vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben.
1 Johannes 3:14
De kinderen Gods hebben in hun eerste dagen een zekere mate van hemelse liefde. Ofschoon zij misschien niet kunnen zeggen dat Jezus hun eigendom is; ofschoon zij niet durven verklaren dat zij naar de hemel gaan wanneer zij sterven; ofschoon zij somtijds niet kunnen verzekeren dat het werk der genade in werkelijkheid aan hun zielen begonnen is, toch is er in hen liefde openbaar geworden: liefde tot Gods Woord, liefde tot Gods volk, liefde tot Gods dienstknechten, liefde tot Gods waarheid. Er is in hun zwakste en tederste dagen een afscheiding van de wereld; een uitstorting van de tederheid van hun hart en hun genegenheid voor dat volk. Goddelijke liefde vindt slechts haar oorsprong in de leringen en werkingen van God aan het hart. Ons „vleselijk gemoed is vijandschap tegen God” — niets dan onverbiddelijke, onverzoenlijke vijandschap.
Maar wanneer het de Heere behaagt Zich enigermate aan de ziel bekend te maken; wanneer het Hem behaagt de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht enigszins op te lichten en Zijn genade en heerlijkheid aan hen te ontdekken — dan ontstaat de liefde onmiddellijk. Hij is zulk een beminnelijk voorwerp! Zoals de bruid zegt: „Hij is geheel en al beminnelijk.” Zijn schoonheid is zo boven alle schoonheid, Zijn genade zo rijk, Zijn barmhartigheid zo vrij — al wat Hij is en heeft, is zo onuitsprekelijk heerlijk — dat Hij nauwelijks Zijn beminnelijk aangezicht heeft ontbloot, of Hij verwerft geheel de liefde van het hart, neemt bezit van de boezem en brengt alle genegenheid der ziel aan het licht, om die geheel en alleen in Zichzelf te verenigen.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
zal ’t schoonste lied van ene Koning zingen.
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,
is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven
gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Gena is op uw lippen uitgestort,
des G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Ps. 45:1
Aan de lezer…
U die niet durft zeggen dat Jezus uw eigendom is, en niet kunt verzekeren dat het werk der genade in waarheid in uw ziel begonnen is: ga eens stil bij uzelf na wat u liefhebt. Is er in u een liefde tot Gods Woord, tot Gods volk, tot Zijn dienstknechten en Zijn waarheid? Voelt u uw hart uitgaan naar hen die de Heere vrezen, terwijl de wereld u steeds vreemder wordt? Zo’n liefde groeit niet uit een vleselijk gemoed, want dat is niets dan vijandschap tegen God.
Waar die liefde is, daar heeft de Heere Zich in enige mate bekendgemaakt en de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een weinig opgelicht. Veracht daarom die zwakke en tedere beginselen niet. Zij zijn een teken dat u overgegaan bent uit de dood in het leven. En zoek meer van Hem, Die geheel en al beminnelijk is, tot Hij al de genegenheden van uw hart geheel en alleen in Zichzelf verenigt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben.
1 Johannes 3:14
De kinderen van God hebben in hun eerste dagen al een zekere mate van hemelse liefde. Misschien kunnen zij niet zeggen dat Jezus hun eigendom is. Misschien durven zij niet te verklaren dat zij naar de hemel gaan wanneer zij sterven. Soms kunnen zij niet met zekerheid zeggen dat het werk van de genade werkelijk in hun ziel begonnen is. Toch is er in hen liefde openbaar geworden: liefde tot Gods Woord, liefde tot Gods volk, liefde tot Gods dienstknechten, liefde tot Gods waarheid. In hun zwakste en tederste dagen is er een afscheiding van de wereld, en gaat de tederheid van hun hart en hun genegenheid uit naar dat volk.
Goddelijke liefde vindt haar oorsprong alleen in het onderwijs en de werking van God in het hart. Ons „vleselijk gemoed is vijandschap tegen God”, niets dan meedogenloze, onverzoenlijke vijandschap. Maar wanneer het de Heere behaagt Zich in enige mate aan de ziel bekend te maken, wanneer het Hem behaagt de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een beetje op te lichten en Zijn genade en heerlijkheid aan hen te ontdekken, dan ontstaat de liefde onmiddellijk. Hij is zo’n beminnelijk Persoon! Zoals de bruid zegt: „Hij is geheel en al beminnelijk.”
Zijn schoonheid gaat alle schoonheid zo te boven, Zijn genade is zo rijk, Zijn barmhartigheid zo vrij, alles wat Hij is en heeft is zo onuitsprekelijk heerlijk, dat Hij Zijn beminnelijk aangezicht nauwelijks heeft ontbloot of Hij wint al de liefde van het hart. Hij neemt bezit van de boezem en brengt alle genegenheden van de ziel aan het licht, om die geheel en alleen in Zichzelf te verenigen.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
zal ’t schoonste lied van ene Koning zingen.
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,
is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven
gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Gena is op uw lippen uitgestort,
des G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Ps. 45:1
Aan de lezer…
U die niet durft te zeggen dat Jezus uw eigendom is, en niet zeker weet dat het werk van de genade werkelijk in uw ziel begonnen is: ga eens stil bij uzelf na wat u liefhebt. Is er in u een liefde tot Gods Woord, tot Gods volk, tot Zijn dienstknechten en Zijn waarheid? Voelt u uw hart uitgaan naar wie de Heere vrezen, terwijl de wereld u steeds vreemder wordt? Zo’n liefde groeit niet uit een vleselijk gemoed, want dat is niets dan vijandschap tegen God.
Waar die liefde is, daar heeft de Heere Zich in enige mate bekendgemaakt en de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een beetje opgelicht. Veracht daarom die zwakke en tedere beginselen niet. Zij zijn een teken dat u overgegaan bent uit de dood in het leven. Zoek dan meer van Hem, Die geheel en al beminnelijk is, totdat Hij alle genegenheden van uw hart geheel en alleen in Zichzelf verenigt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We know that we have passed from death unto life, because we love the brethren.
1 John 3:14
The Lord’s people in their early days have a measure of heavenly love. Though perhaps they cannot say that Jesus is theirs; though they dare not declare they shall certainly go to heaven when they die; though they sometimes cannot even assert that the work of grace is really begun upon their souls; yet there is love manifested in them to God’s Word, God’s people, God’s servants, and God’s truth. There is in them, in their weakest and tenderest days, a separation from the world, a casting-in of their lot among the people of God, a going-out in the tenderness of their heart and affection towards them. We see this in Ruth—though she was a poor heathen idolatress, no sooner was her heart touched by the finger of God, than she cleaved to Naomi.
Love to Christ can only spring from the teachings and operations of God upon the heart. Our “carnal mind is enmity against God”—nothing but implacable, irreconcilable enmity. But when the Lord is pleased to make Himself, in some measure, known to the soul; when He is pleased, in some degree, to unveil His lovely face, and to give a discovery of His grace and glory—immediately divine love springs up. He is so lovely an Object! As the Bride says, He is “altogether lovely.” His beauty is so surpassing, His grace so rich, His mercy so free—all that He is and has is so unspeakably glorious—that no sooner does He unveil His lovely face, than He wins over all the love of the heart, takes possession of the bosom, and draws every affection of the soul to center wholly and solely in Himself.
To the reader…
You who dare not say that Jesus is yours, and are not sure that the work of grace has really begun in your soul: quietly ask yourself what you love. Is there in you a love to God’s Word, to God’s people, to His servants and His truth? Do you feel your heart going out to those who fear the Lord, while the world becomes ever more strange to you? Such love does not grow out of a carnal mind, for that is nothing but enmity against God.
Where that love is, the Lord has made Himself known in some measure and has lifted the veil of His lovely face a little. So do not despise those weak and tender beginnings. They are a sign that you have passed from death unto life. Seek more of Him, then, Who is altogether lovely, until He draws every affection of your heart to centre wholly and solely in Himself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nosotros sabemos que hemos pasado de muerte a vida, en que amamos a los hermanos.
1 Juan 3:14
El pueblo del Señor, en sus primeros días, tiene una medida de amor celestial. Aunque quizá no puedan decir que Jesús es suyo; aunque no se atrevan a declarar que con seguridad irán al cielo cuando mueran; aunque a veces ni siquiera puedan afirmar que la obra de gracia ha comenzado realmente en su alma, sin embargo se manifiesta en ellos amor a la Palabra de Dios, al pueblo de Dios, a los siervos de Dios y a la verdad de Dios. Hay en ellos, en sus días más débiles y tiernos, una separación del mundo, un echar su suerte con el pueblo de Dios, un salir hacia ellos con la ternura de su corazón y de su afecto. Esto lo vemos en Rut: aunque era una pobre idólatra pagana, tan pronto como su corazón fue tocado por el dedo de Dios, se allegó a Noemí.
El amor a Cristo solo puede brotar de las enseñanzas y operaciones de Dios en el corazón. En nosotros, “la intención de la carne es enemistad contra Dios”: nada sino enemistad implacable e irreconciliable. Pero cuando el Señor tiene a bien darse a conocer en alguna medida al alma; cuando tiene a bien, en algún grado, descubrir Su rostro hermoso y dar un descubrimiento de Su gracia y gloria, al instante brota el amor divino. ¡Es un Objeto tan hermoso! Como dice la Esposa, Él es “todo codiciable”. Su hermosura es tan incomparable, Su gracia tan rica, Su misericordia tan libre, todo lo que Él es y tiene es tan indeciblemente glorioso, que tan pronto como descubre Su rostro hermoso, gana todo el amor del corazón, toma posesión del pecho y atrae todo afecto del alma a centrarse total y únicamente en Él.
Al lector…
Usted que no se atreve a decir que Jesús es suyo, y que no está seguro de que la obra de gracia haya comenzado realmente en su alma: pregúntese con calma qué es lo que ama. ¿Hay en usted amor a la Palabra de Dios, al pueblo de Dios, a Sus siervos y a Su verdad? ¿Siente que su corazón sale hacia los que temen al Señor, mientras el mundo se le hace cada vez más extraño? Tal amor no crece de una mente carnal, porque esta no es sino enemistad contra Dios.
Donde está ese amor, el Señor se ha dado a conocer en alguna medida y ha alzado un poco el velo de Su rostro hermoso. No menosprecie, pues, esos comienzos débiles y tiernos. Son señal de que usted ha pasado de muerte a vida. Busque, pues, más de Aquel que es todo codiciable, hasta que atraiga todo afecto de su corazón a centrarse total y únicamente en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan.
1 Kronieken 16:8
Alles wat de Heere voor u heeft gedaan door Zijn Geest en genade, is een voorwerp en een zaak van lof; maar als dat te hoog gegrepen is voor u, kunt u beginnen met daden van barmhartigheid door de Voorzienigheid. Een goede vriend van mij was enkele jaren lang dichtgeklapt, niet doordat hij afvallig was geworden, want hij bleef naar het verkondigde Woord luisteren en woonde de genademiddelen even regelmatig bij als iedereen. Hij kwam telkens weer naar mij luisteren als ik in Londen was. Toen hij in die toestand verkeerde, had hij het gevoel dat hij naar de hel behoorde te gaan en nauwelijks kon hopen op de hemel.
Maar er was een tijdelijke omstandigheid die rond die tijd speelde, waardoor er zich donkere wolken boven hem samenpakten. „Nu,” zei hij tegen zichzelf, „ik kan in ieder geval de Heere vragen deze wereldse zaak recht te zetten. Misschien luistert Hij wel naar mij en hoort Hij mij aan over deze zaak.” En terwijl die gedachte in zijn hoofd omging, viel hij op zijn knieën, en de Heere drong zijn ziel binnen met de zoete belofte: „Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden” (Matth. 7:7; Luk. 11:9). En toen kwam hij ertoe te smeken om geestelijke daden van barmhartigheid, omdat de Heere in zijn ziel keek; en als antwoord verbrak de Heere zijn gebondenheid en zegende hem op zoete wijze met herstellende barmhartigheid en vergevende liefde.
Hij begon een God van de Voorzienigheid te danken en eindigde met het loven van een God van genade; hij begon met het voorleggen van een wereldse moeilijkheid aan God, en het eindigde ermee dat de Heere leven aan zijn ziel verleende. Ook u kunt dit proberen. Als u angst of twijfel hebt, komt dit door uw tijdelijke moeilijkheden en omstandigheden. U kunt Zijne genadige Majesteit uw verzoeken voorleggen. Als u Hem kunt danken voor wat Hij voor u heeft gedaan in wereldse aangelegenheden, gaat uw hart hierdoor wellicht open om de weg vrij te maken, zodat de Heere uw ziel kan binnengaan en u met vreugde en vrede kan vervullen.
Lezen: Psalm 34
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u zich dichtgeklapt, gebonden en ver van de Heere voelt, zodat het loven van Zijn genade u te hoog gegrepen schijnt. U hoort het Woord, u zit onder de middelen, en toch is het binnen zo donker, alsof u eerder bij de hel dan bij de hemel hoort. Wanhoop dan niet. Begin daar waar u beginnen kunt. Is er een zorg in uw huis, een moeilijkheid in uw dagelijks leven, een wolk die zich boven u samenpakt? Leg haar neer voor Zijne genadige Majesteit.
Hij, Die zegt: „Bidt, en u zal gegeven worden”, hoort ook een gebed om een tijdelijke zaak. En wie weet of Hij u niet langs die weg tegemoet komt, zodat u begint met Hem te danken als de God der Voorzienigheid en eindigt met Hem te loven als de God van alle genade? Zo kan Hij de gebondenheid verbreken en uw ziel binnengaan met herstellende barmhartigheid en vergevende liefde, en u vervullen met vreugde en vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan.
1 Kronieken 16:8
Alles wat de Heere door Zijn Geest en genade voor u heeft gedaan, is een voorwerp en een reden van lof. Maar als dat u te hoog gegrepen is, kunt u beginnen bij de daden van barmhartigheid in de Voorzienigheid. Een goede vriend van mij was enkele jaren lang dichtgeklapt. Dat kwam niet doordat hij afvallig was geworden, want hij bleef naar het verkondigde Woord luisteren en bezocht de genademiddelen even trouw als ieder ander. Telkens wanneer ik in Londen was, kwam hij naar mij luisteren. In die toestand had hij het gevoel dat hij naar de hel behoorde te gaan en nauwelijks op de hemel kon hopen.
Maar rond die tijd speelde er een tijdelijke omstandigheid waardoor zich donkere wolken boven hem samenpakten. „Nu,” zei hij tegen zichzelf, „ik kan in ieder geval de Heere vragen deze wereldse zaak recht te zetten. Misschien luistert Hij wel naar mij en hoort Hij mij aan over deze zaak.” Terwijl die gedachte door zijn hoofd ging, viel hij op zijn knieën, en de Heere drong zijn ziel binnen met de zoete belofte: „Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden” (Matth. 7:7; Luk. 11:9). Toen kwam hij ertoe om geestelijke daden van barmhartigheid te smeken, omdat de Heere in zijn ziel keek. En als antwoord verbrak de Heere zijn gebondenheid en zegende Hij hem op zoete wijze met herstellende barmhartigheid en vergevende liefde.
Hij begon met het danken van een God van de Voorzienigheid en eindigde met het loven van een God van genade. Hij begon met het voorleggen van een wereldse moeilijkheid aan God, en het eindigde ermee dat de Heere leven aan zijn ziel schonk. Ook u kunt dit proberen. Misschien komen uw angst of twijfel voort uit uw tijdelijke moeilijkheden en omstandigheden. U kunt Zijn genadige Majesteit uw verzoeken voorleggen. Als u Hem kunt danken voor wat Hij in wereldse zaken voor u heeft gedaan, gaat uw hart daardoor misschien open en wordt de weg vrijgemaakt, zodat de Heere uw ziel kan binnengaan en u met vreugde en vrede kan vervullen.
Lezen: Psalm 34
Aan de lezer…
Het kan gebeuren dat u zich dichtgeklapt, gebonden en ver van de Heere voelt, zodat het loven van Zijn genade u te hoog gegrepen lijkt. U hoort het Woord, u zit onder de middelen, en toch is het vanbinnen zo donker, alsof u eerder bij de hel dan bij de hemel hoort. Wanhoop dan niet. Begin daar waar u beginnen kunt. Is er een zorg in uw huis, een moeilijkheid in uw dagelijks leven, een wolk die zich boven u samenpakt? Leg haar neer voor Zijn genadige Majesteit.
Hij, Die zegt: „Bidt, en u zal gegeven worden”, hoort ook een gebed om een tijdelijke zaak. En wie weet komt Hij u juist langs die weg tegemoet, zodat u begint met Hem te danken als de God van de Voorzienigheid en eindigt met Hem te loven als de God van alle genade. Zo kan Hij de gebondenheid verbreken en uw ziel binnengaan met herstellende barmhartigheid en vergevende liefde, en u vervullen met vreugde en vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Give thanks unto the LORD, call upon His name.
1 Chronicles 16:8
All that the Lord has done for you by His Spirit and grace is a subject and a reason for praise. But if that is too high for you, you may begin with the mercies of Providence. A dear friend of mine was shut up for some years. That was not because he had become a backslider, for he kept on hearing the preached Word and attended the means of grace as faithfully as anyone. Whenever I was in London, he came to hear me. In that state he felt that he ought to go to hell and could scarcely hope for heaven.
But about that time some temporal circumstance arose by which dark clouds gathered over him. “Well,” he said to himself, “I can at least ask the Lord to set this worldly matter right. Perhaps He will listen to me and hear me about this matter.” As that thought passed through his mind, he fell upon his knees, and the Lord broke into his soul with the sweet promise, “Ask, and it shall be given you; seek, and ye shall find; knock, and it shall be opened unto you” (Matt. 7:7; Luke 11:9). Then he was led to plead for spiritual mercies, because the Lord looked into his soul. And in answer the Lord broke his bondage and sweetly blessed him with restoring mercy and pardoning love.
He began by thanking a God of Providence and ended by praising a God of grace. He began by laying a worldly difficulty before God, and it ended with the Lord giving life to his soul. You too may try this. Perhaps your fear or doubt springs from your temporal difficulties and circumstances. You may lay your requests before His gracious Majesty. If you can thank Him for what He has done for you in worldly matters, your heart may perhaps open by it and the way be made clear, so that the Lord may enter your soul and fill you with joy and peace.
Reading: Psalm 34
To the reader…
It may happen that you feel shut up, bound and far from the Lord, so that praising His grace seems too high for you. You hear the Word, you sit under the means, and yet within it is so dark, as if you belonged to hell rather than to heaven. Do not despair. Begin where you can begin. Is there a care in your home, a difficulty in your daily life, a cloud gathering over you? Lay it down before His gracious Majesty.
He Who says, “Ask, and it shall be given you”, hears a prayer about a temporal matter too. And who knows but that He will meet you along that very way, so that you begin by thanking Him as the God of Providence and end by praising Him as the God of all grace. So He can break the bondage and enter your soul with restoring mercy and pardoning love, and fill you with joy and peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Confesad a Jehová, invocad Su nombre.
1 Crónicas 16:8
Todo lo que el Señor ha hecho por usted por Su Espíritu y Su gracia es tema y motivo de alabanza. Pero si eso es demasiado alto para usted, puede comenzar por las misericordias de la Providencia. Un querido amigo mío estuvo encerrado durante algunos años. No era porque se hubiera vuelto un apóstata, pues seguía oyendo la Palabra predicada y asistía a los medios de gracia tan fielmente como cualquiera. Siempre que yo estaba en Londres, venía a oírme. En ese estado sentía que merecía ir al infierno y apenas podía esperar el cielo.
Pero por aquel tiempo surgió cierta circunstancia temporal por la que se juntaron nubes oscuras sobre él. “Bueno”, se dijo, “al menos puedo pedir al Señor que arregle este asunto terrenal. Quizá me escuche y me oiga en este asunto.” Mientras ese pensamiento pasaba por su mente, cayó de rodillas, y el Señor irrumpió en su alma con la dulce promesa: “Pedid, y se os dará; buscad, y hallaréis; llamad, y se os abrirá” (Mateo 7:7; Lucas 11:9). Entonces fue llevado a suplicar misericordias espirituales, porque el Señor miró en su alma. Y en respuesta el Señor rompió su servidumbre y le bendijo dulcemente con misericordia restauradora y amor perdonador.
Comenzó dando gracias a un Dios de providencia y terminó alabando a un Dios de gracia. Comenzó presentando a Dios una dificultad terrenal, y terminó con el Señor dando vida a su alma. También usted puede intentarlo. Quizá su temor o su duda brota de sus dificultades y circunstancias temporales. Puede presentar sus peticiones delante de Su Majestad llena de gracia. Si puede darle gracias por lo que ha hecho por usted en los asuntos terrenales, quizá su corazón se abra por ello y el camino quede despejado, para que el Señor entre en su alma y le llene de gozo y paz.
Lectura: Salmo 34
Al lector…
Puede suceder que se sienta encerrado, atado y lejos del Señor, de modo que alabar Su gracia le parezca demasiado alto. Oye la Palabra, asiste a los medios, y sin embargo dentro está tan oscuro, como si perteneciera más al infierno que al cielo. No se desespere. Comience donde pueda comenzar. ¿Hay una preocupación en su hogar, una dificultad en su vida diaria, una nube que se junta sobre usted? Póngala delante de Su Majestad llena de gracia.
Aquel que dice: “Pedid, y se os dará”, oye también una oración acerca de un asunto temporal. ¿Y quién sabe si no le saldrá al encuentro precisamente por ese camino, de modo que comience dándole gracias como el Dios de la providencia y termine alabándole como el Dios de toda gracia? Así puede Él romper la servidumbre y entrar en su alma con misericordia restauradora y amor perdonador, y llenarle de gozo y paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De HEERE heeft alle ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Jesaja 53:6
Welk hart kan bevatten, welke tong het uitdrukken, wat de heilige ziel van Christus heeft moeten dóórstaan toen de Heere onze ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen? Wat een last van schuld, wat een gewicht van zonde, wat een ondragelijke last van de toorn Gods moest de heilige menselijke natuur doorstaan; zodanig, dat de druk der smart en ellende Hem grote druppelen bloeds deed zweten, die op de aarde afliepen. De menselijke natuur, als het ware in haar zwakheid teruggevallen vanwege de beker der smart, die Hem op de hand was gezet geworden! Zijn lichaam kon nauwelijks de last die Hem drukte dragen; Zijn ziel, onder de baren en golven van de toorn Gods, zonk in grondeloze modder, waar Hij niet staan kon, en was gekomen in de diepten der wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). En hoe kon het ook anders zijn, toen die heilige mensheid geheel de toorn Gods moest torsen, de angsten der hel moest dragen en al de diepten van schuld en verschrikking moest doorwaden?
Toen de Heere zonde voor ons gemaakt werd en Hij in Zijn heilige ziel heeft gedragen alle folteringen, verschrikkingen, ellende en schuld die de uitverkorenen tot in alle eeuwigheid in de hel hadden moeten dragen, en dit niet slechts zoals één van hen zou hebben moeten lijden, maar zoals al de uitverkorenen bij elkaar genomen zouden hebben móeten ondervinden onder de uitgieting van de eeuwigdurende toorn Gods. De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld, de onuitsprekelijke schrik en afschuw die iemand of allen van Zijn levend gemaakt volk ooit hebben ondervonden onder een gevoel van de toorn Gods, onder de vloek der wet en de verschrikking der hel, zijn slechts flauwe, zwakke weerspiegelingen van hetgeen de Heere ondervonden heeft in de hof en op het kruis. Want daar waren in Zijn geval vergezellende omstandigheden die zij niet hebben en inderdaad niet kunnen hebben, en die de benauwdheid en smart van Zijn heilige ziel, in haar natuur en mate, zodanig deden zijn zoals Hij alleen maar kon gevoelen en kennen.
Hij, als de Zoon van God, Die voor de grondvesting der wereld in Zijn boezem gelegen had, had alle zaligheid en blijdschap van de liefde en gunst des Vaders van Zijn eigen Vader genoten, want Hij was een voedsterling bij Hem en Zijn dagelijkse vermakingen (Spreuken 8:30). Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen ondervond, in plaats van de uitlatingen van Zijn gunst de fronselingen en de verschrikkingen van Zijn toorn, en in plaats van het licht Zijns aanschijns de duisternis en het vreselijke der verlating smaken moest – wiens hart kan het bevatten en welke tong het uitspreken, welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg wel moet hebben bekneld?
Aan de lezer…
Soms laat de Heere een ziel iets voelen van de toorn Gods over haar zonden, van de vloek der wet en de verschrikking van een schuldig geweten. Hebt u dat gekend, en hebt u gedacht dat niemand zo diep in de modder kon wegzinken als u? Zie dan op Hem, op Wie de Heere alle ongerechtigheid heeft doen aanlopen. Wat u ooit gevoeld hebt, is slechts een flauwe, zwakke weerspiegeling van wat Hij in de hof en aan het kruis heeft doorstaan, toen de beker der smart Hem op de hand werd gezet en de vloed Hem overstroomde.
Hij, Die van eeuwigheid in de boezem des Vaders lag, heeft de duisternis der verlating gesmaakt, opdat Zijn volk het licht van Gods aangezicht niet eeuwig zou missen. Laat dat uw hart verootmoedigen, maar laat het u ook moed geven. Een last die Hij gedragen heeft, behoeft een arme zondaar niet meer te torsen. Zie daarom met uw schuld op de lijdende Borg, en buig u in aanbidding neer bij de liefde die zo diep wilde afdalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De HEERE heeft alle ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Jesaja 53:6
Welk hart kan bevatten, welke tong kan uitdrukken wat de heilige ziel van Christus moest dóórstaan toen de Heere onze ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen? Wat een last van schuld, wat een gewicht van zonde, wat een ondraaglijke last van de toorn van God moest de heilige menselijke natuur doorstaan! Zo zwaar, dat de druk van smart en ellende Hem grote druppels bloed deed zweten, die op de aarde vielen. De menselijke natuur bezweek als het ware in haar zwakheid onder de beker van smart die Hem in de hand was gegeven! Zijn lichaam kon de last die op Hem drukte nauwelijks dragen. Zijn ziel zonk onder de baren en golven van Gods toorn weg in grondeloze modder, waar Hij niet staan kon; Hij was gekomen in de diepten van de wateren, waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). En hoe kon het ook anders, toen die heilige mensheid heel de toorn van God moest torsen, de angsten van de hel moest dragen en alle diepten van schuld en verschrikking moest doorwaden?
Zo was het toen de Heere voor ons tot zonde gemaakt werd en Hij in Zijn heilige ziel alle folteringen, verschrikkingen, ellende en schuld heeft gedragen die de uitverkorenen tot in alle eeuwigheid in de hel hadden moeten dragen. En dat niet alleen zoals één van hen had moeten lijden, maar zoals alle uitverkorenen samen het hadden moeten ondervinden onder de uitstorting van de eeuwige toorn van God. De angst, de benauwdheid, de duisternis, de veroordeling, de schaamte, de schuld, de onuitsprekelijke schrik en afschuw die iemand of allen van Zijn levend gemaakt volk ooit hebben ondervonden onder een gevoel van Gods toorn, onder de vloek van de wet en de verschrikking van de hel, zijn slechts vage, zwakke weerspiegelingen van wat de Heere ondervonden heeft in de hof en aan het kruis. Want bij Hem kwamen er omstandigheden bij die zij niet hebben en ook niet kunnen hebben. Die maakten de benauwdheid en smart van Zijn heilige ziel, in aard en mate, zo, dat alleen Hij die kon voelen en kennen.
Hij had als de Zoon van God, Die vóór de grondlegging van de wereld in Zijn boezem gelegen had, alle zaligheid en blijdschap van de liefde en gunst van de Vader genoten bij Zijn eigen Vader, want Hij was een voedsterling bij Hem en Zijn dagelijkse vermakingen (Spreuken 8:30). Toen Hij dan in plaats van liefde Zijn ongenoegen ondervond, in plaats van de uitingen van Zijn gunst het fronsen en de verschrikkingen van Zijn toorn, en in plaats van het licht van Zijn aangezicht de duisternis en het vreselijke van de verlating moest smaken – wiens hart kan het bevatten en welke tong kan het uitspreken, welke bittere angst de ziel van onze lijdende Borg moet hebben beklemd?
Aan de lezer…
Soms laat de Heere een ziel iets voelen van de toorn van God over haar zonden, van de vloek van de wet en de verschrikking van een schuldig geweten. Hebt u dat gekend, en hebt u gedacht dat niemand zo diep in de modder kon wegzinken als u? Zie dan op Hem, op Wie de Heere alle ongerechtigheid heeft doen aanlopen. Wat u ooit gevoeld hebt, is slechts een vage, zwakke weerspiegeling van wat Hij in de hof en aan het kruis heeft doorstaan, toen de beker van smart Hem in de hand werd gegeven en de vloed Hem overstroomde.
Hij, Die van eeuwigheid in de boezem van de Vader lag, heeft de duisternis van de verlating gesmaakt, opdat Zijn volk het licht van Gods aangezicht niet eeuwig zou missen. Laat dat uw hart verootmoedigen, maar laat het u ook moed geven. Een last die Hij gedragen heeft, hoeft een arme zondaar niet meer te torsen. Zie daarom met uw schuld op de lijdende Borg, en buig u in aanbidding neer bij de liefde die zo diep wilde afdalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD hath laid on Him the iniquity of us all.
Isaiah 53:6
What heart can conceive, what tongue express what the holy soul of Christ endured when “the Lord laid on Him the iniquity of us all?” In the garden of Gethsemane, what a load of guilt, what a weight of sin, what an intolerable burden of the wrath of God did that sacred humanity endure, until the pressure of sorrow and woe forced the drops of blood to fall as sweat from His brow. The human nature in its weakness recoiled, as it were, from the cup of anguish put into His hand. His body could scarcely bear the load that pressed Him down; His soul, under the waves and billows of God’s wrath, sank in deep mire where there was no standing, and came into deep waters where the floods overflowed Him (Ps. 69:1, 2).
And how could it be otherwise when that sacred humanity was enduring all the wrath of God, suffering the very pangs of hell, and wading in all the depths of guilt and terror? When the blessed Lord was made sin (or a sin-offering) for us, He endured in His holy soul all the pangs of distress, horror, alarm, misery, and guilt that the elect would have felt in hell forever; and not only as any one of them would have felt, but as the collective whole would have experienced under the outpouring of the everlasting wrath of God.
The anguish, the distress, the darkness, the condemnation, the shame, the guilt, the unutterable horror, that any or all of His quickened family have ever experienced under a sense of God’s wrath, the curse of the law, and the terrors of hell, are only faint, feeble reflections of what the Lord felt in the garden and on the cross; for there were attendant circumstances in His case which are not, and indeed cannot be in theirs, and which made the distress and agony of His holy soul, both in nature and degree, such as none but He could feel or know.
He as the eternal Son of God, Who had lain in His bosom before all worlds, had known all the blessedness and happiness of the love and favor of the Father, His own Father, shining upon Him, for He was “by Him as one brought up with Him, and was daily His delight, rejoicing always before Him” (Prov. 8:30). When, then, instead of love He felt His displeasure, instead of the beams of His favor He experienced the frowns and terrors of His wrath, instead of the light of His countenance He tasted the darkness and gloom of desertion—what heart can conceive, what tongue express the bitter anguish which must have wrung the soul of our suffering Surety under this agonizing experience?
To the reader…
Sometimes the Lord lets a soul feel something of the wrath of God over its sins, of the curse of the law and the terror of a guilty conscience. Have you known that, and did you think that no one could sink as deep into the mire as you? Then look to Him on Whom the Lord has laid all iniquity. Whatever you have ever felt is only a faint, feeble reflection of what He endured in the garden and on the cross, when the cup of sorrow was put into His hand and the floods overflowed Him.
He Who lay in the bosom of the Father from eternity tasted the darkness of desertion, so that His people would not miss the light of God’s countenance for ever. Let that humble your heart, but let it also give you courage. A burden He has borne, a poor sinner need no longer carry. Look, therefore, with your guilt to the suffering Surety, and bow down in worship before the love that was willing to descend so deep.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas Jehová cargó en Él el pecado de todos nosotros.
Isaías 53:6
¿Qué corazón puede concebir, qué lengua expresar lo que soportó el alma santa de Cristo cuando “Jehová cargó en Él el pecado de todos nosotros”? En el huerto de Getsemaní, ¡qué carga de culpa, qué peso de pecado, qué carga intolerable de la ira de Dios soportó aquella sagrada humanidad, hasta que la presión de la tristeza y la angustia hizo caer de Su frente gotas de sangre como sudor! La naturaleza humana en su debilidad retrocedió, por así decirlo, ante la copa de angustia puesta en Su mano. Su cuerpo apenas podía soportar la carga que le oprimía; Su alma, bajo las ondas y olas de la ira de Dios, se hundió en cieno profundo donde no había pie, y llegó a abismos de aguas donde la corriente le anegó (Sal. 69:1, 2).
¿Y cómo podía ser de otro modo, cuando aquella sagrada humanidad soportaba toda la ira de Dios, sufría los mismos dolores del infierno y vadeaba todas las profundidades de la culpa y el terror? Cuando el bendito Señor fue hecho pecado (o una ofrenda por el pecado) por nosotros, soportó en Su alma santa todos los dolores de angustia, horror, espanto, miseria y culpa que los elegidos habrían sentido en el infierno para siempre; y no solo como cualquiera de ellos los habría sentido, sino como los habría experimentado el conjunto entero bajo el derramamiento de la ira eterna de Dios.
La angustia, la aflicción, las tinieblas, la condenación, la vergüenza, la culpa, el horror indecible que cualquiera o todos los de Su familia vivificada hayan experimentado jamás bajo el sentir de la ira de Dios, la maldición de la ley y los terrores del infierno, no son sino reflejos tenues y débiles de lo que el Señor sintió en el huerto y en la cruz; porque en Su caso había circunstancias concomitantes que no hay, ni en verdad puede haber, en el de ellos, y que hicieron la aflicción y la agonía de Su alma santa, tanto en naturaleza como en grado, tales que nadie sino Él podía sentirlas o conocerlas.
Él, como el eterno Hijo de Dios, que había estado en Su seno antes de todos los mundos, había conocido toda la bienaventuranza y felicidad del amor y favor del Padre, Su propio Padre, resplandeciendo sobre Él, porque “con Él estaba ordenándolo todo, y fue Su delicia todos los días, teniendo solaz delante de Él en todo tiempo” (Prov. 8:30). Cuando, pues, en lugar de amor sintió Su desagrado, en lugar de los rayos de Su favor experimentó el ceño y los terrores de Su ira, en lugar de la luz de Su rostro gustó las tinieblas y la lobreguez del desamparo, ¿qué corazón puede concebir, qué lengua expresar la amarga angustia que debió de desgarrar el alma de nuestro Fiador sufriente bajo esta experiencia agonizante?
Al lector…
A veces el Señor hace sentir a un alma algo de la ira de Dios por sus pecados, de la maldición de la ley y del terror de una conciencia culpable. ¿Lo ha conocido usted, y pensó que nadie podía hundirse tan hondo en el cieno como usted? Mire entonces a Aquel en Quien el Señor cargó toda la iniquidad. Todo lo que usted haya sentido jamás no es sino un reflejo tenue y débil de lo que Él soportó en el huerto y en la cruz, cuando la copa de dolor fue puesta en Su mano y la corriente le anegó.
Aquel que desde la eternidad estuvo en el seno del Padre gustó las tinieblas del desamparo, para que Su pueblo no tuviera que carecer para siempre de la luz del rostro de Dios. Deje que eso humille su corazón, pero deje también que le dé ánimo. La carga que Él ha llevado, un pobre pecador ya no tiene que llevarla. Mire, pues, con su culpa al Fiador sufriente, e inclínese en adoración ante el amor que estuvo dispuesto a descender tan hondo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl