6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
1 Timotheüs 4:8
Ware godsvrucht ligt diep; zij is geen ballon die mijlen boven ons in de lucht zweeft. Zij is gelijk de Waarheid; zij ligt op de bodem van de put. Wij moeten dus tot de godsvrucht afdalen, indien wij haar in ons hart werkelijk willen ontvangen. De Heere Jezus Christus was een „Man van smarten en verzocht in krankheid”. Hij nam de laagste, de geringste en minste plaats. Hij was altijd in de diepte; zodat wij, zo wij met de Heere Jezus willen wandelen, met Hem door de diepte moeten gaan: door de diepte der vallei, door de diepte van het lijden, door de diepte der vernedering, door de diepte der beproeving, door de diepte der smart.
Wanneer wij door wereldse vreugde zijn opgeblazen, hebben wij geen medelijden met de Heere Jezus Christus in Zijn lijdende mensheid; dan gaan wij niet met Hem in de hof van Gethsémané, noch zien op Hem als op „het Lam Gods” aan het vloekhout. Wij kunnen het buiten de Heere Jezus wel stellen, als de wereld ons toelacht en de wereldse zaken de overmacht hebben in ons hart. Maar als er droefenis komt, een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt, dan zinken wij neder op die plaats waar de Heere Jezus alleen te vinden is.
Dan bevinden wij, zo het de Heere behaagt, een weinig godzaligheid in de ziel, dat zij heeft de „belofte des tegenwoordigen levens”. Er zijn beloften van steun en sterkte, verlichting, vertroosting en vrede aan haar verbonden, welke de wereld niet kent; er is in haar een troost, een kracht, een waarheid, een zaligheid die geen taal kan uitdrukken.
En als de ziel neergebogen is in de vallei der droefenis, en het behaagt de Heere haar daar te ontmoeten en te bezoeken en godzaligheid in haar daden en oefeningen te wekken, dan wordt zij bevonden „de beloften des tegenwoordigen levens te hebben”. Geloof, hoop, liefde, berouw, volheid des gebeds, nederigheid, verslagenheid van geest, lijdzaamheid en vrede worden voornamelijk geoefend wanneer de ziel door droefenis is neergedrukt. Hierin is de „belofte des tegenwoordigen levens” in het opwekken van die hemelse genade in het hart.
En de godzaligheid heeft ook de belofte „des toekomenden levens”. Zij ondersteunt in leven en in sterven, en voert de ziel in een gelukkige en gezegende eeuwigheid. De genade zal eindigen in heerlijkheid, het geloof in aanschouwen, de hoop in genieten. De ziel die van God geleerd is, zal Jezus zien gelijk Hij is. Aldus heeft de godzaligheid de „belofte des toekomenden levens”, wanneer de eeuwige vrede zal overvloeien, de tranen van alle aangezichten zullen afgewist worden, en de genade in eindeloze zaligheid voleindigd zal zijn.
Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
noch mij van alle kant
benauwd door ’s vijands hand.
Psalm 31:6
Aan de lezer…
Wie zich neergebogen voelt in de vallei der droefenis, onder een zwaar kruis of een last die neerdrukt, weet hoe dat is; misschien weet u het ook. Het is ons eigen hart wel bekend hoe licht wij de Heere Jezus missen kunnen zolang de wereld ons toelacht. Maar wanneer de droefenis komt, zinken wij neder op die plaats waar Hij alleen te vinden is. Hij was Zelf een Man van smarten; Hij nam de laagste plaats, en daar, in de diepte, wil Hij gevonden worden.
Zie dan uw droefheid niet alleen aan als verlies. Het is in de vallei dat geloof, hoop, liefde, berouw en verslagenheid van geest geoefend worden. Daar wil de Heere de ziel ontmoeten en bezoeken, en dan bevindt zij dat de godzaligheid de belofte heeft des tegenwoordigen levens: steun en sterkte, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Wacht dan op Hem in de diepte; Hij zal u niet wegstoten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
1 Timotheüs 4:8
Ware godsvrucht ligt diep; zij is geen ballon die mijlen boven ons in de lucht zweeft. Zij is als de waarheid: zij ligt op de bodem van de put. Wij moeten dus naar de godsvrucht afdalen, als wij haar werkelijk in ons hart willen ontvangen. De Heere Jezus Christus was een „Man van smarten en verzocht in krankheid”. Hij nam de laagste, de geringste en de minste plaats in. Hij was altijd in de diepte, zodat wij, als wij met de Heere Jezus willen wandelen, met Hem door de diepte moeten gaan: door de diepte van het dal, door de diepte van het lijden, door de diepte van de vernedering, door de diepte van de beproeving, door de diepte van de smart.
Wanneer wij opgeblazen zijn door wereldse vreugde, hebben wij geen medelijden met de Heere Jezus Christus in Zijn lijdende mensheid. Dan gaan wij niet met Hem de hof van Gethsémané in, en zien wij niet naar Hem op als naar „het Lam Gods” aan het vloekhout. Wij kunnen het zonder de Heere Jezus wel stellen, zolang de wereld ons toelacht en de wereldse zaken de overhand hebben in ons hart. Maar wanneer er droefheid komt, een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt, dan zinken wij weg naar die plaats waar alleen de Heere Jezus te vinden is.
Dan merken wij, als het de Heere behaagt een weinig godzaligheid in de ziel te geven, dat zij de „belofte des tegenwoordigen levens” heeft. Aan haar zijn beloften verbonden van steun en sterkte, verlichting, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Er is in haar een troost, een kracht, een waarheid, een zaligheid die geen taal kan uitdrukken.
En wanneer de ziel neergebogen is in het dal van de droefheid, en het de Heere behaagt haar daar te ontmoeten en te bezoeken en de godzaligheid in haar daden en oefeningen op te wekken, dan blijkt zij „de beloften des tegenwoordigen levens te hebben”. Geloof, hoop, liefde, berouw, een volheid van gebed, nederigheid, verslagenheid van geest, geduld en vrede worden vooral geoefend wanneer de ziel door droefheid is neergedrukt. Daarin, in het opwekken van die hemelse genade in het hart, ligt de „belofte des tegenwoordigen levens”.
En de godzaligheid heeft ook de belofte „des toekomenden levens”. Zij ondersteunt in leven en in sterven, en brengt de ziel in een gelukkige en gezegende eeuwigheid. De genade zal eindigen in heerlijkheid, het geloof in aanschouwen, de hoop in vervulling. De ziel die door God onderwezen is, zal Jezus zien zoals Hij is. Zo heeft de godzaligheid de „belofte des toekomenden levens”: wanneer eeuwige vrede zal overvloeien, de tranen van alle aangezichten afgewist zullen worden en de genade voleindigd zal worden in eindeloze zaligheid.
Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
noch mij van alle kant
benauwd door ’s vijands hand.
Psalm 31:6
Aan de lezer…
Wie zich neergebogen voelt in het dal van de droefheid, onder een zwaar kruis of een last die neerdrukt, weet hoe dat is; misschien weet u het ook. Ons eigen hart weet maar al te goed hoe gemakkelijk wij de Heere Jezus kunnen missen zolang de wereld ons toelacht. Maar wanneer de droefheid komt, zinken wij weg naar die plaats waar alleen Hij te vinden is. Hij was Zelf een Man van smarten; Hij nam de laagste plaats in, en daar, in de diepte, wil Hij gevonden worden.
Zie uw droefheid dan niet alleen als verlies. Juist in het dal worden geloof, hoop, liefde, berouw en verslagenheid van geest geoefend. Daar wil de Heere de ziel ontmoeten en bezoeken, en dan merkt zij dat de godzaligheid de belofte van het tegenwoordige leven heeft: steun en sterkte, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Wacht dan op Hem in de diepte; Hij zal u niet wegstoten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Having promise of the life that now is, and of that which is to come.
1 Timothy 4:8
True religion lies deep; it is not a balloon hovering over us miles up in the air. It is like truth—it lies at the bottom of the well. We must go down, then, into religion, if we are to have it really in our hearts. The Lord Jesus Christ was “a Man of Sorrows, and acquainted with grief.” He took the lowest, last, and least place. He was always down; so that if we are to be companions with the Lord Jesus Christ, we must go down with Him—down into the valley, down into suffering, down into humiliation, down into trial, down into sorrow.
When we get puffed up by worldly joy, or elated by carnal excitement, we do not sympathize with the Lord Jesus Christ in His suffering manhood; we do not go with Him then into the garden of Gethsemane, nor behold Him as “the Lamb of God” on the accursed tree. We can do without Jesus very well when the world smiles, and carnal things are uppermost in our heart. But let affliction come, a heavy cross, a burden to weigh us down, then we drop into the place where the Lord Jesus is only to be found. We find, then, if the Lord is pleased to bring a little godliness into the soul, and to draw forth this godliness into vital exercise, that it has “the promise of the life that now is.”
There are promises connected with it of support and strength, comfort, consolation, and peace, that the world knows nothing of; there is a truth in it, a power, a reality, a blessedness in it, that tongue can never express. And when the soul gets pressed down into the valley of affliction, and the Lord is pleased to meet with it there, and visit it then, and draw forth godliness in its actings and exercises, then it is found to have “the promise of the life that now is.” Faith, hope, love, repentance, prayerfulness, humility, contrition, patience, and peace—all these gifts and graces of the Spirit are exercised chiefly when the soul is down in affliction. Here is “the promise of the life that now is” in the drawing forth of these heavenly graces in the heart.
And godliness has the promise also of “the life which is to come.” It supports in life and in death; and takes the soul into a happy and blessed eternity. Grace will end in glory; faith in sight; hope in fruition. The soul taught of God will see Jesus as He is. Thus godliness has “the promise of the life which is to come,” when eternal peace shall abound, tears be wiped from off all faces, and grace consummated in endless bliss.
To the reader…
Whoever feels bowed down in the valley of sorrow, under a heavy cross or a burden that weighs him down, knows what that is like; perhaps you know it too. Our own heart knows only too well how easily we can do without the Lord Jesus as long as the world smiles on us. But when sorrow comes, we sink down to that place where He alone is to be found. He Himself was a Man of sorrows; He took the lowest place, and there, in the depths, He will be found.
So do not see your sorrow only as loss. It is precisely in the valley that faith, hope, love, repentance and contrition of spirit are exercised. There the Lord will meet and visit the soul, and then it finds that godliness has the promise of the life that now is: support and strength, comfort and peace, which the world does not know. Wait, then, upon Him in the depths; He will not cast you away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pues tiene promesa de esta vida presente, y de la venidera.
1 Timoteo 4:8
La verdadera religión yace en lo hondo; no es un globo que flota sobre nosotros a millas de altura en el aire. Es como la verdad: yace en el fondo del pozo. Hemos de descender, pues, a la religión, si hemos de tenerla verdaderamente en el corazón. El Señor Jesucristo fue “varón de dolores, experimentado en quebranto”. Tomó el lugar más bajo, el último y el menor. Siempre estuvo abajo; de modo que, si hemos de ser compañeros del Señor Jesucristo, hemos de descender con Él: descender al valle, descender al sufrimiento, descender a la humillación, descender a la prueba, descender a la tristeza.
Cuando nos envanecemos por el gozo mundano o nos exaltamos por la excitación carnal, no nos compadecemos del Señor Jesucristo en Su humanidad sufriente; no vamos entonces con Él al huerto de Getsemaní, ni le contemplamos como “el Cordero de Dios” en el madero maldito. Podemos pasarnos muy bien sin Jesús cuando el mundo sonríe y las cosas carnales ocupan el primer lugar en nuestro corazón. Pero venga la aflicción, una cruz pesada, una carga que nos abata, y entonces caemos al lugar donde únicamente se halla al Señor Jesús. Hallamos entonces, si al Señor le place traer un poco de piedad al alma y hacer salir esta piedad a un ejercicio vital, que tiene “promesa de esta vida presente”.
Hay promesas unidas a ella de sostén y fuerza, consuelo, consolación y paz, de las que el mundo no sabe nada; hay en ella una verdad, un poder, una realidad, una bienaventuranza que la lengua nunca puede expresar. Y cuando el alma es oprimida hasta el valle de la aflicción, y al Señor le place encontrarse con ella allí, y visitarla entonces, y hacer salir la piedad en sus actuaciones y ejercicios, entonces se halla que tiene “promesa de esta vida presente”. La fe, la esperanza, el amor, el arrepentimiento, el espíritu de oración, la humildad, la contrición, la paciencia y la paz: todos estos dones y gracias del Espíritu se ejercitan principalmente cuando el alma está abatida en la aflicción. Aquí está la “promesa de esta vida presente”, en el hacer salir estas gracias celestiales en el corazón.
Y la piedad tiene también la promesa “de la venidera”. Sostiene en la vida y en la muerte, y lleva al alma a una eternidad feliz y bienaventurada. La gracia terminará en gloria; la fe, en vista; la esperanza, en posesión. El alma enseñada por Dios verá a Jesús tal como Él es. Así la piedad tiene “promesa de la venidera”, cuando la paz eterna abundará, las lágrimas serán enjugadas de todos los rostros y la gracia será consumada en dicha sin fin.
Al lector…
Quien se siente abatido en el valle de la tristeza, bajo una cruz pesada o una carga que le oprime, sabe lo que es eso; quizá usted también lo sepa. Nuestro propio corazón sabe demasiado bien con qué facilidad podemos pasarnos sin el Señor Jesús mientras el mundo nos sonríe. Pero cuando viene la tristeza, descendemos a aquel lugar donde solo a Él se le halla. Él mismo fue varón de dolores; tomó el lugar más bajo, y allí, en lo profundo, se deja hallar.
No vea, pues, su tristeza solo como pérdida. Es precisamente en el valle donde se ejercitan la fe, la esperanza, el amor, el arrepentimiento y la contrición de espíritu. Allí el Señor se encontrará con el alma y la visitará, y entonces ella halla que la piedad tiene promesa de esta vida presente: sostén y fuerza, consuelo y paz, que el mundo no conoce. Espere, pues, en Él en lo profundo; Él no le desechará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Er is een ziekte waaraan we helaas lijden, en dat is de ziekte van een verstokt hart: een hart dat niet wil smelten, een hart dat over alle lijden van de Heere Jezus Christus kan lezen en toch geen wroeging, geen traan, geen vroom verdriet voelt en vanbinnen niet zacht wordt. O, die ziekte van een verstokt hart! Gods kinderen willen merken dat hun hart zacht wordt gemaakt, dat hun ziel wordt besprenkeld, dat hun geest versmelt, wordt verslagen en opgelost in tranen van berouw. Maar vanwege deze vreselijke ziekte van een verstokt hart kunnen ze deze aangename gevoelens niet opwekken in hun ziel.
Ze roepen daarom uit: „Heere, haal dit verstokte hart weg; Heere, maak mijn ziel zacht. Als ik kom luisteren naar Uw Woord, als ik over Uw lijden lees, doet U toch mijn hart smelten, neemt U toch dit hart van steen weg, geeft U mij toch een hart van vlees.” Dit zeggen in wezen de woorden van de tekst: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
We lijden ook aan een andere vreselijke ziekte, namelijk die van ongeloof. We zijn zo aangetast door die vreselijke kwaal van ongeloof dat we niet het minste geloof in onze ziel kunnen opwekken; we kunnen geen belofte geloven, hoe heerlijk of gepast ook; we kunnen ons deel aan Christus niet geloven dan voor zover onze ogen het kunnen zien; we kunnen niet geloven dat „alle dingen mede ten goede werken” voor ons; we kunnen niet in de Heere Jezus Christus geloven, noch vertrouwen in Zijn bloed en liefde. Als we dit nu voelen en de Heere vragen dit weg te nemen en onze ziel met geloof te zegenen, dan is dit eigenlijk hetzelfde als wat het gebed zegt: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
En als het de Heere belieft ons vertrouwen te geven om Zijn Woord te geloven, tot Hem te komen, op Hem te steunen, Zijn barmhartigheid te vertrouwen en te rusten in Zijn liefde – dan is dat de vervulling van het gebed; de Heere verhoort het om de ziekte van ongeloof te genezen.
Lezen: Ezechiël 36:22-38
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u kunt lezen over het lijden van de Heere Jezus en toch geen traan, geen wroeging, geen smelting van het hart gevoelt. En verwijt u uzelf dat uw hart als een steen is, zodat u geen enkele belofte kunt geloven, hoe heerlijk ook? Dan kent u twee ziekten die Gods kinderen maar al te goed kennen: een verstokt hart en een ongelovig hart. U kunt die gevoelens niet zelf opwekken, hoe u het ook beproeft.
Maar is het niet reeds een teken van leven dat u het voelt en erover zucht? Breng dan juist dit stenen hart bij de Heere en zeg: „Neem dit hart van steen weg, geef mij een hart van vlees.” Dat is de taal van de tekst: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” En wanneer Hij u schenkt tot Hem te komen, op Hem te steunen en te rusten in Zijn liefde, dan is uw gebed verhoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Er is een ziekte waaraan we helaas lijden, en dat is de ziekte van een verstokt hart: een hart dat niet wil smelten, een hart dat over al het lijden van de Heere Jezus Christus kan lezen en toch geen wroeging, geen traan en geen godvruchtig verdriet voelt, en vanbinnen niet zacht wordt. O, die ziekte van een verstokt hart! Gods kinderen verlangen te merken dat hun hart zacht wordt gemaakt, dat hun ziel wordt besprenkeld, en dat hun geest smelt, verbroken wordt en wegvloeit in tranen van berouw. Maar door deze vreselijke ziekte van een verstokt hart kunnen ze die aangename gevoelens niet in hun ziel opwekken.
Daarom roepen ze uit: „Heere, haal dit verstokte hart weg; Heere, maak mijn ziel zacht. Als ik kom luisteren naar Uw Woord, als ik over Uw lijden lees, doet U toch mijn hart smelten, neemt U toch dit hart van steen weg, geeft U mij toch een hart van vlees.” Dat is in wezen wat de woorden van de tekst zeggen: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
We lijden ook aan een andere vreselijke ziekte, namelijk die van ongeloof. We zijn zo door die vreselijke kwaal van ongeloof aangetast dat we niet het minste geloof in onze ziel kunnen opwekken. We kunnen geen enkele belofte geloven, hoe heerlijk of passend ook. We kunnen ons deel aan Christus niet geloven, behalve voor zover onze ogen het kunnen zien. We kunnen niet geloven dat „alle dingen mede ten goede werken” voor ons. We kunnen niet in de Heere Jezus Christus geloven en ook niet op Zijn bloed en liefde vertrouwen. Als we dat nu voelen en de Heere vragen dit weg te nemen en onze ziel met geloof te zegenen, dan is dat eigenlijk hetzelfde als wat het gebed zegt: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.”
En als het de Heere behaagt ons vertrouwen te geven om Zijn Woord te geloven, tot Hem te komen, op Hem te steunen, op Zijn barmhartigheid te vertrouwen en in Zijn liefde te rusten, dan is dat de vervulling van het gebed. Dan verhoort de Heere het en geneest Hij de ziekte van ongeloof.
Lezen: Ezechiël 36:22-38
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u kunt lezen over het lijden van de Heere Jezus en toch geen traan, geen wroeging en geen smelten van het hart voelt. En verwijt u uzelf dat uw hart als een steen is, zodat u geen enkele belofte kunt geloven, hoe heerlijk ook? Dan kent u twee ziekten die Gods kinderen maar al te goed kennen: een verstokt hart en een ongelovig hart. U kunt die gevoelens niet zelf opwekken, hoe u het ook probeert.
Maar is het niet al een teken van leven dat u het voelt en erover zucht? Breng dan juist dit stenen hart bij de Heere en zeg: „Neem dit hart van steen weg, geef mij een hart van vlees.” Dat is de taal van de tekst: „Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden.” En wanneer Hij u schenkt dat u tot Hem komt, op Hem steunt en in Zijn liefde rust, dan is uw gebed verhoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
There is a disease under which we sadly labour, and that is the disease of a hard heart: a heart that will not melt, a heart that can read of all the sufferings of the Lord Jesus Christ and yet feel no compunction, no tear and no godly sorrow, and does not grow soft within. Oh, that disease of a hard heart! God’s children long to feel their heart made soft, their soul bedewed, and their spirit melted, broken and flowing out in tears of contrition. But through this dreadful disease of a hard heart they cannot raise up those sweet feelings in their soul.
Therefore they cry out, “Lord, take away this hard heart; Lord, soften my soul. When I come to hear Thy Word, when I read of Thy sufferings, do melt my heart, do take away this heart of stone, do give me a heart of flesh.” That is in substance what the words of the text say: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.”
We labour also under another dreadful disease, namely that of unbelief. We are so smitten with this dreadful malady of unbelief that we cannot raise up the least faith in our soul. We cannot believe a single promise, however glorious or suitable. We cannot believe our interest in Christ, except so far as our eyes can see it. We cannot believe that “all things work together for good” to us.
We cannot believe in the Lord Jesus Christ, nor trust in His blood and love. If we now feel this and ask the Lord to take it away and to bless our soul with faith, that is really the same as what the prayer says: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.”
And when it pleases the Lord to give us confidence to believe His Word, to come to Him, to lean upon Him, to trust in His mercy and to rest in His love, then that is the fulfilment of the prayer. Then the Lord answers it and heals the disease of unbelief.
Reading: Ezekiel 36:22-38
To the reader…
There are days when you can read of the sufferings of the Lord Jesus and yet feel no tear, no compunction and no melting of heart. And do you reproach yourself that your heart is like a stone, so that you cannot believe a single promise, however glorious? Then you know two diseases which God’s children know only too well: a hard heart and an unbelieving heart. You cannot raise up those feelings yourself, however hard you try.
But is it not already a sign of life that you feel it and sigh over it? Then bring this very heart of stone to the Lord and say, “Take away this heart of stone, give me a heart of flesh.” That is the language of the text: “Heal me, O LORD, and I shall be healed.” And when He grants you to come to Him, to lean upon Him and to rest in His love, then your prayer is answered.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Hay una enfermedad bajo la cual tristemente padecemos, y es la enfermedad de un corazón duro: un corazón que no se derrite, un corazón que puede leer todos los sufrimientos del Señor Jesucristo y sin embargo no siente compunción, ni lágrima, ni tristeza según Dios, y no se ablanda por dentro. ¡Oh, esa enfermedad de un corazón duro! Los hijos de Dios anhelan sentir su corazón ablandado, su alma rociada, y su espíritu derretido, quebrantado y derramándose en lágrimas de contrición. Pero a causa de esta terrible enfermedad de un corazón duro no pueden suscitar esos dulces sentimientos en su alma.
Por eso claman: “Señor, quita este corazón duro; Señor, ablanda mi alma. Cuando vengo a oír Tu Palabra, cuando leo de Tus sufrimientos, derrite mi corazón, quita este corazón de piedra, dame un corazón de carne”. Eso es en sustancia lo que dicen las palabras del texto: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”.
Padecemos también bajo otra terrible enfermedad, a saber, la de la incredulidad. Estamos tan heridos por esta terrible enfermedad de la incredulidad que no podemos suscitar la menor fe en nuestra alma. No podemos creer una sola promesa, por gloriosa o idónea que sea. No podemos creer nuestra parte en Cristo, sino en la medida en que nuestros ojos pueden verla. No podemos creer que “todas las cosas nos ayudan a bien”.
No podemos creer en el Señor Jesucristo, ni confiar en Su sangre y Su amor. Si ahora sentimos esto y pedimos al Señor que lo quite y bendiga nuestra alma con fe, eso es realmente lo mismo que dice la oración: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”.
Y cuando place al Señor darnos confianza para creer Su Palabra, para venir a Él, para apoyarnos en Él, para confiar en Su misericordia y descansar en Su amor, entonces eso es el cumplimiento de la oración. Entonces el Señor la responde y sana la enfermedad de la incredulidad.
Lectura: Ezequiel 36:22-38
Al lector…
Hay días en que usted puede leer de los sufrimientos del Señor Jesús y sin embargo no sentir lágrima, ni compunción, ni que el corazón se derrita. ¿Y se reprocha que su corazón sea como una piedra, de modo que no puede creer una sola promesa, por gloriosa que sea? Entonces conoce dos enfermedades que los hijos de Dios conocen demasiado bien: un corazón duro y un corazón incrédulo. Usted mismo no puede suscitar esos sentimientos, por mucho que lo intente.
Pero ¿no es ya una señal de vida que lo sienta y suspire por ello? Lleve, pues, precisamente este corazón de piedra al Señor y diga: “Quita este corazón de piedra, dame un corazón de carne”. Ese es el lenguaje del texto: “Sáname, oh Jehová, y seré sano”. Y cuando Él le conceda venir a Él, apoyarse en Él y descansar en Su amor, entonces su oración habrá sido respondida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Mattheüs 28:5
Wat onze staat of geval ook moge zijn, indien waarlijk van ons kan gezegd worden hetgeen de engel sprak tot de vrouwen bij het graf: „Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was”, dan hebben wij een Goddelijk bewijs om te geloven dat Hij ons is voorgegaan naar Galilea. Daar zullen wij Hem zien. Hij is opgestaan. Hij is opgevaren en heeft gaven ontvangen voor de mensen, ja voor wederhorigen, opdat God onder hen wonen mocht. Hij zit nu op de genadestoel en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Hij zegt: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Hij vergunt, ja nodigt ons ons hart voor Hem uit te storten en onze bezwaren voor Hem neder te leggen, gelijk Hiskia de brief uitspreidde voor Gods aangezicht in de tempel. Indien wij gemeenschap met Hem zoeken, dan mogen en zullen ook wij Hem zeggen hoe dringend wij Hem van node hebben; dat zonder Hem het leven geen leven is, en met Hem de dood geen dood is.
Wij zullen Hem smeken onze afkeringen te genezen, Zijn liefde en bloed aan onze consciëntie te openbaren; ons het kwaad der zonde te ontdekken; ons te zegenen met een Goddelijke droefheid over ons struikelen en vallen. Wij zullen Hem smeken ons te bewaren voor het kwade, dat het ons niet smarte; ons te leiden in Zijn geheiligde waarheid en te behoeden voor alle dwaling; Zijn vreze diep in ons hart te planten, een of andere belofte aan onze ziel toe te passen, met ons te zijn op al onze paden, ons te bewaren in ons in- en uitgaan; ons te behoeden voor hoogmoed, zelfbedrog en eigengerechtigheid. Wij zullen Hem smeken of Hij ons schenken wil vernieuwde blijken van ons aandeel in Zijn volbracht werk; onze ongerechtigheid wil ten onder brengen; ons een tedere consciëntie wil geven en ze teder wil houden en in ons werken hetgeen Hem behaagt.
Wat is de gemeenschap anders dan een wederkerig geven en ontvangen; het ineenvloeien van twee harten; het ineensmelten van twee willen, waarvan toch elke partij haar zelfzijn handhaaft, en waar toch de één voor de ander een voorwerp is van genegenheid en vermaak? Hebben wij dan niets aan Christus te geven? Ja, onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen, en bovenal de zaligheid en heiligmaking van onze zielen. En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel, alles wat waarde heeft om te bezitten, alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak zoekt u Jezus, Die gekruisigd was, en durft u toch niet te zeggen dat u Hem gevonden hebt! Misschien is uw staat zo, dat u vreest dat er voor u geen plaats is. Maar kan het waarlijk van u gezegd worden dat u Hem zoekt, dan geldt ook u het woord: „Vreest gijlieden niet.” Hij is opgestaan, Hij zit op de genadestoel, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Kom dan tot Hem, zoals u bent, vermoeid en belast. Spreid uw bezwaren voor Hem uit, zoals Hiskia de brief uitspreidde in de tempel. Zeg Hem hoe dringend u Hem van node hebt, dat zonder Hem het leven geen leven is. U hebt Hem niets te brengen dan uw zonden, uw smarten en uw lasten; maar Hij heeft u te geven alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet, want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Mattheüs 28:5
Wat onze staat of toestand ook mag zijn: als werkelijk van ons gezegd kan worden wat de engel tot de vrouwen bij het graf sprak: „Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was”, dan hebben wij een Goddelijk bewijs om te geloven dat Hij ons is voorgegaan naar Galilea. Daar zullen wij Hem zien. Hij is opgestaan. Hij is opgevaren en heeft gaven ontvangen voor de mensen, ja voor de wederhorigen, opdat God onder hen zou wonen. Hij zit nu op de genadetroon, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Hij zegt: „Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Hij staat ons toe, ja nodigt ons uit, om ons hart voor Hem uit te storten en onze bezwaren voor Hem neer te leggen, zoals Hiskia de brief voor Gods aangezicht in de tempel uitspreidde. Als wij gemeenschap met Hem zoeken, dan mogen en zullen ook wij Hem zeggen hoe dringend wij Hem nodig hebben; dat zonder Hem het leven geen leven is, en met Hem de dood geen dood.
Wij zullen Hem smeken onze afkeringen te genezen, Zijn liefde en bloed aan ons geweten te openbaren, ons het kwaad van de zonde te laten zien, en ons te zegenen met een Goddelijke droefheid over ons struikelen en vallen. Wij zullen Hem smeken ons te bewaren voor het kwade, zodat het ons geen smart doet; ons te leiden in Zijn geheiligde waarheid en te behoeden voor alle dwaling; Zijn vreze diep in ons hart te planten, een of andere belofte op onze ziel toe te passen, met ons te zijn op al onze paden, ons te bewaren in ons in- en uitgaan, en ons te behoeden voor hoogmoed, zelfbedrog en eigengerechtigheid. Wij zullen Hem smeken of Hij ons nieuwe blijken wil schenken van ons deel aan Zijn volbracht werk; of Hij onze ongerechtigheid wil onderwerpen; of Hij ons een teder geweten wil geven en het teder wil houden, en in ons wil werken wat Hem behaagt.
Wat is gemeenschap anders dan wederzijds geven en ontvangen; het samenvloeien van twee harten; het samensmelten van twee willen, waarbij toch elke partij zichzelf blijft, en waarbij toch de één voor de ander een voorwerp is van genegenheid en vreugde? Hebben wij Christus dan niets te geven? Ja: onze zonden, onze smarten, onze lasten, onze beproevingen, en bovenal de zaligheid en heiligmaking van onze ziel. En wat heeft Hij ons te geven? Wat? Wel, alles wat het waard is om te bezitten, alles wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Aan de lezer…
Hoe vaak zoekt u Jezus, Die gekruisigd was, en durft u toch niet te zeggen dat u Hem gevonden hebt! Misschien is uw staat zo, dat u vreest dat er voor u geen plaats is. Maar als werkelijk van u gezegd kan worden dat u Hem zoekt, dan geldt ook voor u het woord: „Vreest gijlieden niet.” Hij is opgestaan, Hij zit op de genadetroon, en Hij nodigt en trekt arme, nooddruftige zondaren tot Zich.
Kom dan tot Hem zoals u bent, vermoeid en belast. Spreid uw bezwaren voor Hem uit, zoals Hiskia de brief uitspreidde in de tempel. Zeg Hem hoe dringend u Hem nodig hebt, en dat zonder Hem het leven geen leven is. U hebt Hem niets te brengen dan uw zonden, uw smarten en uw lasten; maar Hij heeft u alles te geven wat nodig is voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And the angel answered and said unto the women, Fear not ye: for I know that ye seek Jesus, which was crucified.”
Matthew 28:5
Whatever be our state and case, if it can truly be said of us what the angel said to the women at the sepulcher, “I know that you seek Jesus, Who was crucified,” we have a divine warrant to believe that “He is gone before us into Galilee. There shall we see Him.” He is risen; He has ascended up on high, and “has received gifts for men, yes, for the rebellious also, that the Lord God might dwell among them.” He is now upon the mercy-seat, and He invites and draws poor needy sinners to Himself. He says, “Come unto Me, all you that are weary and heavy laden, and I will give you rest.” He allows us, He invites us to pour out our heart before Him, to show before Him our trouble, to spread our needs at His feet, as Hezekiah spread the letter in the temple.
If we seek communion with Him, we may and shall tell Him how deeply we need Him, that without Him it is not life to live, and with Him not death to die. We shall beg of Him to heal our backslidings; to manifest His love and blood to our conscience; to show us the evil of sin; to bless us with godly sorrow for our slips and falls; to keep us from evil that it may not grieve us; to lead us into His sacred truth; to preserve us from all error; to plant His fear deep in our heart; to apply some precious promise to our soul; to be with us in all our ways; to watch over us in all our goings out and comings in; to preserve us from pride, self-deception, and self-righteousness; to give us renewed tokens of our saving interest in His finished work; to subdue our iniquities; to make and keep our conscience tender; and work in us everything which is pleasing in His sight.
What is communion but mutual giving and receiving, the flowing together of two hearts, the melting into one of two wills, the exchange of two loves—each party maintaining its distinct identity, yet being to the other an object of affection and delight? Have we nothing, then, to give to Christ? Yes, our sins, our sorrows, our burdens, our trials, and above all the salvation and sanctification of our souls. And what has He to give us? What? Why, everything worth having, everything worth a moment’s anxious thought, everything for time and eternity.
To the reader…
How often you seek Jesus, Who was crucified, and yet do not dare to say that you have found Him! Perhaps your state is such that you fear there is no place for you. But if it can truly be said of you that you seek Him, then the word applies to you too: “Fear not ye.” He is risen, He sits upon the mercy-seat, and He invites and draws poor, needy sinners to Himself.
Come to Him, then, just as you are, weary and heavy laden. Spread your burdens out before Him, as Hezekiah spread the letter in the temple. Tell Him how urgently you need Him, and that without Him life is no life. You have nothing to bring Him but your sins, your sorrows, and your burdens; but He has everything to give you that is needed for time and for eternity.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y respondiendo el ángel, dijo a las mujeres: No temáis vosotras; porque yo sé que buscáis a Jesús, que fue crucificado.
Mateo 28:5
Sea cual fuere nuestro estado y condición, si verdaderamente puede decirse de nosotros lo que el ángel dijo a las mujeres en el sepulcro: “Yo sé que buscáis a Jesús, que fue crucificado”, tenemos una garantía divina para creer que “va delante de vosotros a Galilea; allí le veréis”. Él ha resucitado; ha subido a lo alto y “tomó dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos Jehová Dios”. Él está ahora sobre el propiciatorio, e invita y atrae a Sí a los pobres pecadores necesitados. Él dice: “Venid a Mí todos los que estáis trabajados y cargados, que Yo os haré descansar.” Él nos permite, nos invita a derramar delante de Él nuestro corazón, a manifestar delante de Él nuestra angustia, a extender nuestras necesidades a Sus pies, como Ezequías extendió la carta en el templo.
Si buscamos comunión con Él, podemos y habremos de decirle cuán profundamente le necesitamos; que sin Él vivir no es vida, y con Él morir no es muerte. Le rogaremos que sane nuestras rebeliones; que manifieste Su amor y Su sangre a nuestra conciencia; que nos muestre la maldad del pecado; que nos bendiga con tristeza según Dios por nuestros tropiezos y caídas; que nos guarde del mal para que no nos aflija; que nos guíe a Su sagrada verdad; que nos preserve de todo error; que plante Su temor hondo en nuestro corazón; que aplique alguna preciosa promesa a nuestra alma; que esté con nosotros en todos nuestros caminos; que vele sobre nosotros en todas nuestras salidas y entradas; que nos preserve del orgullo, del engaño propio y de la justicia propia; que nos dé renovadas señales de nuestra parte salvadora en Su obra consumada; que sujete nuestras iniquidades; que haga y mantenga tierna nuestra conciencia; y que obre en nosotros todo lo que es agradable delante de Él.
¿Qué es la comunión sino un mutuo dar y recibir, el confluir de dos corazones, el fundirse en uno de dos voluntades, el intercambio de dos amores, manteniendo cada parte su identidad distinta y siendo, sin embargo, para la otra objeto de afecto y deleite? ¿No tenemos, pues, nada que dar a Cristo? Sí: nuestros pecados, nuestras penas, nuestras cargas, nuestras pruebas y, sobre todo, la salvación y santificación de nuestra alma. ¿Y qué tiene Él que darnos? ¿Qué? Pues todo lo que vale la pena tener, todo lo que merece un momento de pensamiento ansioso, todo para el tiempo y para la eternidad.
Al lector…
¡Cuántas veces busca usted a Jesús, que fue crucificado, y sin embargo no se atreve a decir que le ha hallado! Quizá su estado es tal que teme que no haya lugar para usted. Pero si de verdad puede decirse de usted que le busca, entonces la palabra se aplica también a usted: “No temáis vosotras.” Él ha resucitado, está sentado sobre el propiciatorio, e invita y atrae a Sí a los pobres pecadores necesitados.
Venga, pues, a Él tal como es, trabajado y cargado. Extienda sus cargas delante de Él, como Ezequías extendió la carta en el templo. Dígale cuán urgentemente le necesita, y que sin Él la vida no es vida. Usted no tiene nada que llevarle sino sus pecados, sus penas y sus cargas; pero Él tiene todo para darle cuanto se necesita para el tiempo y para la eternidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl