2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.
1 Joh. 2:1
Die Voorspraak wordt hier, als overal elders, gezegd „de zaak van de gelovige te bepleiten”, en aan haar is bevrijding verbonden, want zulk een Voorspraak kan nimmer falen. „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost” (Klaagliederen 3:58). Het beeld is ontleend aan een rechtsgeleerde die de zaak eens misdadigers bepleit, en al zijn pogingen aanwendt om hem te doen vrijspreken.
Zulk een pleitbezorging kan echter om twee redenen falen: 1. de onbekwaamheid van de advocaat, of 2. de slechtheid der zaak. Maar zulke beletselen zijn er niet als Christus de Pleitbezorger is. Hoe kan Hij Zijn eigen lijden, Zijn bloed en Zijn gehoorzaamheid bepleiten! Zijn Persoon Zelf, als de Zoon van God en toch de Zoon des mensen, geeft een onuitsprekelijke waarde en geldigheid aan alle rechtzaak van de Pleitbezorger. Welk een waarde heeft Zijn tussenkomst dan in het gerechtshof des hemels!
Het is waar, Hij kan de waarheid der beschuldiging, door de beschuldiger tegen Zijn cliënt ingebracht, niet loochenen; maar Hij kan Zijn eigen verdienstelijk lijden en de smarten die Hij voor de schuldige verdragen heeft, voorleggen. Op deze grond kan Hij als zijn Borg en Plaatsvervanger optreden en bij de Vader bepleiten dat Hij in zijn plaats heeft geleden. Op de vaste, onwrikbare grond van recht en gerechtigheid kan Hij ten zijnen behoeve eisen: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Zie mij, Heer, wie elk moet duchten,
tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet!
Blijf niet wegens mijn gebreken
ver geweken;
toon, dat Gij mijn rampen ziet!
Ps. 38:21
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die stem van de aanklager kent, die u uw zonden voorhoudt en zegt dat er voor u geen hoop meer is. En het ergste is: u kunt het niet ontkennen, want de beschuldiging is waar. Wees daarover dan eerlijk, want ook uw Voorspraak loochent haar niet. Maar Hij doet wat geen aardse pleitbezorger kan: Hij legt Zijn eigen bloed, Zijn lijden en Zijn gehoorzaamheid voor de Vader neer, en pleit dat Hij in de plaats van de schuldige heeft geleden.
Zulk een Voorspraak kan niet falen, want Hij is de Zoon van God en de Rechtvaardige. Uw zaak is slecht, maar Zijn pleitgrond is volkomen. Vlucht dan met al uw schuld tot Hem, en laat Hem voor u spreken in het gerechtshof des hemels. Hoe zoet is het als de ziel met de profeet mag zeggen: „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.” Hij zegt het nog van ieder die tot Hem vlucht: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.
1 Joh. 2:1
Van die Voorspraak wordt hier, zoals overal elders, gezegd dat Hij er is om „de zaak van de gelovige te bepleiten”, en daaraan is bevrijding verbonden, want zo’n Voorspraak kan nooit falen. „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost” (Klaagliederen 3:58). Het beeld is ontleend aan een advocaat die de zaak van een misdadiger bepleit en alles in het werk stelt om hem vrijgesproken te krijgen.
Zo’n verdediging kan echter om twee redenen mislukken: 1. door de onbekwaamheid van de advocaat, of 2. doordat de zaak slecht is. Maar zulke belemmeringen zijn er niet als Christus de Pleitbezorger is. Hoe kan Hij Zijn eigen lijden, Zijn bloed en Zijn gehoorzaamheid aanvoeren! Zijn Persoon Zelf, als de Zoon van God en toch de Zoon des mensen, geeft een onuitsprekelijke waarde en geldigheid aan alles wat Hij als Pleitbezorger aanvoert. Wat een waarde heeft Zijn tussenkomst dan in het gerechtshof van de hemel!
Het is waar dat Hij de waarheid van de beschuldiging die de aanklager tegen Zijn cliënt inbrengt, niet kan ontkennen. Maar Hij kan Zijn eigen verdienstelijk lijden voorleggen, en de smarten die Hij voor de schuldige heeft gedragen. Op die grond kan Hij als zijn Borg en Plaatsvervanger optreden en bij de Vader aanvoeren dat Hij in zijn plaats heeft geleden. Op de vaste, onwrikbare grond van recht en gerechtigheid kan Hij voor hem eisen: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Zie mij, Heer, wie elk moet duchten,
tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet!
Blijf niet wegens mijn gebreken
ver geweken;
toon, dat Gij mijn rampen ziet!
Ps. 38:21
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u die stem van de aanklager kent, die u uw zonden voorhoudt en zegt dat er voor u geen hoop meer is. En het ergste is dat u het niet kunt ontkennen, want de beschuldiging is waar. Wees daar dan eerlijk over, want ook uw Voorspraak ontkent haar niet. Maar Hij doet wat geen aardse advocaat kan: Hij legt Zijn eigen bloed, Zijn lijden en Zijn gehoorzaamheid voor de Vader neer, en voert aan dat Hij in de plaats van de schuldige heeft geleden.
Zo’n Voorspraak kan niet falen, want Hij is de Zoon van God en de Rechtvaardige. Uw zaak is slecht, maar Zijn pleitgrond is volkomen. Vlucht dan met al uw schuld naar Hem, en laat Hem voor u spreken in het gerechtshof van de hemel. Hoe zoet is het als de ziel met de profeet mag zeggen: „Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.” Hij zegt het nog steeds van ieder die naar Hem vlucht: „Laat hem gaan, want Ik heb de straf voor hem gedragen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We have an advocate with the Father, Jesus Christ the righteous.
1 John 2:1
This advocacy is here called, as elsewhere, “pleading the cause” of the believer, and is connected with deliverance, for such an advocate can never fail—“O Lord, Thou hast pleaded the causes of my soul; Thou hast redeemed my life” (Lam. 3:58). The figure is taken from a lawyer pleading the cause of a criminal, and using his best endeavors to bring him off uninjured. But such advocacy may fail for two reasons: 1. the incompetency of the advocate; or 2. the badness of the cause.
But there are no such hindrances to the success of the advocacy of Christ. How He can plead His own sufferings, blood, and obedience. His very Person as the Son of God, and yet Son of man, gives unspeakable value and validity to every plea of the great Intercessor. What validity, then, has His intercession in the court of heaven!
It is true that He cannot deny the truth of the charge brought by the accuser of the brethren against His client; but He can present His own meritorious sufferings, and the sorrows He endured for the culprit. On this ground He can stand up as his Surety and Representative, and plead with the Father that He has suffered in his place and stead. On the firm, solid ground, then, of justice and equity, He can plead on his behalf, “Let him go, for I endured the penalty due to him.”
To the reader…
You may know that voice of the accuser, which holds your sins before you and tells you there is no more hope for you. And the worst of it is that you cannot deny it, for the charge is true. Be honest about that, then, for your Advocate does not deny it either. But He does what no earthly lawyer can do: He lays His own blood, His sufferings and His obedience before the Father, and pleads that He has suffered in the place of the guilty.
Such an Advocate cannot fail, for He is the Son of God and the Righteous One. Your cause is bad, but His plea is perfect. Flee to Him, then, with all your guilt, and let Him speak for you in the court of heaven. How sweet it is when the soul may say with the prophet, “O Lord, Thou hast pleaded the causes of my soul; Thou hast redeemed my life.” He still says it of everyone who flees to Him: “Let him go, for I have borne the penalty for him.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Abogado tenemos para con el Padre, a Jesucristo el justo.
1 Juan 2:1
Esta abogacía se llama aquí, como en otros lugares, “abogar por la causa” del creyente, y está unida a la liberación, pues tal abogado nunca puede fallar: “Abogaste, oh Señor, la causa de mi alma; redimiste mi vida” (Lam. 3:58). La figura está tomada de un abogado que defiende la causa de un reo y emplea sus mejores esfuerzos para sacarlo libre sin daño. Pero tal defensa puede fracasar por dos razones: 1. la incompetencia del abogado; o 2. la maldad de la causa.
Pero no hay tales obstáculos para el éxito de la abogacía de Cristo. ¡Cómo puede Él alegar Sus propios sufrimientos, Su sangre y Su obediencia! Su misma Persona, como Hijo de Dios y a la vez Hijo del hombre, da un valor y una validez indecibles a cada alegato del gran Intercesor. ¡Qué validez tiene, pues, Su intercesión en el tribunal del cielo!
Es cierto que Él no puede negar la verdad de la acusación que el acusador de los hermanos presenta contra Su cliente; pero puede presentar Sus propios sufrimientos meritorios y los dolores que soportó por el culpable. Sobre esta base puede levantarse como su Fiador y Representante, y alegar ante el Padre que Él ha sufrido en su lugar y en su vez. Sobre el terreno firme y sólido, pues, de la justicia y la equidad, puede abogar en su favor: “Déjale ir, porque Yo sufrí la pena que a él le correspondía”.
Al lector…
Quizá conoce usted esa voz del acusador, que le pone delante sus pecados y le dice que ya no hay esperanza para usted. Y lo peor es que no puede negarlo, porque la acusación es verdadera. Sea, pues, sincero en eso, porque su Abogado tampoco lo niega. Pero Él hace lo que ningún abogado terrenal puede hacer: presenta al Padre Su propia sangre, Sus sufrimientos y Su obediencia, y alega que Él ha sufrido en lugar del culpable.
Tal Abogado no puede fallar, porque es el Hijo de Dios y el Justo. Su causa es mala, pero Su alegato es perfecto. Huya, pues, a Él con toda su culpa, y deje que Él hable por usted en el tribunal del cielo. ¡Qué dulce es cuando el alma puede decir con el profeta: “Abogaste, oh Señor, la causa de mi alma; redimiste mi vida”! Él lo dice todavía de cada uno que huye a Él: “Déjale ir, porque Yo he llevado la pena por él”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Alle dingen ten goede
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Laten we eens wat nauwkeuriger kijken naar de persoon die wordt beschreven als iemand die God liefheeft. We zijn er heel zeker van dat dit nooit kan gelden voor iemand die in een natuurlijke staat verkeert, want „het bedenken des vleses is vijandschap tegen God” (Rom. 8:7). En als dit zo is, kan er geen liefde voor God in zijn hart zijn. Hij wordt derhalve uitgesloten van de zegening van de belofte; zijn naam staat niet in het testament. Maar laten we, om deze gewichtige zaak duidelijker en begrijpelijker te maken, eens zien wat de Heilige Schrift zegt over degenen die God liefhebben. Ik denk dat we in de eerste brief van Johannes drie kentekenen zullen vinden van degenen die Hem liefhebben. Aan deze drie kentekenen kunnen we onze staat toetsen.
Laat ons dan ons hart en geweten onderwerpen aan de toets van Gods onfeilbare Woord, en kijken of we die drie kentekenen van degenen die God liefhebben in onze ziel kunnen vinden. We lezen: „Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God” (1 Joh. 4:7). Hier vinden we twee kentekenen die de Heilige Geest gegeven heeft van degene die God liefheeft: dat hij uit God is geboren, en dat hij God kent. En als we wat verder kijken, vinden we een derde kenteken: „Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren” (1 Joh. 5:3). Dit zijn dus de drie kentekenen van iemand die God liefheeft: 1. dat hij uit God is geboren; 2. dat hij God kent; en 3. dat hij Gods geboden bewaart.
Lezen: Romeinen 8:18-38
Aan de lezer…
Wie durft de belofte aan te nemen dat alle dingen medewerken ten goede? Durft u het? Zij is rijk, maar zij is niet voor iedereen; zij geldt hen die God liefhebben. Van nature is het bedenken des vleses vijandschap tegen God, en dan staat onze naam niet in het testament. Daarom is het geen overbodige vraag of u werkelijk tot hen behoort.
Wees niet bang om uw hart aan Gods onfeilbare Woord te toetsen; het wordt u niet gegeven om u af te snijden, maar om u te onderwijzen. Johannes noemt drie kentekenen: dat iemand uit God geboren is, dat hij God kent en dat hij Zijn geboden bewaart. Vindt u ze niet in volmaaktheid, vraag dan of zij er in waarheid zijn, al is het zwak. En vindt u ze niet, laat het u dan tot de Heere drijven, Die alleen het hart kan vernieuwen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
Laten we wat nauwkeuriger kijken naar wie hier wordt beschreven als iemand die God liefheeft. We weten heel zeker dat dit nooit kan gelden voor iemand die in een natuurlijke staat verkeert, want „het bedenken des vleses is vijandschap tegen God” (Rom. 8:7). En als dat zo is, kan er geen liefde tot God in zijn hart zijn. Hij is daarom uitgesloten van de zegen van de belofte; zijn naam staat niet in het testament. Maar laten we, om deze gewichtige zaak duidelijker en begrijpelijker te maken, eens zien wat de Heilige Schrift zegt over hen die God liefhebben. Ik denk dat we in de eerste brief van Johannes drie kentekenen vinden van hen die Hem liefhebben. Aan deze drie kentekenen kunnen we onze staat toetsen.
Laten we dan ons hart en ons geweten onderwerpen aan de toets van Gods onfeilbare Woord, en kijken of we die drie kentekenen van hen die God liefhebben in onze ziel kunnen vinden. We lezen: „Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God” (1 Joh. 4:7). Hier vinden we twee kentekenen die de Heilige Geest gegeven heeft van wie God liefheeft: dat hij uit God geboren is, en dat hij God kent. En als we wat verder kijken, vinden we een derde kenteken: „Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren” (1 Joh. 5:3). Dit zijn dus de drie kentekenen van iemand die God liefheeft: 1. dat hij uit God geboren is; 2. dat hij God kent; en 3. dat hij Gods geboden bewaart.
Lezen: Romeinen 8:18-38
Aan de lezer…
Wie durft de belofte aan te nemen dat alle dingen medewerken ten goede? Durft u het? Zij is rijk, maar zij is niet voor iedereen; zij geldt hen die God liefhebben. Van nature is het bedenken des vleses vijandschap tegen God, en dan staat onze naam niet in het testament. Daarom is het geen overbodige vraag of u werkelijk tot hen behoort.
Wees niet bang om uw hart aan Gods onfeilbare Woord te toetsen; het wordt u niet gegeven om u af te snijden, maar om u te onderwijzen. Johannes noemt drie kentekenen: dat iemand uit God geboren is, dat hij God kent en dat hij Zijn geboden bewaart. Vindt u ze niet in volmaaktheid, vraag dan of zij er in waarheid zijn, al is het zwak. En vindt u ze niet, laat het u dan tot de Heere drijven, Die alleen het hart kan vernieuwen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God.
Romans 8:28
Let us look a little more closely at who is here described as one who loves God. We know most surely that this can never be true of anyone in a state of nature, for “the carnal mind is enmity against God” (Rom. 8:7). And if that is so, there can be no love to God in his heart. He is therefore shut out from the blessing of the promise; his name is not in the will. But to make this weighty matter clearer and plainer, let us see what the Holy Scripture says of those who love God. I believe we find in the first epistle of John three marks of those who love Him. By these three marks we may test our state.
Let us then bring our heart and conscience to the test of God’s infallible Word, and see whether we can find those three marks of those who love God in our soul. We read, “Beloved, let us love one another: for love is of God; and every one that loveth is born of God, and knoweth God” (1 John 4:7). Here we find two marks which the Holy Ghost has given of one who loves God: that he is born of God, and that he knows God. And if we look a little further, we find a third mark: “For this is the love of God, that we keep His commandments” (1 John 5:3). These, then, are the three marks of one who loves God: 1. that he is born of God; 2. that he knows God; and 3. that he keeps God’s commandments.
Reading: Romans 8:18-38
To the reader…
Who dares take hold of the promise that all things work together for good? Do you dare? It is rich, but it is not for everyone; it belongs to those who love God. By nature the carnal mind is enmity against God, and then our name is not in the will. That is why it is no needless question whether you truly belong among them.
Do not be afraid to test your heart by God’s infallible Word; it is not given to cut you off, but to teach you. John names three marks: that a person is born of God, that he knows God and that he keeps His commandments. If you do not find them in perfection, ask whether they are there in truth, however weakly. And if you do not find them, let that drive you to the Lord, Who alone can renew the heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien.
Romanos 8:28
Miremos un poco más de cerca quién es descrito aquí como uno que ama a Dios. Sabemos con toda certeza que esto nunca puede ser verdad de nadie que esté en estado natural, porque “la intención de la carne es enemistad contra Dios” (Rom. 8:7). Y si es así, no puede haber amor a Dios en su corazón. Queda, por tanto, excluido de la bendición de la promesa; su nombre no está en el testamento. Pero para hacer este asunto tan importante más claro y llano, veamos lo que dice la Sagrada Escritura de los que aman a Dios. Creo que hallamos en la primera epístola de Juan tres señales de los que le aman. Por estas tres señales podemos probar nuestro estado.
Llevemos, pues, nuestro corazón y nuestra conciencia a la prueba de la infalible Palabra de Dios, y veamos si podemos hallar en nuestra alma esas tres señales de los que aman a Dios. Leemos: “Carísimos, amémonos unos a otros; porque el amor es de Dios. Cualquiera que ama, es nacido de Dios, y conoce a Dios” (1 Juan 4:7). Aquí hallamos dos señales que el Espíritu Santo ha dado de uno que ama a Dios: que es nacido de Dios, y que conoce a Dios. Y si miramos un poco más adelante, hallamos una tercera señal: “Porque este es el amor de Dios, que guardemos Sus mandamientos” (1 Juan 5:3). Estas son, pues, las tres señales de uno que ama a Dios: 1. que es nacido de Dios; 2. que conoce a Dios; y 3. que guarda los mandamientos de Dios.
Lectura: Romanos 8:18-38
Al lector…
¿Quién se atreve a asirse de la promesa de que todas las cosas ayudan a bien? ¿Se atreve usted? Es rica, pero no es para todos; pertenece a los que aman a Dios. Por naturaleza la intención de la carne es enemistad contra Dios, y entonces nuestro nombre no está en el testamento. Por eso no es una pregunta innecesaria si usted pertenece de veras a ellos.
No tema probar su corazón por la infalible Palabra de Dios; no le ha sido dada para excluirle, sino para enseñarle. Juan nombra tres señales: que una persona es nacida de Dios, que conoce a Dios y que guarda Sus mandamientos. Si no las halla en perfección, pregúntese si están ahí en verdad, por débilmente que sea. Y si no las halla, deje que eso le lleve al Señor, el único que puede renovar el corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.
Psalm 103:1
Gelijk de Zoon de Vader heeft verheerlijkt, en de Vader de Zoon, zo is er een volk waarin beiden, de Vader en de Zoon, zullen verheerlijkt worden. Daarom zegt Hij: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn” (Joh. 17:22). En wederom: „Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Als dan Gods goedheid en genade in het aangezicht van Jezus Christus worden geopenbaard aan Zijn volk, dat Hij Zich geformeerd heeft om Zijn lof te vertellen, dan brengen zij Hem van hun zijde Zijn heerlijkheid toe. Maar hoe wordt dit gedaan? Door Zijn heilige Naam te loven en te prijzen voor de bewijzen Zijner goedheid en genade, aan hun ziel bewezen.
Wij zien dus in welk een gezegende cirkel deze heerlijkheid loopt. De Vader verheerlijkt de Zoon; de Zoon verheerlijkt de Vader; beiden zijn verenigd in het verheerlijken van Zijn uitverkoren en van Zijn verlost volk; en zij verheerlijken èn Vader èn Zoon, gevende Hun de heerlijkheid die zij Zijn Naam schuldig zijn. Vandaar dat wij lezen: „dat de heidenen God verheerlijken voor Zijn genade”. Maar hoe? „Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk!” (Rom. 15:9-11).
Dit is zeer schoon ontvouwd in Psalm 103. Hij begint met God te loven en te prijzen. „Loof de Heere, o mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere, mijn ziel! en vergeet geen van Zijn weldaden.” Waarom was het dat David zijn ziel opwekt om de Heere te loven, ja zich wendt tot alle vermogens zijner ziel, om die te verenigen en Zijn heilige Naam te loven? Waarom vermaande hij zijn ziel geen van Gods weldaden te vergeten, maar ze in voortdurende herinnering te houden? Om deze reden, dat hij Gode mocht geven een schatting van dankbare lof.
Nu, daardoor wordt God verheerlijkt; want die dankoffert, zal Hem eren. Wij kunnen aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen, want Zijn heerlijkheid is boven de hemelen. Zij is oneindig, eeuwig, onuitsprekelijk. Geen schepsel derhalve kan Hem iets geven, noch ook ontnemen; maar Hij vergunt aan arme aardwormen Hem te verheerlijken door het offer van dankerkentenis en lofzegging. Doch dit kunnen wij alleen doen door te geloven in Zijn beminde Zoon, uit Wiens volheid wij ontvangen genade voor genade. En dit kunnen we doen door het loven en prijzen van Zijn heilige Naam voor de bewijzen Zijner goedheid, genade en liefde, door Zijn eigen Goddelijke kracht in onze ziel gewerkt.
Aan de lezer…
Kind van God, voelt u zich te gering en te arm om God te verheerlijken? U kunt aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen; zij is boven de hemelen. En toch vergunt Hij arme aardwormen Hem te eren met het offer van dankerkentenis. Hij vraagt geen grote daden van u, maar een hart dat Zijn weldaden niet vergeet.
Ga dan eens na wat de Heere aan uw ziel bewezen heeft: een woord dat u staande hield, een gebed dat verhoord werd, een ogenblik waarin Christus u dierbaar werd. Laat het niet wegzinken in vergetelheid. En lijkt uw hart koud en stom, vraag dan of Hij Zelf Zijn goedheid in uw ziel wil werken, want uit de volheid van Zijn Zoon ontvangt u genade voor genade. Dan zult u met de psalmdichter zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.
Psalm 103:1
Zoals de Zoon de Vader heeft verheerlijkt, en de Vader de Zoon, zo is er een volk waarin beiden, de Vader en de Zoon, verheerlijkt zullen worden. Daarom zegt Hij: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn” (Joh. 17:22). En opnieuw: „Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Wanneer dan Gods goedheid en genade in het aangezicht van Jezus Christus geopenbaard worden aan Zijn volk, dat Hij Zich gevormd heeft om Zijn lof te vertellen, dan brengen zij Hem van hun kant Zijn heerlijkheid toe. Maar hoe gebeurt dat? Door Zijn heilige Naam te loven en te prijzen voor de bewijzen van Zijn goedheid en genade die aan hun ziel bewezen zijn.
Wij zien dus in wat voor gezegende kring deze heerlijkheid rondgaat. De Vader verheerlijkt de Zoon; de Zoon verheerlijkt de Vader; beiden zijn verenigd in het verheerlijken van Zijn uitverkoren en verlost volk; en dat volk verheerlijkt zowel de Vader als de Zoon, door Hun de heerlijkheid te geven die zij Zijn Naam schuldig zijn. Daarom lezen wij: „dat de heidenen God verheerlijken voor Zijn genade”. Maar hoe? „Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk!” (Rom. 15:9-11).
Dit wordt heel mooi ontvouwd in Psalm 103. Hij begint met God te loven en te prijzen. „Loof de Heere, o mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere, mijn ziel! en vergeet geen van Zijn weldaden.” Waarom wekte David zijn ziel op om de Heere te loven, en wendde hij zich zelfs tot alle vermogens van zijn ziel om die samen Zijn heilige Naam te laten loven? Waarom vermaande hij zijn ziel om geen van Gods weldaden te vergeten, maar ze steeds in herinnering te houden? Om deze reden: dat hij God een schatting van dankbare lof zou mogen geven.
Daardoor wordt God verheerlijkt, want wie dank offert, zal Hem eren. Wij kunnen aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen, want Zijn heerlijkheid is boven de hemelen. Zij is oneindig, eeuwig, onuitsprekelijk. Daarom kan geen schepsel Hem iets geven of ontnemen; maar Hij staat arme aardwormen toe Hem te verheerlijken door het offer van dankbaarheid en lofzegging. Maar dit kunnen wij alleen doen door te geloven in Zijn geliefde Zoon, uit Wiens volheid wij genade voor genade ontvangen. En dit kunnen wij doen door het loven en prijzen van Zijn heilige Naam voor de bewijzen van Zijn goedheid, genade en liefde, die door Zijn eigen Goddelijke kracht in onze ziel gewerkt zijn.
Aan de lezer…
Kind van God, voelt u zich te gering en te arm om God te verheerlijken? U kunt aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen; zij is boven de hemelen. En toch staat Hij arme aardwormen toe Hem te eren met het offer van dankbaarheid. Hij vraagt geen grote daden van u, maar een hart dat Zijn weldaden niet vergeet.
Ga dan eens na wat de Heere aan uw ziel bewezen heeft: een woord dat u staande hield, een gebed dat verhoord werd, een ogenblik waarin Christus u dierbaar werd. Laat het niet wegzinken in vergetelheid. En lijkt uw hart koud en stom, vraag dan of Hij Zelf Zijn goedheid in uw ziel wil werken, want uit de volheid van Zijn Zoon ontvangt u genade voor genade. Dan zult u met de psalmdichter zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Bless the LORD, O my soul: and all that is within me, bless his holy name.
Psalm 103:1
As the Son has glorified the Father and the Father has glorified the Son, so there is a people in whom both the Father and the Son will be glorified. He therefore said, “And the glory which you gave Me I have given them; that they may be one, even as we are one” (John 17:22); and again, “All Mine are yours, and yours are Mine; and I am glorified in them.” When, then, God’s goodness and mercy in the face of Jesus Christ are manifested to this people whom He has formed for Himself that they might show forth His praise, then they give Him back His glory. But how is this done? By praising and blessing His holy Name for the manifestation of His goodness and mercy to their soul.
We thus see in what a blessed circle this glory runs. The Father glorifies the Son; the Son glorifies the Father; both unite in glorifying His chosen and redeemed people; and they glorify Father and Son by giving Them the glory due to Their Name. We therefore read that “the Gentiles glorify God for His mercy.” But how? “Rejoice, you Gentiles, with His people. Praise the Lord, all you Gentiles; and laud Him, all you people” (Romans 15:9-11).
This is beautifully developed in Psalm 103. It begins with blessing and praising God. “Bless the Lord, O my soul—and all that is within me, bless His holy Name. Bless the Lord, O my soul, and do not forget all His benefits.” Why was it that David called upon his soul to bless the Lord—yes, appealed to every faculty within him to unite in blessing His holy Name? Why did he charge it upon his soul not to forget all God’s benefits, but bear them in perpetual remembrance? For this reason—that he might render unto God a tribute of thankful praise.
Now by this God is glorified, for whoever offers praise glorifies Him. We cannot add to His glory; for His glory is above the heavens. It is infinite, eternal, ineffable. No creature therefore can add to it or take from it; but He does permit poor worms of earth to glorify Him by giving Him a tribute of thankful praise. But this we can only do by believing in His dear Son, receiving of His fullness grace for grace, and blessing and praising His holy Name for the manifestation of His goodness, mercy, and love, as brought into our soul by His own divine power.
To the reader…
Child of God, do you feel too small and too poor to glorify God? You cannot add anything to His glory; it is above the heavens. And yet He permits poor worms of the earth to honour Him with the offering of thankfulness. He does not ask great deeds of you, but a heart that does not forget His benefits.
Consider, then, what the Lord has shown to your soul: a word that kept you standing, a prayer that was answered, a moment in which Christ became precious to you. Do not let it sink away into forgetfulness. And if your heart seems cold and dumb, ask Him to work His goodness in your soul Himself, for out of the fullness of His Son you receive grace for grace. Then you will say with the psalmist, “Bless the LORD, O my soul: and all that is within me, bless His holy Name.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre.
Salmo 103:1
Así como el Hijo ha glorificado al Padre y el Padre ha glorificado al Hijo, así hay un pueblo en el cual tanto el Padre como el Hijo serán glorificados. Por eso dijo: “Y Yo, la gloria que Me diste les he dado; para que sean una cosa, como también Nosotros somos una cosa” (Juan 17:22); y también: “Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas: y he sido glorificado en ellas.” Cuando, pues, la bondad y la misericordia de Dios en la faz de Jesucristo se manifiestan a este pueblo que Él ha formado para Sí, para que publique Sus alabanzas, entonces ellos Le devuelven Su gloria. Pero ¿cómo se hace esto? Alabando y bendiciendo Su santo Nombre por la manifestación de Su bondad y misericordia a su alma.
Vemos así en qué círculo tan bendito corre esta gloria. El Padre glorifica al Hijo; el Hijo glorifica al Padre; ambos se unen en glorificar a Su pueblo escogido y redimido; y este glorifica al Padre y al Hijo dándoles la gloria debida a Su Nombre. Por eso leemos que “los gentiles glorifiquen a Dios por la misericordia”. Pero ¿cómo? “Alegraos, gentiles, con Su pueblo. Alabad al Señor todos los gentiles, y magnificadle, todos los pueblos” (Romanos 15:9-11).
Esto se desarrolla hermosamente en el Salmo 103. Comienza bendiciendo y alabando a Dios. “Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre. Bendice, alma mía, a Jehová, y no olvides ninguno de Sus beneficios.” ¿Por qué llamaba David a su alma a bendecir al Señor, sí, apelaba a toda facultad dentro de él para que se uniera en bendecir Su santo Nombre? ¿Por qué encargaba a su alma que no olvidara ninguno de los beneficios de Dios, sino que los guardara en perpetua memoria? Por esta razón: para rendir a Dios un tributo de alabanza agradecida.
Ahora bien, por esto Dios es glorificado, porque quien ofrece alabanza Le honra. No podemos añadir nada a Su gloria, porque Su gloria está sobre los cielos. Es infinita, eterna, inefable. Por tanto, ninguna criatura puede añadirle ni quitarle; pero Él permite a pobres gusanos de la tierra glorificarle dándole un tributo de alabanza agradecida. Pero esto solo podemos hacerlo creyendo en Su amado Hijo, recibiendo de Su plenitud gracia por gracia, y bendiciendo y alabando Su santo Nombre por la manifestación de Su bondad, misericordia y amor, tal como los ha traído a nuestra alma por Su propio poder divino.
Al lector…
Hijo de Dios, ¿se siente demasiado pequeño y demasiado pobre para glorificar a Dios? Usted no puede añadir nada a Su gloria; está sobre los cielos. Y sin embargo, Él permite a pobres gusanos de la tierra honrarle con la ofrenda de la gratitud. No le pide grandes hazañas, sino un corazón que no olvide Sus beneficios.
Considere, pues, lo que el Señor ha mostrado a su alma: una palabra que le mantuvo en pie, una oración que fue respondida, un momento en que Cristo se le hizo precioso. No deje que se hunda en el olvido. Y si su corazón parece frío y mudo, pídale que Él mismo obre Su bondad en su alma, porque de la plenitud de Su Hijo usted recibe gracia por gracia. Entonces dirá con el salmista: “Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl