10 de octubre
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op een Rotssteen, Die mij te hoog zou zijn.
Psalm 61:3
Er is in deze uitdrukking „Rots” voor mijn ziel iets dat een lieflijk en gezegend licht schijnt te werpen op hetgeen de Heere Jezus voor de arme en nooddruftige is. De rots moet gegrondvest zijn op de bodem der diepe wateren en zich ook boven deze verheffen, om een voldoende schuilplaats te zijn voor de schipbreukeling! Indien de rots niet tot op de bodem der diepte reikte, zou zij niet vast zijn; zij zou slechts drijfzand zijn.
Is dit niet aangenaam voor de getuigenis des Geestes wat de mensheid van Christus aangaat? Hoe diep daalde deze af in al onze smarten, in al ons lijden, in al onze zonden, in al onze schande! Hoe diep de wateren ook mogen zijn, de rots is dieper dan deze alle; hoe diep het lijden, de zonden en smarten der kerk moge zijn, het lijden en de smarten van de „Immanuël, God met ons” waren oneindig dieper.
Maar de golven en baren sloegen tevergeefs tegen de rots; zij konden haar niet van haar plaats rukken. Zo is het met de Rots Jezus. Al de zonden, verzoekingen, al het lijden en de smarten der uitverkorenen, met de toorn Gods en de woede der hel, sloegen tegen die Rots aan, maar zij vermochten haar niet van haar plaats te rukken.
Van deze Rots wordt er in onze tekst gesproken als „Die mij te hoog zou zijn”, of hoger dan ik. Daarin hebben wij de Godheid. Want zo de Heere Jezus geen God was, zowel als mens, de Godmens, van welk een hulp kon Hij dan zijn voor de zinkende ziel? Welke kracht in Zijn zoenbloed? Welke macht en heerlijkheid in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid? Welke geschiktheid in Hem als Zaligmaker voor de gans verlorenen? Maar God zijnde, zowel als mens, ja, de Godmens, de grote en heerlijke Immanuël, kon Hij in Zijn menselijke natuur in de diepste diepte van de val afdalen, en in Zijn Goddelijke natuur tot de troon des Allerhoogsten opklimmen; en dus gelijk zijn aan de Jacobsladder, welker voet op de aarde was, maar welker top tot de hemel reikte.
Zal dit dan niet, moet dit dan niet steeds de kreet onzer ziel zijn, die de Heere wil doen ontstaan: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is”? Geen zaligheid, geen vrede ergens elders. Geen vertroosting ergens elders. Van die Rots verwijderd, worden wij door de golven geslingerd en door de baren bijna verzwolgen. Op die Rotssteen gebracht, daar vastgehouden door de Heilige Geest, vinden wij in Hem een veilige en zekere plaats voor de eeuwigheid. En wat anders dan zulk een Rots kan onze zielen behouden, of wat anders dan zulk een Zaligmaker en zulk een zaligheid, zonder geld en zonder prijs, kan zulke rampzalige ellendigen passen?
Ps. 42:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, is uw hart overstelpt? Roept u als van het einde des lands, uit diepe wateren van zonde, lijden en schande? Vrees dan niet dat u te diep gezonken bent. Hoe diep de wateren ook zijn, de Rots is dieper; de Heere Jezus daalde af in al de smarten en zonden van Zijn volk, en geen golf van toorn of hel kon Hem van Zijn plaats rukken.
En Hij is u ook te hoog: God zowel als mens, opgeklommen tot de troon des Allerhoogsten. Daarom is er kracht in Zijn zoenbloed en heerlijkheid in Zijn gerechtigheid voor een zinkende ziel. U kunt uzelf niet op die Rots zetten; maar u mag roepen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is.” Wie daar gebracht en door de Heilige Geest vastgehouden wordt, vindt een veilige plaats voor de eeuwigheid. Elders is geen zaligheid en geen vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op een Rotssteen, Die mij te hoog zou zijn.
Psalm 61:3
In deze uitdrukking „Rots” zit voor mijn ziel iets wat een lieflijk en gezegend licht lijkt te werpen op wat de Heere Jezus is voor de armen en nooddruftigen. De rots moet gegrondvest zijn op de bodem van de diepe wateren en ook boven die wateren uitsteken, om een voldoende schuilplaats te zijn voor wie schipbreuk heeft geleden! Als de rots niet tot op de bodem van de diepte reikte, zou zij niet vast staan; zij zou slechts drijfzand zijn.
Is dit niet in overeenstemming met het getuigenis van de Geest over de mensheid van Christus? Hoe diep daalde Hij af in al onze smarten, in al ons lijden, in al onze zonden, in al onze schande! Hoe diep de wateren ook zijn, de rots reikt dieper dan zij allemaal. Hoe diep het lijden, de zonden en de smarten van de kerk ook zijn, het lijden en de smarten van de „Immanuël, God met ons” waren oneindig veel dieper.
Maar de golven en baren sloegen tevergeefs tegen de rots; zij konden haar niet van haar plaats rukken. Zo is het met de Rots Jezus. Alle zonden en verzoekingen, al het lijden en alle smarten van de uitverkorenen, samen met de toorn van God en de woede van de hel, sloegen tegen die Rots aan, maar zij konden Haar niet van Haar plaats rukken.
Over deze Rots spreekt onze tekst als „Die mij te hoog zou zijn”, dat is: hoger dan ik. Daarin hebben wij de Godheid. Want als de Heere Jezus niet zowel God als mens was, de Godmens, wat voor hulp zou Hij dan kunnen zijn voor de zinkende ziel? Welke kracht zou er dan in Zijn zoenbloed zijn? Welke macht en heerlijkheid in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid? Hoe zou Hij dan een passende Zaligmaker kunnen zijn voor wie volkomen verloren is? Maar omdat Hij zowel God als mens is, ja, de Godmens, de grote en heerlijke Immanuël, kon Hij in Zijn menselijke natuur afdalen in de diepste diepte van de val, en in Zijn Goddelijke natuur opklimmen tot de troon van de Allerhoogste. Zo is Hij gelijk aan de Jakobsladder, waarvan de voet op de aarde stond, maar waarvan de top tot aan de hemel reikte.
Zal dit dan niet, moet dit dan niet steeds de roep van onze ziel zijn, die de Heere wil laten opkomen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is”? Er is nergens anders zaligheid, nergens anders vrede. Nergens anders is er vertroosting. Ver van die Rots worden wij door de golven heen en weer geslingerd en door de baren bijna verzwolgen. Wanneer wij op die Rotssteen gebracht zijn en daar door de Heilige Geest worden vastgehouden, vinden wij in Hem een veilige en zekere plaats voor de eeuwigheid. En wat anders dan zo’n Rots kan onze zielen behouden? Wat anders dan zo’n Zaligmaker en zo’n zaligheid, zonder geld en zonder prijs, past bij zulke diep gevallen, ellendige mensen?
Ps. 42:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, is uw hart overstelpt? Roept u als van het einde des lands, uit diepe wateren van zonde, lijden en schande? Vrees dan niet dat u te diep gezonken bent. Hoe diep de wateren ook zijn, de Rots reikt dieper. De Heere Jezus daalde af in alle smarten en zonden van Zijn volk, en geen golf van toorn of hel kon Hem van Zijn plaats rukken.
En Hij is u ook te hoog: Hij is zowel God als mens, opgeklommen tot de troon van de Allerhoogste. Daarom is er kracht in Zijn zoenbloed en heerlijkheid in Zijn gerechtigheid voor een zinkende ziel. U kunt uzelf niet op die Rots zetten, maar u mag roepen: „Leid mij op de Rotssteen, Die mij te hoog is.” Wie daar gebracht en door de Heilige Geest vastgehouden wordt, vindt een veilige plaats voor de eeuwigheid. Elders is geen zaligheid en geen vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
From the end of the earth will I cry unto Thee, when my heart is overwhelmed: lead me to the Rock that is higher than I.
Psalm 61:2
There is something in this expression in our text, “rock,” which seems, to my mind, to throw a sweet and blessed light upon what Jesus is to the poor and needy. The rock must go down to the bottom of the deep waters, as well as rise out of them, to be a sufficient place of refuge for the shipwrecked mariner! If the rock did not go to the bottom of the deep, it would not be firm; it would be but a quicksand. Is not this agreeable to the Spirit’s testimony concerning the humanity of Christ? How deep that went into all our sorrows, into all our sufferings, into all our sins, into all our shame!
However deep the waters may be, the rock is deeper than all; however deep the sufferings, sins, and sorrows of the Church may be, the sufferings and sorrows of “Immanuel, God with us,” were infinitely deeper. But the waves and billows beat in vain against the rock; they cannot move it from its place. So it is with the Rock, Jesus. All the sins, temptations, sufferings, and sorrows of the elect, with the wrath of God, and the fury of hell, beat against that Rock, but they never moved it from its place.
But this Rock is spoken of in our text as “higher than I.” There we have the Godhead. For if Jesus were not God as well as man, the God-man, what support could He be to the sinking soul? what efficacy could there be in His atoning blood? what power and glory in His justifying righteousness? what suitability in Him as a Savior to the utterly lost? But being God as well as man, yes, the God-man, the great and glorious Immanuel, He could descend in His human nature into the very depths of the fall, and rise up in His divine nature to the throne of the Most High; and thus, like Jacob’s ladder, the bottom of it was upon the earth, but the top exalted to the clouds.
Then will not, must not, this be ever, as the Lord is pleased to raise it up, the cry of our soul, “Lead me to the Rock that is higher than I?” No salvation anywhere else; no peace anywhere else; no consolation anywhere else. Buffeted by the waves, and well-near drowned by the billows, away from that Rock; but if led there, brought there, kept there by the blessed Spirit, finding it a safe and sure standing for eternity. And what else but such a Rock can save our souls, or what else but such a Savior and such a salvation, without money and without price, can suit such ruined wretches?
To the reader…
Tried soul, is your heart overwhelmed? Are you crying as from the end of the earth, out of deep waters of sin, suffering, and shame? Then do not fear that you have sunk too deep. However deep the waters may be, the Rock reaches deeper. The Lord Jesus went down into all the sorrows and sins of His people, and no wave of wrath or of hell could move Him from His place.
And He is higher than you as well: He is both God and man, risen up to the throne of the Most High. That is why there is power in His atoning blood and glory in His righteousness for a sinking soul. You cannot set yourself upon that Rock, but you may cry, “Lead me to the Rock that is higher than I.” Whoever is brought there and kept there by the Holy Spirit finds a safe standing for eternity. Elsewhere there is no salvation and no peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Desde el cabo de la tierra clamaré a Ti, cuando mi corazón desmayare: a la peña más alta que yo me conduzcas.
Salmo 61:2
Hay algo en esta expresión de nuestro texto, “peña”, que, a mi parecer, arroja una luz dulce y bendita sobre lo que Jesús es para el pobre y necesitado. ¡La peña tiene que bajar hasta el fondo de las aguas profundas, así como alzarse por encima de ellas, para ser un lugar de refugio suficiente para el marinero náufrago! Si la peña no llegara hasta el fondo del abismo, no sería firme; no sería más que arena movediza. ¿No concuerda esto con el testimonio del Espíritu acerca de la humanidad de Cristo? ¡Cuán hondo descendió en todas nuestras tristezas, en todos nuestros sufrimientos, en todos nuestros pecados, en toda nuestra vergüenza!
Por profundas que sean las aguas, la peña es más profunda que todas ellas; por profundos que sean los sufrimientos, pecados y tristezas de la Iglesia, los sufrimientos y tristezas de “Emmanuel, Dios con nosotros”, fueron infinitamente más profundos. Pero las olas y las ondas golpean en vano contra la peña; no pueden moverla de su lugar. Así es con la Peña, Jesús. Todos los pecados, tentaciones, sufrimientos y tristezas de los escogidos, con la ira de Dios y la furia del infierno, golpearon contra esa Peña, pero nunca la movieron de su lugar.
Pero de esta Peña se dice en nuestro texto que es “más alta que yo”. Ahí tenemos la Deidad. Porque si Jesús no fuera Dios además de hombre, el Dios-Hombre, ¿qué sostén podría ser para el alma que se hunde? ¿Qué eficacia podría haber en Su sangre expiatoria? ¿Qué poder y gloria en Su justicia justificadora? ¿Qué idoneidad en Él como Salvador para los totalmente perdidos? Pero siendo Dios además de hombre, sí, el Dios-Hombre, el grande y glorioso Emmanuel, pudo descender en Su naturaleza humana a las mismas profundidades de la caída, y subir en Su naturaleza divina al trono del Altísimo; y así, como la escalera de Jacob, su pie estaba en la tierra, pero su cima se alzaba hasta las nubes.
¿No será, pues, no ha de ser siempre, conforme el Señor tenga a bien levantarlo, el clamor de nuestra alma: “A la peña más alta que yo me conduzcas”? No hay salvación en ninguna otra parte; no hay paz en ninguna otra parte; no hay consuelo en ninguna otra parte. Lejos de esa Peña, azotados por las olas y casi ahogados por las ondas; pero si somos conducidos allí, llevados allí, guardados allí por el bendito Espíritu, la hallamos un fundamento seguro y firme para la eternidad. ¿Y qué otra cosa sino una Peña así puede salvar nuestras almas, o qué otra cosa sino un Salvador así y una salvación así, sin dinero y sin precio, puede convenir a desdichados tan arruinados?
Al lector…
Alma probada, ¿desmaya su corazón? ¿Clama usted como desde el cabo de la tierra, desde aguas profundas de pecado, sufrimiento y vergüenza? Entonces no tema haberse hundido demasiado hondo. Por profundas que sean las aguas, la Peña llega más hondo. El Señor Jesús descendió a todas las tristezas y pecados de Su pueblo, y ninguna ola de ira ni del infierno pudo moverle de Su lugar.
Y Él es también más alto que usted: es Dios y hombre a la vez, subido al trono del Altísimo. Por eso hay poder en Su sangre expiatoria y gloria en Su justicia para un alma que se hunde. Usted no puede ponerse a sí mismo sobre esa Peña, pero puede clamar: “A la peña más alta que yo me conduzcas”. Quien es llevado allí y guardado allí por el Espíritu Santo halla un fundamento seguro para la eternidad. En ninguna otra parte hay salvación ni paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl