6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
Psalm 81:11
Wanneer de Heere uw ziel begunstigt met de liefelijke toegang tot de troon der genade, dan weet gij het te waarderen. Wat zouden wij denken van een scheepskapitein die, de rivier opkomende, als de wind en het getij gunstig waren, zijn anker niet lichtte, of alleen zijn voorzeil hees en geen vol gebruik maakte van wind en getij? Nu is het somtijds zo met onze ziel; een stevige koelte waait, een koelte van genade in de ziel, en het getij van het geloof wast. Is het niet onze wijsheid en is het niet onze genade, die in zulk een gunstige toestand er gebruik van moeten maken? Indien de Heere ons een oor wil verlenen, is het niet onze genade, die Hem alles moet zeggen wat onze ziel begeert?
Herinnert gij u wat de profeet zeide tot de koning, die met zijn pijlen slechts drie malen op de grond sloeg en daarna stilstond? „Toen werd de man Gods zeer toornig op hem en zeide: ‘Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan’” (2 Kon. 13:19). Somtijds is het zo met ons. Indien de Heere ons enige toegang tot Zich geeft, maken wij er geen gebruik genoeg van. Satan werpt er een vurige pijl in; wereldse aangelegenheden trekken ons af; de een of andere vuile gedachte komt in onze boezem op, en in plaats van de duivel te weerstaan, opdat hij van ons vliede, maken wij hem plaats; de gelegenheid is voorbij; het zoete ogenblik is verloren en er kunnen weder maanden verlopen vóórdat wij weder van de Koning een geopend oor ontvangen.
Het zal daarom uw wijsheid en uw genade zijn, wanneer de koelte blaast en het water wast, om alle zeilen bij te zetten en te trachten zo ver te komen als gij het kunt brengen op de reis naar de haven van eeuwige rust en blijdschap.
Ik ben nooddruftig, arm en naakt,
o God, mijn helper uit ellenden,
haast U tot mij, wil bijstand zenden;
Uw komst is ’t, die mijn heil volmaakt.
Ps. 70:3
Aan de lezer…
Soms schenkt de Heere een uur waarin het gemakkelijk valt te bidden, waarin de koelte der genade waait en het hart als vanzelf naar de troon der genade uitgaat; hebt u zo’n uur gekend? Zulke uren zijn kostbaar, en zij komen niet op ons bevel. Hoe dikwijls hebben wij dan slechts het voorzeil gehesen, of hebben wij, als die koning, driemaal geslagen en stilgestaan, terwijl de Heere meer wilde geven.
Laat dit u geen reden tot wanhoop zijn, maar een les. Hij, Die zegt: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen”, is niet karig in Zijn geven. Komt de koelte weder, zet dan alle zeilen bij; zeg Hem alles wat uw ziel begeert, en laat u niet door wereldse zorgen of door een vurige pijl des satans afleiden. En ligt u thans stil, zonder wind en zonder getij, wacht dan op Hem. Hij is het Die de wind doet waaien, en Hij brengt Zijn arme reizigers veilig in de haven der eeuwige rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
Psalm 81:11
Wanneer de Heere uw ziel begunstigt met lieflijke toegang tot de troon van de genade, dan weet u dat te waarderen. Wat zouden wij denken van een scheepskapitein die de rivier opvaart en, als wind en getij gunstig zijn, zijn anker niet licht, of alleen zijn voorzeil hijst en geen volledig gebruik maakt van wind en getij? Zo is het soms met onze ziel: er waait een stevige bries, een bries van genade in de ziel, en het getij van het geloof komt op. Is het dan niet onze wijsheid en onze genade dat wij er in zo’n gunstige toestand gebruik van maken? Als de Heere ons Zijn oor wil lenen, is het dan niet onze genade dat wij Hem alles zeggen wat onze ziel begeert?
Herinnert u zich wat de profeet zei tegen de koning, die met zijn pijlen maar drie keer op de grond sloeg en toen ophield? „Toen werd de man Gods zeer toornig op hem en zeide: ‘Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan’” (2 Kon. 13:19). Soms is het zo met ons. Als de Heere ons enige toegang tot Zich geeft, maken wij daar niet genoeg gebruik van. De satan werpt er een vurige pijl tussen; wereldse zaken trekken ons af; een of andere onreine gedachte komt in ons hart op, en in plaats van de duivel te weerstaan, zodat hij van ons vlucht, maken wij plaats voor hem. De gelegenheid is voorbij, het zoete ogenblik is verloren, en er kunnen weer maanden verstrijken voordat wij opnieuw een geopend oor bij de Koning vinden.
Daarom zal het uw wijsheid en uw genade zijn om, wanneer de bries waait en het water opkomt, alle zeilen bij te zetten en te proberen zo ver te komen als u kunt op de reis naar de haven van eeuwige rust en blijdschap.
Ik ben nooddruftig, arm en naakt,
o God, mijn helper uit ellenden,
haast U tot mij, wil bijstand zenden;
Uw komst is ’t, die mijn heil volmaakt.
Ps. 70:3
Aan de lezer…
Soms schenkt de Heere een uur waarin het gemakkelijk is om te bidden, waarin de bries van de genade waait en het hart als vanzelf naar de troon van de genade uitgaat; hebt u zo’n uur gekend? Zulke uren zijn kostbaar, en zij komen niet op ons bevel. Hoe vaak hebben wij dan alleen het voorzeil gehesen, of hebben wij, als die koning, drie keer geslagen en zijn wij opgehouden, terwijl de Heere meer wilde geven.
Laat dit voor u geen reden tot wanhoop zijn, maar een les. Hij Die zegt: „Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen”, is niet karig in Zijn geven. Komt de bries terug, zet dan alle zeilen bij; zeg Hem alles wat uw ziel begeert, en laat u niet afleiden door wereldse zorgen of door een vurige pijl van de satan. En ligt u nu stil, zonder wind en zonder getij, wacht dan op Hem. Hij is het Die de wind doet waaien, en Hij brengt Zijn arme reizigers veilig in de haven van de eeuwige rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Open thy mouth wide, and I will fill it.
Psalm 81:10
When the Lord favors your soul with sweet access at a throne of grace, make the most of it. What would we think of the master of a vessel coming up the river, if, when the wind was favorable and the tide served, he would not heave her anchor, or hoisted but her fore-sail to the breeze, and would not take full advantage of wind and tide? Now it is so sometimes with our souls; a gale blows, a gale of grace on the soul, and the tide of faith rises. Is it not our wisdom, and is it not our mercy, at such a rare season, to make the most of it? If the Lord condescends to give us an ear, is it not our mercy to tell Him all that our souls desire?
Do you recollect what the prophet said to the king who only struck his arrows three times on the ground, and then stopped? “But the man of God was angry with him. ‘You should have struck the ground five or six times!’ he exclaimed. ‘Then you would have beaten Aram until they were entirely destroyed. Now you will be victorious only three times.’”
(2 Kings 13:19). Sometimes it is so with us. When the Lord gives us some little access unto Himself, we do not make the most of it. Satan casts in some fiery dart, some worldly circumstance distracts our mind, some filthy imagination rises up in our bosom; and instead of resisting the devil that he may flee from us, we give way to him; the opportunity is gone, the sweet moment is lost, and it may be months before we get the ear of the King again. It will, therefore, be your wisdom and your mercy, when the gale blows, and the tide rises, to spread every sail, and to get as far as you can on your course to the haven of eternal rest and joy.
To the reader…
Sometimes the Lord grants an hour in which it is easy to pray, in which the breeze of grace blows and the heart goes out to the throne of grace almost of itself; have you known such an hour? Such hours are precious, and they do not come at our command. How often have we then hoisted only the fore-sail, or, like that king, struck three times and stopped, while the Lord was willing to give more.
Let this be no reason for despair to you, but a lesson. He Who says, “Open thy mouth wide, and I will fill it,” is not sparing in His giving. When the breeze returns, spread every sail; tell Him all that your soul desires, and do not let yourself be distracted by worldly cares or by a fiery dart of Satan. And if you now lie still, without wind and without tide, then wait upon Him. It is He Who makes the wind to blow, and He brings His poor travellers safely into the haven of eternal rest.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ensancha tu boca, y henchirla he.
Salmo 81:10
Cuando el Señor favorece su alma con un dulce acceso ante el trono de la gracia, aprovéchelo al máximo. ¿Qué pensaríamos del capitán de un barco que remonta el río si, cuando el viento es favorable y la marea acompaña, no levara el ancla, o izara solo la vela de proa a la brisa, y no aprovechara plenamente el viento y la marea? Pues así sucede a veces con nuestras almas; sopla un viento, un viento de gracia sobre el alma, y sube la marea de la fe. ¿No es nuestra sabiduría, y no es nuestra misericordia, en una ocasión tan rara, aprovecharla al máximo? Si el Señor se digna prestarnos oído, ¿no es misericordia para nosotros decirle todo lo que nuestras almas desean?
¿Recuerda usted lo que el profeta dijo al rey que solo golpeó la tierra con sus saetas tres veces, y luego se detuvo? “Entonces el varón de Dios, enojado con él, le dijo: A dar cinco o seis golpes, herirías a Siria, hasta no quedar ninguno: empero ahora tres veces herirás a Siria”.
(2 Reyes 13:19). A veces sucede así con nosotros. Cuando el Señor nos da un poco de acceso a Sí mismo, no lo aprovechamos al máximo. Satanás lanza algún dardo de fuego, alguna circunstancia mundana distrae nuestra mente, alguna imaginación impura se levanta en nuestro pecho; y en lugar de resistir al diablo para que huya de nosotros, cedemos ante él; la oportunidad se va, el dulce momento se pierde, y pueden pasar meses antes de que tengamos de nuevo el oído del Rey. Será, pues, su sabiduría y su misericordia, cuando sople el viento y suba la marea, desplegar toda vela y avanzar cuanto pueda en su rumbo hacia el puerto del eterno descanso y gozo.
Al lector…
A veces el Señor concede una hora en la que es fácil orar, en la que sopla la brisa de la gracia y el corazón sale casi por sí mismo hacia el trono de la gracia; ¿ha conocido usted una hora así? Tales horas son preciosas, y no vienen cuando nosotros mandamos. Cuántas veces hemos izado entonces solo la vela de proa, o, como aquel rey, hemos golpeado tres veces y nos hemos detenido, mientras el Señor estaba dispuesto a dar más.
Que esto no sea para usted motivo de desesperación, sino una lección. El que dice: “Ensancha tu boca, y henchirla he”, no es escaso en Su dar. Cuando vuelva la brisa, despliegue toda vela; dígale todo lo que su alma desea, y no se deje distraer por preocupaciones mundanas ni por un dardo de fuego de Satanás. Y si ahora está quieto, sin viento y sin marea, entonces espere en Él. Es Él Quien hace soplar el viento, y lleva a salvo a Sus pobres viajeros al puerto del eterno descanso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.
Hebreeën 10:20
De hogepriester deed elk jaar, volgens de wet, op de Grote Verzoendag, die eenmaal per jaar geschiedde, op de tiende dag van de zevende maand, een plechtige verzoening, eerst voor de zonden van hemzelf en zijn huis, en daarna voor de ongerechtigheden van de kinderen Israëls (Lev. 16:34). Dit deed hij op twee manieren: door een jonge var als zondoffer voor hemzelf te offeren, en een bok, waarop het lot van de Heere kwam, als zondoffer voor zijn volk (Lev. 16:6, 9, 11); door een wierookvat vol vurige kolen van het altaar te nemen, en zijn handen te vullen met reukwerk van welriekende specerijen, fijn gestoten, en daarmee het heilige der heiligen binnen te gaan (Lev. 16:12). Dit was die heilige plek die „het heilige der heiligen” of het „heiligdom” werd genoemd (Hebr. 9:3), dat de ark van het verbond bevatte waarop zich, tussen de cherubijnen, de Shechinah of zichtbare manifestatie van de aanwezigheid en heerlijkheid van God bevond.
In dit heilige der heiligen kwam de hogepriester alleen maar op de Grote Verzoendag binnen, en zelfs op die dag was het hem verboden, op straffe des doods, om binnen het voorhangsel te komen dat het van de heilige plaats afscheidde, tenzij hij zijn vlees had gewassen, het heilige linnen gewaad had aangetrokken, het bloed van het offer had meegenomen en wierook op de brandende kolen in het wierookvat had gelegd. Al deze dingen waren hoogst zinnebeeldig voor Jezus als de grote Hogepriester. Het wassen van het vlees duidde Zijn zuiverheid als hogepriester aan; de heilige linnen gewaden, de heiligheid van Zijn menselijke natuur; het bloed, het verzoenende bloed vergoten aan het kruis; en de wierook, Zijn lofwaardige voorspraak.
De heiligste plaats stond voor de hemel, en het voorhangsel voor de scheiding tussen God en ons, en dat „de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had” (Hebr. 9:8). Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot beneden (Matt. 27:51), om aan te geven dat God en Zijn kinderen niet langer van elkaar werden gescheiden door een voorhangsel.
Lezen: Hebreeën 10:19-39
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u weet hoe het onder het oude verbond ging: eenmaal per jaar, en alleen op straffe des doods als het niet volgens het voorschrift ging, mocht de hogepriester achter het voorhangsel komen. Voor het volk bleef de weg tot God gesloten. Voelt u in uw hart nog zo’n voorhangsel? Denkt u dat u eerst rein en waardig moet worden, voordat u tot Hem mag naderen?
Zie dan op de grote Hogepriester. In Zijn zuiverheid, in de heiligheid van Zijn menselijke natuur, met Zijn verzoenend bloed en Zijn lofwaardige voorspraak is Hij voor ons ingegaan. Toen Hij stierf, scheurde het voorhangsel van boven tot beneden. Het was God Die het scheurde, niet de mens. Nu zijn God en Zijn kinderen niet langer gescheiden. Kom dan, niet op grond van uw eigen waardigheid, maar langs de verse en levende weg die Hij voor u heeft ingewijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.
Hebreeën 10:20
Volgens de wet deed de hogepriester elk jaar op de Grote Verzoendag, die eenmaal per jaar viel, op de tiende dag van de zevende maand, een plechtige verzoening: eerst voor de zonden van hemzelf en zijn huis, en daarna voor de ongerechtigheden van de kinderen Israëls (Lev. 16:34). Dit deed hij op twee manieren. Ten eerste offerde hij een jonge stier als zondoffer voor zichzelf, en een bok waarop het lot voor de Heere was gevallen als zondoffer voor zijn volk (Lev. 16:6, 9, 11). Ten tweede nam hij een wierookvat vol vurige kolen van het altaar, vulde zijn handen met reukwerk van welriekende specerijen, fijngestoten, en ging daarmee het heilige der heiligen binnen (Lev. 16:12). Dit was die heilige plaats die „het heilige der heiligen” of het „heiligdom” werd genoemd (Hebr. 9:3). Daar stond de ark van het verbond, waarop zich tussen de cherubs de Shechinah bevond, de zichtbare openbaring van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van God.
Dit heilige der heiligen betrad de hogepriester alleen op de Grote Verzoendag. Zelfs op die dag was het hem op straffe van de dood verboden binnen het voorhangsel te komen dat het van de heilige plaats scheidde, tenzij hij zijn vlees had gewassen, de heilige linnen kleding had aangetrokken, het bloed van het offer had meegenomen en wierook op de brandende kolen in het wierookvat had gelegd. Al deze dingen waren in hoge mate zinnebeelden van Jezus als de grote Hogepriester. Het wassen van het vlees wees op Zijn reinheid als Hogepriester; de heilige linnen kleding op de heiligheid van Zijn menselijke natuur; het bloed op het verzoenend bloed dat aan het kruis vergoten is; en de wierook op Zijn welriekende voorspraak.
De heiligste plaats was een beeld van de hemel, en het voorhangsel van de scheiding tussen God en ons, en ervan dat „de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had” (Hebr. 9:8). Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën, van boven tot beneden (Matt. 27:51), om aan te geven dat God en Zijn kinderen niet langer door een voorhangsel van elkaar gescheiden waren.
Lezen: Hebreeën 10:19-39
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u weet hoe het onder het oude verbond ging: eenmaal per jaar, en alleen op straffe van de dood als het niet volgens het voorschrift ging, mocht de hogepriester achter het voorhangsel komen. Voor het volk bleef de weg tot God gesloten. Voelt u in uw hart nog zo’n voorhangsel? Denkt u dat u eerst rein en waardig moet worden, voordat u tot Hem mag naderen?
Zie dan op de grote Hogepriester. In Zijn reinheid, in de heiligheid van Zijn menselijke natuur, met Zijn verzoenend bloed en Zijn welriekende voorspraak is Hij voor ons ingegaan. Toen Hij stierf, scheurde het voorhangsel van boven tot beneden. Het was God Die het scheurde, niet de mens. Nu zijn God en Zijn kinderen niet langer gescheiden. Kom dan, niet op grond van uw eigen waardigheid, maar langs de verse en levende weg die Hij voor u heeft ingewijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By a new and living way, which He hath consecrated for us, through the veil, that is to say, His flesh.
Hebrews 10:20
Under the law, the high priest every year, on the great Day of Atonement, which fell once a year on the tenth day of the seventh month, made a solemn atonement: first for the sins of himself and his house, and then for the iniquities of the children of Israel (Lev. 16:34). This he did in two ways. First, he offered a young bullock as a sin offering for himself, and a goat upon which the Lord’s lot fell as a sin offering for his people (Lev. 16:6, 9, 11). Secondly, he took a censer full of burning coals of fire from off the altar, filled his hands with sweet incense beaten small, and with it went into the holiest of all (Lev. 16:12). This was that holy place which was called “the holiest of all” or “the sanctuary” (Heb. 9:3). There stood the ark of the covenant, upon which, between the cherubim, rested the Shechinah, the visible manifestation of the presence and glory of God.
Into this holiest of all the high priest entered only on the great Day of Atonement. Even on that day he was forbidden, on pain of death, to come within the veil which separated it from the holy place, unless he had washed his flesh, put on the holy linen garments, taken with him the blood of the sacrifice, and laid incense upon the burning coals in the censer. All these things were in a high degree figures of Jesus as the great High Priest. The washing of the flesh pointed to His purity as High Priest; the holy linen garments to the holiness of His human nature; the blood to the atoning blood shed upon the cross; and the incense to His fragrant intercession.
The most holy place was a figure of heaven, and the veil of the separation between God and us, and of this, that “the way into the holiest of all was not yet made manifest, while as the first tabernacle was yet standing” (Heb. 9:8). When Jesus died, the veil of the temple was rent in twain from the top to the bottom (Matt. 27:51), to show that God and His children were no longer separated from each other by a veil.
Reading: Hebrews 10:19-39
To the reader…
You may know how it was under the old covenant: once a year, and only on pain of death if it was not done as prescribed, the high priest might come behind the veil. For the people the way to God remained shut. Do you still feel such a veil in your heart? Do you think that you must first become clean and worthy before you may draw near to Him?
Then look to the great High Priest. In His purity, in the holiness of His human nature, with His atoning blood and His fragrant intercession, He has entered in for us. When He died, the veil was rent from the top to the bottom. It was God Who rent it, not man. Now God and His children are no longer separated. Come, then, not on the ground of your own worthiness, but by the new and living way which He has consecrated for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por el camino que Él nos consagró nuevo y vivo, por el velo, esto es, por Su carne.
Hebreos 10:20
Bajo la ley, el sumo sacerdote, cada año, en el gran Día de la Expiación, que caía una vez al año el día diez del mes séptimo, hacía una expiación solemne: primero por los pecados propios y de su casa, y luego por las iniquidades de los hijos de Israel (Lev. 16:34). Esto lo hacía de dos maneras. Primero, ofrecía un becerro como expiación por sí mismo, y un macho cabrío sobre el cual caía la suerte por Jehová como expiación por su pueblo (Lev. 16:6, 9, 11). En segundo lugar, tomaba un incensario lleno de brasas de fuego de sobre el altar, llenaba sus puños de perfume aromático molido, y con ello entraba en el lugar santísimo (Lev. 16:12). Este era aquel lugar santo que se llamaba “el lugar santísimo” o “el santuario” (Heb. 9:3). Allí estaba el arca del pacto, sobre la cual, entre los querubines, reposaba la Shekiná, la manifestación visible de la presencia y la gloria de Dios.
En este lugar santísimo el sumo sacerdote entraba solamente en el gran Día de la Expiación. Aun en ese día le estaba prohibido, bajo pena de muerte, entrar dentro del velo que lo separaba del lugar santo, a menos que hubiera lavado su carne, se hubiera vestido las santas vestiduras de lino, llevara consigo la sangre del sacrificio y pusiera el perfume sobre las brasas del incensario. Todas estas cosas eran en alto grado figuras de Jesús como el gran Sumo Sacerdote. El lavamiento de la carne señalaba Su pureza como Sumo Sacerdote; las santas vestiduras de lino, la santidad de Su naturaleza humana; la sangre, la sangre expiatoria derramada en la cruz; y el perfume, Su fragante intercesión.
El lugar santísimo era figura del cielo, y el velo, de la separación entre Dios y nosotros, y de que “aún no estaba descubierto el camino para el santuario, entre tanto que el primer tabernáculo estuviese en pie” (Heb. 9:8). Cuando Jesús murió, el velo del templo se rasgó en dos, de alto a bajo (Mat. 27:51), para mostrar que Dios y Sus hijos ya no estaban separados el uno del otro por un velo.
Lectura: Hebreos 10:19-39
Al lector…
Quizá sabe usted cómo era bajo el antiguo pacto: una vez al año, y solo bajo pena de muerte si no se hacía como estaba prescrito, el sumo sacerdote podía entrar tras el velo. Para el pueblo el camino a Dios permanecía cerrado. ¿Siente usted todavía un velo así en su corazón? ¿Piensa que primero debe hacerse limpio y digno antes de poder acercarse a Él?
Entonces mire al gran Sumo Sacerdote. En Su pureza, en la santidad de Su naturaleza humana, con Su sangre expiatoria y Su fragante intercesión, Él ha entrado por nosotros. Cuando murió, el velo se rasgó de alto a bajo. Fue Dios quien lo rasgó, no el hombre. Ahora Dios y Sus hijos ya no están separados. Venga, pues, no sobre la base de su propia dignidad, sino por el camino nuevo y vivo que Él le ha consagrado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
Romeinen 8:34
Zoals de ziel geleid en onderwezen wordt door de Geest, zo volgt zij de Heere in al de verschillende daden en lijdensgangen van Zijn leven. De eerste plaats waar de Heilige Geest de arme zondaar bij brengt, is het kruis van Jezus. Dit is het eerste lichtstraaltje der verlossing dat wij krijgen van de Heere des levens en der heerlijkheid. De Heilige Geest brengt de arme, schuldige zondaar, belast met een gewicht van duizenden zonden, tot de voet van het kruis en opent zijn ogen om de Zoon van God te zien, zoals Hij daar hangt, bloedende, als een verzoening voor onze zonden. Aldaar gebracht te worden door de kracht des Heiligen Geestes en die gezegende verborgenheid van de bloedende, lijdende en de doodsstrijd strijdende Zoon Gods in ons hart en onze consciëntie verklaard te mogen vinden, is de eerste zalige ontdekking waarmede God de Heilige Geest ons begunstigt.
Doch vandaar gaan wij voort om Jezus te beschouwen, liggende in het graf; want wij moeten ook sterven, en wij hebben nodig te zien dat de Voorloper in het graf gegaan is voor ons. Wij hebben nodig te beseffen dat wij in het graf kunnen neerliggen en dat die enge, bekrompen slaapplaats, waarin ons lichaam op zekere dag uitgestrekt zal nederdalen, in zekere mate door Jezus welriekend is gemaakt, doordat Hij daarin vóór ons gelegen heeft. En als wij gewandeld hebben van het kruis naar het graf, dan gaan wij een stap verder, namelijk tot de opstanding van de Heere des levens en der heerlijkheid. Voorts zien wij Hem door het geloof op de derde dag het graf, waarin Hij was neergelegd, uitgaan, in heerlijkheid en kracht, en dat tot onze rechtvaardigmaking. En aldus zien wij in de opstanding van de Heere Jezus de hoop der ziel op een zalige onsterfelijkheid.
Doch blijven wij hier niet staan. Als de Geest des Heeren ons ogen geeft om te zien, en ons hart beweegt, dan gaan wij een stap verder, namelijk tot de hemelvaart des Heeren. Wij blijven niet op aarde vertoeven (want Hij bleef ook niet hier), maar wij klimmen op om Hem te zien, zittende aan de rechterhand des Vaders, als Middelaar tredende tussen God en mensen, als de Goddelijke Pleitbezorger, als het heerlijk Hoofd der genade, uit Zijn volheid mededelende genade en gaven aan arme en nooddruftige zielen, die elke dag en elk uur hun bankroet inleven. Zij hebben al de dagen huns levens nieuwe onderstand van leven, licht en genade nodig uit Zijn volheid te ontvangen, om gehouden te worden in de weg waarop de Heere Jezus hun voet gezet heeft.
Zodat de hemelvaart van de Heere Jezus en Zijn zitten aan de rechterhand Gods, wanneer dit door de kracht des Geestes in de consciëntie wordt geopenbaard, geen droge of dorre dogmatiek is, niet wat dode beenderen van een uitgedroogd geraamte; maar zij staat in zo nauw verband met de gewaarwordingen onzes harten, met onze diepe val en ongeluk, met al onze schuld, met al onze dagelijkse behoeften, met al onze benodigdheden, en dat elk ogenblik, dat wanneer wij door des Geestes onderricht mogen zien op deze Middelaar aan de rechterhand des Vaders, het voor ons een waarheid wordt van uitnemend genoegen en zaligheid.
Aan de lezer…
Wie zal u verdoemen, bekommerde lezer? U kent uw schuld, misschien wel duizenden zonden, en elke dag leeft u uw bankroet opnieuw in. Laat dan de Geest u leiden langs de weg die ik u hier wijs: eerst naar het kruis, waar de Zoon van God bloedend hangt als verzoening voor de zonde; dan naar het graf, dat Hij voor de Zijnen welriekend heeft gemaakt; dan naar de opstanding, tot rechtvaardigmaking van Zijn volk.
En blijf daar niet staan, maar zie omhoog. Hij zit aan de rechterhand Gods en bidt voor de Zijnen. Dat is geen dorre leer, maar een waarheid die raakt aan uw diepe val, uw dagelijkse behoeften en elk ogenblik van uw leven. Uit Zijn volheid deelt Hij genade mee aan arme en nooddruftige zielen. Hebt u niets, Hij heeft alles. „Christus is het, Die gestorven is.” Wie is het dan, die verdoemt?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
Romeinen 8:34
Zoals de ziel geleid en onderwezen wordt door de Geest, zo volgt zij de Heere in alle verschillende daden en lijdensgangen van Zijn leven. De eerste plaats waar de Heilige Geest de arme zondaar brengt, is het kruis van Jezus. Dat is het eerste straaltje licht van de verlossing dat we van de Heere van het leven en van de heerlijkheid ontvangen. De Heilige Geest brengt de arme, schuldige zondaar, beladen met het gewicht van duizenden zonden, aan de voet van het kruis en opent zijn ogen om de Zoon van God te zien, zoals Hij daar bloedend hangt als een verzoening voor onze zonden. Daar gebracht te worden door de kracht van de Heilige Geest, en die gezegende verborgenheid van de bloedende, lijdende en met de dood worstelende Zoon van God in ons hart en ons geweten verklaard te vinden, is de eerste zalige ontdekking waarmee God de Heilige Geest ons begunstigt.
Maar van daaruit gaan we verder om Jezus te zien zoals Hij in het graf ligt. Want ook wij moeten sterven, en we moeten zien dat de Voorloper voor ons het graf is ingegaan. We moeten beseffen dat we in het graf kunnen neerliggen, en dat die enge, nauwe slaapplaats, waarin ons lichaam op een dag uitgestrekt zal neerdalen, in zekere zin door Jezus welriekend gemaakt is, doordat Hij daar vóór ons gelegen heeft. En wanneer we van het kruis naar het graf zijn gegaan, dan gaan we een stap verder, namelijk naar de opstanding van de Heere van het leven en van de heerlijkheid. Dan zien we Hem door het geloof op de derde dag uit het graf waarin Hij was neergelegd tevoorschijn komen, in heerlijkheid en kracht, en dat tot onze rechtvaardigmaking. En zo zien we in de opstanding van de Heere Jezus de hoop van de ziel op een zalige onsterfelijkheid.
Maar we blijven hier niet staan. Wanneer de Geest van de Heere ons ogen geeft om te zien en ons hart beweegt, dan gaan we een stap verder, namelijk naar de hemelvaart van de Heere. We blijven niet op aarde (want ook Hij bleef hier niet), maar we klimmen op om Hem te zien zitten aan de rechterhand van de Vader. Daar is Hij de Middelaar Die tussen God en mensen in treedt, de Goddelijke Pleitbezorger, het heerlijke Hoofd van de genade, Dat uit Zijn volheid genade en gaven meedeelt aan arme en nooddruftige zielen, die elke dag en elk uur hun bankroet opnieuw beseffen. Zij moeten al de dagen van hun leven uit Zijn volheid nieuwe ondersteuning van leven, licht en genade ontvangen, om bewaard te worden op de weg waarop de Heere Jezus hun voet gezet heeft.
Zo zijn de hemelvaart van de Heere Jezus en Zijn zitten aan de rechterhand van God, wanneer dit door de kracht van de Geest in het geweten geopenbaard wordt, geen droge of dorre dogmatiek, geen dode beenderen van een uitgedroogd geraamte. Nee, het staat in zo’n nauw verband met wat er in ons hart leeft, met onze diepe val en ellende, met al onze schuld, met al onze dagelijkse behoeften, met alles wat we nodig hebben, en dat op elk ogenblik, dat het voor ons een waarheid van uitnemend genoegen en zaligheid wordt, wanneer we door het onderwijs van de Geest mogen opzien naar deze Middelaar aan de rechterhand van de Vader.
Aan de lezer…
Wie zal u verdoemen, bekommerde lezer? U kent uw schuld, misschien wel duizenden zonden, en elke dag beseft u uw bankroet opnieuw. Laat de Geest u dan leiden langs de weg die hier gewezen wordt: eerst naar het kruis, waar de Zoon van God bloedend hangt als verzoening voor de zonde; dan naar het graf, dat Hij voor de Zijnen welriekend heeft gemaakt; dan naar de opstanding, tot rechtvaardigmaking van Zijn volk.
En blijf daar niet staan, maar zie omhoog. Hij zit aan de rechterhand van God en bidt voor de Zijnen. Dat is geen dorre leer, maar een waarheid die raakt aan uw diepe val, uw dagelijkse behoeften en elk ogenblik van uw leven. Uit Zijn volheid deelt Hij genade mee aan arme en nooddruftige zielen. Hebt u niets, Hij heeft alles. „Christus is het, Die gestorven is.” Wie is het dan, die verdoemt?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who is he that condemneth? It is Christ that died, yea rather, that is risen again, Who is even at the right hand of God, Who also maketh intercession for us.
Romans 8:34
As the soul is led and taught by the Spirit, it follows the Lord through all the various acts and sufferings of His life. The first spot to which the Holy Spirit takes the poor sinner is the cross of Jesus. That is the first real saving view we get of the Lord of life and glory; the Holy Spirit taking the poor guilty sinner, laden with the weight of a thousand sins, to the foot of the cross, and opening his eyes to see the Son of God bleeding there as an atoning sacrifice for sin. To be brought there by the power of the Holy Spirit, and receive that blessed mystery of the bleeding, suffering, and agonizing Son of God into our hearts and consciences, is the first blessed discovery that God the Spirit favors us with.
But we pass on from that to see Jesus sleeping in the sepulcher; for we have to die ourselves, and we need to see the Forerunner Who has entered into the grave for us. We need to feel that we can lie down in the grave, and see that narrow bed in which our body will one day be stretched, in a measure perfumed by Jesus having lain there before us.
And when we have traveled from the cross to the sepulcher, we then go a step farther; to the resurrection of the Lord of life and glory. On the third day we view Him by faith springing out of the sepulcher in which He lay entombed, rising up in glory and power for our justification. And thus we see in the resurrection of the Lord Jesus the hope of the soul for a blessed immortality.
But we do not tarry there; as the Lord the Spirit gives us eyes to see, and moves our heart to feel, we travel one step farther; this is, to the ascension of the Lord of life and glory; not tarrying on earth (for He tarried not there), but mounting up to see Him sitting at the right hand of the Father, as the Mediator between God and man, as the divine Intercessor, as the glorious Head of grace, as communicating out of His own fullness gifts and graces unto poor and needy souls, who are living in daily and hourly bankruptcy. These need to receive perpetual supplies of life, light, and grace out of His fullness, to keep them in the way wherein the Lord has set their feet.
So that the ascension of the Lord Jesus up on high, and His sitting at the right hand of God, when received into the conscience under the power of the Spirit, is not a dry doctrine, not a dead bone of a withered skeleton; but is so connected with all the feelings of our heart, with all our misery and ruin, with all our wretchedness, with all our guilt, with all our daily needs, with all our hourly necessities, that, when led by the Spirit’s teaching to look at this Mediator at the right hand of the Father, it becomes a truth full of blessed sweetness and power to the heaven-taught soul.
To the reader…
Who shall condemn you, troubled reader? You know your guilt, perhaps thousands of sins, and every day you feel your bankruptcy afresh. Let the Spirit, then, lead you along the way that is pointed out here: first to the cross, where the Son of God hangs bleeding as an atonement for sin; then to the grave, which He has made fragrant for His own; then to the resurrection, for the justification of His people.
And do not stop there, but look up. He sits at the right hand of God and intercedes for His own. That is no dry doctrine, but a truth that touches your deep fall, your daily needs and every moment of your life. Out of His fullness He imparts grace to poor and needy souls. If you have nothing, He has everything. “It is Christ that died.” Who is he, then, that condemneth?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Quién es el que condenará? Cristo es el que murió; más aún, el que también resucitó, quien además está a la diestra de Dios, el que también intercede por nosotros.
Romanos 8:34
Conforme el alma es guiada y enseñada por el Espíritu, sigue al Señor a través de todos los diversos actos y sufrimientos de Su vida. El primer lugar al que el Espíritu Santo lleva al pobre pecador es la cruz de Jesús. Esa es la primera visión verdaderamente salvadora que obtenemos del Señor de la vida y de la gloria: el Espíritu Santo tomando al pobre pecador culpable, cargado con el peso de mil pecados, y llevándole al pie de la cruz, y abriéndole los ojos para ver allí al Hijo de Dios sangrando como sacrificio expiatorio por el pecado. Ser llevados allí por el poder del Espíritu Santo y recibir en nuestro corazón y conciencia ese bendito misterio del Hijo de Dios que sangra, sufre y agoniza, es el primer bendito descubrimiento con que Dios el Espíritu nos favorece.
Pero de allí pasamos a ver a Jesús durmiendo en el sepulcro; porque nosotros mismos hemos de morir, y necesitamos ver al Precursor que ha entrado en la tumba por nosotros. Necesitamos sentir que podemos acostarnos en la tumba, y ver ese lecho estrecho en el que un día será tendido nuestro cuerpo, perfumado en cierta medida por haber yacido Jesús allí antes que nosotros.
Y cuando hemos viajado de la cruz al sepulcro, damos entonces un paso más: a la resurrección del Señor de la vida y de la gloria. Al tercer día Le contemplamos por la fe saliendo del sepulcro en que yacía, levantándose en gloria y poder para nuestra justificación. Y así vemos en la resurrección del Señor Jesús la esperanza del alma de una bendita inmortalidad.
Pero no nos detenemos allí; conforme el Señor el Espíritu nos da ojos para ver y mueve nuestro corazón a sentir, avanzamos un paso más, es decir, a la ascensión del Señor de la vida y de la gloria; no deteniéndonos en la tierra (porque Él no se detuvo allí), sino subiendo para verle sentado a la diestra del Padre, como el Mediador entre Dios y los hombres, como el divino Intercesor, como la gloriosa Cabeza de la gracia, que comunica de Su propia plenitud dones y gracias a almas pobres y necesitadas que viven en una bancarrota diaria y de cada hora. Estas necesitan recibir continuamente de Su plenitud provisiones de vida, luz y gracia, para que sean guardadas en el camino en que el Señor ha puesto sus pies.
De modo que la ascensión del Señor Jesús a lo alto, y Su estar sentado a la diestra de Dios, cuando es recibida en la conciencia bajo el poder del Espíritu, no es una doctrina seca, no es un hueso muerto de un esqueleto marchito; sino que está tan unida a todos los sentimientos de nuestro corazón, a toda nuestra miseria y ruina, a toda nuestra desdicha, a toda nuestra culpa, a todas nuestras necesidades diarias, a todas nuestras necesidades de cada hora, que, cuando somos llevados por la enseñanza del Espíritu a mirar a este Mediador a la diestra del Padre, se convierte en una verdad llena de bendita dulzura y poder para el alma enseñada del cielo.
Al lector…
¿Quién le condenará, lector atribulado? Usted conoce su culpa, quizá miles de pecados, y cada día siente de nuevo su bancarrota. Deje, pues, que el Espíritu le conduzca por el camino que aquí se señala: primero a la cruz, donde el Hijo de Dios cuelga sangrando como expiación por el pecado; luego al sepulcro, que Él ha perfumado para los Suyos; luego a la resurrección, para la justificación de Su pueblo.
Y no se detenga allí, sino mire hacia arriba. Él está sentado a la diestra de Dios e intercede por los Suyos. No es una doctrina seca, sino una verdad que toca su profunda caída, sus necesidades diarias y cada momento de su vida. De Su plenitud comunica gracia a almas pobres y necesitadas. Si usted no tiene nada, Él lo tiene todo. “Cristo es el que murió.” ¿Quién es, pues, el que condenará?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl