gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op een Rotssteen, Die mij te hoog zou zijn.
Psalm 61:3
Er is in deze uitdrukking „Rots” voor mijn ziel iets dat een lieflijk en gezegend licht schijnt te werpen op hetgeen de Heere Jezus voor de arme en nooddruftige is. De rots moet gegrondvest zijn op de bodem der diepe wateren en zich ook boven deze verheffen, om een voldoende schuilplaats te zijn voor de schipbreukeling! Indien de rots niet tot op de bodem der diepte reikte, zou zij niet vast zijn; zij zou slechts drijfzand zijn.
Is dit niet aangenaam voor de getuigenis des Geestes wat de mensheid van Christus aangaat? Hoe diep daalde deze af in al onze smarten, in al ons lijden, in al onze zonden, in al onze schande! Hoe diep de wateren ook mogen zijn, de rots is dieper dan deze alle; hoe diep het lijden, de zonden en smarten der kerk moge zijn, het lijden en de smarten van de „Immanuël, God met ons” waren oneindig dieper.
Maar de golven en baren sloegen tevergeefs tegen de rots; zij konden haar niet van haar plaats rukken. Zo is het met de Rots Jezus. Al de zonden, verzoekingen, al het lijden en de smarten der uitverkorenen, met de toorn Gods en de woede der hel, sloegen tegen die Rots aan, maar zij vermochten haar niet van haar plaats te rukken.
Van deze Rots wordt er in onze tekst gesproken als „Die mij te hoog zou zijn”, of hoger dan ik. Daarin hebben wij de Godheid. Want zo de Heere Jezus geen God was, zowel als mens, de Godmens, van welk een hulp kon Hij dan zijn voor de zinkende ziel? Welke kracht in Zijn zoenbloed? Welke macht en heerlijkheid in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid? Welke geschiktheid in Hem als Zaligmaker voor de gans verlorenen? Maar God zijnde, zowel als mens, ja, de Godmens, de grote en heerlijke Immanuël, kon Hij in Zijn menselijke natuur in de diepste diepte van de val afdalen, en in Zijn Goddelijke natuur tot de troon des Allerhoogsten opklimmen; en dus gelijk zijn aan de Jacobsladder, welker voet op de aarde was, maar welker top tot de hemel reikte.
Zal dit dan niet, moet dit dan niet steeds de kreet onzer ziel zijn, die de Heere wil doen ontstaan: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is”? Geen zaligheid, geen vrede ergens elders. Geen vertroosting ergens elders. Van die Rots verwijderd, worden wij door de golven geslingerd en door de baren bijna verzwolgen. Op die Rotssteen gebracht, daar vastgehouden door de Heilige Geest, vinden wij in Hem een veilige en zekere plaats voor de eeuwigheid. En wat anders dan zulk een Rots kan onze zielen behouden, of wat anders dan zulk een Zaligmaker en zulk een zaligheid, zonder geld en zonder prijs, kan zulke rampzalige ellendigen passen?
Ps. 42:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, is uw hart overstelpt? Roept u als van het einde des lands, uit diepe wateren van zonde, lijden en schande? Vrees dan niet dat u te diep gezonken bent. Hoe diep de wateren ook zijn, de Rots is dieper; de Heere Jezus daalde af in al de smarten en zonden van Zijn volk, en geen golf van toorn of hel kon Hem van Zijn plaats rukken.
En Hij is u ook te hoog: God zowel als mens, opgeklommen tot de troon des Allerhoogsten. Daarom is er kracht in Zijn zoenbloed en heerlijkheid in Zijn gerechtigheid voor een zinkende ziel. U kunt uzelf niet op die Rots zetten; maar u mag roepen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is.” Wie daar gebracht en door de Heilige Geest vastgehouden wordt, vindt een veilige plaats voor de eeuwigheid. Elders is geen zaligheid en geen vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op een Rotssteen, Die mij te hoog zou zijn.
Psalm 61:3
In deze uitdrukking „Rots” zit voor mijn ziel iets wat een lieflijk en gezegend licht lijkt te werpen op wat de Heere Jezus is voor de armen en nooddruftigen. De rots moet gegrondvest zijn op de bodem van de diepe wateren en ook boven die wateren uitsteken, om een voldoende schuilplaats te zijn voor wie schipbreuk heeft geleden! Als de rots niet tot op de bodem van de diepte reikte, zou zij niet vast staan; zij zou slechts drijfzand zijn.
Is dit niet in overeenstemming met het getuigenis van de Geest over de mensheid van Christus? Hoe diep daalde Hij af in al onze smarten, in al ons lijden, in al onze zonden, in al onze schande! Hoe diep de wateren ook zijn, de rots reikt dieper dan zij allemaal. Hoe diep het lijden, de zonden en de smarten van de kerk ook zijn, het lijden en de smarten van de „Immanuël, God met ons” waren oneindig veel dieper.
Maar de golven en baren sloegen tevergeefs tegen de rots; zij konden haar niet van haar plaats rukken. Zo is het met de Rots Jezus. Alle zonden en verzoekingen, al het lijden en alle smarten van de uitverkorenen, samen met de toorn van God en de woede van de hel, sloegen tegen die Rots aan, maar zij konden Haar niet van Haar plaats rukken.
Over deze Rots spreekt onze tekst als „Die mij te hoog zou zijn”, dat is: hoger dan ik. Daarin hebben wij de Godheid. Want als de Heere Jezus niet zowel God als mens was, de Godmens, wat voor hulp zou Hij dan kunnen zijn voor de zinkende ziel? Welke kracht zou er dan in Zijn zoenbloed zijn? Welke macht en heerlijkheid in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid? Hoe zou Hij dan een passende Zaligmaker kunnen zijn voor wie volkomen verloren is? Maar omdat Hij zowel God als mens is, ja, de Godmens, de grote en heerlijke Immanuël, kon Hij in Zijn menselijke natuur afdalen in de diepste diepte van de val, en in Zijn Goddelijke natuur opklimmen tot de troon van de Allerhoogste. Zo is Hij gelijk aan de Jakobsladder, waarvan de voet op de aarde stond, maar waarvan de top tot aan de hemel reikte.
Zal dit dan niet, moet dit dan niet steeds de roep van onze ziel zijn, die de Heere wil laten opkomen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is”? Er is nergens anders zaligheid, nergens anders vrede. Nergens anders is er vertroosting. Ver van die Rots worden wij door de golven heen en weer geslingerd en door de baren bijna verzwolgen. Wanneer wij op die Rotssteen gebracht zijn en daar door de Heilige Geest worden vastgehouden, vinden wij in Hem een veilige en zekere plaats voor de eeuwigheid. En wat anders dan zo’n Rots kan onze zielen behouden? Wat anders dan zo’n Zaligmaker en zo’n zaligheid, zonder geld en zonder prijs, past bij zulke diep gevallen, ellendige mensen?
Ps. 42:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, is uw hart overstelpt? Roept u als van het einde des lands, uit diepe wateren van zonde, lijden en schande? Vrees dan niet dat u te diep gezonken bent. Hoe diep de wateren ook zijn, de Rots reikt dieper. De Heere Jezus daalde af in alle smarten en zonden van Zijn volk, en geen golf van toorn of hel kon Hem van Zijn plaats rukken.
En Hij is u ook te hoog: Hij is zowel God als mens, opgeklommen tot de troon van de Allerhoogste. Daarom is er kracht in Zijn zoenbloed en heerlijkheid in Zijn gerechtigheid voor een zinkende ziel. U kunt uzelf niet op die Rots zetten, maar u mag roepen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is.” Wie daar gebracht en door de Heilige Geest vastgehouden wordt, vindt een veilige plaats voor de eeuwigheid. Elders is geen zaligheid en geen vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
From the end of the earth will I cry unto Thee, when my heart is overwhelmed: lead me to the Rock that is higher than I.
Psalm 61:2
There is something in this expression in our text, “rock,” which seems, to my mind, to throw a sweet and blessed light upon what Jesus is to the poor and needy. The rock must go down to the bottom of the deep waters, as well as rise out of them, to be a sufficient place of refuge for the shipwrecked mariner! If the rock did not go to the bottom of the deep, it would not be firm; it would be but a quicksand. Is not this agreeable to the Spirit’s testimony concerning the humanity of Christ? How deep that went into all our sorrows, into all our sufferings, into all our sins, into all our shame!
However deep the waters may be, the rock is deeper than all; however deep the sufferings, sins, and sorrows of the Church may be, the sufferings and sorrows of “Immanuel, God with us,” were infinitely deeper. But the waves and billows beat in vain against the rock; they cannot move it from its place. So it is with the Rock, Jesus. All the sins, temptations, sufferings, and sorrows of the elect, with the wrath of God, and the fury of hell, beat against that Rock, but they never moved it from its place.
But this Rock is spoken of in our text as “higher than I.” There we have the Godhead. For if Jesus were not God as well as man, the God-man, what support could He be to the sinking soul? what efficacy could there be in His atoning blood? what power and glory in His justifying righteousness? what suitability in Him as a Savior to the utterly lost? But being God as well as man, yes, the God-man, the great and glorious Immanuel, He could descend in His human nature into the very depths of the fall, and rise up in His divine nature to the throne of the Most High; and thus, like Jacob’s ladder, the bottom of it was upon the earth, but the top exalted to the clouds.
Then will not, must not, this be ever, as the Lord is pleased to raise it up, the cry of our soul, “Lead me to the Rock that is higher than I?” No salvation anywhere else; no peace anywhere else; no consolation anywhere else. Buffeted by the waves, and well-near drowned by the billows, away from that Rock; but if led there, brought there, kept there by the blessed Spirit, finding it a safe and sure standing for eternity. And what else but such a Rock can save our souls, or what else but such a Savior and such a salvation, without money and without price, can suit such ruined wretches?
To the reader…
Tried soul, is your heart overwhelmed? Are you crying as from the end of the earth, out of deep waters of sin, suffering, and shame? Then do not fear that you have sunk too deep. However deep the waters may be, the Rock reaches deeper. The Lord Jesus went down into all the sorrows and sins of His people, and no wave of wrath or of hell could move Him from His place.
And He is higher than you as well: He is both God and man, risen up to the throne of the Most High. That is why there is power in His atoning blood and glory in His righteousness for a sinking soul. You cannot set yourself upon that Rock, but you may cry, “Lead me to the Rock that is higher than I.” Whoever is brought there and kept there by the Holy Spirit finds a safe standing for eternity. Elsewhere there is no salvation and no peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Desde el cabo de la tierra clamaré a Ti, cuando mi corazón desmayare: a la peña más alta que yo me conduzcas.
Salmo 61:2
Hay algo en esta expresión de nuestro texto, “peña”, que, a mi parecer, arroja una luz dulce y bendita sobre lo que Jesús es para el pobre y necesitado. ¡La peña tiene que bajar hasta el fondo de las aguas profundas, así como alzarse por encima de ellas, para ser un lugar de refugio suficiente para el marinero náufrago! Si la peña no llegara hasta el fondo del abismo, no sería firme; no sería más que arena movediza. ¿No concuerda esto con el testimonio del Espíritu acerca de la humanidad de Cristo? ¡Cuán hondo descendió en todas nuestras tristezas, en todos nuestros sufrimientos, en todos nuestros pecados, en toda nuestra vergüenza!
Por profundas que sean las aguas, la peña es más profunda que todas ellas; por profundos que sean los sufrimientos, pecados y tristezas de la Iglesia, los sufrimientos y tristezas de “Emmanuel, Dios con nosotros”, fueron infinitamente más profundos. Pero las olas y las ondas golpean en vano contra la peña; no pueden moverla de su lugar. Así es con la Peña, Jesús. Todos los pecados, tentaciones, sufrimientos y tristezas de los escogidos, con la ira de Dios y la furia del infierno, golpearon contra esa Peña, pero nunca la movieron de su lugar.
Pero de esta Peña se dice en nuestro texto que es “más alta que yo”. Ahí tenemos la Deidad. Porque si Jesús no fuera Dios además de hombre, el Dios-Hombre, ¿qué sostén podría ser para el alma que se hunde? ¿Qué eficacia podría haber en Su sangre expiatoria? ¿Qué poder y gloria en Su justicia justificadora? ¿Qué idoneidad en Él como Salvador para los totalmente perdidos? Pero siendo Dios además de hombre, sí, el Dios-Hombre, el grande y glorioso Emmanuel, pudo descender en Su naturaleza humana a las mismas profundidades de la caída, y subir en Su naturaleza divina al trono del Altísimo; y así, como la escalera de Jacob, su pie estaba en la tierra, pero su cima se alzaba hasta las nubes.
¿No será, pues, no ha de ser siempre, conforme el Señor tenga a bien levantarlo, el clamor de nuestra alma: “A la peña más alta que yo me conduzcas”? No hay salvación en ninguna otra parte; no hay paz en ninguna otra parte; no hay consuelo en ninguna otra parte. Lejos de esa Peña, azotados por las olas y casi ahogados por las ondas; pero si somos conducidos allí, llevados allí, guardados allí por el bendito Espíritu, la hallamos un fundamento seguro y firme para la eternidad. ¿Y qué otra cosa sino una Peña así puede salvar nuestras almas, o qué otra cosa sino un Salvador así y una salvación así, sin dinero y sin precio, puede convenir a desdichados tan arruinados?
Al lector…
Alma probada, ¿desmaya su corazón? ¿Clama usted como desde el cabo de la tierra, desde aguas profundas de pecado, sufrimiento y vergüenza? Entonces no tema haberse hundido demasiado hondo. Por profundas que sean las aguas, la Peña llega más hondo. El Señor Jesús descendió a todas las tristezas y pecados de Su pueblo, y ninguna ola de ira ni del infierno pudo moverle de Su lugar.
Y Él es también más alto que usted: es Dios y hombre a la vez, subido al trono del Altísimo. Por eso hay poder en Su sangre expiatoria y gloria en Su justicia para un alma que se hunde. Usted no puede ponerse a sí mismo sobre esa Peña, pero puede clamar: “A la peña más alta que yo me conduzcas”. Quien es llevado allí y guardado allí por el Espíritu Santo halla un fundamento seguro para la eternidad. En ninguna otra parte hay salvación ni paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan.
1 Kronieken 16:8
Hebt u geen daden van barmhartigheid aan God te danken? Hebt u geen gunsten ontvangen waarvoor u Zijn heilige Naam kunt zegenen? Heeft Hij niets voor u gedaan? Heeft Hij niets voor u door de genade gedaan? Kunt u Zijn grote Majesteit geen eer of dank betonen? De Heere zou dit opvatten als onvriendelijk.
Als u iemand iets geeft, verwacht u er dan geen erkenning voor? Als hij een gunst van u zou ontvangen en zich dan zou omdraaien alsof hij iets had ontvangen waarop hij recht had, zou u hem dan niet onvriendelijk vinden? Welnu, is dat niet ook zo bij de dingen Gods? Als de Heere iets geeft, verwacht Hij dan geen dankbaar hart?
Als u zaken als vanzelfsprekend ontvangt, als zaken waarop u recht hebt, hoeft u God niet te bedanken. Als u op zaterdagavond uw loon ontvangt, hoeft u uw baas er niet voor te bedanken; het is van u, u hebt het verdiend. Maar u mag uw baas wel bedanken, en het is goed als u hem dankbaar bent. U hoeft hem niet te bedanken, maar het mag wel. Dus als een goede gezondheid en kracht vanzelfsprekend voor u zijn, hoeft u God er niet voor te danken. Maar als u ze ontvangt als daden van barmhartigheid die aan een opstandige die het niet verdient worden geschonken, als gunsten die aan een stakker die niets dan de hel verdient worden gegeven, dan is een dankbetuiging op zijn plaats.
Het heerlijkste deel van een gebed is het dankbetoon. Dat is wat het hele offer zoet maakt. Ik ga u niet vertellen hoe u moet bidden. U zult het echter aangenaam vinden God meer te bedanken voor de daden van barmhartigheid die u hebt ontvangen. Als u uw gebed met een lofprijzing begint, kunt u ook met een lofprijzing eindigen. Als u begint met Hem te danken voor wat Hij in de voorzienigheid heeft gedaan, kunt u eindigen met Hem te danken voor wat Hij in de genade heeft gedaan.
Waarvoor moet u God danken? Hebt u niet veel aan Hem te danken? Er is Gods genade, een open Bijbel – wat een zegen is een open Bijbel! En er is nu hoop in uw ziel dat u deel hebt aan Christus’ kostbare bloed. Alles wat Hij voor u heeft gedaan door Zijn Geest en genade, is een voorwerp en een kwestie van lof.
Lezen: 1 Kronieken 16:7-36
Aan de lezer…
Wie weet nog wanneer hij de Heere voor het laatst gedankt heeft? Niet alleen gesmeekt en geklaagd, maar waarlijk gedankt? Weet u het? Wij ontvangen zoveel als vanzelfsprekend: de gezondheid, de kracht, het dagelijks brood, alsof het ons loon was en wij er recht op hadden. Maar wie zichzelf kent als een opstandige die niets dan de hel verdient, ziet elke gunst als een daad van barmhartigheid, onverdiend geschonken.
Begin dan uw gebed met lof, en u zult het met lof kunnen eindigen. Dank Hem voor wat Hij in de voorzienigheid gedaan heeft, en dan voor wat Hij in de genade deed. Hebt u een open Bijbel? Dat is een zegen. Is er hoop in uw ziel dat u deel hebt aan het kostbare bloed van Christus? Dan hebt u een onuitputtelijke stof tot dankbaarheid. Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan; het dankbetoon maakt het hele offer zoet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan.
1 Kronieken 16:8
Hebt u God geen daden van barmhartigheid te danken? Hebt u geen gunsten ontvangen waarvoor u Zijn heilige Naam kunt zegenen? Heeft Hij niets voor u gedaan? Heeft Hij niets voor u gedaan door de genade? Kunt u Zijn grote Majesteit geen eer of dank bewijzen? De Heere zou dat als onvriendelijk opvatten.
Als u iemand iets geeft, verwacht u daar dan geen erkenning voor? Als hij een gunst van u ontving en zich dan omdraaide alsof hij iets had gekregen waarop hij recht had, zou u hem dan niet onvriendelijk vinden? Welnu, is dat bij de dingen van God niet ook zo? Als de Heere iets geeft, verwacht Hij dan geen dankbaar hart?
Als u de dingen als vanzelfsprekend ontvangt, als iets waarop u recht hebt, hoeft u God niet te danken. Als u op zaterdagavond uw loon ontvangt, hoeft u uw baas daar niet voor te bedanken; het is van u, u hebt het verdiend. Maar u mag uw baas wel bedanken, en het is goed als u hem dankbaar bent. U hoeft hem niet te bedanken, maar het mag wel. Zo is het ook: als een goede gezondheid en kracht voor u vanzelfsprekend zijn, hoeft u God er niet voor te danken.
Maar als u ze ontvangt als daden van barmhartigheid, geschonken aan een opstandige die ze niet verdient, als gunsten gegeven aan een stakker die niets dan de hel verdient, dan is dankzegging op haar plaats. Het heerlijkste deel van een gebed is de dankzegging. Dat is wat het hele offer zoet maakt. Ik ga u niet vertellen hoe u moet bidden. Toch zult u het aangenaam vinden God meer te danken voor de daden van barmhartigheid die u hebt ontvangen. Als u uw gebed met lof begint, kunt u ook met lof eindigen. Als u begint met Hem te danken voor wat Hij in de voorzienigheid heeft gedaan, kunt u eindigen met Hem te danken voor wat Hij in de genade heeft gedaan.
Waarvoor moet u God danken? Hebt u Hem niet veel te danken? Er is Gods genade, er is een open Bijbel – wat een zegen is een open Bijbel! En er is nu hoop in uw ziel dat u deel hebt aan het kostbare bloed van Christus. Alles wat Hij door Zijn Geest en genade voor u heeft gedaan, is een voorwerp en een reden van lof.
Lezen: 1 Kronieken 16:7-36
Aan de lezer…
Wie weet nog wanneer hij de Heere voor het laatst gedankt heeft? Niet alleen gesmeekt en geklaagd, maar werkelijk gedankt? Weet u het? Wij ontvangen zoveel als vanzelfsprekend: de gezondheid, de kracht, het dagelijks brood, alsof het ons loon was en wij er recht op hadden. Maar wie zichzelf kent als een opstandige die niets dan de hel verdient, ziet elke gunst als een daad van barmhartigheid, onverdiend geschonken.
Begin uw gebed dan met lof, en u zult het met lof kunnen eindigen. Dank Hem voor wat Hij in de voorzienigheid gedaan heeft, en dan voor wat Hij in de genade deed. Hebt u een open Bijbel? Dat is een zegen. Is er hoop in uw ziel dat u deel hebt aan het kostbare bloed van Christus? Dan hebt u een onuitputtelijke reden tot dankbaarheid. Looft de HEERE, roept Zijn Naam aan; de dankzegging maakt het hele offer zoet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Give thanks unto the LORD, call upon His name.
1 Chronicles 16:8
Have you no mercies to thank God for? Have you received no favours for which you can bless His holy name? Has He done nothing for you? Has He done nothing for you in grace? Can you render no honour or thanks to His great Majesty? The Lord would take that as unkind.
If you give someone something, do you not expect some acknowledgment for it? If he received a favour from you and then turned away as though he had received something he had a right to, would you not think him unkind? Well, is it not so in the things of God too? When the Lord gives something, does He not look for a thankful heart?
If you receive things as a matter of course, as something you have a right to, you need not thank God. When you receive your wages on Saturday night, you need not thank your master for them; they are yours, you have earned them. But you may thank your master, and it is good if you are grateful to him. You need not thank him, but you may. So it is too: if good health and strength are a matter of course to you, you need not thank God for them.
But if you receive them as mercies bestowed on a rebel who does not deserve them, as favours given to a poor wretch who deserves nothing but hell, then thanksgiving is in its place. The sweetest part of prayer is thanksgiving. That is what makes the whole sacrifice sweet. I am not going to tell you how to pray. Yet you will find it pleasant to thank God more for the mercies you have received.
If you begin your prayer with praise, you may also end with praise. If you begin by thanking Him for what He has done in providence, you may end by thanking Him for what He has done in grace. What have you to thank God for? Have you not much to thank Him for? There is God’s grace, there is an open Bible (what a blessing an open Bible is!), and there is now hope in your soul that you have an interest in the precious blood of Christ. All that He has done for you by His Spirit and grace is a subject and a reason for praise.
Reading: 1 Chronicles 16:7-36
To the reader…
Who still remembers when he last thanked the Lord? Not merely pleaded and complained, but truly thanked Him? Do you know? We receive so much as a matter of course: health, strength, daily bread, as if it were our wages and we had a right to it. But whoever knows himself as a rebel who deserves nothing but hell sees every favour as a mercy, bestowed without desert.
Begin your prayer with praise, then, and you will be able to end it with praise. Thank Him for what He has done in providence, and then for what He has done in grace. Have you an open Bible? That is a blessing. Is there hope in your soul that you have an interest in the precious blood of Christ? Then you have an inexhaustible reason for thankfulness. Give thanks unto the LORD, call upon His name; thanksgiving makes the whole sacrifice sweet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Confesad a Jehová, invocad Su nombre.
1 Crónicas 16:8
¿No tiene usted misericordias por las que dar gracias a Dios? ¿No ha recibido favores por los que pueda bendecir Su santo Nombre? ¿No ha hecho Él nada por usted? ¿No ha hecho nada por usted en la gracia? ¿No puede rendir honra ni gracias a Su gran Majestad? El Señor lo tomaría como una falta de gratitud.
Si usted da algo a alguien, ¿no espera algún reconocimiento por ello? Si recibiera un favor de usted y luego se diera la vuelta como si hubiera recibido algo a lo que tenía derecho, ¿no le parecería ingrato? Pues bien, ¿no sucede así también en las cosas de Dios? Cuando el Señor da algo, ¿no busca un corazón agradecido?
Si recibe las cosas como algo natural, como algo a lo que tiene derecho, no necesita dar gracias a Dios. Cuando recibe su salario el sábado por la noche, no necesita dar gracias a su patrón por ello; es suyo, se lo ha ganado. Pero puede dar gracias a su patrón, y es bueno que le esté agradecido. No necesita darle gracias, pero puede hacerlo. Así es también: si la buena salud y las fuerzas son para usted algo natural, no necesita dar gracias a Dios por ellas.
Pero si las recibe como misericordias otorgadas a un rebelde que no las merece, como favores dados a un pobre miserable que no merece sino el infierno, entonces la acción de gracias está en su lugar. La parte más dulce de la oración es la acción de gracias. Eso es lo que hace dulce todo el sacrificio. No voy a decirle cómo debe orar. Sin embargo, hallará agradable dar más gracias a Dios por las misericordias que ha recibido.
Si comienza su oración con alabanza, podrá también terminar con alabanza. Si comienza dándole gracias por lo que ha hecho en la providencia, podrá terminar dándole gracias por lo que ha hecho en la gracia. ¿Por qué tiene que dar gracias a Dios? ¿No tiene mucho por lo que darle gracias? Está la gracia de Dios, está una Biblia abierta (¡qué bendición es una Biblia abierta!), y hay ahora esperanza en su alma de que tiene parte en la preciosa sangre de Cristo. Todo lo que Él ha hecho por usted por Su Espíritu y Su gracia es tema y motivo de alabanza.
Lectura: 1 Crónicas 16:7-36
Al lector…
¿Quién recuerda todavía cuándo dio gracias al Señor por última vez? No solo suplicó y se quejó, sino que de veras Le dio gracias. ¿Lo sabe usted? Recibimos tanto como algo natural: salud, fuerzas, el pan de cada día, como si fuera nuestro salario y tuviéramos derecho a ello. Pero quien se conoce como un rebelde que no merece sino el infierno ve cada favor como una misericordia, otorgada sin merecerla.
Comience, pues, su oración con alabanza, y podrá terminarla con alabanza. Dele gracias por lo que ha hecho en la providencia, y luego por lo que ha hecho en la gracia. ¿Tiene una Biblia abierta? Eso es una bendición. ¿Hay esperanza en su alma de que tiene parte en la preciosa sangre de Cristo? Entonces tiene un motivo inagotable de gratitud. Confesad a Jehová, invocad Su nombre; la acción de gracias hace dulce todo el sacrificio.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
Romeinen 5:5
De Schrift spreekt van een goede hoop door genade, en noemt haar een anker der ziel, dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste voorhangsel. Wat een kostelijke genade moet dat zijn, die dus ingaat in de tegenwoordigheid van Christus! Het Woord van God spreekt daarvan ook als een tweelingzuster met geloof en liefde (1 Cor. 13:13), en verklaart dat zij niet beschaamt, omdat zij ontspringt uit de liefde Gods, uitgestort in het hart door de Heilige Geest.
Nu leren wij wat een goede hoop door genade is, doordat wij op- en neergeworpen worden op de baren van moedeloosheid, en bij tijden bijna in wanhoop wegzinken. Onze bewijzen zijn zo verduisterd, het hart zo gesloten, de geest zo verward, de zonde zo nabij, de Heere zo veraf, onze natuur zo vleselijk, zinnelijk, afgodisch, overspelig; geen wonder dat te midden van zovele gevoelde of gevreesde kwaden de ziel bij ogenblikken in vertwijfeling wegzinkt. Doch op zulke ogenblikken wordt de zegen van een goede hoop door genade gevonden, en als het anker is geworpen en ingaat in het binnenste heiligdom en zich vastgrijpt aan het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester, hoe krachtig en zeker houdt dit het schip vast, zodat het niet geheel zal overstelpt worden door de golven der wanhoop.
Aan de lezer…
Wordt u op- en neergeworpen op de baren van moedeloosheid, waarde lezer? Zijn uw bewijzen verduisterd, is uw hart gesloten, en schijnt de zonde zo nabij en de Heere zo veraf? Het is geen wonder dat een ziel bij ogenblikken in vertwijfeling wegzinkt; zo gaat het meer van Gods kinderen. Maar juist op zulke ogenblikken leert men wat een goede hoop door genade is.
Die hoop rust niet op uw eigen gestalte, maar is een anker dat ingaat in het binnenste voorhangsel en zich vastgrijpt aan het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester. Daar is zij veilig, ook als de golven het hoogst slaan. Zij beschaamt niet, omdat zij ontspringt uit de liefde Gods, door de Heilige Geest in het hart uitgestort. Houd dan vast aan dat anker; uw schip zal niet geheel overstelpt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
Romeinen 5:5
De Schrift spreekt van een goede hoop door genade, en noemt haar een anker van de ziel, dat zeker en vast is en ingaat in het binnenste voorhangsel. Wat een kostbare genade moet dat zijn, die zo ingaat in de tegenwoordigheid van Christus! Het Woord van God spreekt er ook over als een tweelingzuster van geloof en liefde (1 Cor. 13:13). Het verklaart dat zij niet beschaamt, omdat zij voortkomt uit de liefde van God, die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort.
Wat een goede hoop door genade is, leren wij doordat wij op en neer geworpen worden op de golven van moedeloosheid en soms bijna in wanhoop wegzinken. Onze bewijzen zijn zo verduisterd, het hart zo gesloten, de geest zo verward, de zonde zo dichtbij, de Heere zo ver weg, onze natuur zo vleselijk, zinnelijk, afgodisch, overspelig. Geen wonder dat de ziel te midden van zoveel gevoelde of gevreesde kwaden soms in vertwijfeling wegzinkt. Maar juist op zulke ogenblikken wordt de zegen van een goede hoop door genade gevonden. Wanneer het anker is uitgeworpen, ingaat in het binnenste heiligdom en zich vastgrijpt aan het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester, hoe krachtig en zeker houdt het dan het schip vast, zodat het niet helemaal door de golven van de wanhoop overstelpt wordt.
Aan de lezer…
Wordt u op en neer geworpen op de golven van moedeloosheid? Zijn uw bewijzen verduisterd, is uw hart gesloten, en lijkt de zonde zo dichtbij en de Heere zo ver weg? Het is geen wonder dat een ziel soms in vertwijfeling wegzinkt; zo gaat het meer kinderen van God. Maar juist op zulke ogenblikken leert men wat een goede hoop door genade is.
Die hoop rust niet op uw eigen gestalte, maar is een anker dat ingaat in het binnenste voorhangsel en zich vastgrijpt aan het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester. Daar is zij veilig, ook als de golven het hoogst slaan. Zij beschaamt niet, omdat zij voortkomt uit de liefde van God, die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort. Houd dan vast aan dat anker; uw schip zal niet helemaal overstelpt worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And hope maketh not ashamed; because the love of God is shed abroad in our hearts by the Holy Ghost which is given unto us.
Romans 5:5
How the Scriptures speak of “a good hope through grace;” and call it “an anchor of the soul, both sure and steadfast, and which enters into that within the veil.” What a blessed grace must that be which thus enters into the very presence of Christ! How, also, the Word of God speaks of it as the twin sister with faith and love (1 Cor. 13:13); and declares that it “makes not ashamed,” because it springs out of the love of God shed abroad in the heart by the Holy Spirit!
Now we learn what “a good hope through grace” is, by being tossed up and down on the waves of despondency, and almost at times sinking into despair. Evidences so darkened, the heart so shut up, the mind so bewildered, sin so present, the Lord so absent, a nature so carnal, sensual, idolatrous, and adulterous—no wonder that amid so many evils felt or feared, the soul should at times sink into despondency. But at such seasons the blessedness of “a good hope through grace” is found; and when this anchor is cast into and enters within the veil, taking hold of the blood and righteousness of the great High Priest, how strongly and securely it holds the ship, so that it shall not be utterly overwhelmed in the billows of despair!
To the reader…
Are you tossed up and down on the waves of despondency? Are your evidences darkened, is your heart shut up, and does sin seem so near and the Lord so far away? It is no wonder that a soul sometimes sinks into despair; so it goes with more of God’s children. But it is just at such moments that one learns what a good hope through grace is.
That hope does not rest on your own frame of mind, but is an anchor that enters within the veil and takes hold of the blood and righteousness of the great High Priest. There it is safe, even when the waves run highest. It does not make ashamed, because it springs from the love of God shed abroad in the heart by the Holy Spirit. Hold fast, then, to that anchor; your ship will not be utterly overwhelmed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y la esperanza no avergüenza; porque el amor de Dios está derramado en nuestros corazones por el Espíritu Santo que nos es dado.
Romanos 5:5
¡Cómo habla la Escritura de “buena esperanza por gracia”, y la llama “segura y firme ancla del alma, y que entra hasta dentro del velo”! ¡Qué gracia tan bendita ha de ser la que entra así en la misma presencia de Cristo! ¡Cómo habla también la Palabra de Dios de ella como hermana gemela de la fe y del amor (1 Cor. 13:13), y declara que “no avergüenza,” porque brota del amor de Dios derramado en el corazón por el Espíritu Santo!
Ahora bien, aprendemos lo que es “buena esperanza por gracia” siendo zarandeados arriba y abajo por las olas del desaliento, y a veces casi hundiéndonos en la desesperación. Evidencias tan oscurecidas, el corazón tan cerrado, la mente tan confundida, el pecado tan presente, el Señor tan ausente, una naturaleza tan carnal, sensual, idólatra y adúltera: no es de extrañar que, en medio de tantos males sentidos o temidos, el alma se hunda a veces en el desaliento. Pero en tales tiempos se halla la bienaventuranza de “buena esperanza por gracia”; y cuando esta ancla es echada y entra dentro del velo, asiéndose de la sangre y la justicia del gran Sumo Sacerdote, ¡con cuánta fuerza y seguridad sostiene la nave, de modo que no sea del todo anegada en las olas de la desesperación!
Al lector…
¿Es usted zarandeado arriba y abajo por las olas del desaliento? ¿Están oscurecidas sus evidencias, cerrado su corazón, y le parece el pecado tan cercano y el Señor tan lejano? No es de extrañar que un alma se hunda a veces en la desesperación; así les sucede a más hijos de Dios. Pero es precisamente en tales momentos cuando se aprende lo que es una buena esperanza por gracia.
Esa esperanza no descansa en el estado de su ánimo, sino que es un ancla que entra dentro del velo y se ase de la sangre y la justicia del gran Sumo Sacerdote. Allí está segura, aun cuando las olas suben más alto. No avergüenza, porque brota del amor de Dios derramado en el corazón por el Espíritu Santo. Aférrese, pues, a esa ancla; su nave no será del todo anegada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl