6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren; die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
1 Petrus 2:5
Gods kinderen hebben vele ernstige kwellingen, afmattende verzoekingen en vele krachtige oefeningen nodig, om hen enigszins te behouwen naar de vorm en te besnijden tot zij enige overeenkomst hebben met het beeld van Christus. Want zij zijn niet gelijk het lijdelijke marmer onder de handen des beeldhouwers, dat zich zonder morren en ook zonder gevoel leent, om hier een hoek te zien afhouwen, en die uitstekende hoek te zien afronden door de beitel; maar Gods volk zijn levende stenen en voelen daarom elke slag. Wij zijn zo gevoelig van huid, dat wij niet kunnen uitstaan, dat een draadje moeite op ons worde gelegd; wij deinzen zelfs terug voor de aanraking van het ijzer. Om dus door de hand van God door houwen, hakken en beitelen tot zulk een gedaante en vorm behouwen, afgehakt en gebeiteld te worden, o welk pijnlijk werk is dit!
Maar zo de zuil kon weten en zeggen, wat de beeldhouwer deed, zou zij dan niet zien, dat geen enkele slag tevergeefs was? Wij weten het, de beeldhouwer moet in sommige delen van het marmer de breedte van een enkel haar noch te klein, noch te groot maken, of hij zal het ganse beeld bederven. Hij weet zeer goed waar hij de beitel moet plaatsen en in welke richting en met hoeveel kracht hij met zijn houten hamer slaan moet. En weet God dan niet, Die de geestelijke pilaren elk op zijn bestemde plaats bevestigt, opdat zij „hoekstenen” zijn, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis – weet God dan niet, zeg ik, waar de slag toe te brengen, welke vleselijke uithoek af te slaan en hoe de gehele kolom te fatsoeneren, van de basis tot het kapiteel, opdat zij dezelfde vorm en dezelfde verhouding zou hebben, welke Hij eraan wenste te geven?
Zo de Heere dan op onze zielen werkt, hebben wij geen slag te veel of te weinig gehad en zullen er nooit een te veel of te weinig krijgen, en nooit in een verkeerde richting, maar er zal juist zoveel in ons te werken zijn als God behaagt, om van ons te maken wat Hij wilde, dat wij zijn zouden. Hoeveel moeite zouden wij ons besparen, zo wij ons geduldig konden onderwerpen aan Gods liefdeslagen en geen andere wil kenden dan de Zijne.
Ps. 141:15
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken over de slagen van de hamer en de beitel. Voelt u ze, en deinst u terug voor de aanraking van het ijzer? Dat is niet vreemd, want Gods volk zijn geen lijdelijk marmer, maar levende stenen, die elke slag voelen. Het houwen, hakken en beitelen is pijnlijk werk; dat wordt u niet verzwegen.
Maar weet de Meester niet waar de slag toe te brengen en welke vleselijke uithoek af te slaan? Hij plaatst Zijn beitel nooit in een verkeerde richting en geeft geen slag te veel of te weinig. Wat u nu zo onverklaarbaar treft, dient om u enige overeenkomst te geven met het beeld van Christus en u te bouwen tot een geestelijk huis. Moge Hij u genade geven om u geduldig aan Zijn liefdeslagen te onderwerpen, en geen andere wil te kennen dan de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren; die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
1 Petrus 2:5
Gods kinderen hebben veel zware kwellingen, uitputtende verzoekingen en veel krachtige oefeningen nodig om enigszins in vorm te worden gehouwen en bijgesneden, totdat zij enige overeenkomst vertonen met het beeld van Christus. Want zij zijn niet als het lijdzame marmer onder de handen van de beeldhouwer, dat zich zonder morren en ook zonder gevoel laat bewerken, terwijl hier een hoek wordt afgehouwen en daar een uitstekende rand met de beitel wordt afgerond. Nee, Gods volk zijn levende stenen, en daarom voelen zij elke slag. Wij zijn zo gevoelig van huid dat wij het niet kunnen verdragen dat er ook maar een draadje moeite op ons wordt gelegd; wij deinzen zelfs terug voor de aanraking van het ijzer. Om dan door de hand van God, door houwen, hakken en beitelen, tot zo’n gedaante en vorm te worden behouwen, afgehakt en gebeiteld: o, wat een pijnlijk werk is dat!
Maar als de zuil kon weten en zeggen wat de beeldhouwer deed, zou zij dan niet zien dat geen enkele slag tevergeefs was? Wij weten dat de beeldhouwer in sommige delen van het marmer de breedte van één haar niet te klein en niet te groot mag maken, anders bederft hij het hele beeld. Hij weet heel goed waar hij de beitel moet plaatsen, in welke richting, en met hoeveel kracht hij met zijn houten hamer moet slaan. En zou God dan niet weten — Hij Die de geestelijke pilaren ieder op hun bestemde plaats zet, zodat zij „hoekstenen” zijn, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis — zou God dan niet weten, zeg ik, waar Hij de slag moet toebrengen, welke vleselijke uitstekende hoek Hij moet afslaan, en hoe Hij de hele zuil moet vormen, van de voet tot het kapiteel, zodat zij precies de vorm en de verhoudingen krijgt die Hij haar wilde geven?
Wanneer de Heere dan op onze zielen werkt, hebben wij geen slag te veel of te weinig gehad, en zullen wij er ook nooit een te veel of te weinig krijgen, en nooit in een verkeerde richting. Er zal juist zoveel aan ons bewerkt worden als God behaagt, om van ons te maken wat Hij wilde dat wij zouden zijn. Hoeveel moeite zouden wij ons besparen als wij ons geduldig konden onderwerpen aan Gods liefdeslagen en geen andere wil kenden dan de Zijne!
Ps. 141:15
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken over de slagen van de hamer en de beitel. Voelt u ze, en deinst u terug voor de aanraking van het ijzer? Dat is niet vreemd, want Gods volk is geen lijdzaam marmer, maar zij zijn levende stenen, die elke slag voelen. Het houwen, hakken en beitelen is pijnlijk werk; dat wordt u niet verzwegen.
Maar weet de Meester niet waar Hij de slag moet toebrengen en welke vleselijke uitstekende hoek Hij moet afslaan? Hij zet Zijn beitel nooit in een verkeerde richting en geeft geen slag te veel of te weinig. Wat u nu zo onverklaarbaar treft, dient om u enige overeenkomst te geven met het beeld van Christus en u te bouwen tot een geestelijk huis. Moge Hij u genade geven om u geduldig aan Zijn liefdeslagen te onderwerpen en geen andere wil te kennen dan de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ye also, as lively stones, are built up a spiritual house, an holy priesthood, to offer up spiritual sacrifices, acceptable to God by Jesus Christ.
1 Peter 2:5
God’s people require many severe afflictions, harassing temptations, and many powerful trials to hew them into any good shape, to chisel them into any conformity to Christ’s image. For they are not like the passive marble under the hands of the sculptor, which will submit without murmuring, and indeed without feeling, to have this corner chipped off, and that jutting angle rounded by the chisel; but God’s people are living stones, and, therefore, they feel every stroke. We are so tender-skinned that we cannot bear a thread of trouble to lie upon us, we shrink from even the touch of the chisel. To be hewed, then, and squared, and chiseled by the hand of God into such shapes and forms as please Him, O what painful work it is!
But if the stone could know—if it could tell what the sculptor was doing, would it not see that not a single stroke was made in vain? The sculptor, we know, must not make a single hair’s breadth too little or too much in some parts of the marble, or he will spoil the statue. He knows perfectly well where to place the chisel, and in what direction, and with what force to strike it with the mallet. And does not God, Who fixes the spiritual pillars each in its destined spot, that they may be “like graceful pillars, carved to beautify a palace” (Ps. 144:12), know where to inflict the stroke, what ‘carnal jutting angle’ to chip off, and how to chisel the whole column, from the base to the top, so that it shall wear the very shape and the very same proportion which He designs that it should wear?
If the Lord, then, is at work upon our souls, we have not had, we are not now having, we shall never have, one stroke too much, one stroke too little, one stroke in the wrong direction, but there shall be just sufficient to work in us that which is pleasing in God’s sight, and to make us that which He would have us to be. What a great deal of trouble would we be spared if we could only patiently submit to the Lord’s afflicting stroke and know no will but His.
To the reader…
Here we read of the strokes of the mallet and the chisel. Do you feel them, and do you shrink from the touch of the iron? That is not strange, for God’s people are not passive marble, but living stones, who feel every stroke. The hewing, chipping and chiselling is painful work; that is not hidden from you.
But does not the Master know where to strike the blow and which carnal jutting angle to chip off? He never sets His chisel in a wrong direction and gives no stroke too many or too few. What now strikes you as so inexplicable serves to give you some conformity to the image of Christ and to build you up into a spiritual house. May He give you grace to submit patiently to His strokes of love and to know no will but His.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Vosotros también, como piedras vivas, sed edificados una casa espiritual, y un sacerdocio santo, para ofrecer sacrificios espirituales, agradables a Dios por Jesucristo.
1 Pedro 2:5
El pueblo de Dios necesita muchas aflicciones severas, tentaciones acosadoras y muchas pruebas poderosas para ser labrado en alguna buena forma, para ser cincelado en alguna conformidad con la imagen de Cristo. Porque no son como el mármol pasivo bajo las manos del escultor, que se somete sin murmurar, y en verdad sin sentir, a que le quiten esta esquina y le redondeen con el cincel aquel ángulo saliente; sino que el pueblo de Dios son piedras vivas, y por eso sienten cada golpe. Tenemos la piel tan sensible que no podemos soportar que un hilo de aflicción descanse sobre nosotros; retrocedemos aun ante el toque del cincel. Ser, pues, labrados, escuadrados y cincelados por la mano de Dios en las formas y figuras que a Él Le placen, ¡oh, qué obra tan dolorosa es!
Pero si la piedra pudiera saber, si pudiera decir lo que el escultor está haciendo, ¿no vería que ni un solo golpe se da en vano? El escultor, como sabemos, no debe quitar ni el grueso de un cabello de menos o de más en ciertas partes del mármol, o echará a perder la estatua. Sabe perfectamente dónde colocar el cincel, en qué dirección y con qué fuerza golpearlo con el mazo. ¿Y no sabe Dios, Quien fija las columnas espirituales cada una en su lugar destinado, para que sean “como esquinas labradas a manera de las de un palacio” (Salmo 144:12), dónde descargar el golpe, qué ‘ángulo saliente carnal’ quitar, y cómo cincelar toda la columna, desde la base hasta lo alto, de modo que tenga exactamente la forma y la misma proporción que Él ha determinado que tenga?
Si el Señor, pues, está obrando en nuestras almas, no hemos tenido, no estamos teniendo ahora, ni tendremos jamás, un golpe de más, un golpe de menos, un golpe en dirección equivocada, sino que habrá exactamente los suficientes para obrar en nosotros lo que es agradable a los ojos de Dios, y para hacernos lo que Él quiere que seamos. ¡Cuánta aflicción nos ahorraríamos si tan solo pudiéramos someternos con paciencia al golpe afligidor del Señor y no conocer otra voluntad que la Suya!
Al lector…
Aquí leemos de los golpes del mazo y del cincel. ¿Los siente usted, y retrocede ante el toque del hierro? No es extraño, porque el pueblo de Dios no es mármol pasivo, sino piedras vivas, que sienten cada golpe. El labrar, quitar y cincelar es una obra dolorosa; eso no se le oculta.
Pero ¿no sabe el Maestro dónde descargar el golpe y qué ángulo saliente carnal quitar? Él nunca pone Su cincel en dirección equivocada y no da ni un golpe de más ni de menos. Lo que ahora le parece tan inexplicable sirve para darle alguna conformidad con la imagen de Cristo y para edificarle como casa espiritual. Que Él le dé gracia para someterse con paciencia a Sus golpes de amor y no conocer otra voluntad que la Suya.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een onbeweeglijk koninkrijk
En dit woord; Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
Er zijn dingen die beweeglijk zijn, en er zijn dingen die niet beweeglijk zijn; de dingen die beweeglijk zijn, dienen te worden verwijderd, de dingen die niet beweeglijk zijn, dienen te blijven. Dit geldt zowel in de natuur als in de genade. „Beweeglijk” wijst op inwendige zwakte, derhalve op verval, derhalve op verwijdering; „onbeweeglijk” wijst op inwendige kracht, derhalve op stevigheid, derhalve op vastheid. Maar wat zijn in goddelijke aangelegenheden de dingen die onbeweeglijk zijn? We zullen er, onder Gods zegen, enkele beschouwen.
Het eeuwige verbond (2 Sam. 23:5), dat in alles wel geordineerd en bewaard is, is één van die dingen die onbeweeglijk zijn. De richtlijnen van de eeuwige Drie-eenheid, met de verordeningen die vaststonden voordat de wereld een wezen, of de tijd een bestaan had, kunnen niet heen en weer worden bewogen door de rusteloze golven van het lot of de verandering. Een berg zou net zo goed door de nevelen rond zijn top kunnen worden bewogen als de eeuwige raad van God door de ademtocht van een mens. „Is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren?” (Job 23:13). „Ik, de HEERE, word niet veranderd” (Mal. 3:6).
Het voltooide werk van Christus is ook één van die dingen die onbeweeglijk zijn. Zei Hij niet terwijl Hij Zijn laatste adem uitblies: „Het is volbracht”? Zijn bijna laatste woorden waren: „Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen” (Joh. 17:4). Vandaar dat van Hem was voorzegd dat Hij „een eeuwige gerechtigheid” (Dan. 9:24) zou aanbrengen, hetgeen Hij deed toen Hij de wet gehoorzaamde en stierf onder de vloek ervan.
Van het voltooide werk van de Zoon van God kunnen we met recht zeggen, „dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen” (Pred. 3:14). Het is een volmaakt werk, een voltooide verlossing, een totale verlossing. Niets kan het doen bewegen, veranderen of vernietigen, en daarom blijft het.
Lezen: Hebreeën 12:14-29
Aan de lezer…
Hoe wordt u soms heen en weer bewogen door de rusteloze golven van uw eigen gestalten, uw twijfels en uw wisselende omstandigheden! Zoveel in en om u is beweeglijk, zwak en aan verval onderhevig. Maar er zijn dingen die niet bewogen kunnen worden. Het eeuwige verbond is in alles wel geordineerd en bewaard, en de raad van God wordt door de ademtocht van een mens niet meer bewogen dan een berg door de nevelen rond zijn top. „Ik, de HEERE, word niet veranderd.”
En zie op het voltooide werk van Christus. Hij riep: „Het is volbracht.” Er is niets aan toe te doen en niets van af te doen; het is een volmaakte verlossing, die door niets veranderd of vernietigd kan worden. Bouw dan niet op wat in u beweeglijk is, maar op Hem en Zijn werk. Wie zulk een onbeweeglijk koninkrijk ontvangt, mag de genade vasthouden en God dienen met eerbied en godvruchtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit woord; Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
Er zijn dingen die beweeglijk zijn, en er zijn dingen die niet beweeglijk zijn. De dingen die beweeglijk zijn, moeten worden weggenomen; de dingen die niet beweeglijk zijn, moeten blijven. Dit geldt zowel in de natuur als in de genade. „Beweeglijk” wijst op innerlijke zwakte, en daarom op verval, en daarom op wegneming. „Onbeweeglijk” wijst op innerlijke kracht, en daarom op stevigheid, en daarom op vastheid. Maar welke dingen zijn in goddelijke zaken onbeweeglijk? We zullen er, onder Gods zegen, enkele bekijken.
Het eeuwige verbond (2 Sam. 23:5), dat in alles wel geordineerd en bewaard is, is een van die dingen die onbeweeglijk zijn. De besluiten van de eeuwige Drie-eenheid, met de verordeningen die vaststonden voordat de wereld er was of de tijd bestond, kunnen niet heen en weer worden bewogen door de rusteloze golven van lot of verandering. Een berg zou net zo goed door de nevels rond zijn top kunnen worden bewogen als de eeuwige raad van God door de adem van een mens. „Is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren?” (Job 23:13). „Ik, de HEERE, word niet veranderd” (Mal. 3:6).
Ook het voltooide werk van Christus is een van die dingen die onbeweeglijk zijn. Zei Hij niet, toen Hij Zijn laatste adem uitblies: „Het is volbracht”? Een van Zijn laatste woorden was: „Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen” (Joh. 17:4). Daarom was van Hem voorzegd dat Hij „een eeuwige gerechtigheid” (Dan. 9:24) zou aanbrengen. Dat deed Hij toen Hij de wet gehoorzaamde en onder haar vloek stierf.
Van het voltooide werk van de Zoon van God kunnen we met recht zeggen, „dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen” (Pred. 3:14). Het is een volmaakt werk, een voltooide verlossing, een volkomen verlossing. Niets kan het bewegen, veranderen of vernietigen, en daarom blijft het.
Lezen: Hebreeën 12:14-29
Aan de lezer…
Hoe wordt u soms heen en weer bewogen door de rusteloze golven van uw eigen gestalten, uw twijfels en uw wisselende omstandigheden! Zoveel in en om u is beweeglijk, zwak en aan verval onderhevig. Maar er zijn dingen die niet bewogen kunnen worden. Het eeuwige verbond is in alles wel geordineerd en bewaard, en de raad van God wordt door de adem van een mens niet meer bewogen dan een berg door de nevels rond zijn top. „Ik, de HEERE, word niet veranderd.”
Kijk ook naar het voltooide werk van Christus. Hij riep: „Het is volbracht.” Er is niets aan toe te doen en niets van af te doen; het is een volmaakte verlossing, die door niets veranderd of vernietigd kan worden. Bouw dan niet op wat in u beweeglijk is, maar op Hem en Zijn werk. Wie zo’n onbeweeglijk koninkrijk ontvangt, mag de genade vasthouden en God dienen met eerbied en godvruchtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this word, Yet once more, signifieth the removing of those things that are shaken, as of things that are made, that those things which cannot be shaken may remain. Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear.
Hebrews 12:27-28
There are things which are shaken, and there are things which cannot be shaken. The things which are shaken must be removed; the things which cannot be shaken must remain. This holds good both in nature and in grace. “Shaken” points to inward weakness, and therefore to decay, and therefore to removal. “Not shaken” points to inward strength, and therefore to firmness, and therefore to stability. But which things in divine matters cannot be shaken? We will look at some of them, under God’s blessing.
The everlasting covenant (2 Samuel 23:5), ordered in all things and sure, is one of those things which cannot be shaken. The decrees of the eternal Trinity, with the ordinances which were fixed before the world was or time existed, cannot be moved to and fro by the restless waves of chance or change. A mountain might as soon be moved by the mists around its summit as the eternal counsel of God by the breath of man. “He is in one mind, and who can turn Him?” (Job 23:13). “I am the LORD, I change not” (Malachi 3:6).
The finished work of Christ, too, is one of those things which cannot be shaken. Did He not say, as He breathed His last, “It is finished”? One of His last words was, “I have finished the work which Thou gavest Me to do” (John 17:4). Therefore it had been foretold of Him that He would bring in “everlasting righteousness” (Daniel 9:24). This He did when He obeyed the law and died under its curse.
Of the finished work of the Son of God we may justly say “that, whatsoever God doeth, it shall be for ever: nothing can be put to it, nor any thing taken from it” (Ecclesiastes 3:14). It is a perfect work, a finished redemption, a complete salvation. Nothing can shake, alter or destroy it, and therefore it remains.
Reading: Hebrews 12:14-29
To the reader…
How you are sometimes moved to and fro by the restless waves of your own frames, your doubts and your changing circumstances! So much in and around you can be shaken, is weak and subject to decay. But there are things that cannot be shaken. The everlasting covenant is ordered in all things and sure, and the counsel of God is no more moved by the breath of man than a mountain by the mists around its summit. “I am the LORD, I change not.”
Look also at the finished work of Christ. He cried, “It is finished.” Nothing can be put to it and nothing taken from it; it is a perfect redemption, which nothing can alter or destroy. Do not build, then, on what can be shaken in you, but on Him and His work. Whoever receives such a kingdom which cannot be moved may have grace to serve God with reverence and godly fear.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esta palabra, Aun una vez, declara la mudanza de las cosas movibles, como de cosas que son hechas, para que queden las cosas que son firmes. Así que, tomando el reino inmóvil, retengamos la gracia por la cual sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia.
Hebreos 12:27-28
Hay cosas que son movidas, y hay cosas que no pueden ser movidas. Las cosas que son movidas deben ser quitadas; las cosas que no pueden ser movidas deben permanecer. Esto vale tanto en la naturaleza como en la gracia. “Movible” apunta a debilidad interior, y por tanto a decadencia, y por tanto a ser quitado. “Inmóvil” apunta a fuerza interior, y por tanto a firmeza, y por tanto a estabilidad. Pero ¿qué cosas en los asuntos divinos no pueden ser movidas? Veremos algunas de ellas, con la bendición de Dios.
El pacto perpetuo (2 Samuel 23:5), ordenado en todas las cosas y seguro, es una de esas cosas que no pueden ser movidas. Los decretos de la eterna Trinidad, con las ordenanzas que fueron fijadas antes de que el mundo fuera o el tiempo existiera, no pueden ser llevados de aquí para allá por las inquietas olas del azar o del cambio. Tan pronto podría una montaña ser movida por las nieblas alrededor de su cumbre como el consejo eterno de Dios por el aliento del hombre. “Empero si Él se determina en una cosa, ¿quién Le apartará?” (Job 23:13). “Porque Yo Jehová, no me mudo” (Malaquías 3:6).
La obra consumada de Cristo es también una de esas cosas que no pueden ser movidas. ¿No dijo Él, al exhalar Su último aliento: “Consumado es”? Una de Sus últimas palabras fue: “He acabado la obra que me diste que hiciese” (Juan 17:4). Por eso se había predicho de Él que traería “la justicia de los siglos” (Daniel 9:24). Esto lo hizo cuando obedeció la ley y murió bajo su maldición.
De la obra consumada del Hijo de Dios podemos decir con razón “que todo lo que Dios hace, eso será perpetuo: sobre aquello no se añadirá, ni de ello se disminuirá” (Eclesiastés 3:14). Es una obra perfecta, una redención consumada, una salvación completa. Nada puede moverla, alterarla ni destruirla, y por eso permanece.
Lectura: Hebreos 12:14-29
Al lector…
¡Cómo es usted a veces llevado de aquí para allá por las inquietas olas de sus propios estados de ánimo, sus dudas y sus circunstancias cambiantes! Tanto en usted y a su alrededor puede ser movido, es débil y está sujeto a decadencia. Pero hay cosas que no pueden ser movidas. El pacto perpetuo está ordenado en todas las cosas y es seguro, y el consejo de Dios no es movido por el aliento del hombre más que una montaña por las nieblas alrededor de su cumbre. “Porque Yo Jehová, no me mudo.”
Mire también la obra consumada de Cristo. Él clamó: “Consumado es.” Nada se le puede añadir y nada se le puede quitar; es una redención perfecta, que nada puede alterar ni destruir. No edifique, pues, sobre lo que en usted puede ser movido, sino sobre Él y Su obra. Quien toma tal reino inmóvil puede tener gracia para servir a Dios con temor y reverencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
In het licht van des Konings aangezicht is leven, en Zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
Spreuken 16:15
Wat is de godsdienst zonder een levend geloof in en een innige liefde tot de Heere Jezus Christus? Hoe ledig en traag, hoe droog en lastig, wat een last voor het gemoed en een vermoeidheid voor het vlees. Het is een omloop van vormen, waar het hart niet in deelt en de genegenheden niet worden uitgehaald. Het lezen, horen, bidden, mediteren en spreken met Gods volk is een koud en harteloos werk als Jezus er niet in is. Doch laat Hij verschijnen, laat Zijn tegenwoordigheid en genade gevoeld worden, en de bewegingen van de gezegende Geest in het hart, dan is er een heilige zoetheid, een zaligheid in de dienst van God en in de gemeenschap met de Heere Jezus, en dit maakt, zolang het duurt, een kleine hemel op aarde.
Het is deze inwendige gewaarwording van Zijn tegenwoordigheid, als een hemel, en de ellendige gewaarwording van Zijn afwezigheid, als een hel, die de schapen van Christus zo doet uitzien naar Zijn gemeenschap. Hij heeft hun harten tot Zich ingewonnen door aan hen Zijn schoonheid en liefde te ontdekken; en zij, eens gezien hebbende de heerlijkheid van Zijn Persoon, gehoord hebbende de zoetheid van Zijn stem, en gesmaakt hebbende de genade Zijner lippen, volgen Hem, waar Hij ook heengaat, en zoeken Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding, en achten alle dingen schade en drek, opdat zij Hem mogen gewinnen en een blijkje van Zijn liefde mogen ontmoeten.
Wat anders kan de ziel onder deze beproevingen en verzoekingen, die haar bij tijden zo zeer drukken, ondersteunen, haar verlichting toebrengen onder wrede twijfelingen, die zo verontrusten, haar ontslaan van de vrees des doods, die zo kan verschrikken, de opstand neerwerpen, die zo veroordeelt, haar van de wereld spenen, die zo verleidt; en haar doen blikken over dood en graf, haar de zorgen ontnemen van het voorbijgaande uur en van de gebeurtenissen van de verdwijnende dag, haar oog richten op de aanstaande eeuwigheid, dan die bezoeken van de Heere aan de ziel, die haar gemeenschap geven met Hem?
Zo werden de heiligen in de dagen van ouds door God geleid en onderwezen, gelijk de Heilige Geest deze hun ondervinding in het Woord der waarheid heeft beschreven. Zich de dagen van ouds herinnerende, zegt iemand: „Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.” Uitziende naar een vernieuwd gunstbewijs, zegt een ander: „O, wanneer zult Gij tot mij komen?” En onder de genieting van Zijn tegenwoordigheid zegt de kerk: „Hij voert mij in het wijnhuis en Zijn liefde is de banier over mij.”
Aan de lezer…
Herkent u dit? Uw godsdienst is u soms een last geworden, een omloop van vormen waar het hart niet in deelt. Is lezen, horen en bidden koud en harteloos werk, omdat u de Heere Jezus er niet in vindt? Wees daar eerlijk over, en schaam u er niet voor het voor Hem uit te spreken. Wie de ellende van Zijn afwezigheid voelt, weet ook iets van wat Zijn tegenwoordigheid is.
Want laat Hij maar verschijnen, en het wordt, zolang het duurt, een kleine hemel op aarde. Wat anders kan u in beproeving ondersteunen, de vrees des doods wegnemen en uw oog op de eeuwigheid richten, dan zulke bezoeken van Hem aan de ziel? Zie dan naar Hem uit, zoals de heiligen van ouds, en zucht met hen: „O, wanneer zult Gij tot mij komen?” In het licht van des Konings aangezicht is leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In het licht van des Konings aangezicht is leven, en Zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
Spreuken 16:15
Wat is de godsdienst zonder een levend geloof in en een innige liefde tot de Heere Jezus Christus? Hoe leeg en traag, hoe droog en lastig, wat een last voor het gemoed en wat een vermoeienis voor het vlees! Het is een kringloop van vormen, waar het hart niet aan deelneemt en waarin de genegenheden niet worden uitgetrokken. Het lezen, horen, bidden, overdenken en spreken met Gods volk is koud en harteloos werk als Jezus er niet in is. Maar laat Hij verschijnen, laat Zijn tegenwoordigheid en genade gevoeld worden en de bewegingen van de gezegende Geest in het hart, dan is er een heilige zoetheid, een zaligheid in de dienst van God en in de gemeenschap met de Heere Jezus. Dat maakt, zolang het duurt, een kleine hemel op aarde.
Het is dit innerlijke besef van Zijn tegenwoordigheid als een hemel, en het ellendige besef van Zijn afwezigheid als een hel, dat de schapen van Christus zo doet uitzien naar gemeenschap met Hem. Hij heeft hun harten voor Zich gewonnen door hun Zijn schoonheid en liefde te laten zien. En nu zij eenmaal de heerlijkheid van Zijn Persoon gezien, de zoetheid van Zijn stem gehoord en de genade van Zijn lippen gesmaakt hebben, volgen zij Hem waar Hij ook heengaat. Zij zoeken Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding, en achten alle dingen schade en drek, om Hem te mogen winnen en een blijk van Zijn liefde te mogen ontvangen.
Wat anders kan de ziel ondersteunen onder de beproevingen en verzoekingen die haar soms zo zwaar drukken? Wat anders kan haar verlichting geven onder wrede twijfels die haar zo verontrusten, haar bevrijden van de vrees voor de dood die zo kan verschrikken, de opstand neerwerpen die zo veroordeelt, haar spenen van de wereld die zo verleidt? Wat anders kan haar over dood en graf heen doen zien, haar de zorgen van het voorbijgaande uur en de gebeurtenissen van de verdwijnende dag ontnemen en haar oog richten op de naderende eeuwigheid, dan die bezoeken van de Heere aan de ziel, die haar gemeenschap met Hem geven?
Zo werden de heiligen in vroeger dagen door God geleid en onderwezen, zoals de Heilige Geest hun ervaring in het Woord der waarheid heeft beschreven. Terwijl hij aan de dagen van vroeger terugdenkt, zegt de een: „Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.” Uitziend naar een vernieuwd gunstbewijs zegt een ander: „O, wanneer zult Gij tot mij komen?” En terwijl zij Zijn tegenwoordigheid geniet, zegt de kerk: „Hij voert mij in het wijnhuis en Zijn liefde is de banier over mij.”
Aan de lezer…
Herkent u dit? Uw godsdienst is u soms een last geworden, een kringloop van vormen waar het hart niet aan deelneemt. Is lezen, horen en bidden koud en harteloos werk, omdat u de Heere Jezus er niet in vindt? Wees daar eerlijk over, en schaam u er niet voor het voor Hem uit te spreken. Wie de ellende van Zijn afwezigheid voelt, weet ook iets van wat Zijn tegenwoordigheid is.
Want laat Hij maar verschijnen, en het wordt, zolang het duurt, een kleine hemel op aarde. Wat anders kan u in beproeving ondersteunen, de vrees voor de dood wegnemen en uw oog op de eeuwigheid richten, dan zulke bezoeken van Hem aan de ziel? Zie dan naar Hem uit, zoals de heiligen van vroeger, en zucht met hen: „O, wanneer zult Gij tot mij komen?” In het licht van het aangezicht van de Koning is leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“In the light of the king’s countenance is life; and his favour is as a cloud of the latter rain.”
Proverbs 16:15
What is religion without a living faith in, and a living love to the Lord Jesus Christ? How dull and dragging, how dry and heavy, what a burden to the mind, and a weariness to the flesh, is a ‘round of forms’ where the heart is not engaged and the affections not drawn forth! Reading, hearing, praying, meditation, conversation with the saints of God, what cold, what heartless work where Jesus is not! But let Him appear, let His presence and grace be felt, and His blessed Spirit move upon the heart, then there is a holy sweetness, a sacred blessedness in the worship of God and in communion with the Lord Jesus that makes, while it lasts, a little heaven on earth.
It is this inward sense of the blessedness of His presence and the misery of His absence, the heaven of His smile and the hell of His frown, that makes the sheep of Christ seek communion with Him. He has won their heart to Himself by discovering to them His beauty and His love, and they having once seen the glory of His Person, heard the sweetness of His voice, and tasted the grace of His lips, follow Him wherever He goes, seeking to know Him and the power of His resurrection, and counting all things rubbish and loss that they may win Him, and have some manifestation of His love.
What is to support the soul under those trials and temptations that at times press it so sore, relieve those cruel doubts which so disquiet, take away those fears of death which so alarm, subdue that rebelliousness which so condemns, wean from the world which so allures, and make it look beyond life and time, the cares of the passing hour, and the events of the fleeting day, to a solemn and blessed eternity, but those visitations of the blessed Lord to the soul which give it communion with Himself? Thus were the saints of God led and taught in days of old, as the Holy Spirit has recorded their experience in the word of truth.
Remembering the past, one says, “Your visitation has preserved my spirit.” Longing for a renewal, another cries, “O when will You come unto me?” and under the enjoyment of His presence the Church speaks, “He brought me to the banqueting house, and His banner over me was love.”
To the reader…
Do you recognise this? Your religion has sometimes become a burden to you, a round of forms in which the heart takes no part. Is reading, hearing and praying cold and heartless work, because you do not find the Lord Jesus in it? Be honest about that, and do not be ashamed to speak it out before Him. Whoever feels the misery of His absence also knows something of what His presence is.
For only let Him appear, and it becomes, while it lasts, a little heaven on earth. What else can support you in trial, take away the fear of death and turn your eye to eternity, but such visits of His to the soul? Look out for Him, then, like the saints of old, and sigh with them, “O when wilt Thou come unto me?” In the light of the King’s countenance is life.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En la alegría del rostro del rey está la vida; y su benevolencia es como nube de lluvia tardía.
Proverbios 16:15
¿Qué es la religión sin una fe viva en el Señor Jesucristo y un amor vivo hacia Él? ¡Qué cosa tan sosa y pesada, tan árida y gravosa, qué carga para la mente y qué fatiga para la carne es una ‘ronda de formas’ donde el corazón no está comprometido ni los afectos son atraídos! La lectura, el oír, la oración, la meditación, la conversación con los santos de Dios, ¡qué obra tan fría y sin corazón donde Jesús no está! Pero que Él aparezca, que se sientan Su presencia y Su gracia, y que Su bendito Espíritu se mueva sobre el corazón, y entonces hay una santa dulzura, una sagrada bienaventuranza en la adoración de Dios y en la comunión con el Señor Jesús, que hace, mientras dura, un pequeño cielo en la tierra.
Es este sentido interior de la bienaventuranza de Su presencia y de la miseria de Su ausencia, del cielo de Su sonrisa y del infierno de Su ceño, lo que hace que las ovejas de Cristo busquen comunión con Él. Él ha ganado para Sí su corazón al descubrirles Su hermosura y Su amor; y ellas, habiendo visto una vez la gloria de Su Persona, oído la dulzura de Su voz y gustado la gracia de Sus labios, le siguen dondequiera que va, procurando conocerle a Él y la virtud de Su resurrección, y teniendo todas las cosas por basura y pérdida para ganarle a Él y tener alguna manifestación de Su amor.
¿Qué ha de sostener al alma bajo aquellas pruebas y tentaciones que a veces la oprimen tan duramente, aliviar aquellas crueles dudas que tanto la inquietan, quitar aquellos temores de la muerte que tanto la alarman, sujetar aquella rebeldía que tanto la condena, destetarla del mundo que tanto la seduce, y hacerla mirar más allá de la vida y del tiempo, de los afanes de la hora pasajera y de los sucesos del día fugaz, a una eternidad solemne y bienaventurada, sino aquellas visitas del bendito Señor al alma que le dan comunión con Él? Así fueron guiados y enseñados los santos de Dios en los días antiguos, según el Espíritu Santo ha registrado su experiencia en la palabra de verdad.
Recordando el pasado, uno dice: “Tu visitación guardó mi espíritu.” Anhelando una renovación, otro clama: “¿Cuándo vendrás a mí?” Y en el gozo de Su presencia la Iglesia dice: “Llevóme a la cámara del vino, y Su bandera sobre mí fue amor.”
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Su religión se le ha vuelto a veces una carga, una ronda de formas en la que el corazón no toma parte. ¿Son la lectura, el oír y la oración una obra fría y sin corazón, porque no halla en ellas al Señor Jesús? Sea sincero al respecto, y no se avergüence de decirlo delante de Él. Quien siente la miseria de Su ausencia sabe también algo de lo que es Su presencia.
Porque basta que Él aparezca, y se convierte, mientras dura, en un pequeño cielo en la tierra. ¿Qué otra cosa puede sostenerle en la prueba, quitarle el temor de la muerte y volver sus ojos a la eternidad, sino tales visitas Suyas al alma? Espérele, pues, como los santos de antaño, y suspire con ellos: “¿Cuándo vendrás a mí?” En la alegría del rostro del Rey está la vida.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl