4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik ze voeren.
Jeremia 31:9
Niet voordat het Gode behaagd heeft de Geest der genade en smekingen op ons uit te storten, kunnen wij Hem naar eis aanbidden; want God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en in waarheid; ook kunnen wij zonder deze Geest die geestelijke offerande niet brengen, die door Hem, door Jezus Christus alleen kan worden aangenomen. Wanneer die Geest eenmaal gegeven en ontstoken is in het hart van een gelovige, kan Hij nooit worden uitgedoofd. Het is zoals het vuur op het koperen altaar, dat eerst door de Heere zelf van de hemel gegeven werd, en waaromtrent God zelf dat gebod gaf: „Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden” (Lev. 6:13). Dit vuur mocht verflauwen; het mocht bedekt worden met de as der offerande, maar nooit mocht het uitgaan door gebrek aan brandstof.
Zo kan het ook soms bij u zijn, als ware er nauwelijks een Geest des gebeds in uw boezem, en soms kunt u u zo geheel ontbloot vinden van de Geest des gebeds en der smekingen, als had u nooit Zijn levende bewegingen en werkingen gevoeld. Maar door omstandigheden zult u Hem weer voelen ontwaken. U zult gebracht worden onder eigenaardige beproevingen, waaronder u geen andere uitkomst kunt vinden dan voor de troon der genade; of God zal in Zijn ontfermende genade Zijn eigen genadige Geest op uw ziel blazen, en door Zijn levendmakende adem dat vuur doen opflikkeren; ik wil niet zeggen ontbranden, want het was niet uitgedoofd, dat heilige vuur, hetwelk onder de as van de verdorvenheid scheen begraven, die inwendige geest des gebeds, die Hij u gaf bij uw wedergeboorte, en die nooit zal ophouden tot hij verandert in eeuwige lof.
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die in ’t heiligdom verheven,
een godd’lijk licht van zich verspreidt.
Leer, aarde, voor zijn majesteit,
leer voor zijn aangezichte beven!
Ps. 96:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, kent u die tijden waarin het lijkt alsof er geen gebed meer in u is? U knielt neer, maar uw hart is dor; u wilt roepen, maar er komt geen zucht. Dan vreest u dat de Geest der genade en der smekingen van u geweken is, en dat het nooit echt geweest is. Ik ken die gestalte en spreek er eerlijk over: soms is het alsof het vuur geheel is uitgegaan.
Maar het vuur op het altaar mocht verflauwen en onder de as bedekt raken; uitgaan mocht het nooit. Zo is het ook met de geest des gebeds die God Zelf in het hart van Zijn kind ontstoken heeft. Hij kan door beproevingen u weer naar de troon der genade drijven, of in Zijn ontferming met Zijn levendmakende adem het vuur doen opflikkeren. Wanhoop dan niet aan uw dorheid. Die u leerde smeken, laat Zijn werk niet varen; Hij zal u met geween en smekingen voeren, totdat het gebed verandert in eeuwige lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik ze voeren.
Jeremia 31:9
Pas wanneer het God behaagd heeft de Geest van de genade en van de smekingen over ons uit te storten, kunnen wij Hem aanbidden zoals het behoort. Want God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en in waarheid. Ook kunnen wij zonder deze Geest niet de geestelijke offerande brengen die alleen door Hem, door Jezus Christus, kan worden aangenomen. Wanneer die Geest eenmaal gegeven en in het hart van een gelovige ontstoken is, kan Hij nooit worden uitgedoofd. Het is zoals met het vuur op het koperen altaar, dat eerst door de Heere Zelf uit de hemel gegeven werd, en waarover God Zelf dit gebod gaf: „Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden” (Lev. 6:13). Dit vuur mocht verflauwen en het mocht bedekt raken met de as van de offerande, maar het mocht nooit uitgaan door gebrek aan brandstof.
Zo kan het soms ook bij u zijn, alsof er nauwelijks een Geest van het gebed in uw boezem is. Soms kunt u zich zo volkomen ontbloot voelen van de Geest van het gebed en de smekingen, alsof u Zijn levende bewegingen en werkingen nooit gevoeld hebt. Maar door omstandigheden zult u Hem weer voelen ontwaken. U zult in bijzondere beproevingen gebracht worden, waarin u nergens anders uitkomst kunt vinden dan voor de troon van de genade. Of God zal in Zijn ontfermende genade Zijn eigen genadige Geest over uw ziel blazen en door Zijn levendmakende adem dat vuur doen opflikkeren. Ik wil niet zeggen ontbranden, want het was niet uitgedoofd: dat heilige vuur dat onder de as van de verdorvenheid begraven leek, die inwendige geest van het gebed die Hij u bij uw wedergeboorte gaf, en die nooit zal ophouden totdat hij verandert in eeuwige lof.
Aanbidt Hem need’rig al uw leven,
Hem, die in ’t heiligdom verheven,
een godd’lijk licht van zich verspreidt.
Leer, aarde, voor zijn majesteit,
leer voor zijn aangezichte beven!
Ps. 96:6
Aan de lezer…
Bestreden ziel, kent u die tijden waarin het lijkt alsof er geen gebed meer in u is? U knielt neer, maar uw hart is dor; u wilt roepen, maar er komt geen zucht. Dan vreest u dat de Geest van de genade en de smekingen van u geweken is, en dat het nooit echt geweest is. Ik ken die gestalte en spreek er eerlijk over: soms is het alsof het vuur helemaal is uitgegaan.
Maar het vuur op het altaar mocht verflauwen en onder de as bedekt raken; uitgaan mocht het nooit. Zo is het ook met de geest van het gebed die God Zelf in het hart van Zijn kind ontstoken heeft. Hij kan u door beproevingen opnieuw naar de troon van de genade drijven, of in Zijn ontferming met Zijn levendmakende adem het vuur doen opflikkeren. Wanhoop dus niet om uw dorheid. Hij Die u leerde smeken, laat Zijn werk niet varen. Hij zal u met geween en smekingen voeren, totdat het gebed verandert in eeuwige lof.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They shall come with weeping, and with supplications will I lead them.
Jeremiah 31:9
Until God is pleased to pour out upon us the spirit of grace and of supplications, we cannot worship Him aright; for God is a Spirit, and those who worship Him must worship Him in spirit and in truth; nor can we without this spirit offer up that spiritual sacrifice which is acceptable to Him through Jesus Christ. When this spirit has been once given and kindled in a believer’s breast, it never dies out. It is like the fire upon the bronze altar, which was first given by the Lord Himself from heaven, and concerning which God gave this command—“The fire shall ever be burning upon the altar; it shall never go out” (Lev. 6:13). This fire might sink low; it might be covered with the ashes of sacrifice, but it never was allowed to go out for lack of supply of fuel.
So at times it may seem to you as if there were scarcely any spirit of prayer alive in your bosom; and you may feel as destitute of a spirit of grace and of supplications as if you had never known its lively movements and actings. But you will find it drawn out from time to time by circumstances.
You will be placed under peculiar trials, under which you will find no relief but at a throne of grace; or God will in tender mercy breathe again upon your soul with His own gracious Spirit, and by His quickening breath will revive, I will not say kindle, for it is not gone out, that holy fire which seemed to be buried under the ashes of corruption, that inward spirit of prayer which He gave you at regeneration, and which will never cease until it issue in everlasting praise.
To the reader…
Tried and troubled soul, do you know those times when it seems as if there is no prayer left in you? You kneel down, but your heart is dry; you want to cry out, but not even a sigh comes. Then you fear that the spirit of grace and of supplications has departed from you, and that it was never real. I know that frame and speak of it honestly: sometimes it is as if the fire has gone out altogether.
But the fire on the altar might sink low and be covered under the ashes; it was never allowed to go out. So it is with the spirit of prayer that God Himself has kindled in the heart of His child. He can drive you back to the throne of grace through trials, or in His mercy make the fire flare up again with His quickening breath. So do not despair over your dryness. He Who taught you to make supplication does not forsake His work. He will lead you with weeping and with supplications, until prayer is turned into everlasting praise.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Vendrán con lloro, y con ruegos los guiaré.
Jeremías 31:9
Hasta que a Dios le place derramar sobre nosotros el espíritu de gracia y de oración, no podemos adorarle como es debido; porque Dios es Espíritu, y los que le adoran, en espíritu y en verdad es necesario que adoren; ni podemos sin este espíritu ofrecer aquel sacrificio espiritual que le es agradable por Jesucristo. Una vez que este espíritu ha sido dado y encendido en el pecho de un creyente, nunca se extingue. Es como el fuego sobre el altar de bronce, que fue dado al principio por el Señor mismo desde el cielo, y acerca del cual Dios dio este mandamiento: “El fuego ha de arder continuamente en el altar; no se apagará” (Lev. 6:13). Este fuego podía bajar; podía quedar cubierto con las cenizas del sacrificio, pero nunca se permitía que se apagara por falta de leña.
Así a veces puede parecerle a usted como si apenas quedara un espíritu de oración vivo en su pecho; y puede sentirse tan desprovisto de un espíritu de gracia y de oración como si nunca hubiera conocido sus vivos movimientos y operaciones. Pero hallará que de vez en cuando es avivado por las circunstancias.
Será puesto bajo pruebas particulares, en las que no hallará alivio sino ante el trono de la gracia; o Dios, en Su tierna misericordia, volverá a soplar sobre su alma con Su propio Espíritu de gracia, y por Su aliento vivificador reavivará, no diré encenderá, pues no se ha apagado, aquel fuego santo que parecía enterrado bajo las cenizas de la corrupción, aquel espíritu interior de oración que Él le dio en la regeneración, y que nunca cesará hasta que desemboque en alabanza eterna.
Al lector…
Alma probada y afligida, ¿conoce usted esos tiempos en que parece que no queda en usted oración alguna? Se arrodilla, pero su corazón está seco; quiere clamar, pero no sale ni un suspiro. Entonces teme que el espíritu de gracia y de oración se haya apartado de usted, y que nunca fue real. Conozco ese estado y hablo de él con sinceridad: a veces es como si el fuego se hubiera apagado del todo.
Pero el fuego del altar podía bajar y quedar cubierto bajo las cenizas; nunca se permitía que se apagara. Así sucede con el espíritu de oración que Dios mismo ha encendido en el corazón de Su hijo. Él puede llevarle de vuelta al trono de la gracia mediante pruebas, o en Su misericordia hacer que el fuego vuelva a avivarse con Su aliento vivificador. No desespere, pues, por su sequedad. Aquel que le enseñó a suplicar no abandona Su obra. Él le guiará con lloro y con ruegos, hasta que la oración se convierta en alabanza eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De loopbaan lopen
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Door genade in het hart kan iemand alle tegenwerkende obstakels aan: hij breekt door alle heen, en ontdekt dat ze hem er niet van kunnen weerhouden van start te gaan. Hij legt de lasten af en begint aan de wedstrijd die voor hem is uitgezet. Als een hardloper die aan een wedstrijd begint, is hij aanvankelijk een en al vuur en zit hij vol kracht en energie; zijn blik is op de kroon gericht, zijn voeten zijn onvermoeid; zo rent hij ijverig door. Maar na een tijdje merkt hij dat hij nog niet iedere last heeft afgelegd, en naarmate zijn kracht hem in de steek laat, worden de lasten die hij draagt steeds hinderlijker.
Hij heeft de wereld nog niet helemaal opgegeven. Hij heeft misschien de buitenwereld afgeworpen, maar van de binnenwereld komt hij niet zo makkelijk af. Hij heeft uiterlijke zonden opzijgeworpen die hem eens naar de aarde drukten en een blok aan zijn been waren, maar hij merkt dat hij zijn zonden vanbinnen niet zo makkelijk kan verwijderen. Weliswaar kan hij door de genade het begaan van uiterlijke zonden stopzetten, maar er is nog steeds een slecht hart dat steeds nieuwe gelegenheden en verlokkingen tot het kwaad voortbrengt.
Hij merkt ook dat het alleen door de genade is dat hij deze lasten kan afleggen; dat alles wat geen genade is, last is; alles wat niet helpt, belemmert; en alles wat niet aanspoort vooruit te gaan, tegenhoudt. En zo ontdekt hij dat hij veel dingen moet afwerpen waarvan hij aanvankelijk niet voelde dat het lasten waren; dat hij veel praktijken, principes en diep gekoesterde afgoden moet opgeven, want hij merkt nu dat hij, als hij ze niet aflegt, er zo door wordt belemmerd en gehinderd dat hij zeker weet dat hij nooit overwinnaar zal worden.
Hij begint te merken dat niet alleen zonden in allerlei gedaanten in zijn hart, naarmate ze aan het licht komen en bevrediging eisen, lasten worden die een blok aan zijn been zijn, maar dat ook zijn eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid, zijn eigen besluiten en beloften, zijn eigen vleselijke vroomheid en menselijke heiligheid zware lasten zijn die hij moet afleggen.
Lezen: 2 Korinthe 6:11-7:1
Aan de lezer…
Herkent u het, waarde lezer? Eerst een en al vuur, de blik op de kroon, de voeten onvermoeid; en dan, na een tijd, de ontdekking dat er nog zoveel last is meegegaan. De uiterlijke zonden zijn misschien afgeworpen, maar het slechte hart blijft nieuwe verlokkingen voortbrengen. En wat het zwaarst valt: ook uw eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid, uw besluiten en beloften, blijken lasten te zijn die u hinderen in plaats van helpen.
Laat u daardoor niet ontmoedigen alsof u achteruit bent gegaan. Het is juist een vrucht van genade, dat u leert zien wat last is. Alles wat geen genade is, belemmert; en daarom wordt u steeds armer in uzelf, opdat u rijker zou worden in Hem. Leg dan ook uw vleselijke vroomheid af, en loop niet langer op uw eigen beloften, maar op de genade alleen. Zij is het die u deed beginnen, en zij alleen zal u kunnen dragen tot aan het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Door de genade in het hart kan iemand alle hindernissen die hem tegenwerken, aan. Hij breekt er dwars doorheen en ontdekt dat ze hem niet kunnen weerhouden van start te gaan. Hij legt de lasten af en begint aan de wedloop die voor hem is uitgezet. Als een hardloper die aan een wedstrijd begint, is hij eerst een en al vuur, vol kracht en energie. Zijn blik is op de kroon gericht en zijn voeten zijn onvermoeid; zo loopt hij ijverig verder. Maar na een tijd merkt hij dat hij nog niet iedere last heeft afgelegd, en naarmate zijn kracht afneemt, worden de lasten die hij draagt steeds hinderlijker.
Hij heeft de wereld nog niet helemaal opgegeven. Misschien heeft hij de wereld buiten hem afgeworpen, maar van de wereld in hem komt hij niet zo gemakkelijk af. Hij heeft uiterlijke zonden opzijgezet, die hem eens naar de aarde drukten en een blok aan zijn been waren, maar hij merkt dat hij de zonden vanbinnen niet zo gemakkelijk kwijtraakt. Wel kan hij door de genade ophouden met het bedrijven van uiterlijke zonden, maar er is nog steeds een boos hart dat telkens nieuwe gelegenheden en verlokkingen tot het kwaad voortbrengt.
Hij merkt ook dat hij deze lasten alleen door de genade kan afleggen. Alles wat geen genade is, is last; alles wat niet helpt, belemmert; en alles wat niet voortdrijft, houdt tegen. Zo ontdekt hij dat hij veel dingen moet afwerpen waarvan hij eerst niet voelde dat het lasten waren. Hij moet veel gewoonten, beginselen en diep gekoesterde afgoden opgeven, want hij merkt nu dat hij, als hij ze niet aflegt, er zo door belemmerd en gehinderd wordt dat hij zeker weet dat hij nooit zal overwinnen.
Hij begint te merken dat niet alleen de zonden in allerlei gedaanten in zijn hart, wanneer ze aan het licht komen en bevrediging eisen, lasten worden die een blok aan zijn been zijn. Ook zijn eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid, zijn eigen besluiten en beloften, zijn eigen vleselijke vroomheid en menselijke heiligheid zijn zware lasten die hij moet afleggen.
Lezen: 2 Korinthe 6:11-7:1
Aan de lezer…
Herkent u het, waarde lezer? Eerst een en al vuur, de blik op de kroon, de voeten onvermoeid; en dan, na een tijd, de ontdekking dat er nog zoveel last is meegegaan. De uiterlijke zonden zijn misschien afgeworpen, maar het boze hart blijft nieuwe verlokkingen voortbrengen. En wat het zwaarst valt: ook uw eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid, uw besluiten en beloften, blijken lasten te zijn die u hinderen in plaats van helpen.
Laat u daardoor niet ontmoedigen, alsof u achteruit bent gegaan. Het is juist een vrucht van genade dat u leert zien wat last is. Alles wat geen genade is, belemmert; daarom wordt u steeds armer in uzelf, zodat u rijker zou worden in Hem. Leg dan ook uw vleselijke vroomheid af, en loop niet langer op uw eigen beloften, maar alleen op de genade. Zij is het die u deed beginnen, en alleen zij kan u dragen tot aan het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily beset us, and let us run with patience the race that is set before us.
Hebrews 12:1
By grace in the heart a man can face every obstacle that stands against him. He breaks right through them and finds that they cannot keep him from setting out. He lays aside the weights and begins the race that is set before him. Like a runner starting a contest, he is at first all fire, full of strength and energy. His eye is fixed on the crown and his feet are unwearied; and so he runs eagerly on. But after a time he finds that he has not yet laid aside every weight, and as his strength declines, the weights he carries become more and more of a hindrance.
He has not yet wholly given up the world. He may have cast off the world without him, but he does not so easily get rid of the world within him. He has put aside outward sins, which once pressed him down to the earth and were a clog upon his foot, but he finds that he does not so easily lose the sins within. By grace he can indeed cease from committing outward sins, but there is still an evil heart which continually brings forth fresh occasions and enticements to evil.
He finds too that he can lay aside these weights only by grace. All that is not grace is weight; all that does not help, hinders; and all that does not drive forward, holds back. So he discovers that he must cast off many things which at first he did not feel to be weights at all. He must give up many habits, principles and dearly cherished idols, for he now finds that unless he lays them aside, he will be so hampered and hindered by them that he is sure he will never overcome.
He begins to find that it is not only the sins in all their shapes in his heart which, when they come to light and demand gratification, become weights that clog his feet. His own strength, wisdom and righteousness, his own resolutions and promises, his own fleshly piety and creature holiness are also heavy weights which he must lay aside.
Reading: 2 Corinthians 6:11–7:1
To the reader…
Do you recognise it, dear reader? At first all fire, the eye on the crown, the feet unwearied; and then, after a while, the discovery that so much weight has come along with you. The outward sins may have been cast off, but the evil heart goes on bringing forth fresh enticements. And what is hardest of all: your own strength, wisdom and righteousness, your resolutions and promises, turn out to be weights that hinder you rather than help you.
Do not let this discourage you, as if you had gone backwards. It is precisely a fruit of grace that you are learning to see what is weight. Everything that is not grace hinders; that is why you are made poorer and poorer in yourself, so that you may become richer in Him. Lay aside, then, your fleshly piety too, and run no longer on your own promises, but on grace alone. It was grace that made you begin, and grace alone can carry you to the end.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto nosotros también, teniendo en derredor nuestro una tan grande nube de testigos, dejando todo el peso del pecado que nos rodea, corramos con paciencia la carrera que nos es propuesta.
Hebreos 12:1
Por la gracia en el corazón un hombre puede hacer frente a todo obstáculo que se le oponga. Los atraviesa de lleno y halla que no pueden impedirle ponerse en camino. Deja a un lado los pesos y comienza la carrera que le es propuesta. Como un corredor que inicia una competición, al principio es todo fuego, lleno de fuerza y energía. Su ojo está fijo en la corona y sus pies no se cansan; y así corre con afán. Pero después de un tiempo halla que aún no ha dejado todo peso, y a medida que su fuerza decae, los pesos que lleva le estorban cada vez más.
Aún no ha renunciado del todo al mundo. Puede haber desechado el mundo de fuera, pero no se libra tan fácilmente del mundo de dentro. Ha dejado los pecados exteriores, que antes le oprimían hasta la tierra y eran una traba para su pie, pero halla que no pierde tan fácilmente los pecados de dentro. Por la gracia puede, en verdad, dejar de cometer pecados exteriores, pero aún hay un corazón malo que continuamente produce nuevas ocasiones e incitaciones al mal.
Halla también que solo puede dejar estos pesos por gracia. Todo lo que no es gracia es peso; todo lo que no ayuda, estorba; y todo lo que no impulsa hacia adelante, retiene. Así descubre que debe desechar muchas cosas que al principio no sentía en absoluto como pesos. Debe renunciar a muchos hábitos, principios e ídolos tiernamente queridos, porque ahora halla que, a menos que los deje, estará tan trabado y estorbado por ellos que está seguro de que nunca vencerá.
Comienza a hallar que no son solo los pecados en todas sus formas en su corazón los que, cuando salen a la luz y exigen ser satisfechos, se convierten en pesos que traban sus pies. Su propia fuerza, sabiduría y justicia, sus propias resoluciones y promesas, su propia piedad carnal y santidad de criatura son también pesos pesados que debe dejar a un lado.
Lectura: 2 Corintios 6:11–7:1
Al lector…
¿Lo reconoce, querido lector? Al principio todo fuego, el ojo en la corona, los pies sin cansarse; y luego, después de un tiempo, el descubrimiento de que tanto peso ha venido con usted. Los pecados exteriores quizá han sido desechados, pero el corazón malo sigue produciendo nuevas incitaciones. Y lo más difícil de todo: su propia fuerza, sabiduría y justicia, sus resoluciones y promesas, resultan ser pesos que le estorban más que le ayudan.
No deje que esto le desanime, como si hubiera retrocedido. Es precisamente un fruto de la gracia que aprenda a ver lo que es peso. Todo lo que no es gracia estorba; por eso se le hace cada vez más pobre en sí mismo, para que llegue a ser más rico en Él. Deje, pues, también su piedad carnal, y no corra más sobre sus propias promesas, sino solo sobre la gracia. Fue la gracia la que le hizo comenzar, y solo la gracia puede llevarle hasta el fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Romeinen 8:17
Dit is de bijzondere zegen, die alleen een kind van God geldt, dat de dood, die alle hoop en blijdschap van de kinderen der mensen uitblust, hem de vervulling van al zijn verwachtingen en de voltooiing van zijn volkomen geluk aanbrengt; want hij plaatst hem in het bezit van een onverderfelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt in de kracht Gods, door het geloof tot de zaligheid. In dit leven hebben wij somtijds voorproeven van ons kindschap, zwak inderdaad en afgebroken, zodat het ons gaat gelijk Hart zegt:
Ofschoon gij hier ontvangt niet veel
En schaars genoeg;
’t Is slechts een proef
Van ’t volle deel.
Niettemin zijn het onderpanden van de toekomende erfenis. Dit leven is slechts een inleiding tot een beter. In dit leven zijn wij maar kinderen, inderdaad wel erfgenamen, doch erfgenamen in onze minderjarigheid. Maar in het toekomende leven, zo wij inderdaad zijn wat wij belijden te zijn, dat is zonen en dochteren van de almachtige God, dan zullen wij in het volle bezit van de eeuwige erfenis gesteld worden.
En hoe is zij? Niets minder dan God Zelf. „Erfgenamen Gods”, zegt de apostel. Gelijk de Heere tot Abraham zeide: „Ik ben uw Schild en Loon zeer groot”, en gelijk Hij van de Levieten zeide: „Ik ben hun erfenis”, zo is God Zelf de erfenis van Zijn volk, ja Hijzelf in al Zijn heerlijke volmaaktheden. Al de liefde Gods, de goedheid Gods, de heiligheid Gods, al Zijn gelukzaligheid, Zijn heil en zegen, al Zijn macht, majesteit en heerlijkheid, zoals zij geopenbaard worden in de Persoon van Zijn beminde Zoon, in al de lichtstralen van een eeuwige, onbewolkte dag — dit is de erfenis der heiligen. Laat ons dan niet vertragen in weldoen, noch verflauwen en moede worden om te lopen de loopbaan, ons voorgesteld, met de prijs in het vooruitzicht; maar door geloof en gebed volharden om de eeuwige en heerlijke kroon te behalen.
Aan de lezer…
Wie zijn deel hier beneden bekijkt, vindt het vaak klein en schaars. Schijnt het u ook zo? Hebt u slechts nu en dan een voorproef gesmaakt, zwak en afgebroken, en vreest u soms dat het daarbij blijft? Bedenk dan dat dit leven maar een inleiding is. Hier zijn Gods kinderen erfgenamen in hun minderjarigheid; het volle deel ligt nog voor hen, bewaard in de hemelen in de kracht Gods, door het geloof tot de zaligheid.
En wat is die erfenis? Niets minder dan God Zelf, in al Zijn liefde, goedheid, heiligheid en heerlijkheid, geopenbaard in de Persoon van Zijn beminde Zoon. Waar voor de wereld de dood alle hoop uitblust, daar brengt hij een kind van God in het bezit van wat hem bewaard is. Word dan niet moede als de weg lang is. Volhard door geloof en gebed, en houd de prijs voor ogen. Die u de voorproef gaf, zal u het volle deel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Romeinen 8:17
Dit is de bijzondere zegen die alleen een kind van God geldt: de dood, die alle hoop en blijdschap van de kinderen van de mensen uitblust, brengt hem de vervulling van al zijn verwachtingen en de voltooiing van zijn volkomen geluk. Want de dood plaatst hem in het bezit van een onverderfelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt in de kracht van God, door het geloof tot de zaligheid. In dit leven hebben wij soms een voorproef van ons kindschap, zwak weliswaar en onderbroken, zodat het ons gaat zoals Hart zegt:
Ofschoon gij hier ontvangt niet veel
En schaars genoeg;
’t Is slechts een proef
Van ’t volle deel.
Toch zijn het onderpanden van de toekomstige erfenis. Dit leven is slechts een inleiding tot een beter leven. In dit leven zijn wij maar kinderen; wel erfgenamen, maar erfgenamen die nog minderjarig zijn. Maar in het toekomende leven, als wij werkelijk zijn wat wij belijden te zijn, namelijk zonen en dochters van de almachtige God, dan zullen wij in het volle bezit van de eeuwige erfenis gesteld worden.
En wat is die erfenis? Niets minder dan God Zelf. „Erfgenamen Gods”, zegt de apostel. Zoals de Heere tot Abraham zei: „Ik ben uw Schild en Loon zeer groot”, en zoals Hij van de Levieten zei: „Ik ben hun erfenis”, zo is God Zelf de erfenis van Zijn volk, ja, Hijzelf in al Zijn heerlijke volmaaktheden. Heel de liefde van God, de goedheid van God, de heiligheid van God, al Zijn gelukzaligheid, Zijn heil en zegen, al Zijn macht, majesteit en heerlijkheid, zoals die geopenbaard worden in de Persoon van Zijn geliefde Zoon, in alle lichtstralen van een eeuwige, onbewolkte dag: dat is de erfenis van de heiligen. Laten wij dan niet vertragen in het weldoen, en niet verflauwen of moe worden in het lopen van de loopbaan die ons is voorgesteld, met de prijs voor ogen. Laten wij door geloof en gebed volharden om de eeuwige en heerlijke kroon te behalen.
Aan de lezer…
Wie zijn deel hier beneden bekijkt, vindt het vaak klein en schaars. Lijkt het u ook zo? Hebt u slechts nu en dan een voorproef gesmaakt, zwak en onderbroken, en vreest u soms dat het daarbij blijft? Bedenk dan dat dit leven maar een inleiding is. Hier zijn Gods kinderen erfgenamen die nog minderjarig zijn; het volle deel ligt nog voor hen, bewaard in de hemelen in de kracht van God, door het geloof tot de zaligheid.
En wat is die erfenis? Niets minder dan God Zelf, in al Zijn liefde, goedheid, heiligheid en heerlijkheid, geopenbaard in de Persoon van Zijn geliefde Zoon. Waar de dood voor de wereld alle hoop uitblust, daar brengt hij een kind van God in het bezit van wat voor hem bewaard is. Word dan niet moe als de weg lang is. Volhard door geloof en gebed, en houd de prijs voor ogen. Hij Die u de voorproef gaf, zal u het volle deel niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ.
Romans 8:17
This is the especial blessedness of being a child of God—that death, which puts a final extinguisher on all the hopes and happiness of all the unregenerate, gives him the fulfillment of all his hopes and the consummation of all his happiness; for it places him in possession of “an inheritance incorruptible and undefiled, and that fades not away, reserved in heaven for those who are kept by the power of God through faith unto salvation.”
In this present earthly life, we have sometimes sips and tastes of sonship, feeble indeed and interrupted, so that it is with us as Mr. Deer speaks—“Though you here receive but little, scarce enough for the proof of your proper title;” yet are they so far pledges of an inheritance to come. But this life is only an introduction to a better. In this life we are but children, heirs indeed, but heirs in their minority; but in the life to come, if indeed we are what we profess to be, sons and daughters of the Lord Almighty, we shall be put into full possession of the eternal inheritance.
And what is this? Nothing less than God Himself. “Heirs of God,” says the Apostle. For as the Lord said to Abraham, “I am your shield and exceeding great reward;” as He said to the Levites, “I am their inheritance,” so God Himself is the inheritance of His people; yes, He Himself in all His glorious perfections.
All the love of God, the goodness of God, the holiness of God, all His happiness, bliss, and blessedness, all His might, majesty, and glory, as shining forth in the Person of His dear Son in all the blaze of one eternal, unclouded day—this is the saint’s inheritance. Let us not then be weary in well-doing; nor faint and tire in running the race set before us, with this prize in view; but press on by faith and prayer to win this eternal and glorious crown.
To the reader…
Whoever looks at his portion here below often finds it small and scanty. Does it seem so to you too? Have you tasted only now and then a foretaste, feeble and interrupted, and do you sometimes fear that it will stay that way? Remember, then, that this life is only an introduction. Here God’s children are heirs who are still in their minority; the full portion still lies before them, reserved in heaven, kept by the power of God through faith unto salvation.
And what is that inheritance? Nothing less than God Himself, in all His love, goodness, holiness and glory, revealed in the Person of His beloved Son. Where death extinguishes all hope for the world, it brings a child of God into possession of what has been kept for him. Do not grow weary, then, when the way is long. Press on by faith and prayer, and keep the prize in view. He Who gave you the foretaste will not withhold the full portion from you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y si hijos, también herederos; herederos de Dios, y coherederos con Cristo.
Romanos 8:17
Esta es la bienaventuranza especial de ser hijo de Dios: que la muerte, que apaga definitivamente todas las esperanzas y toda la felicidad de todos los no regenerados, le da a él el cumplimiento de todas sus esperanzas y la consumación de toda su felicidad; porque le pone en posesión de “una herencia incorruptible, y que no puede contaminarse, ni marchitarse, reservada en los cielos para nosotros que somos guardados en la virtud de Dios por fe, para alcanzar la salud.”
En esta vida terrenal presente tenemos a veces sorbos y gustos de la filiación, débiles en verdad e interrumpidos, de modo que nos sucede lo que dice el señor Deer: “Aunque aquí recibes poco, apenas lo bastante para probar tu verdadero título”; pero aun así son, en esa medida, prendas de una herencia venidera. Esta vida, sin embargo, no es más que la introducción a otra mejor. En esta vida no somos sino niños, herederos ciertamente, pero herederos en su minoría de edad; mas en la vida venidera, si en verdad somos lo que profesamos ser, hijos e hijas del Señor Todopoderoso, seremos puestos en plena posesión de la herencia eterna.
¿Y qué es esta herencia? Nada menos que Dios mismo. “Herederos de Dios”, dice el Apóstol. Porque así como el Señor dijo a Abraham: “Yo soy tu escudo, y tu galardón sobremanera grande”, y como dijo de los levitas: “Yo soy su heredad”, así Dios mismo es la herencia de Su pueblo; sí, Él mismo en todas Sus gloriosas perfecciones.
Todo el amor de Dios, la bondad de Dios, la santidad de Dios, toda Su felicidad, gozo y bienaventuranza, todo Su poder, majestad y gloria, tal como resplandecen en la Persona de Su amado Hijo en todo el fulgor de un solo día eterno y sin nubes: esta es la herencia del santo. No nos cansemos, pues, de hacer bien; ni desmayemos ni nos fatiguemos en la carrera que nos es propuesta, teniendo este premio a la vista; antes bien, prosigamos por la fe y la oración para alcanzar esta corona eterna y gloriosa.
Al lector…
Quien mira su porción aquí abajo, a menudo la encuentra pequeña y escasa. ¿Le parece a usted también así? ¿Ha gustado solo de vez en cuando un anticipo, débil e interrumpido, y teme a veces que siempre será así? Recuerde entonces que esta vida no es más que una introducción. Aquí los hijos de Dios son herederos que todavía están en su minoría de edad; la porción completa aún está delante de ellos, reservada en los cielos, guardada en la virtud de Dios por fe para alcanzar la salvación.
¿Y cuál es esa herencia? Nada menos que Dios mismo, en todo Su amor, bondad, santidad y gloria, revelado en la Persona de Su amado Hijo. Donde la muerte apaga toda esperanza para el mundo, introduce al hijo de Dios en la posesión de lo que le ha sido guardado. No se canse, pues, cuando el camino sea largo. Prosiga por la fe y la oración, y mantenga el premio a la vista. Aquel que le dio el anticipo no le negará la porción completa.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl