10 de agosto
Hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
1 Timotheüs 4:8
Ware godsvrucht ligt diep; zij is geen ballon die mijlen boven ons in de lucht zweeft. Zij is gelijk de Waarheid; zij ligt op de bodem van de put. Wij moeten dus tot de godsvrucht afdalen, indien wij haar in ons hart werkelijk willen ontvangen. De Heere Jezus Christus was een „Man van smarten en verzocht in krankheid”. Hij nam de laagste, de geringste en minste plaats. Hij was altijd in de diepte; zodat wij, zo wij met de Heere Jezus willen wandelen, met Hem door de diepte moeten gaan: door de diepte der vallei, door de diepte van het lijden, door de diepte der vernedering, door de diepte der beproeving, door de diepte der smart.
Wanneer wij door wereldse vreugde zijn opgeblazen, hebben wij geen medelijden met de Heere Jezus Christus in Zijn lijdende mensheid; dan gaan wij niet met Hem in de hof van Gethsémané, noch zien op Hem als op „het Lam Gods” aan het vloekhout. Wij kunnen het buiten de Heere Jezus wel stellen, als de wereld ons toelacht en de wereldse zaken de overmacht hebben in ons hart. Maar als er droefenis komt, een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt, dan zinken wij neder op die plaats waar de Heere Jezus alleen te vinden is.
Dan bevinden wij, zo het de Heere behaagt, een weinig godzaligheid in de ziel, dat zij heeft de „belofte des tegenwoordigen levens”. Er zijn beloften van steun en sterkte, verlichting, vertroosting en vrede aan haar verbonden, welke de wereld niet kent; er is in haar een troost, een kracht, een waarheid, een zaligheid die geen taal kan uitdrukken.
En als de ziel neergebogen is in de vallei der droefenis, en het behaagt de Heere haar daar te ontmoeten en te bezoeken en godzaligheid in haar daden en oefeningen te wekken, dan wordt zij bevonden „de beloften des tegenwoordigen levens te hebben”. Geloof, hoop, liefde, berouw, volheid des gebeds, nederigheid, verslagenheid van geest, lijdzaamheid en vrede worden voornamelijk geoefend wanneer de ziel door droefenis is neergedrukt. Hierin is de „belofte des tegenwoordigen levens” in het opwekken van die hemelse genade in het hart.
En de godzaligheid heeft ook de belofte „des toekomenden levens”. Zij ondersteunt in leven en in sterven, en voert de ziel in een gelukkige en gezegende eeuwigheid. De genade zal eindigen in heerlijkheid, het geloof in aanschouwen, de hoop in genieten. De ziel die van God geleerd is, zal Jezus zien gelijk Hij is. Aldus heeft de godzaligheid de „belofte des toekomenden levens”, wanneer de eeuwige vrede zal overvloeien, de tranen van alle aangezichten zullen afgewist worden, en de genade in eindeloze zaligheid voleindigd zal zijn.
Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
noch mij van alle kant
benauwd door ’s vijands hand.
Psalm 31:6
Aan de lezer…
Wie zich neergebogen voelt in de vallei der droefenis, onder een zwaar kruis of een last die neerdrukt, weet hoe dat is; misschien weet u het ook. Het is ons eigen hart wel bekend hoe licht wij de Heere Jezus missen kunnen zolang de wereld ons toelacht. Maar wanneer de droefenis komt, zinken wij neder op die plaats waar Hij alleen te vinden is. Hij was Zelf een Man van smarten; Hij nam de laagste plaats, en daar, in de diepte, wil Hij gevonden worden.
Zie dan uw droefheid niet alleen aan als verlies. Het is in de vallei dat geloof, hoop, liefde, berouw en verslagenheid van geest geoefend worden. Daar wil de Heere de ziel ontmoeten en bezoeken, en dan bevindt zij dat de godzaligheid de belofte heeft des tegenwoordigen levens: steun en sterkte, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Wacht dan op Hem in de diepte; Hij zal u niet wegstoten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
1 Timotheüs 4:8
Ware godsvrucht ligt diep; zij is geen ballon die mijlen boven ons in de lucht zweeft. Zij is als de waarheid: zij ligt op de bodem van de put. Wij moeten dus naar de godsvrucht afdalen, als wij haar werkelijk in ons hart willen ontvangen. De Heere Jezus Christus was een „Man van smarten en verzocht in krankheid”. Hij nam de laagste, de geringste en de minste plaats in. Hij was altijd in de diepte, zodat wij, als wij met de Heere Jezus willen wandelen, met Hem door de diepte moeten gaan: door de diepte van het dal, door de diepte van het lijden, door de diepte van de vernedering, door de diepte van de beproeving, door de diepte van de smart.
Wanneer wij opgeblazen zijn door wereldse vreugde, hebben wij geen medelijden met de Heere Jezus Christus in Zijn lijdende mensheid. Dan gaan wij niet met Hem de hof van Gethsémané in, en zien wij niet naar Hem op als naar „het Lam Gods” aan het vloekhout. Wij kunnen het zonder de Heere Jezus wel stellen, zolang de wereld ons toelacht en de wereldse zaken de overhand hebben in ons hart. Maar wanneer er droefheid komt, een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt, dan zinken wij weg naar die plaats waar alleen de Heere Jezus te vinden is.
Dan merken wij, als het de Heere behaagt een weinig godzaligheid in de ziel te geven, dat zij de „belofte des tegenwoordigen levens” heeft. Aan haar zijn beloften verbonden van steun en sterkte, verlichting, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Er is in haar een troost, een kracht, een waarheid, een zaligheid die geen taal kan uitdrukken.
En wanneer de ziel neergebogen is in het dal van de droefheid, en het de Heere behaagt haar daar te ontmoeten en te bezoeken en de godzaligheid in haar daden en oefeningen op te wekken, dan blijkt zij „de beloften des tegenwoordigen levens te hebben”. Geloof, hoop, liefde, berouw, een volheid van gebed, nederigheid, verslagenheid van geest, geduld en vrede worden vooral geoefend wanneer de ziel door droefheid is neergedrukt. Daarin, in het opwekken van die hemelse genade in het hart, ligt de „belofte des tegenwoordigen levens”.
En de godzaligheid heeft ook de belofte „des toekomenden levens”. Zij ondersteunt in leven en in sterven, en brengt de ziel in een gelukkige en gezegende eeuwigheid. De genade zal eindigen in heerlijkheid, het geloof in aanschouwen, de hoop in vervulling. De ziel die door God onderwezen is, zal Jezus zien zoals Hij is. Zo heeft de godzaligheid de „belofte des toekomenden levens”: wanneer eeuwige vrede zal overvloeien, de tranen van alle aangezichten afgewist zullen worden en de genade voleindigd zal worden in eindeloze zaligheid.
Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
noch mij van alle kant
benauwd door ’s vijands hand.
Psalm 31:6
Aan de lezer…
Wie zich neergebogen voelt in het dal van de droefheid, onder een zwaar kruis of een last die neerdrukt, weet hoe dat is; misschien weet u het ook. Ons eigen hart weet maar al te goed hoe gemakkelijk wij de Heere Jezus kunnen missen zolang de wereld ons toelacht. Maar wanneer de droefheid komt, zinken wij weg naar die plaats waar alleen Hij te vinden is. Hij was Zelf een Man van smarten; Hij nam de laagste plaats in, en daar, in de diepte, wil Hij gevonden worden.
Zie uw droefheid dan niet alleen als verlies. Juist in het dal worden geloof, hoop, liefde, berouw en verslagenheid van geest geoefend. Daar wil de Heere de ziel ontmoeten en bezoeken, en dan merkt zij dat de godzaligheid de belofte van het tegenwoordige leven heeft: steun en sterkte, vertroosting en vrede, die de wereld niet kent. Wacht dan op Hem in de diepte; Hij zal u niet wegstoten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Having promise of the life that now is, and of that which is to come.
1 Timothy 4:8
True religion lies deep; it is not a balloon hovering over us miles up in the air. It is like truth—it lies at the bottom of the well. We must go down, then, into religion, if we are to have it really in our hearts. The Lord Jesus Christ was “a Man of Sorrows, and acquainted with grief.” He took the lowest, last, and least place. He was always down; so that if we are to be companions with the Lord Jesus Christ, we must go down with Him—down into the valley, down into suffering, down into humiliation, down into trial, down into sorrow.
When we get puffed up by worldly joy, or elated by carnal excitement, we do not sympathize with the Lord Jesus Christ in His suffering manhood; we do not go with Him then into the garden of Gethsemane, nor behold Him as “the Lamb of God” on the accursed tree. We can do without Jesus very well when the world smiles, and carnal things are uppermost in our heart. But let affliction come, a heavy cross, a burden to weigh us down, then we drop into the place where the Lord Jesus is only to be found. We find, then, if the Lord is pleased to bring a little godliness into the soul, and to draw forth this godliness into vital exercise, that it has “the promise of the life that now is.”
There are promises connected with it of support and strength, comfort, consolation, and peace, that the world knows nothing of; there is a truth in it, a power, a reality, a blessedness in it, that tongue can never express. And when the soul gets pressed down into the valley of affliction, and the Lord is pleased to meet with it there, and visit it then, and draw forth godliness in its actings and exercises, then it is found to have “the promise of the life that now is.” Faith, hope, love, repentance, prayerfulness, humility, contrition, patience, and peace—all these gifts and graces of the Spirit are exercised chiefly when the soul is down in affliction. Here is “the promise of the life that now is” in the drawing forth of these heavenly graces in the heart.
And godliness has the promise also of “the life which is to come.” It supports in life and in death; and takes the soul into a happy and blessed eternity. Grace will end in glory; faith in sight; hope in fruition. The soul taught of God will see Jesus as He is. Thus godliness has “the promise of the life which is to come,” when eternal peace shall abound, tears be wiped from off all faces, and grace consummated in endless bliss.
To the reader…
Whoever feels bowed down in the valley of sorrow, under a heavy cross or a burden that weighs him down, knows what that is like; perhaps you know it too. Our own heart knows only too well how easily we can do without the Lord Jesus as long as the world smiles on us. But when sorrow comes, we sink down to that place where He alone is to be found. He Himself was a Man of sorrows; He took the lowest place, and there, in the depths, He will be found.
So do not see your sorrow only as loss. It is precisely in the valley that faith, hope, love, repentance and contrition of spirit are exercised. There the Lord will meet and visit the soul, and then it finds that godliness has the promise of the life that now is: support and strength, comfort and peace, which the world does not know. Wait, then, upon Him in the depths; He will not cast you away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pues tiene promesa de esta vida presente, y de la venidera.
1 Timoteo 4:8
La verdadera religión yace en lo hondo; no es un globo que flota sobre nosotros a millas de altura en el aire. Es como la verdad: yace en el fondo del pozo. Hemos de descender, pues, a la religión, si hemos de tenerla verdaderamente en el corazón. El Señor Jesucristo fue “varón de dolores, experimentado en quebranto”. Tomó el lugar más bajo, el último y el menor. Siempre estuvo abajo; de modo que, si hemos de ser compañeros del Señor Jesucristo, hemos de descender con Él: descender al valle, descender al sufrimiento, descender a la humillación, descender a la prueba, descender a la tristeza.
Cuando nos envanecemos por el gozo mundano o nos exaltamos por la excitación carnal, no nos compadecemos del Señor Jesucristo en Su humanidad sufriente; no vamos entonces con Él al huerto de Getsemaní, ni le contemplamos como “el Cordero de Dios” en el madero maldito. Podemos pasarnos muy bien sin Jesús cuando el mundo sonríe y las cosas carnales ocupan el primer lugar en nuestro corazón. Pero venga la aflicción, una cruz pesada, una carga que nos abata, y entonces caemos al lugar donde únicamente se halla al Señor Jesús. Hallamos entonces, si al Señor le place traer un poco de piedad al alma y hacer salir esta piedad a un ejercicio vital, que tiene “promesa de esta vida presente”.
Hay promesas unidas a ella de sostén y fuerza, consuelo, consolación y paz, de las que el mundo no sabe nada; hay en ella una verdad, un poder, una realidad, una bienaventuranza que la lengua nunca puede expresar. Y cuando el alma es oprimida hasta el valle de la aflicción, y al Señor le place encontrarse con ella allí, y visitarla entonces, y hacer salir la piedad en sus actuaciones y ejercicios, entonces se halla que tiene “promesa de esta vida presente”. La fe, la esperanza, el amor, el arrepentimiento, el espíritu de oración, la humildad, la contrición, la paciencia y la paz: todos estos dones y gracias del Espíritu se ejercitan principalmente cuando el alma está abatida en la aflicción. Aquí está la “promesa de esta vida presente”, en el hacer salir estas gracias celestiales en el corazón.
Y la piedad tiene también la promesa “de la venidera”. Sostiene en la vida y en la muerte, y lleva al alma a una eternidad feliz y bienaventurada. La gracia terminará en gloria; la fe, en vista; la esperanza, en posesión. El alma enseñada por Dios verá a Jesús tal como Él es. Así la piedad tiene “promesa de la venidera”, cuando la paz eterna abundará, las lágrimas serán enjugadas de todos los rostros y la gracia será consumada en dicha sin fin.
Al lector…
Quien se siente abatido en el valle de la tristeza, bajo una cruz pesada o una carga que le oprime, sabe lo que es eso; quizá usted también lo sepa. Nuestro propio corazón sabe demasiado bien con qué facilidad podemos pasarnos sin el Señor Jesús mientras el mundo nos sonríe. Pero cuando viene la tristeza, descendemos a aquel lugar donde solo a Él se le halla. Él mismo fue varón de dolores; tomó el lugar más bajo, y allí, en lo profundo, se deja hallar.
No vea, pues, su tristeza solo como pérdida. Es precisamente en el valle donde se ejercitan la fe, la esperanza, el amor, el arrepentimiento y la contrición de espíritu. Allí el Señor se encontrará con el alma y la visitará, y entonces ella halla que la piedad tiene promesa de esta vida presente: sostén y fuerza, consuelo y paz, que el mundo no conoce. Espere, pues, en Él en lo profundo; Él no le desechará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl