January 10
Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.
Psalm 103:1
Gelijk de Zoon de Vader heeft verheerlijkt, en de Vader de Zoon, zo is er een volk waarin beiden, de Vader en de Zoon, zullen verheerlijkt worden. Daarom zegt Hij: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn” (Joh. 17:22). En wederom: „Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Als dan Gods goedheid en genade in het aangezicht van Jezus Christus worden geopenbaard aan Zijn volk, dat Hij Zich geformeerd heeft om Zijn lof te vertellen, dan brengen zij Hem van hun zijde Zijn heerlijkheid toe. Maar hoe wordt dit gedaan? Door Zijn heilige Naam te loven en te prijzen voor de bewijzen Zijner goedheid en genade, aan hun ziel bewezen.
Wij zien dus in welk een gezegende cirkel deze heerlijkheid loopt. De Vader verheerlijkt de Zoon; de Zoon verheerlijkt de Vader; beiden zijn verenigd in het verheerlijken van Zijn uitverkoren en van Zijn verlost volk; en zij verheerlijken èn Vader èn Zoon, gevende Hun de heerlijkheid die zij Zijn Naam schuldig zijn. Vandaar dat wij lezen: „dat de heidenen God verheerlijken voor Zijn genade”. Maar hoe? „Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk!” (Rom. 15:9-11).
Dit is zeer schoon ontvouwd in Psalm 103. Hij begint met God te loven en te prijzen. „Loof de Heere, o mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere, mijn ziel! en vergeet geen van Zijn weldaden.” Waarom was het dat David zijn ziel opwekt om de Heere te loven, ja zich wendt tot alle vermogens zijner ziel, om die te verenigen en Zijn heilige Naam te loven? Waarom vermaande hij zijn ziel geen van Gods weldaden te vergeten, maar ze in voortdurende herinnering te houden? Om deze reden, dat hij Gode mocht geven een schatting van dankbare lof.
Nu, daardoor wordt God verheerlijkt; want die dankoffert, zal Hem eren. Wij kunnen aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen, want Zijn heerlijkheid is boven de hemelen. Zij is oneindig, eeuwig, onuitsprekelijk. Geen schepsel derhalve kan Hem iets geven, noch ook ontnemen; maar Hij vergunt aan arme aardwormen Hem te verheerlijken door het offer van dankerkentenis en lofzegging. Doch dit kunnen wij alleen doen door te geloven in Zijn beminde Zoon, uit Wiens volheid wij ontvangen genade voor genade. En dit kunnen we doen door het loven en prijzen van Zijn heilige Naam voor de bewijzen Zijner goedheid, genade en liefde, door Zijn eigen Goddelijke kracht in onze ziel gewerkt.
Aan de lezer…
Kind van God, voelt u zich te gering en te arm om God te verheerlijken? U kunt aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen; zij is boven de hemelen. En toch vergunt Hij arme aardwormen Hem te eren met het offer van dankerkentenis. Hij vraagt geen grote daden van u, maar een hart dat Zijn weldaden niet vergeet.
Ga dan eens na wat de Heere aan uw ziel bewezen heeft: een woord dat u staande hield, een gebed dat verhoord werd, een ogenblik waarin Christus u dierbaar werd. Laat het niet wegzinken in vergetelheid. En lijkt uw hart koud en stom, vraag dan of Hij Zelf Zijn goedheid in uw ziel wil werken, want uit de volheid van Zijn Zoon ontvangt u genade voor genade. Dan zult u met de psalmdichter zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.
Psalm 103:1
Zoals de Zoon de Vader heeft verheerlijkt, en de Vader de Zoon, zo is er een volk waarin beiden, de Vader en de Zoon, verheerlijkt zullen worden. Daarom zegt Hij: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn” (Joh. 17:22). En opnieuw: „Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.” Wanneer dan Gods goedheid en genade in het aangezicht van Jezus Christus geopenbaard worden aan Zijn volk, dat Hij Zich gevormd heeft om Zijn lof te vertellen, dan brengen zij Hem van hun kant Zijn heerlijkheid toe. Maar hoe gebeurt dat? Door Zijn heilige Naam te loven en te prijzen voor de bewijzen van Zijn goedheid en genade die aan hun ziel bewezen zijn.
Wij zien dus in wat voor gezegende kring deze heerlijkheid rondgaat. De Vader verheerlijkt de Zoon; de Zoon verheerlijkt de Vader; beiden zijn verenigd in het verheerlijken van Zijn uitverkoren en verlost volk; en dat volk verheerlijkt zowel de Vader als de Zoon, door Hun de heerlijkheid te geven die zij Zijn Naam schuldig zijn. Daarom lezen wij: „dat de heidenen God verheerlijken voor Zijn genade”. Maar hoe? „Weest vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk!” (Rom. 15:9-11).
Dit wordt heel mooi ontvouwd in Psalm 103. Hij begint met God te loven en te prijzen. „Loof de Heere, o mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere, mijn ziel! en vergeet geen van Zijn weldaden.” Waarom wekte David zijn ziel op om de Heere te loven, en wendde hij zich zelfs tot alle vermogens van zijn ziel om die samen Zijn heilige Naam te laten loven? Waarom vermaande hij zijn ziel om geen van Gods weldaden te vergeten, maar ze steeds in herinnering te houden? Om deze reden: dat hij God een schatting van dankbare lof zou mogen geven.
Daardoor wordt God verheerlijkt, want wie dank offert, zal Hem eren. Wij kunnen aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen, want Zijn heerlijkheid is boven de hemelen. Zij is oneindig, eeuwig, onuitsprekelijk. Daarom kan geen schepsel Hem iets geven of ontnemen; maar Hij staat arme aardwormen toe Hem te verheerlijken door het offer van dankbaarheid en lofzegging. Maar dit kunnen wij alleen doen door te geloven in Zijn geliefde Zoon, uit Wiens volheid wij genade voor genade ontvangen. En dit kunnen wij doen door het loven en prijzen van Zijn heilige Naam voor de bewijzen van Zijn goedheid, genade en liefde, die door Zijn eigen Goddelijke kracht in onze ziel gewerkt zijn.
Aan de lezer…
Kind van God, voelt u zich te gering en te arm om God te verheerlijken? U kunt aan Zijn heerlijkheid niets toevoegen; zij is boven de hemelen. En toch staat Hij arme aardwormen toe Hem te eren met het offer van dankbaarheid. Hij vraagt geen grote daden van u, maar een hart dat Zijn weldaden niet vergeet.
Ga dan eens na wat de Heere aan uw ziel bewezen heeft: een woord dat u staande hield, een gebed dat verhoord werd, een ogenblik waarin Christus u dierbaar werd. Laat het niet wegzinken in vergetelheid. En lijkt uw hart koud en stom, vraag dan of Hij Zelf Zijn goedheid in uw ziel wil werken, want uit de volheid van Zijn Zoon ontvangt u genade voor genade. Dan zult u met de psalmdichter zeggen: „Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Bless the LORD, O my soul: and all that is within me, bless his holy name.
Psalm 103:1
As the Son has glorified the Father and the Father has glorified the Son, so there is a people in whom both the Father and the Son will be glorified. He therefore said, “And the glory which you gave Me I have given them; that they may be one, even as we are one” (John 17:22); and again, “All Mine are yours, and yours are Mine; and I am glorified in them.” When, then, God’s goodness and mercy in the face of Jesus Christ are manifested to this people whom He has formed for Himself that they might show forth His praise, then they give Him back His glory. But how is this done? By praising and blessing His holy Name for the manifestation of His goodness and mercy to their soul.
We thus see in what a blessed circle this glory runs. The Father glorifies the Son; the Son glorifies the Father; both unite in glorifying His chosen and redeemed people; and they glorify Father and Son by giving Them the glory due to Their Name. We therefore read that “the Gentiles glorify God for His mercy.” But how? “Rejoice, you Gentiles, with His people. Praise the Lord, all you Gentiles; and laud Him, all you people” (Romans 15:9-11).
This is beautifully developed in Psalm 103. It begins with blessing and praising God. “Bless the Lord, O my soul—and all that is within me, bless His holy Name. Bless the Lord, O my soul, and do not forget all His benefits.” Why was it that David called upon his soul to bless the Lord—yes, appealed to every faculty within him to unite in blessing His holy Name? Why did he charge it upon his soul not to forget all God’s benefits, but bear them in perpetual remembrance? For this reason—that he might render unto God a tribute of thankful praise.
Now by this God is glorified, for whoever offers praise glorifies Him. We cannot add to His glory; for His glory is above the heavens. It is infinite, eternal, ineffable. No creature therefore can add to it or take from it; but He does permit poor worms of earth to glorify Him by giving Him a tribute of thankful praise. But this we can only do by believing in His dear Son, receiving of His fullness grace for grace, and blessing and praising His holy Name for the manifestation of His goodness, mercy, and love, as brought into our soul by His own divine power.
To the reader…
Child of God, do you feel too small and too poor to glorify God? You cannot add anything to His glory; it is above the heavens. And yet He permits poor worms of the earth to honour Him with the offering of thankfulness. He does not ask great deeds of you, but a heart that does not forget His benefits.
Consider, then, what the Lord has shown to your soul: a word that kept you standing, a prayer that was answered, a moment in which Christ became precious to you. Do not let it sink away into forgetfulness. And if your heart seems cold and dumb, ask Him to work His goodness in your soul Himself, for out of the fullness of His Son you receive grace for grace. Then you will say with the psalmist, “Bless the LORD, O my soul: and all that is within me, bless His holy Name.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre.
Salmo 103:1
Así como el Hijo ha glorificado al Padre y el Padre ha glorificado al Hijo, así hay un pueblo en el cual tanto el Padre como el Hijo serán glorificados. Por eso dijo: “Y Yo, la gloria que Me diste les he dado; para que sean una cosa, como también Nosotros somos una cosa” (Juan 17:22); y también: “Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas: y he sido glorificado en ellas.” Cuando, pues, la bondad y la misericordia de Dios en la faz de Jesucristo se manifiestan a este pueblo que Él ha formado para Sí, para que publique Sus alabanzas, entonces ellos Le devuelven Su gloria. Pero ¿cómo se hace esto? Alabando y bendiciendo Su santo Nombre por la manifestación de Su bondad y misericordia a su alma.
Vemos así en qué círculo tan bendito corre esta gloria. El Padre glorifica al Hijo; el Hijo glorifica al Padre; ambos se unen en glorificar a Su pueblo escogido y redimido; y este glorifica al Padre y al Hijo dándoles la gloria debida a Su Nombre. Por eso leemos que “los gentiles glorifiquen a Dios por la misericordia”. Pero ¿cómo? “Alegraos, gentiles, con Su pueblo. Alabad al Señor todos los gentiles, y magnificadle, todos los pueblos” (Romanos 15:9-11).
Esto se desarrolla hermosamente en el Salmo 103. Comienza bendiciendo y alabando a Dios. “Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre. Bendice, alma mía, a Jehová, y no olvides ninguno de Sus beneficios.” ¿Por qué llamaba David a su alma a bendecir al Señor, sí, apelaba a toda facultad dentro de él para que se uniera en bendecir Su santo Nombre? ¿Por qué encargaba a su alma que no olvidara ninguno de los beneficios de Dios, sino que los guardara en perpetua memoria? Por esta razón: para rendir a Dios un tributo de alabanza agradecida.
Ahora bien, por esto Dios es glorificado, porque quien ofrece alabanza Le honra. No podemos añadir nada a Su gloria, porque Su gloria está sobre los cielos. Es infinita, eterna, inefable. Por tanto, ninguna criatura puede añadirle ni quitarle; pero Él permite a pobres gusanos de la tierra glorificarle dándole un tributo de alabanza agradecida. Pero esto solo podemos hacerlo creyendo en Su amado Hijo, recibiendo de Su plenitud gracia por gracia, y bendiciendo y alabando Su santo Nombre por la manifestación de Su bondad, misericordia y amor, tal como los ha traído a nuestra alma por Su propio poder divino.
Al lector…
Hijo de Dios, ¿se siente demasiado pequeño y demasiado pobre para glorificar a Dios? Usted no puede añadir nada a Su gloria; está sobre los cielos. Y sin embargo, Él permite a pobres gusanos de la tierra honrarle con la ofrenda de la gratitud. No le pide grandes hazañas, sino un corazón que no olvide Sus beneficios.
Considere, pues, lo que el Señor ha mostrado a su alma: una palabra que le mantuvo en pie, una oración que fue respondida, un momento en que Cristo se le hizo precioso. No deje que se hunda en el olvido. Y si su corazón parece frío y mudo, pídale que Él mismo obre Su bondad en su alma, porque de la plenitud de Su Hijo usted recibe gracia por gracia. Entonces dirá con el salmista: “Bendice, alma mía, a Jehová; y bendigan todas mis entrañas Su santo Nombre.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl