5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Mijn leer druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes; en als droppelen op het kruid.
Deuteronomium 32:2
In het vallen van de natuurlijke dauw is iets zachts, iets stils en liefelijks. Daarom lezen wij: „Wij zullen hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op de aardbodem valt”1), dat is onbemerkt en ongezien. Hij valt niet neer zoals de kletterende hagel, maar valt stil en dikwijls onmerkbaar, zodat wij haast niet weten dat hij gevallen is, tot wij in de morgen uitgaan en elk blaadje en grasscheutje bedropen zien met de glinsterende dauwdroppels; door die schitterende diamanten zien wij dat de dauw gedurende de stille uren van de nacht gevallen is.
Zo is in het geestelijke het koninkrijk Gods niet in geraas of in wilde opgewondenheid. „De Heere was niet in de wind, noch in de aardbeving, noch in het vuur, maar in het suizen van een zachte stilte” (1 Kon. 19:11, 12). En zo kan er wel godsdienstig vuur zijn, maar niet de tegenwoordigheid Gods gevoeld worden; vleselijke hartstochten in een storm, maar niet „het suizen ener zachte stem” sprekende tot het geweten; een aardbeving zelfs van natuurlijke overtuigingen, maar geen inwendige openbaring van Geest en kracht. Maar wanneer de Geestelijke dauw valt, drupt hij zachtjes, liefelijk en stil in het hart, en hij wordt alleen gevoeld in zijn zoete en gezegende uitwerkingen.
De dauw heeft ook een verzachtende uitwerking, vooral in warme luchtstreken. Daarom lezen wij: „Gij maakt het week door de droppelen” (Psalm 65:11). Hij scheurt de grond niet op als met bliksemstralen, maar bevochtigend en verzachtend dringt hij door in de grond. En zo bevochtigt en verzacht de dauw van Gods genade het hart, vernedert het, doet het smelten en maakt het vruchtbaar; niet door het op te scheuren met de bliksems van Zijn toorn en van Zijn vervloeking, maar door zachtjes en stil erin neer te droppelen, zodat het smelt tot verslagenheid, zachtmoedigheid en Goddelijke smart voor de troon van genade en barmhartigheid.
Ps. 84:3, berijmd
1) In ’t Engels staat er: „wij zullen op hem vallen of neerstrijken.”
Aan de lezer…
Hoe stil werkt de Heere dikwijls! Zoekt u Hem toch in geraas en opgewondenheid? Denkt u dat Hij alleen werkt waar het stormt en waar de grond scheurt? Dan kunt u zomaar voorbijzien aan wat Hij in stilte doet. Want het koninkrijk Gods komt niet met kletterende hagel, maar als de dauw: zacht, onbemerkt, in de stille uren van de nacht. Pas in de morgen ziet men de glinsterende druppels op elk grasscheutje, en weet men dat hij gevallen is.
Zo kan het ook met u zijn. Misschien weet u geen datum en geen plotselinge doorbraak te noemen, maar hebt u wel gemerkt dat uw hart week werd, dat het smolt tot verslagenheid en Goddelijke smart voor de troon der genade. Dat is de werking van de dauw van Gods genade. Hij scheurt niet open met de bliksems van Zijn toorn, maar verzacht, vernedert en maakt vruchtbaar. Bid dan dat Zijn leer op u drupt als een regen, en Zijn rede vloeit als een dauw op uw dorre ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Mijn leer druppe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes; en als droppelen op het kruid.
Deuteronomium 32:2
In het vallen van de natuurlijke dauw is iets zachts, iets stils en lieflijks. Daarom lezen wij: „Wij zullen hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op de aardbodem valt”1), dat wil zeggen: onopgemerkt en ongezien. De dauw valt niet neer zoals kletterende hagel, maar valt stil en vaak onmerkbaar, zodat wij nauwelijks weten dat hij gevallen is. Pas wanneer wij in de morgen naar buiten gaan, zien wij elk blaadje en elk grasscheutje bedekt met glinsterende dauwdruppels. Aan die schitterende diamanten zien wij dat de dauw in de stille uren van de nacht gevallen is.
Zo komt ook in het geestelijke het koninkrijk van God niet met lawaai of wilde opwinding. „De Heere was niet in de wind, noch in de aardbeving, noch in het vuur, maar in het suizen van een zachte stilte” (1 Kon. 19:11, 12). Zo kan er wel godsdienstig vuur zijn, terwijl de tegenwoordigheid van God niet gevoeld wordt. Er kunnen vleselijke hartstochten zijn als in een storm, maar niet „het suizen ener zachte stem” dat tot het geweten spreekt. Er kan zelfs een aardbeving van natuurlijke overtuigingen zijn, maar geen inwendige openbaring van Geest en kracht. Maar wanneer de geestelijke dauw valt, druppelt hij zacht, lieflijk en stil in het hart, en hij wordt alleen gevoeld in zijn zoete en gezegende uitwerkingen.
De dauw heeft ook een verzachtende uitwerking, vooral in warme streken. Daarom lezen wij: „Gij maakt het week door de droppelen” (Psalm 65:11). Hij scheurt de grond niet open zoals bliksemstralen dat doen, maar dringt bevochtigend en verzachtend in de grond door. Zo bevochtigt en verzacht ook de dauw van Gods genade het hart; hij vernedert het, doet het smelten en maakt het vruchtbaar. Dat gebeurt niet doordat Hij het openscheurt met de bliksems van Zijn toorn en Zijn vloek, maar doordat de dauw zacht en stil erin neerdruppelt, zodat het hart smelt tot verslagenheid, zachtmoedigheid en Goddelijke droefheid voor de troon van genade en barmhartigheid.
Ps. 84:3, berijmd
1) In ’t Engels staat er: „wij zullen op hem vallen of neerstrijken.”
Aan de lezer…
Hoe stil werkt de Heere vaak! Zoekt u Hem toch in lawaai en opwinding? Denkt u dat Hij alleen werkt waar het stormt en waar de grond openscheurt? Dan kunt u zomaar voorbijzien aan wat Hij in stilte doet. Want het koninkrijk van God komt niet met kletterende hagel, maar als de dauw: zacht, onopgemerkt, in de stille uren van de nacht. Pas in de morgen ziet men de glinsterende druppels op elk grasscheutje, en weet men dat hij gevallen is.
Zo kan het ook met u zijn. Misschien kunt u geen datum en geen plotselinge doorbraak noemen, maar hebt u wel gemerkt dat uw hart week werd, dat het smolt tot verslagenheid en Goddelijke droefheid voor de troon van de genade. Dat is de werking van de dauw van Gods genade. Hij scheurt niet open met de bliksems van Zijn toorn, maar verzacht, vernedert en maakt vruchtbaar. Bid dan dat Zijn leer op u druppelt als een regen, en dat Zijn rede als een dauw vloeit op uw dorre ziel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
My doctrine shall drop as the rain, my speech shall distil as the dew, as the small rain upon the tender herb, and as the showers upon the grass.
Deuteronomy 32:2
In the falling of the natural dew there is something soft, still, and gentle. We therefore read, “We will light upon him as the dew falleth on the ground” (2 Sam. 17:12), that is, stealthily and unseen. It does not rush down like the pelting hail, but falls stilly and often imperceptibly; so that we scarcely know it has fallen, until we go out in the morning and see every blade of grass tipped with the sparkling dew-drops; by these bright gems we know that dew has fallen during the still hours of the night.
So spiritually, the kingdom of God is not in noise, rant, or wild excitement. The Lord was not in the strong wind, nor in the earthquake, nor in the fire, but in the still small voice (1 Kings 19:11, 12). And thus there may be a great deal of religious fire, but no presence of God felt; fleshly passions worked up into a storm, but no “still small voice” speaking to the conscience; a very earthquake of natural convictions, but no inward “demonstration of the Spirit and of power.” But when the spiritual dew falls, it drops gently, softly, and stilly into the heart, and it is only known by the sweet and blessed effects it produces.
Dew also has a softening effect, especially in warm climates, where it falls very copiously. We therefore read, “Thou makest it soft with showers” (Psalm 65:10). It does not tear up the ground as with thunderbolts, but by moistening and softening penetrates into the soil. And thus the dew of God’s grace moistens and softens the heart, humbles, dissolves, and fertilizes it; not by tearing it up with the thunderbolts of wrath and condemnation, but by dropping gently and stilly into it, so as to melt it into contrition, meekness, and godly sorrow before the throne of mercy and grace.
To the reader…
How quietly the Lord often works! Do you still look for Him in noise and excitement? Do you think He works only where storms blow and the ground is torn open? Then you may easily overlook what He does in silence. For the kingdom of God does not come with pelting hail, but like the dew: softly, unnoticed, in the still hours of the night. Only in the morning does one see the sparkling drops on every blade of grass, and know that it has fallen.
So it may be with you as well. Perhaps you cannot name a date or a sudden breakthrough, but you have noticed that your heart grew soft, that it melted into contrition and godly sorrow before the throne of grace. That is the working of the dew of God’s grace. He does not tear open with the thunderbolts of His wrath, but softens, humbles and makes fruitful. Pray, then, that His doctrine may drop upon you as the rain, and that His speech may distil as the dew upon your dry soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Goteará como la lluvia mi doctrina; destilará como el rocío mi razonamiento; como la llovizna sobre la grama, y como las gotas sobre la hierba.
Deuteronomio 32:2
En la caída del rocío natural hay algo suave, quieto y apacible. Por eso leemos: “Caeremos sobre él como cuando el rocío cae sobre la tierra” (2 Samuel 17:12), es decir, sigilosamente y sin ser vistos. No se precipita como el granizo que azota, sino que cae quedamente y muchas veces de modo imperceptible; de modo que apenas sabemos que ha caído, hasta que salimos por la mañana y vemos cada brizna de hierba coronada de centelleantes gotas de rocío; por estas joyas brillantes sabemos que el rocío ha caído durante las horas silenciosas de la noche.
Así, espiritualmente, el reino de Dios no consiste en ruido, en arrebatos ni en exaltación desenfrenada. El Señor no estaba en el viento fuerte, ni en el terremoto, ni en el fuego, sino en el silbo apacible y delicado (1 Reyes 19:11, 12). Y así puede haber mucho fuego religioso, pero ninguna presencia de Dios sentida; pasiones carnales agitadas hasta formar una tormenta, pero ningún “silbo apacible y delicado” que hable a la conciencia; un verdadero terremoto de convicciones naturales, pero ninguna “demostración del Espíritu y de poder” interior. Pero cuando cae el rocío espiritual, gotea en el corazón suave, dulce y quedamente, y solo se conoce por los efectos dulces y benditos que produce.
El rocío tiene también un efecto ablandador, especialmente en los climas cálidos, donde cae muy copiosamente. Por eso leemos: “Ablándasla con lluvias” (Salmo 65:10). No desgarra la tierra como con rayos, sino que, humedeciéndola y ablandándola, penetra en el suelo. Y así el rocío de la gracia de Dios humedece y ablanda el corazón, lo humilla, lo disuelve y lo fertiliza; no desgarrándolo con los rayos de la ira y la condenación, sino goteando en él suave y quedamente, de modo que lo derrite en contrición, mansedumbre y tristeza según Dios delante del trono de la misericordia y de la gracia.
Al lector…
¡Con qué quietud obra a menudo el Señor! ¿Le busca usted todavía en el ruido y la agitación? ¿Piensa que Él obra solo donde soplan tormentas y la tierra se desgarra? Entonces puede fácilmente pasar por alto lo que Él hace en silencio. Porque el reino de Dios no viene con granizo que azota, sino como el rocío: suavemente, sin ser notado, en las horas silenciosas de la noche. Solo por la mañana se ven las gotas centelleantes en cada brizna de hierba, y se sabe que ha caído.
Así puede ser también con usted. Quizá no pueda señalar una fecha ni un cambio repentino, pero ha notado que su corazón se ablandó, que se derritió en contrición y tristeza según Dios delante del trono de la gracia. Esa es la obra del rocío de la gracia de Dios. Él no desgarra con los rayos de Su ira, sino que ablanda, humilla y hace fructificar. Pida, pues, que Su doctrina gotee sobre usted como la lluvia, y que Su razonamiento destile como el rocío sobre su alma seca.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De Doorbreker
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
We lezen in het boek Job over hen die met opgeheven schilden tegen God aanlopen (Job 15:26). Dit zijn andere personen dan degenen die bij de voetbank van God wachten. „Stilzitten zal hun sterkte zijn” (Jes. 30:7). Net zo was het bij de kinderen van Israël: zij haastten zich niet door de zee, maar ze wachtten tot God verscheen; en toen God verscheen en Mozes de zee aanraakte met zijn staf en de doorgang geopend werd, toen liepen zij erdoorheen. Zo is het ook geestelijk: er is geen voortgang, tenzij God voor de ziel uitgaat; en onmiddellijk nadat de Doorbreker is gekomen en voorgaat, gaat de ziel verder; als Hij stopt, stopt de ziel; als Hij beweegt, beweegt zij.
En wat gebeurt er dan? „Zij gaan door de poort.” Hier is de poort die voordien voor hen gesloten was, en ze konden er niet doorheen gaan; maar als de Doorbreker hen voorgaat, dan wordt de poort geopend, en ze gaan door de poort met de Doorbreker in hun spits. En beschrijft dit niet op een heerlijke, uitnemende wijze de manier waarop Gods volk voorwaarts gaat?
Deze poort duidt niet alleen, misschien niet eens hoofdzakelijk, op de smalle en rechte doorgang die naar het eeuwige leven leidt. Er bestaan daarnaast andere poorten, want we lezen: „Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart” (Jes. 26:2). En dus is de poort waarover hier wordt gesproken niet alleen, misschien niet hoofdzakelijk, de smalle doorgang, maar hij is ook elk van die moeilijkheden die op het pad liggen en die met een gesloten poort kunnen worden vergeleken. Maar als de Doorbreker hen voorgaat, opent Hij de poort.
Lezen: Jesaja 26:1-12
Aan de lezer…
Wanneer de poort nog dicht is, wordt u dan ongeduldig? Wilt u er met eigen kracht tegenaan lopen, met opgeheven schild? Er staat een ander woord voor u: „Stilzitten zal hun sterkte zijn.” Het volk haastte zich niet door de zee; zij wachtten tot God verscheen, en toen de doorgang geopend was, liepen zij erdoor.
Zo gaat het ook met uw ziel. Er is geen voortgang tenzij God voor u uitgaat. Stopt Hij, dan staat u stil; beweegt Hij, dan gaat u mee. Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot wachten bij Zijn voetbank. De gesloten poort waar u nu voor staat, misschien een moeilijkheid in uw huis, uw hart of uw weg, is niet te sterk voor de Doorbreker. Als Hij voorgaat, gaat de poort open, en het rechtvaardige volk gaat daarin.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
In het boek Job lezen we over hen die met opgeheven schilden tegen God aanlopen (Job 15:26). Dat zijn heel andere mensen dan zij die aan de voetbank van God wachten. „Stilzitten zal hun sterkte zijn” (Jes. 30:7). Zo was het ook bij de kinderen van Israël. Zij haastten zich niet door de zee, maar wachtten tot God verscheen. Toen God verscheen, Mozes de zee met zijn staf aanraakte en de doorgang geopend werd, liepen zij erdoorheen. Zo is het ook geestelijk: er is geen voortgang als God niet voor de ziel uitgaat. Zodra de Doorbreker gekomen is en voorgaat, gaat de ziel verder; als Hij stilstaat, staat de ziel stil; als Hij voortgaat, gaat zij mee.
En wat gebeurt er dan? „Zij gaan door de poort.” Hier is de poort die eerst voor hen gesloten was, zodat ze er niet doorheen konden. Maar wanneer de Doorbreker hen voorgaat, wordt de poort geopend en gaan ze erdoor, met de Doorbreker in hun spits. Beschrijft dit niet op een heerlijke en uitnemende wijze hoe Gods volk voortgaat?
Deze poort wijst niet alleen, en misschien niet eens in de eerste plaats, op de enge en smalle doorgang die naar het eeuwige leven leidt. Er zijn ook andere poorten, want we lezen: „Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart” (Jes. 26:2). De poort waarover hier gesproken wordt, is dus niet alleen, en misschien niet in de eerste plaats, de smalle doorgang. Het is ook elke moeilijkheid op het pad die met een gesloten poort kan worden vergeleken. Maar wanneer de Doorbreker hen voorgaat, opent Hij de poort.
Lezen: Jesaja 26:1-12
Aan de lezer…
Wanneer de poort nog dicht is, wordt u dan ongeduldig? Wilt u er met eigen kracht tegenaan lopen, met opgeheven schild? Er staat een ander woord voor u: „Stilzitten zal hun sterkte zijn.” Het volk haastte zich niet door de zee; zij wachtten tot God verscheen, en toen de doorgang geopend was, liepen zij erdoor.
Zo gaat het ook met uw ziel. Er is geen voortgang als God niet voor u uitgaat. Staat Hij stil, dan staat u stil; gaat Hij voort, dan gaat u mee. Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar om te wachten aan Zijn voetbank. De gesloten poort waar u nu voor staat, misschien een moeilijkheid in uw huis, uw hart of op uw weg, is niet te sterk voor de Doorbreker. Als Hij voorgaat, gaat de poort open, en het rechtvaardige volk gaat daarin.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The breaker is come up before them: they have broken up, and have passed through the gate, and are gone out by it: and their King shall pass before them, and the LORD on the head of them.
Micah 2:13
In the book of Job we read of those who run against God upon the thick bosses of their bucklers (Job 15:26). These are very different people from those who wait at God’s footstool. “Their strength is to sit still” (Isaiah 30:7). So it was with the children of Israel. They did not hurry through the sea, but waited until God appeared. When God appeared, and Moses touched the sea with his rod and the passage was opened, they went through. So it is spiritually too: there is no progress unless God goes before the soul. As soon as the Breaker has come and goes before, the soul goes on; when He stands still, the soul stands still; when He goes forward, it goes with Him.
And what happens then? “They have passed through the gate.” Here is the gate which at first was shut against them, so that they could not get through. But when the Breaker goes before them, the gate is opened and they pass through it, with the Breaker at their head. Does this not describe in a glorious and excellent way how the people of God go forward?
This gate does not point only, and perhaps not even chiefly, to the strait and narrow way that leads to eternal life. There are other gates too, for we read: “Open ye the gates, that the righteous nation which keepeth the truth may enter in” (Isaiah 26:2). The gate spoken of here, then, is not only, and perhaps not chiefly, the narrow way. It is also every difficulty in the path that may be compared to a shut gate. But when the Breaker goes before them, He opens the gate.
Reading: Isaiah 26:1-12
To the reader…
When the gate is still shut, do you grow impatient? Would you run against it in your own strength, with your shield raised? There is another word for you: “Their strength is to sit still.” The people did not hurry through the sea; they waited until God appeared, and when the passage was opened, they went through.
So it is with your soul too. There is no progress unless God goes before you. If He stands still, you stand still; if He goes forward, you go with Him. That is no reason for discouragement, but for waiting at His footstool. The shut gate before which you now stand, perhaps a difficulty in your home, your heart or your way, is not too strong for the Breaker. When He goes before, the gate opens, and the righteous nation enters in.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subirá rompedor delante de ellos; romperán y pasarán la puerta, y saldrán por ella: y su rey pasará delante de ellos, y a la cabeza de ellos Jehová.
Miqueas 2:13
En el libro de Job leemos de los que corren contra Dios “en lo grueso de las hombreras de sus escudos” (Job 15:26). Estos son gente muy distinta de los que esperan al pie del estrado de Dios. “Su fortaleza sería estarse quietos” (Isaías 30:7). Así fue con los hijos de Israel. No se apresuraron a cruzar el mar, sino que esperaron hasta que Dios apareció. Cuando Dios apareció, y Moisés tocó el mar con su vara y se abrió el paso, lo atravesaron. Así es también en lo espiritual: no hay avance a menos que Dios vaya delante del alma. En cuanto el Rompedor ha venido y va delante, el alma avanza; cuando Él se detiene, el alma se detiene; cuando Él sigue adelante, ella va con Él.
¿Y qué sucede entonces? “Pasarán la puerta.” He aquí la puerta que al principio estaba cerrada para ellos, de modo que no podían pasar. Pero cuando el Rompedor va delante de ellos, la puerta se abre y la pasan, con el Rompedor a la cabeza. ¿No describe esto de manera gloriosa y excelente cómo avanza el pueblo de Dios?
Esta puerta no señala solo, y quizá ni siquiera principalmente, el camino estrecho y angosto que lleva a la vida eterna. Hay también otras puertas, pues leemos: “Abrid las puertas, y entrará la gente justa, guardadora de verdades” (Isaías 26:2). La puerta de que aquí se habla, pues, no es solo, y quizá no principalmente, el camino angosto. Es también toda dificultad en la senda que pueda compararse a una puerta cerrada. Pero cuando el Rompedor va delante de ellos, Él abre la puerta.
Lectura: Isaías 26:1-12
Al lector…
Cuando la puerta todavía está cerrada, ¿se impacienta usted? ¿Quisiera arremeter contra ella con sus propias fuerzas, con el escudo en alto? Hay otra palabra para usted: “Su fortaleza sería estarse quietos.” El pueblo no se apresuró a cruzar el mar; esperó hasta que Dios apareció, y cuando se abrió el paso, lo atravesó.
Así es también con su alma. No hay avance a menos que Dios vaya delante de usted. Si Él se detiene, usted se detiene; si Él sigue adelante, usted va con Él. Eso no es motivo de desaliento, sino de esperar al pie de Su estrado. La puerta cerrada ante la cual se encuentra ahora, quizá una dificultad en su hogar, en su corazón o en su camino, no es demasiado fuerte para el Rompedor. Cuando Él va delante, la puerta se abre, y la gente justa entra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Filippenzen 3:12
De apostel Paulus, misschien de grootste heilige die ooit op aarde leefde, moest belijden dat hijzelf het nog niet gekregen had. Er was meer nog in Christus dan hij ooit gezien of gekend, gevoeld of gesmaakt had. Er waren hoogten in Zijn heerlijkheid, diepten in Zijn liefde, in Zijn lijden, in Zijn bittere doodsnoden in de hof en aan het kruis, die alle bevatting en begrip te boven gaan. Daarom zegt hij: „Niet dat ik het alrede gekregen heb.” Ik ben nog een kind, een leerling, even zwak als altoos, even hulpbehoevend als voorheen, om te verkrijgen wat ik nodig heb. Ofschoon ik voortga, ofschoon ik vergeet wat achter is, en jaag naar wat voor mij is; ofschoon ik weet wat mijn oogmerk is en wat ik zoek; ofschoon mijn oog eenvoudig is, mijn hart ernstig gestemd, toch is het niet zo alsof ik het alrede gekregen had.
Nu, weeg uzelf af in deze weegschaal en handel oprecht met uzelf. Let wel op deze dingen. Jaagt gij ernaar? Ziet gij dat er iets is dat gesmaakt, gevoeld, getast en verwezenlijkt kan worden van de dierbare zaken van God? Hadt gij ooit enige teugjes, proefjes, drupjes of voorsmaakjes? Is uw hart ooit gesmolten, week geworden of verwarmd door de goedertierenheid en genade van God, door de liefde van Christus? Gevoelde gij ooit dat er een zoetheid, zegen en blijdschap in de zaken Gods was, waarbij niets te vergelijken was?
Is uw hart wel eens door de liefde Gods geopend, zodat ge iets van het leven en van de vrede in uw hart gevoelde, en ge, zo gij op die plaats hadt kunnen blijven, alles gehad zoudt hebben wat nodig was om de dood kalm in het aangezicht te kunnen zien? Welnu, het zijn deze teugjes, smaakjes, drupjes, deze ontdekkingen van hetgeen de Heere is voor gelovige zielen, die de begeerten des harten opwekken en in staat stellen ernaar te jagen.
Maar er komt onverwachts duisternis, de Heere onttrekt Zich, de zonde gaat werkzaam worden, de satan verzoekt, de beproevingen verbijsteren het gemoed, ongeloof steekt de kop op en begint alles te betwijfelen. Dan heeft er geen jagen plaats. Het is rondom duister en somber; Goddelijke zaken zijn uit het gezicht, twijfel en vrees bezetten het gemoed en het schijnt of alles tekort, ver tekort schiet, zodat de vraag in het gemoed opkomt of het op het eind niet alles tekort zal schieten; of wij onszelf niet bedrogen hebben; of alles wat wij ondervonden hebben niet enkel bedrog is geweest.
En bemerk nu waarom dit nodig is. Het maakt de ziel werkzaam, het doet haar opnieuw en wederom naar het bestendige zoeken; het schijnt bij vernieuwing de ogen te openen om te zien wat de ware godsdienst is: dat hij bestaat in de onderwijzingen en werkingen van de Heilige Geest in het hart. Zo worden onze tekortkomingen, gebreken en klachten gelukkig dienstbaar gemaakt en door genade in het werk gesteld om ons op te wekken bij vernieuwing het pad te lopen dat ons voorgesteld is.
Maar verlies dit niet uit het oog, dat de meest begunstigde heilige op aarde reden zal hebben met Paulus te zeggen: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben”; dat is: gerijpt en rijp. Niet volmaakt in kennis, niet volmaakt in het hart, niet volmaakt in God te prijzen, niet volmaakt in het beleven. Ieder kind van God moet zijn onvolmaaktheid belijden, en die onvolmaaktheid is afgedrukt op al wat hij heeft en is; de onvolmaaktheid op alles, behalve op het werk van de Zoon van God, op het kruis en op het werk van God de Heilige Geest in het hart.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie bedroefd is omdat hij het nog niet gekregen heeft. Bent u dat? Kent u uw onvolmaaktheid in kennis, in liefde, in gebed en in wandel? Weet dan dat ook de meest begunstigde heilige moet belijden: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben.” Maar vraag uzelf eerlijk af: hebt u ooit een teugje, een drupje, een voorsmaakje gehad van de liefde van Christus, zodat uw hart smolt en u niets daarmee kon vergelijken?
Dan is het juist die smaak die u doet jagen. En komt er weer duisternis, onttrekt de Heere Zich, steekt het ongeloof de kop op en vraagt u of alles bedrog is geweest, laat de moed dan niet zakken. Ook dat maakt de ziel weer werkzaam, en opent de ogen voor wat de ware godsdienst is: het werk van de Heilige Geest in het hart. Jaag er dan naar, of u het ook grijpen mocht, want Hij Die u gegrepen heeft, laat Zijn werk niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Filippenzen 3:12
De apostel Paulus, misschien de grootste heilige die ooit op aarde leefde, moest belijden dat hij het zelf nog niet gekregen had. Er was nog meer in Christus dan hij ooit gezien of gekend, gevoeld of gesmaakt had. Er waren hoogten in Zijn heerlijkheid en diepten in Zijn liefde, in Zijn lijden, in Zijn bittere doodsnood in de hof en aan het kruis, die alle bevatting en begrip te boven gaan. Daarom zegt hij: „Niet dat ik het alrede gekregen heb.” Ik ben nog een kind, een leerling, even zwak als altijd, even hulpbehoevend als vroeger om te verkrijgen wat ik nodig heb. Al ga ik voort, al vergeet ik wat achter is en jaag ik naar wat voor mij ligt, al weet ik wat mijn doel is en wat ik zoek, al is mijn oog eenvoudig en mijn hart ernstig gestemd, toch is het niet zo alsof ik het al gekregen had.
Weeg uzelf nu op deze weegschaal en wees eerlijk tegenover uzelf. Let goed op deze dingen. Jaagt u ernaar? Ziet u dat er iets is van de dierbare zaken van God wat gesmaakt, gevoeld, getast en werkelijk ervaren kan worden? Hebt u ooit enkele teugjes, proefjes, druppels of voorsmaakjes gehad? Is uw hart ooit gesmolten, week geworden of verwarmd door de goedertierenheid en genade van God, door de liefde van Christus? Hebt u ooit gevoeld dat er een zoetheid, zegen en blijdschap in de zaken van God was waarmee niets te vergelijken was?
Is uw hart weleens door de liefde van God geopend, zodat u iets van het leven en van de vrede in uw hart voelde, en u, als u op die plaats had kunnen blijven, alles gehad zou hebben wat nodig was om de dood kalm in de ogen te zien? Welnu, het zijn deze teugjes, smaakjes en druppels, deze ontdekkingen van wat de Heere is voor gelovige zielen, die de begeerten van het hart opwekken en het in staat stellen ernaar te jagen.
Maar dan komt er onverwacht duisternis. De Heere trekt Zich terug, de zonde wordt werkzaam, de satan verzoekt, de beproevingen verbijsteren het gemoed, het ongeloof steekt de kop op en begint alles te betwijfelen. Dan is er geen jagen meer. Het is rondom duister en somber; de Goddelijke zaken zijn uit het gezicht, twijfel en vrees nemen het gemoed in beslag, en het lijkt alsof alles tekortschiet, ver tekortschiet. Zo komt de vraag op of het op het eind niet alles tekort zal schieten, of wij onszelf niet bedrogen hebben, of alles wat wij ervaren hebben niet louter bedrog is geweest.
Let er nu op waarom dit nodig is. Het maakt de ziel werkzaam; het doet haar opnieuw en telkens weer zoeken naar wat blijvend is. Het lijkt opnieuw de ogen te openen om te zien wat de ware godsdienst is: dat hij bestaat in het onderwijs en de werkingen van de Heilige Geest in het hart. Zo worden onze tekortkomingen, gebreken en klachten gelukkig dienstbaar gemaakt en door genade gebruikt om ons op te wekken opnieuw het pad te lopen dat ons is voorgesteld.
Maar verlies dit niet uit het oog: de meest begunstigde heilige op aarde zal reden hebben om met Paulus te zeggen: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben”; dat wil zeggen: gerijpt en rijp. Niet volmaakt in kennis, niet volmaakt in het hart, niet volmaakt in het prijzen van God, niet volmaakt in het leven. Ieder kind van God moet zijn onvolmaaktheid belijden, en die onvolmaaktheid staat gedrukt op alles wat hij heeft en is. De onvolmaaktheid staat op alles, behalve op het werk van de Zoon van God aan het kruis en op het werk van God de Heilige Geest in het hart.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie bedroefd is omdat hij het nog niet gekregen heeft. Bent u dat? Kent u uw onvolmaaktheid in kennis, in liefde, in gebed en in wandel? Weet dan dat ook de meest begunstigde heilige moet belijden: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben.” Maar vraag uzelf eerlijk af: hebt u ooit een teugje, een druppel, een voorsmaakje gehad van de liefde van Christus, zodat uw hart smolt en u daar niets mee kon vergelijken?
Dan is het juist die smaak die u doet jagen. En komt er weer duisternis, trekt de Heere Zich terug, steekt het ongeloof de kop op en vraagt u zich af of alles bedrog is geweest, laat de moed dan niet zakken. Ook dat maakt de ziel weer werkzaam, en opent de ogen voor wat de ware godsdienst is: het werk van de Heilige Geest in het hart. Jaag er dan naar, of u het ook grijpen mocht, want Hij Die u gegrepen heeft, laat Zijn werk niet varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Not as though I had already attained, either were already perfect: but I follow after, if that I may apprehend that for which also I am apprehended of Christ Jesus.
Philippians 3:12
The Apostle Paul, perhaps the greatest saint that ever lived upon earth, had to confess that even he had not attained. There was that in Christ more than he had ever seen, ever known, ever felt, ever tasted, ever handled, ever realized. There were heights in His glory, depths in His love, in His sufferings, in His bitter agonies in the garden and on the cross, which passed all apprehension and comprehension. Therefore he says, “Not as though I had already attained.” I am a child still, a learner still, as weak as ever, as helpless as ever to obtain what I need. Though I follow on; though I forget the things which are behind and reach forward to the things before; though I know what I am aiming at, what I am seeking; though my eye is single, my heart earnest, yet it is not with me as if I had already attained.
Now just put yourself in that scale; and to measure yourself aright, look at these things. Are you following after? Do you see that there is something which is to be tasted, handled, felt, and realized of the precious things of God? Have you ever had any sips, tastes, drops, foretastes? Has your heart ever been melted, softened, warmed by the goodness and mercy of God, by the love of Christ? Did you ever feel that there was a sweetness, blessedness, and happiness in the things of God to which nothing else could be compared? Has your heart ever been opened and enlarged by the love of God, so that you felt that spirituality of mind which is life and peace; and could you have continued in that spot it would have been to you all that you needed to make you look death calmly in the face?
Now it is these sips, tastes, and drops, these sweet discoveries of what the Lord is to believing souls, which draw forth the desires of the heart and enable it to follow after.
But darkness intervenes—the Lord withdraws Himself, sin works, Satan tempts, trials perplex your mind, unbelief rises up and begins to question everything. Then there is no following on. Everything looks so dark, so gloomy; divine things are so out of sight; doubts and fears so possess the mind; and it seems as if we came so short, so very short, that the question arises whether we may not come short at last; whether we may not have deceived ourselves; whether all we have felt may not have been a dreadful delusion.
And yet see how this works. How it stirs the mind up; how it makes us seek again and again to possess realities; how it seems to open the eyes afresh to see what true religion is, and that it consists in the teachings and operations of the Holy Spirit upon the heart. Thus our very short-comings, deficiencies, and complaints are blessedly overruled and made to work graciously to stir us up to run again the race set before us.
But depend upon it, the most highly-favored saint upon earth will have reason to say with Paul, “Not as though I had already attained, either were already perfect,” that is, matured and ripe. Not perfect in understanding, nor perfect in heart, nor perfect in lip, nor perfect in life. Every saint of God will have to confess imperfection—imperfection stamped upon all that he has and is—imperfection, imperfection upon everything but the work of the Son of God upon the cross and the work of God the Holy Spirit in the soul.
To the reader…
These words are for those who are grieved because they have not yet attained. Is that you? Do you know your imperfection in knowledge, in love, in prayer and in your walk? Know, then, that even the most highly favoured saint must confess, “Not as though I had already attained, either were already perfect.” But ask yourself honestly: have you ever had a sip, a drop, a foretaste of the love of Christ, so that your heart melted and nothing could be compared with it?
Then it is that very taste which makes you follow after. And when darkness comes again, when the Lord withdraws Himself, when unbelief rears its head and you wonder whether it has all been a delusion, do not lose heart. That too stirs the soul up again, and opens the eyes to what true religion is: the work of the Holy Spirit in the heart. Follow after, then, that you may apprehend, for He Who has apprehended you does not forsake His work.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto; sino que prosigo, por ver si alcanzo aquello para lo cual fui también alcanzado de Cristo Jesús.
Filipenses 3:12
El apóstol Pablo, quizá el mayor santo que jamás vivió sobre la tierra, tuvo que confesar que ni aun él había alcanzado. Había en Cristo más de lo que él jamás había visto, conocido, sentido, gustado, palpado o experimentado. Había alturas en Su gloria, profundidades en Su amor, en Sus sufrimientos, en Sus amargas agonías en el huerto y en la cruz, que sobrepasaban toda aprehensión y comprensión. Por eso dice: “No que ya haya alcanzado.” Todavía soy un niño, todavía un aprendiz, tan débil como siempre, tan incapaz como siempre de obtener lo que necesito. Aunque prosigo; aunque olvido lo que queda atrás y me extiendo a lo que está delante; aunque sé a qué apunto y qué busco; aunque mi ojo es sencillo y mi corazón ferviente, no es conmigo como si ya hubiera alcanzado.
Pues bien, póngase usted en esa balanza; y para medirse debidamente, mire estas cosas. ¿Está prosiguiendo? ¿Ve que hay algo de las cosas preciosas de Dios que ha de ser gustado, palpado, sentido y experimentado? ¿Ha tenido alguna vez sorbos, gustos, gotas, anticipos? ¿Se ha derretido, ablandado o calentado alguna vez su corazón por la bondad y la misericordia de Dios, por el amor de Cristo? ¿Sintió alguna vez que había en las cosas de Dios una dulzura, una bienaventuranza y una felicidad con las que nada más podía compararse? ¿Se ha abierto y ensanchado alguna vez su corazón por el amor de Dios, de modo que sintió aquella intención del espíritu que es vida y paz; y si hubiera podido permanecer en ese lugar, habría sido para usted todo lo que necesitaba para mirar a la muerte cara a cara con calma?
Pues bien, son estos sorbos, gustos y gotas, estos dulces descubrimientos de lo que el Señor es para las almas creyentes, los que despiertan los deseos del corazón y lo capacitan para proseguir.
Pero se interponen las tinieblas: el Señor se retira, el pecado obra, Satanás tienta, las pruebas confunden la mente, la incredulidad se levanta y comienza a ponerlo todo en duda. Entonces no hay proseguir. Todo parece tan oscuro, tan sombrío; las cosas divinas están tan fuera de la vista; las dudas y los temores se apoderan de tal modo de la mente; y parece que nos quedamos tan cortos, tan cortísimos, que surge la pregunta de si no nos quedaremos cortos al final; de si no nos habremos engañado a nosotros mismos; de si todo lo que hemos sentido no habrá sido un terrible engaño.
Y sin embargo, vea cómo obra esto. Cómo despierta la mente; cómo nos hace buscar una y otra vez poseer realidades; cómo parece abrir de nuevo los ojos para ver lo que es la verdadera religión, y que consiste en las enseñanzas y operaciones del Espíritu Santo en el corazón. Así, nuestras mismas faltas, deficiencias y quejas son dirigidas para bien de manera bendita, y se hace que obren con gracia para movernos a correr de nuevo la carrera que nos es propuesta.
Pero tenga por cierto que el santo más favorecido sobre la tierra tendrá motivo para decir con Pablo: “No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto”, es decir, maduro y sazonado. Ni perfecto en entendimiento, ni perfecto en corazón, ni perfecto en los labios, ni perfecto en la vida. Todo santo de Dios tendrá que confesar imperfección: imperfección estampada sobre todo lo que tiene y todo lo que es; imperfección, imperfección sobre todo, excepto la obra del Hijo de Dios en la cruz y la obra de Dios Espíritu Santo en el alma.
Al lector…
Estas palabras son para los que se afligen porque todavía no han alcanzado. ¿Es usted uno de ellos? ¿Conoce su imperfección en el conocimiento, en el amor, en la oración y en su andar? Sepa entonces que aun el santo más favorecido tiene que confesar: “No que ya haya alcanzado, ni que ya sea perfecto.” Pero pregúntese con sinceridad: ¿ha tenido alguna vez un sorbo, una gota, un anticipo del amor de Cristo, de modo que su corazón se derritió y nada podía compararse con ello?
Entonces es precisamente ese gusto el que le hace proseguir. Y cuando vuelvan las tinieblas, cuando el Señor se retire, cuando la incredulidad levante la cabeza y se pregunte si todo ha sido un engaño, no se desanime. También eso despierta de nuevo el alma y abre los ojos a lo que es la verdadera religión: la obra del Espíritu Santo en el corazón. Prosiga, pues, por ver si alcanza, porque Aquel que le ha alcanzado no abandona Su obra.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl