte. Hij verlaat zijn gezin en hij, de zwakke Jacob, worstelt alleen; hij keert tot hen terug als Israël, die overmocht.
Hij gaat tot de Heere in de angst der twijfeling, vol onrust, elk ogenblik vrezende dat hij en allen die hem dierbaar zijn, van de aarde zullen worden weggedaan, en keert terug met de zegen des Heeren in zijn ziel, door het licht van ’s Heeren aanschijn over hem beschenen. En is dit voorbeeld niet verhaald tot lering en troost van ’s Heeren levende familie? Zijn zij niet dikwijls in omstandigheden die geheel en al op die van Jacob gelijken? Hebben zij niet dezelfde moeilijkheden en dezelfde behoeften, en wekt de Heere niet nu en dan in hun ziel hetzelfde geloof om aan te grijpen, dezelfde vrijmoedigheid om vast te houden?
En zal Hij, Die aan Jacob zulk een genadige verlossing schonk, zal Hij, Die in Zijn heilig Woord deze merkwaardige gebeurtenis uit Jacobs leven heeft opgetekend tot stichting en lering van Zijn volk door alle tijden heen, Jacob horen, en hen niet horen? Het is vernederend voor de medelijdende „Man van Smarten”, het is verraad jegens de Majesteit des hemels te geloven dat een kind van God in gelijke omstandigheden in een gelijke weg tot de Heere kan gaan en van Hem geen gelijke zegen zou ontvangen.
Doch riepen z’in d’ellenden
de Heer ootmoedig aan.
Hij deed hun angsten enden
en hen ’t gevaar ontgaan.
Hij hielp hen uit de nood,
Hij bracht hen uit het duister
der schaduw van de dood:
Hij brak hun band en kluister.
Ps. 107:7
Aan de lezer…
Bent u, lezer, als Jacob aan de beek Jabbok, alleen, vol angst en onrust, vrezende voor wat komen zal? Gaat u tot de Heere met meer twijfel dan vrijmoedigheid? Weet dan dat deze geschiedenis niet voor niets is opgetekend. Jacob ging erheen in zwakheid en keerde terug als Israël, met de zegen des Heeren in zijn ziel en het licht van Zijn aanschijn over zich.
Zou Hij, Die Jacob hoorde, u dan niet horen? Het zou een smaad zijn voor de medelijdende Man van Smarten te denken dat een kind van God op dezelfde weg geen zegen zou ontvangen. Grijp Hem dan aan met het geloof dat Hij Zelf geeft, en houd vast, al is het met bevende hand: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.” Wie zo met Hem worstelt, wordt niet beschaamd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Genesis 32:26
Het is bemoedigend voor het volk van God om, wanneer zij net als Jakob in zulke omstandigheden van beproeving, oefening, angst of onheil geplaatst zijn, de gezegende afloop te zien van zijn worsteling met de Engel. Hij trekt de beek Jabbok over, één en al zwakheid; hij trekt haar weer over, één en al kracht. Hij verlaat zijn gezin, en hij, de zwakke Jakob, worstelt alleen; hij keert tot hen terug als Israël, die overmocht.
Hij gaat tot de Heere in de angst van de twijfel, vol onrust, elk ogenblik vrezend dat hij en allen die hem dierbaar zijn, van de aarde weggedaan zullen worden. En hij keert terug met de zegen van de Heere in zijn ziel, beschenen door het licht van Gods aangezicht. Is dit voorbeeld niet beschreven tot lering en troost van de levende familie van de Heere? Verkeren zij niet vaak in omstandigheden die volkomen op die van Jakob lijken? Hebben zij niet dezelfde moeilijkheden en dezelfde behoeften, en wekt de Heere niet nu en dan in hun ziel hetzelfde geloof om aan te grijpen en dezelfde vrijmoedigheid om vast te houden?
Zou Hij Die Jakob zo’n genadige verlossing schonk, Hij Die deze opmerkelijke gebeurtenis uit Jakobs leven in Zijn heilig Woord heeft laten optekenen tot stichting en lering van Zijn volk door alle tijden heen, Jakob horen en hen niet? Het is een smaad voor de medelijdende „Man van Smarten”, ja, verraad tegenover de Majesteit van de hemel, te geloven dat een kind van God in gelijke omstandigheden op een gelijke manier tot de Heere kan gaan en van Hem geen gelijke zegen zou ontvangen.
Doch riepen z’in d’ellenden
de Heer ootmoedig aan.
Hij deed hun angsten enden
en hen ’t gevaar ontgaan.
Hij hielp hen uit de nood,
Hij bracht hen uit het duister
der schaduw van de dood:
Hij brak hun band en kluister.
Ps. 107:7
Aan de lezer…
Bent u, lezer, als Jakob aan de beek Jabbok, alleen, vol angst en onrust, bang voor wat komen zal? Gaat u tot de Heere met meer twijfel dan vrijmoedigheid? Weet dan dat deze geschiedenis niet voor niets is opgetekend. Jakob ging erheen in zwakheid en keerde terug als Israël, met de zegen van de Heere in zijn ziel en het licht van Zijn aangezicht over zich.
Zou Hij Die Jakob hoorde, u dan niet horen? Het zou een smaad zijn voor de medelijdende Man van Smarten om te denken dat een kind van God op dezelfde weg geen zegen zou ontvangen. Grijp Hem dan aan met het geloof dat Hij Zelf geeft, en houd vast, al is het met bevende hand: „Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.” Wie zo met Hem worstelt, wordt niet beschaamd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will not let thee go, except thou bless me.
Genesis 32:26
It is encouraging to the Lord’s people as they are from time to time placed in similar circumstances of trial, exercise, perplexity, sorrow or distress with Jacob, to see the blessed result of his wrestling with the angel. He crosses the ford of Jabbok all weakness; he re-crosses it all strength. He leaves his family, and wrestles alone, a fainting Jacob; he returns to them a prevailing Israel. He goes to the Lord in an agony of doubt and alarm, fearing every moment lest he and all that was dear to him would be swept off from the face of the earth; he returns with the Lord’s blessing in his soul, with the light of the Lord’s countenance lifted up upon him.
And is not this instance recorded for the instruction and consolation of the Lord’s living family? Are they not from time to time in circumstances experimentally which resemble Jacob’s circumstances literally? Have they not similar difficulties and similar necessities? And does not the Lord from time to time raise up in their heart the same faith to lay hold? the same importunity to keep hold? And shall He Who gave Jacob such a merciful deliverance–shall He Who has recorded in His holy Word this remarkable event in Jacob’s life for the edification and instruction of His people in all times–hear Jacob, and not hear them? It is derogatory to the sympathizing “Man of Sorrows;” it is treason against the Majesty of heaven to believe, that a child of God in similar circumstances can go to the Lord in a similar way and not get a similar blessing.
To the reader…
Are you like Jacob at the brook Jabbok, alone, full of fear and unrest, afraid of what is to come? Do you go to the Lord with more doubt than boldness? Then know that this history was not written down for nothing. Jacob went there in weakness and came back as Israel, with the Lord’s blessing in his soul and the light of His countenance upon him.
Would He Who heard Jacob not hear you? It would be a reproach to the sympathizing Man of Sorrows to think that a child of God, going the same way, would receive no blessing. Lay hold of Him, then, with the faith He Himself gives, and hold on, even if it is with a trembling hand: “I will not let Thee go, except Thou bless me.” Whoever wrestles with Him in this way will not be put to shame.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No te dejaré, si no me bendices.
Génesis 32:26
Es alentador para el pueblo del Señor, cuando de tiempo en tiempo se ve puesto en circunstancias semejantes a las de Jacob, de prueba, ejercicio, perplejidad, tristeza o angustia, ver el bendito resultado de su lucha con el ángel. Cruza el vado de Jaboc todo debilidad; lo vuelve a cruzar todo fuerza. Deja a su familia y lucha solo, un Jacob desfallecido; vuelve a ellos un Israel que ha prevalecido. Va al Señor en una agonía de duda y alarma, temiendo a cada momento que él y todo lo que le era querido fueran barridos de la faz de la tierra; vuelve con la bendición del Señor en su alma, con la luz del rostro del Señor alzada sobre él.
¿Y no está registrado este caso para la instrucción y el consuelo de la familia viviente del Señor? ¿No se hallan ellos de tiempo en tiempo, por experiencia, en circunstancias que se asemejan a las circunstancias literales de Jacob? ¿No tienen dificultades semejantes y necesidades semejantes? ¿Y no levanta el Señor de tiempo en tiempo en su corazón la misma fe para asirse, la misma importunidad para no soltar? ¿Y Aquel que dio a Jacob una liberación tan misericordiosa, Aquel que ha registrado en Su santa Palabra este notable acontecimiento de la vida de Jacob para la edificación e instrucción de Su pueblo en todos los tiempos, oirá a Jacob y no los oirá a ellos? Es deshonroso para el compasivo “Varón de dolores”; es traición contra la Majestad del cielo creer que un hijo de Dios, en circunstancias semejantes, pueda ir al Señor de manera semejante y no obtener una bendición semejante.
Al lector…
¿Está usted como Jacob junto al arroyo de Jaboc, solo, lleno de temor e inquietud, temeroso de lo que ha de venir? ¿Va al Señor con más duda que confianza? Entonces sepa que esta historia no fue escrita en vano. Jacob fue allí en debilidad y volvió como Israel, con la bendición del Señor en su alma y la luz de Su rostro sobre él.
¿No le oiría a usted Aquel que oyó a Jacob? Sería un oprobio para el compasivo Varón de dolores pensar que un hijo de Dios que va por el mismo camino no recibiría ninguna bendición. Ásase, pues, de Él con la fe que Él mismo da, y no suelte, aunque sea con mano temblorosa: “No te dejaré, si no me bendices”. Quien lucha así con Él no será avergonzado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
En Ik zal hem geven een witte keursteen.
Openbaring 2:17
In vroeger tijden werd in rechtszaken het oordeel geveld door middel van witte en zwarte stenen. De rechters wezen hun vonnis over de gevangene niet door middel van een mondelinge verklaring van „schuldig” of „onschuldig”, zoals tegenwoordig, maar door een witte steen in een urn te laten vallen om te kennen te geven dat de gevangene naar hun mening onschuldig was, of een zwarte steen om te verklaren dat de gevangene schuldig was. De Heere heeft van dit beeld gebruikgemaakt.
Hij zegt: „Aan hem die overwint zal Ik een witte steen geven.” Dat wil zeggen: Ik spreek in zijn geweten het vonnis van vrijspraak uit. Zoals men de witte steen in de urn liet vallen, zo vallen vrede en vergiffenis in het hart van de zondaar. Dus als het de Heere belieft van vrede tot de ziel te spreken, laat Hij een witte steen in het hart vallen om te verkondigen dat hij ontslagen is van rechtsvervolging en recht op Zijn liefde en bloed heeft.
Maar hoe kan dit beeld worden toegepast? Welnu, hij die overwint, bewandelt hetzelfde pad waardoor de arme schuldige misdadiger de witte steen kon ontvangen. De belofte wordt gedaan aan hem die overwint. Moeten we niet denken dat dit betekent dat hij een taak krijgt opgedragen die hij moet uitvoeren? Dat hij moet vasten, bidden, sacramenten bijwonen, een bepaalde hoeveelheid gebeden moet opzenden, en op die manier gaandeweg de zonde overwint en de prijs verkrijgt?
Zou dat niet de natuurlijke uitleg zijn? Maar het is niet de uitleg volgens de genade. Die luidt dat hij overwint door te worden overwonnen, want dit maakt het de Heere mogelijk om enige bevatting van Zijn bloed in het geweten te brengen en een woord van getuigenis in zijn hart te spreken. Dan ontvangt hij „een witte steen”, door de Heere Zelf in zijn hart gelegd, waarmee Hij verklaart dat al zijn zonden hem zijn vergeven; vrede heeft zijn geweten verzegeld, en hij gaat vrijuit, in de vrijheid die het Evangelie verkondigt aan degenen die in de gevangenis zitten.
Lezen: Psalm 35:1-10
Aan de lezer…
Staat u voor uw eigen geweten als een aangeklaagde, en verwacht u niets anders dan de zwarte steen? U weet wat u gedaan hebt, en u weet dat u het vonnis „schuldig” verdient. Misschien hebt u geprobeerd door vasten, bidden en goede voornemens de zonde te overwinnen en zo de prijs te verdienen, en u hebt ondervonden dat het niet gaat. Lieve lezer, dat is geen reden tot wanhoop.
Want de weg der genade is anders dan die van de natuur: men overwint door overwonnen te worden. Wie aan het eind van zichzelf komt, wordt bereid om te ontvangen wat alleen de Heere kan geven. Hij laat de witte steen in het hart vallen, en spreekt het vonnis van vrijspraak uit: al uw zonden zijn vergeven. Dan gaat de gevangene vrijuit, niet omdat hij onschuldig was, maar omdat het bloed van Christus voor hem spreekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal hem geven een witte keursteen.
Openbaring 2:17
In vroeger tijden werd in rechtszaken het oordeel geveld met witte en zwarte stenen. De rechters velden hun vonnis over de gevangene niet met een mondelinge uitspraak van „schuldig” of „onschuldig”, zoals tegenwoordig. Zij lieten een witte steen in een urn vallen om aan te geven dat de gevangene naar hun mening onschuldig was, of een zwarte steen om te verklaren dat hij schuldig was. De Heere heeft van dit beeld gebruikgemaakt.
Hij zegt: „Aan hem die overwint zal Ik een witte steen geven.” Dat wil zeggen: Ik spreek in zijn geweten het vonnis van vrijspraak uit. Zoals men de witte steen in de urn liet vallen, zo vallen vrede en vergeving in het hart van de zondaar. Wanneer het de Heere dus behaagt vrede tot de ziel te spreken, laat Hij een witte steen in het hart vallen om te verkondigen dat hij vrijgesproken is van vervolging en recht heeft op Zijn liefde en bloed.
Maar hoe kan dit beeld worden toegepast? Welnu, wie overwint, gaat hetzelfde pad als waarlangs de arme, schuldige misdadiger de witte steen kon ontvangen. De belofte wordt gedaan aan hem die overwint. Moeten we niet denken dat dit betekent dat hij een taak krijgt opgedragen die hij moet uitvoeren? Dat hij moet vasten, bidden, de sacramenten bijwonen, een bepaald aantal gebeden moet opzenden, en zo gaandeweg de zonde overwint en de prijs verkrijgt?
Zou dat niet de natuurlijke uitleg zijn? Maar het is niet de uitleg volgens de genade. Die luidt dat hij overwint door overwonnen te worden, want daardoor wordt het mogelijk dat de Heere enig besef van Zijn bloed in het geweten brengt en een woord van getuigenis in zijn hart spreekt. Dan ontvangt hij „een witte steen”, door de Heere Zelf in zijn hart gelegd, waarmee Hij verklaart dat al zijn zonden hem vergeven zijn. Vrede heeft zijn geweten verzegeld, en hij gaat vrijuit, in de vrijheid die het Evangelie verkondigt aan hen die in de gevangenis zitten.
Lezen: Psalm 35:1-10
Aan de lezer…
Staat u voor uw eigen geweten als een aangeklaagde, en verwacht u niets anders dan de zwarte steen? U weet wat u gedaan hebt, en u weet dat u het vonnis „schuldig” verdient. Misschien hebt u geprobeerd door vasten, bidden en goede voornemens de zonde te overwinnen en zo de prijs te verdienen, en hebt u ondervonden dat het niet lukt. Dat is geen reden tot wanhoop.
Want de weg van de genade is anders dan die van de natuur: men overwint door overwonnen te worden. Wie aan het eind van zichzelf komt, wordt bereid gemaakt om te ontvangen wat alleen de Heere kan geven. Hij laat de witte steen in het hart vallen en spreekt het vonnis van vrijspraak uit: al uw zonden zijn vergeven. Dan gaat de gevangene vrijuit, niet omdat hij onschuldig was, maar omdat het bloed van Christus voor hem spreekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And will give him a white stone.
Revelation 2:17
In ancient times judgment in courts of law was given by means of white and black stones. The judges did not pass sentence upon the prisoner by a spoken verdict of “guilty” or “not guilty,” as is done now. They dropped a white stone into an urn to signify that in their opinion the prisoner was innocent, or a black stone to declare that he was guilty. The Lord has made use of this figure.
He says, “To him that overcometh will I give a white stone.” That is: I will pronounce in his conscience the sentence of acquittal. As the white stone was dropped into the urn, so peace and pardon drop into the sinner’s heart. When, therefore, it pleases the Lord to speak peace to the soul, He drops a white stone into the heart to proclaim that he is acquitted from prosecution and has a right to His love and blood.
But how may this figure be applied? Why, he who overcomes walks the same path by which the poor, guilty criminal could receive the white stone. The promise is made to him that overcometh. Must we not think that this means that he has a task laid upon him which he must perform? That he must fast, pray, attend the sacraments, offer up a certain number of prayers, and so by degrees overcome sin and obtain the prize?
Would not that be the natural interpretation? But it is not the interpretation according to grace. That says that he overcomes by being overcome, for so the way is opened for the Lord to bring some sense of His blood into the conscience and to speak a word of testimony into his heart. Then he receives “a white stone,” laid in his heart by the Lord Himself, whereby He declares that all his sins are forgiven him. Peace has sealed his conscience, and he goes free, in the liberty which the gospel proclaims to them that are in prison.
Reading: Psalm 35:1-10
To the reader…
Do you stand before your own conscience as one accused, and expect nothing but the black stone? You know what you have done, and you know that you deserve the verdict “guilty.” Perhaps you have tried by fasting, praying and good resolutions to overcome sin and so to earn the prize, and have found that it does not succeed. That is no reason for despair.
For the way of grace is different from the way of nature: one overcomes by being overcome. Whoever comes to the end of himself is made ready to receive what only the Lord can give. He drops the white stone into the heart and pronounces the sentence of acquittal: all your sins are forgiven. Then the prisoner goes free, not because he was innocent, but because the blood of Christ speaks for him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y le daré una piedrecita blanca.
Apocalipsis 2:17
En tiempos antiguos el juicio en los tribunales se daba por medio de piedrecitas blancas y negras. Los jueces no dictaban sentencia sobre el acusado mediante un veredicto hablado de “culpable” o “no culpable”, como se hace ahora. Echaban una piedrecita blanca en una urna para indicar que, en su opinión, el acusado era inocente, o una piedrecita negra para declarar que era culpable. El Señor se ha servido de esta figura.
Él dice: “Al que venciere… le daré una piedrecita blanca”. Es decir: pronunciaré en su conciencia la sentencia de absolución. Como la piedrecita blanca se echaba en la urna, así la paz y el perdón caen en el corazón del pecador. Por tanto, cuando al Señor le place hablar paz al alma, echa una piedrecita blanca en el corazón para proclamar que queda absuelto de la acusación y tiene derecho a Su amor y a Su sangre.
Pero ¿cómo puede aplicarse esta figura? Pues bien, el que vence anda por el mismo camino por el cual el pobre criminal culpable podía recibir la piedrecita blanca. La promesa se hace al que venciere. ¿No hemos de pensar que esto significa que se le impone una tarea que debe cumplir? ¿Que debe ayunar, orar, asistir a los sacramentos, ofrecer cierto número de oraciones, y así poco a poco vencer el pecado y obtener el premio?
¿No sería esa la interpretación natural? Pero no es la interpretación según la gracia. Esta dice que vence siendo vencido, porque así se abre el camino para que el Señor traiga algún sentir de Su sangre a la conciencia y hable una palabra de testimonio a su corazón. Entonces recibe “una piedrecita blanca”, puesta en su corazón por el Señor mismo, por la cual Él declara que todos sus pecados le son perdonados. La paz ha sellado su conciencia, y él sale libre, en la libertad que el evangelio proclama a los presos.
Lectura: Salmo 35:1-10
Al lector…
¿Está usted ante su propia conciencia como un acusado, y no espera sino la piedrecita negra? Sabe lo que ha hecho, y sabe que merece el veredicto “culpable”. Quizá haya intentado, con ayunos, oraciones y buenos propósitos, vencer el pecado y así ganar el premio, y ha hallado que no lo consigue. Eso no es motivo para desesperar.
Porque el camino de la gracia es distinto del camino de la naturaleza: se vence siendo vencido. Quien llega al fin de sí mismo es preparado para recibir lo que solo el Señor puede dar. Él echa la piedrecita blanca en el corazón y pronuncia la sentencia de absolución: todos sus pecados le son perdonados. Entonces el preso sale libre, no porque fuera inocente, sino porque la sangre de Cristo habla por él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
Johannes 15:8
Toen de Heere Jezus op aarde was, was Hij in een lijdende staat; en dit lijdend beeld moet al Zijn volk gelijkvormig worden. In die lijdende staat bracht Hij God de eer toe; en nu is Hij verhoogd aan de rechterhand des Vaders. Zo ook zullen allen die met Hem lijden, met Hem verheerlijkt worden, en zij zullen waarlijk verheerlijkt zijn, want zij zullen blinken gelijk de sterren, voor altoos en eeuwiglijk, schitterend in het verheerlijkt beeld van de Zoon van God. Daarom zegt de apostel: „Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”
De Heere nam niet de natuur der engelen aan. Hij versierde of verfraaide Zijn aangenomen natuur niet, maar door het aannemen van onze natuur, ons vlees en bloed, verenigde Hij deze met Zijn eigen Goddelijke Persoon, en daardoor werd zij bekleed met een boven alles uitblinkende luister. Dit is het fundament of de grond waarop een verlost zondaar Gode de eer toebrengt, niet in zichzelf aangemerkt, maar als een lid van Christus, van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen.
Wat een verheven gedachte is het, dat de minste gelovige in de dadelijkheid meer eer aan God toebrengt dan de hoogste engel in rang; en dat de lijdende gehoorzaamheid van een kind van God van hoger waarde is dan de brandende gehoorzaamheid van een seraf. Gode de eer toe te brengen, dat moest ons hoogste doelwit en vurigst verlangen zijn. Zie hoe de Heere dit aandringt op de consciëntiën van Zijn ware discipelen: „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt.” Weinig vrucht brengt Gode weinig eer toe. Hoe meer rijpe vruchten aan de takken der wijngaard wassen, hoe meer ook de Heere verheerlijkt wordt.
Aan de lezer…
Gaat u, lieve lezer, door een lijdend pad, en vraagt u zich af wat uw leven toch tot eer van God kan zijn? Het schijnt soms zo arm en zo vruchteloos. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: de lijdende gehoorzaamheid van een kind van God is van hoger waarde dan de brandende gehoorzaamheid van een seraf. Niet omdat u iets bent in uzelf, maar omdat u een lid bent van Christus, Die in Zijn lijdende staat God verheerlijkte en nu verhoogd is aan de rechterhand des Vaders.
Zo is het ook met Zijn volk: wie met Hem lijdt, zal met Hem verheerlijkt worden. Laat dan het woord van de Heere u aansporen: „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt.” Dat is geen last om u neer te drukken, maar een begeerte die Hij Zelf in de takken van de wijnstok werkt. Blijf dicht bij Hem; uit Hem alleen wast de rijpe vrucht die God de eer toebrengt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
Johannes 15:8
Toen de Heere Jezus op aarde was, was Hij in een lijdende staat; en aan dat lijdende beeld moet heel Zijn volk gelijkvormig worden. In die lijdende staat bracht Hij God de eer toe, en nu is Hij verhoogd aan de rechterhand van de Vader. Zo zullen ook allen die met Hem lijden, met Hem verheerlijkt worden. En zij zullen waarlijk verheerlijkt zijn, want zij zullen blinken als de sterren, voor altijd en eeuwig, stralend in het verheerlijkte beeld van de Zoon van God. Daarom zegt de apostel: „Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”
De Heere nam niet de natuur van de engelen aan. Hij versierde of verfraaide de natuur die Hij aannam niet. Maar door onze natuur aan te nemen, ons vlees en bloed, verenigde Hij die met Zijn eigen Goddelijke Persoon, en daardoor werd zij bekleed met een luister die alles te boven gaat. Dit is het fundament of de grond waarop een verloste zondaar God de eer toebrengt: niet zoals hij in zichzelf is, maar als een lid van Christus, van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen.
Wat een verheven gedachte is het dat de minste gelovige in werkelijkheid meer eer aan God toebrengt dan de hoogste engel in rang, en dat de lijdende gehoorzaamheid van een kind van God hoger in waarde is dan de brandende gehoorzaamheid van een seraf! God de eer toebrengen, dat zou ons hoogste doel en ons vurigste verlangen moeten zijn. Zie hoe de Heere dit op het geweten van Zijn ware discipelen bindt: „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt.” Weinig vrucht brengt God weinig eer toe. Hoe meer rijpe vruchten aan de ranken van de wijnstok groeien, hoe meer ook de Heere verheerlijkt wordt.
Aan de lezer…
Gaat u door een lijdend pad, en vraagt u zich af hoe uw leven toch tot eer van God kan zijn? Het lijkt soms zo arm en zo vruchteloos. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: de lijdende gehoorzaamheid van een kind van God is hoger in waarde dan de brandende gehoorzaamheid van een seraf. Niet omdat u in uzelf iets bent, maar omdat u een lid bent van Christus, Die in Zijn lijdende staat God verheerlijkte en nu verhoogd is aan de rechterhand van de Vader.
Zo is het ook met Zijn volk: wie met Hem lijdt, zal met Hem verheerlijkt worden. Laat dan het woord van de Heere u aansporen: „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt.” Dat is geen last om u neer te drukken, maar een begeerte die Hij Zelf in de ranken van de wijnstok werkt. Blijf dicht bij Hem; alleen uit Hem groeit de rijpe vrucht die God de eer toebrengt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Herein is My Father glorified, that ye bear much fruit; so shall ye be My disciples.
John 15:8
When the Lord Jesus Christ was upon earth He was in a suffering state; and to this suffering image must all His people be conformed. In that suffering state He brought glory to God; and is now exalted to the right hand of the Father. So those who suffer with Him will be also glorified together; and glorious indeed will they be, for they will shine like the stars forever and ever, resplendent in the glorified image of the Son of God. The Apostle therefore says, “When Christ who is our life shall appear, then shall you also appear with Him in glory.”
The Lord did not assume angelic nature. He therefore did not adorn or beautify it; but by assuming our nature, the flesh and blood of the children into union with His own divine Person, He invested it with surpassing luster. This is the foundation on which a redeemed sinner brings glory to God, not in himself, but as being a member of Christ, “of His body, of His flesh, and of His bones.”
What a thought it is, that the lowest believer should actually bring more glory to God than the highest angel; and that the suffering obedience of a saint should be of higher value than the burning obedience of a seraph. To bring glory to God, then, should be our highest aim and most ardent desire. How the Lord urges this upon the consciences of His true disciples, “Herein is My Father glorified, that you bear much fruit.” A little fruit brings but little glory to God. It is in proportion to the amount of rich, ripe fruit that is borne upon the branches of the vine, that the Lord is glorified.
To the reader…
Are you walking a path of suffering, and do you wonder how your life can possibly be to the glory of God? At times it seems so poor and so fruitless. But consider what is said here: the suffering obedience of a child of God is of higher value than the burning obedience of a seraph. Not because you are anything in yourself, but because you are a member of Christ, Who glorified God in His suffering state and is now exalted to the right hand of the Father.
So it is with His people as well: whoever suffers with Him will be glorified with Him. Let the word of the Lord, then, stir you up: “Herein is My Father glorified, that ye bear much fruit.” That is not a burden to weigh you down, but a desire He Himself works in the branches of the vine. Stay close to Him; only out of Him grows the ripe fruit that brings glory to God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En esto es glorificado Mi Padre, en que llevéis mucho fruto, y seáis así Mis discípulos.
Juan 15:8
Cuando el Señor Jesucristo estaba en la tierra, se hallaba en un estado de sufrimiento; y a esta imagen sufriente han de ser conformados todos Sus hijos. En ese estado de sufrimiento Él dio gloria a Dios, y ahora está exaltado a la diestra del Padre. Así también los que padecen con Él serán juntamente glorificados; y gloriosos serán en verdad, porque resplandecerán como las estrellas a perpetua eternidad, radiantes en la imagen glorificada del Hijo de Dios. Por eso dice el apóstol: “Cuando Cristo, vuestra vida, se manifestare, entonces vosotros también seréis manifestados con Él en gloria.”
El Señor no tomó la naturaleza de los ángeles. Por tanto, no la adornó ni la embelleció; pero al tomar nuestra naturaleza, la carne y la sangre de los hijos, en unión con Su propia Persona divina, la revistió de un lustre incomparable. Este es el fundamento sobre el cual un pecador redimido da gloria a Dios, no en sí mismo, sino como miembro de Cristo, “de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos”.
¡Qué pensamiento es este: que el creyente más pequeño dé en realidad más gloria a Dios que el ángel más alto, y que la obediencia sufriente de un santo sea de mayor valor que la obediencia ardiente de un serafín! Dar gloria a Dios debería ser, pues, nuestra meta más alta y nuestro deseo más ardiente. ¡Cómo insiste el Señor en esto sobre la conciencia de Sus verdaderos discípulos: “En esto es glorificado Mi Padre, en que llevéis mucho fruto”! Poco fruto da poca gloria a Dios. El Señor es glorificado en proporción a la cantidad de fruto rico y maduro que se lleva en las ramas de la vid.
Al lector…
¿Anda usted por un camino de sufrimiento, y se pregunta cómo puede su vida ser para gloria de Dios? A veces parece tan pobre y tan estéril. Pero considere lo que aquí se dice: la obediencia sufriente de un hijo de Dios es de mayor valor que la obediencia ardiente de un serafín. No porque usted sea algo en sí mismo, sino porque es miembro de Cristo, que glorificó a Dios en Su estado de sufrimiento y ahora está exaltado a la diestra del Padre.
Así es también con Su pueblo: quien padece con Él será glorificado con Él. Deje, pues, que la palabra del Señor le despierte: “En esto es glorificado Mi Padre, en que llevéis mucho fruto.” No es una carga para abrumarle, sino un deseo que Él mismo obra en las ramas de la vid. Permanezca cerca de Él; solo de Él crece el fruto maduro que da gloria a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl