11 de octubre
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben.
1 Johannes 3:14
De kinderen Gods hebben in hun eerste dagen een zekere mate van hemelse liefde. Ofschoon zij misschien niet kunnen zeggen dat Jezus hun eigendom is; ofschoon zij niet durven verklaren dat zij naar de hemel gaan wanneer zij sterven; ofschoon zij somtijds niet kunnen verzekeren dat het werk der genade in werkelijkheid aan hun zielen begonnen is, toch is er in hen liefde openbaar geworden: liefde tot Gods Woord, liefde tot Gods volk, liefde tot Gods dienstknechten, liefde tot Gods waarheid. Er is in hun zwakste en tederste dagen een afscheiding van de wereld; een uitstorting van de tederheid van hun hart en hun genegenheid voor dat volk. Goddelijke liefde vindt slechts haar oorsprong in de leringen en werkingen van God aan het hart. Ons „vleselijk gemoed is vijandschap tegen God” — niets dan onverbiddelijke, onverzoenlijke vijandschap.
Maar wanneer het de Heere behaagt Zich enigermate aan de ziel bekend te maken; wanneer het Hem behaagt de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht enigszins op te lichten en Zijn genade en heerlijkheid aan hen te ontdekken — dan ontstaat de liefde onmiddellijk. Hij is zulk een beminnelijk voorwerp! Zoals de bruid zegt: „Hij is geheel en al beminnelijk.” Zijn schoonheid is zo boven alle schoonheid, Zijn genade zo rijk, Zijn barmhartigheid zo vrij — al wat Hij is en heeft, is zo onuitsprekelijk heerlijk — dat Hij nauwelijks Zijn beminnelijk aangezicht heeft ontbloot, of Hij verwerft geheel de liefde van het hart, neemt bezit van de boezem en brengt alle genegenheid der ziel aan het licht, om die geheel en alleen in Zichzelf te verenigen.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
zal ’t schoonste lied van ene Koning zingen.
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,
is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven
gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Gena is op uw lippen uitgestort,
des G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Ps. 45:1
Aan de lezer…
U die niet durft zeggen dat Jezus uw eigendom is, en niet kunt verzekeren dat het werk der genade in waarheid in uw ziel begonnen is: ga eens stil bij uzelf na wat u liefhebt. Is er in u een liefde tot Gods Woord, tot Gods volk, tot Zijn dienstknechten en Zijn waarheid? Voelt u uw hart uitgaan naar hen die de Heere vrezen, terwijl de wereld u steeds vreemder wordt? Zo’n liefde groeit niet uit een vleselijk gemoed, want dat is niets dan vijandschap tegen God.
Waar die liefde is, daar heeft de Heere Zich in enige mate bekendgemaakt en de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een weinig opgelicht. Veracht daarom die zwakke en tedere beginselen niet. Zij zijn een teken dat u overgegaan bent uit de dood in het leven. En zoek meer van Hem, Die geheel en al beminnelijk is, tot Hij al de genegenheden van uw hart geheel en alleen in Zichzelf verenigt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben.
1 Johannes 3:14
De kinderen van God hebben in hun eerste dagen al een zekere mate van hemelse liefde. Misschien kunnen zij niet zeggen dat Jezus hun eigendom is. Misschien durven zij niet te verklaren dat zij naar de hemel gaan wanneer zij sterven. Soms kunnen zij niet met zekerheid zeggen dat het werk van de genade werkelijk in hun ziel begonnen is. Toch is er in hen liefde openbaar geworden: liefde tot Gods Woord, liefde tot Gods volk, liefde tot Gods dienstknechten, liefde tot Gods waarheid. In hun zwakste en tederste dagen is er een afscheiding van de wereld, en gaat de tederheid van hun hart en hun genegenheid uit naar dat volk.
Goddelijke liefde vindt haar oorsprong alleen in het onderwijs en de werking van God in het hart. Ons „vleselijk gemoed is vijandschap tegen God”, niets dan meedogenloze, onverzoenlijke vijandschap. Maar wanneer het de Heere behaagt Zich in enige mate aan de ziel bekend te maken, wanneer het Hem behaagt de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een beetje op te lichten en Zijn genade en heerlijkheid aan hen te ontdekken, dan ontstaat de liefde onmiddellijk. Hij is zo’n beminnelijk Persoon! Zoals de bruid zegt: „Hij is geheel en al beminnelijk.”
Zijn schoonheid gaat alle schoonheid zo te boven, Zijn genade is zo rijk, Zijn barmhartigheid zo vrij, alles wat Hij is en heeft is zo onuitsprekelijk heerlijk, dat Hij Zijn beminnelijk aangezicht nauwelijks heeft ontbloot of Hij wint al de liefde van het hart. Hij neemt bezit van de boezem en brengt alle genegenheden van de ziel aan het licht, om die geheel en alleen in Zichzelf te verenigen.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
zal ’t schoonste lied van ene Koning zingen.
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,
is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven
gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Gena is op uw lippen uitgestort,
des G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Ps. 45:1
Aan de lezer…
U die niet durft te zeggen dat Jezus uw eigendom is, en niet zeker weet dat het werk van de genade werkelijk in uw ziel begonnen is: ga eens stil bij uzelf na wat u liefhebt. Is er in u een liefde tot Gods Woord, tot Gods volk, tot Zijn dienstknechten en Zijn waarheid? Voelt u uw hart uitgaan naar wie de Heere vrezen, terwijl de wereld u steeds vreemder wordt? Zo’n liefde groeit niet uit een vleselijk gemoed, want dat is niets dan vijandschap tegen God.
Waar die liefde is, daar heeft de Heere Zich in enige mate bekendgemaakt en de sluier van Zijn vriendelijk aangezicht een beetje opgelicht. Veracht daarom die zwakke en tedere beginselen niet. Zij zijn een teken dat u overgegaan bent uit de dood in het leven. Zoek dan meer van Hem, Die geheel en al beminnelijk is, totdat Hij alle genegenheden van uw hart geheel en alleen in Zichzelf verenigt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We know that we have passed from death unto life, because we love the brethren.
1 John 3:14
The Lord’s people in their early days have a measure of heavenly love. Though perhaps they cannot say that Jesus is theirs; though they dare not declare they shall certainly go to heaven when they die; though they sometimes cannot even assert that the work of grace is really begun upon their souls; yet there is love manifested in them to God’s Word, God’s people, God’s servants, and God’s truth. There is in them, in their weakest and tenderest days, a separation from the world, a casting-in of their lot among the people of God, a going-out in the tenderness of their heart and affection towards them. We see this in Ruth—though she was a poor heathen idolatress, no sooner was her heart touched by the finger of God, than she cleaved to Naomi.
Love to Christ can only spring from the teachings and operations of God upon the heart. Our “carnal mind is enmity against God”—nothing but implacable, irreconcilable enmity. But when the Lord is pleased to make Himself, in some measure, known to the soul; when He is pleased, in some degree, to unveil His lovely face, and to give a discovery of His grace and glory—immediately divine love springs up. He is so lovely an Object! As the Bride says, He is “altogether lovely.” His beauty is so surpassing, His grace so rich, His mercy so free—all that He is and has is so unspeakably glorious—that no sooner does He unveil His lovely face, than He wins over all the love of the heart, takes possession of the bosom, and draws every affection of the soul to center wholly and solely in Himself.
To the reader…
You who dare not say that Jesus is yours, and are not sure that the work of grace has really begun in your soul: quietly ask yourself what you love. Is there in you a love to God’s Word, to God’s people, to His servants and His truth? Do you feel your heart going out to those who fear the Lord, while the world becomes ever more strange to you? Such love does not grow out of a carnal mind, for that is nothing but enmity against God.
Where that love is, the Lord has made Himself known in some measure and has lifted the veil of His lovely face a little. So do not despise those weak and tender beginnings. They are a sign that you have passed from death unto life. Seek more of Him, then, Who is altogether lovely, until He draws every affection of your heart to centre wholly and solely in Himself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nosotros sabemos que hemos pasado de muerte a vida, en que amamos a los hermanos.
1 Juan 3:14
El pueblo del Señor, en sus primeros días, tiene una medida de amor celestial. Aunque quizá no puedan decir que Jesús es suyo; aunque no se atrevan a declarar que con seguridad irán al cielo cuando mueran; aunque a veces ni siquiera puedan afirmar que la obra de gracia ha comenzado realmente en su alma, sin embargo se manifiesta en ellos amor a la Palabra de Dios, al pueblo de Dios, a los siervos de Dios y a la verdad de Dios. Hay en ellos, en sus días más débiles y tiernos, una separación del mundo, un echar su suerte con el pueblo de Dios, un salir hacia ellos con la ternura de su corazón y de su afecto. Esto lo vemos en Rut: aunque era una pobre idólatra pagana, tan pronto como su corazón fue tocado por el dedo de Dios, se allegó a Noemí.
El amor a Cristo solo puede brotar de las enseñanzas y operaciones de Dios en el corazón. En nosotros, “la intención de la carne es enemistad contra Dios”: nada sino enemistad implacable e irreconciliable. Pero cuando el Señor tiene a bien darse a conocer en alguna medida al alma; cuando tiene a bien, en algún grado, descubrir Su rostro hermoso y dar un descubrimiento de Su gracia y gloria, al instante brota el amor divino. ¡Es un Objeto tan hermoso! Como dice la Esposa, Él es “todo codiciable”. Su hermosura es tan incomparable, Su gracia tan rica, Su misericordia tan libre, todo lo que Él es y tiene es tan indeciblemente glorioso, que tan pronto como descubre Su rostro hermoso, gana todo el amor del corazón, toma posesión del pecho y atrae todo afecto del alma a centrarse total y únicamente en Él.
Al lector…
Usted que no se atreve a decir que Jesús es suyo, y que no está seguro de que la obra de gracia haya comenzado realmente en su alma: pregúntese con calma qué es lo que ama. ¿Hay en usted amor a la Palabra de Dios, al pueblo de Dios, a Sus siervos y a Su verdad? ¿Siente que su corazón sale hacia los que temen al Señor, mientras el mundo se le hace cada vez más extraño? Tal amor no crece de una mente carnal, porque esta no es sino enemistad contra Dios.
Donde está ese amor, el Señor se ha dado a conocer en alguna medida y ha alzado un poco el velo de Su rostro hermoso. No menosprecie, pues, esos comienzos débiles y tiernos. Son señal de que usted ha pasado de muerte a vida. Busque, pues, más de Aquel que es todo codiciable, hasta que atraiga todo afecto de su corazón a centrarse total y únicamente en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl