2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Leer ons alzo onze dagen tellen, opdat wij een wijs harte bekomen.
Psalm 90:12
Als we een blik werpen op het jaar dat achter ons ligt, zijn er dan geen barmhartigheden die van ons een blijk van dank en dankzegging vragen? Het is fijn om de liefdevolle hand van de Heere te zien in Zijn voorzienigheid, maar het is nog veel fijner om Zijn hand uitgestrekt te zien in barmhartigheid. Letten wij dan zo weinig op de genadige hand van de Heere in Zijn verschillende bemoeienissen met onze zielen, dat wij al die verstreken twaalf maanden zouden beschouwen als een onbeschreven blad, waarin wij nooit Zijn aangezicht hebben gezien, Zijn stem hebben gehoord of Zijn kracht hebben gevoeld? Liefdevol vraagt de Heere: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Is Hij dat ook voor ons geweest gedurende twaalf lange en vermoeiende maanden?
Wat! Was er geen hulp gedurende de weg, geen tekenen ten goede, geen vertoning van Zijn licht, geen bezoeken van Zijn aanwezigheid en macht, geen openbaring van Zijn goedheid gedurende die lange en droevige periode? Wat moet het toch verdrietig zijn geweest voor een levende ziel, als zij zo lang van de Heere verlaten en aan zichzelf overgelaten is! Als wij niet gezegend zijn met bijzondere openbaringen van Christus, met duidelijke openbaringen van Zijn Persoon en werk, bloed en liefde, genade en heerlijkheid (want zulke bijzondere tijden zijn er niet veel), hebben wij dan niet ondervonden dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is? Als wij werkelijk een persoonlijke en geestelijke gemeenschap hebben met de Zoon van God als ons levend Hoofd, dan zal er ook gemeenschap zijn vanuit Zijn volheid: een vervulling van al onze behoeften, een opleving van het geloof, de hoop en de liefde, een steun tijdens beproevingen, een verlossing van aanvechtingen, een toename van Zijn vreze in het hart, en dat voortgaande werk van genade waardoor wij in staat worden gesteld een leven van geloof in de Zoon van God te leiden.
Helaas, het best van onze beste dagen
Baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen;
Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen
Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen.
De levensdraad wordt schielijk afgesneên;
Wij schenen sterk, en ach, wij vliegen heen.
Psalm 90:6
Aan de lezer…
Hoe dikwijls ziet een hart aan het begin van een nieuw jaar meer op het verlies dan op de winst! Staat u ook zo aan het begin van dit jaar? Ziet u terug op twaalf maanden en lijkt het u een onbeschreven blad, alsof de Heere aan u voorbijging? Houd dan stil voordat u zo besluit. Hij, Die vraagt: „Ben Ik Israël een woestijn geweest?”, vraagt het ook aan u, en Hij vraagt het niet om te verwijten, maar om u te doen gedenken. Was er niet een woord dat u staande hield, een zucht die verhoord werd, een uur waarin de last lichter werd en u niet wist waarom?
Zulke kleine tekenen ten goede zijn geen toeval; het zijn de voetstappen van de goede Herder langs de weg. En hebt u weinig van Zijn aangezicht gezien, Hij is daarom niet minder de Weg, de Waarheid en het Leven voor een arme, behoeftige ziel. Leer dan uw dagen tellen, niet met angst, maar met de bede dat Hij u in dit nieuwe jaar uit Zijn volheid zal vervullen. Die u tot hiertoe gedragen heeft, zal u niet loslaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Leer ons alzo onze dagen tellen, opdat wij een wijs harte bekomen.
Psalm 90:12
Als we terugzien op het jaar dat achter ons ligt, zijn er dan geen barmhartigheden die van ons een blijk van dank en dankzegging vragen? Het is fijn om de liefdevolle hand van de Heere te zien in Zijn voorzienigheid, maar het is nog veel fijner om Zijn hand uitgestrekt te zien in barmhartigheid. Letten wij dan zo weinig op de genadige hand van de Heere in de verschillende manieren waarop Hij met onze zielen omging, dat wij al die verstreken twaalf maanden zouden beschouwen als een onbeschreven blad? Alsof wij daarin nooit Zijn aangezicht hebben gezien, Zijn stem hebben gehoord of Zijn kracht hebben gevoeld? Liefdevol vraagt de Heere: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Is Hij dat ook voor ons geweest, twaalf lange en vermoeiende maanden lang?
Wat! Was er onderweg dan geen hulp, geen teken ten goede, geen glans van Zijn licht, geen bezoek van Zijn tegenwoordigheid en macht, geen openbaring van Zijn goedheid in die lange en droevige tijd? Hoe verdrietig moet het zijn geweest voor een levende ziel, als zij zo lang door de Heere verlaten en aan zichzelf overgelaten is! Misschien zijn wij niet gezegend met bijzondere openbaringen van Christus, met duidelijke openbaringen van Zijn Persoon en werk, Zijn bloed en liefde, Zijn genade en heerlijkheid; want zulke bijzondere tijden zijn er niet veel. Maar hebben wij dan niet ondervonden dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is?
Als wij werkelijk een persoonlijke en geestelijke gemeenschap hebben met de Zoon van God als ons levend Hoofd, dan zal er ook gemeenschap zijn vanuit Zijn volheid. Dan zal Hij in al onze behoeften voorzien, ons geloof, onze hoop en onze liefde doen opleven, ons steunen in beproevingen en ons verlossen uit aanvechtingen. Dan zal Zijn vreze in ons hart toenemen, en zal er dat voortgaande werk van genade zijn waardoor wij in staat worden gesteld een leven van geloof in de Zoon van God te leiden.
Helaas, het best van onze beste dagen
Baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen;
Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen
Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen.
De levensdraad wordt schielijk afgesneên;
Wij schenen sterk, en ach, wij vliegen heen.
Psalm 90:6
Aan de lezer…
Hoe vaak ziet een hart aan het begin van een nieuw jaar meer naar het verlies dan naar de winst! Staat u ook zo aan het begin van dit jaar? Kijkt u terug op twaalf maanden en lijkt het u een onbeschreven blad, alsof de Heere aan u voorbijging? Sta dan even stil voordat u tot die conclusie komt. Hij Die vraagt: „Ben Ik Israël een woestijn geweest?”, vraagt het ook aan u. Hij vraagt het niet om u iets te verwijten, maar om u te laten gedenken. Was er niet een woord dat u staande hield, een zucht die verhoord werd, een uur waarin de last lichter werd zonder dat u wist waarom?
Zulke kleine tekenen ten goede zijn geen toeval; het zijn de voetstappen van de goede Herder langs de weg. En ook als u weinig van Zijn aangezicht hebt gezien, is Hij daarom niet minder de Weg, de Waarheid en het Leven voor een arme, behoeftige ziel. Leer dan uw dagen tellen, niet met angst, maar met de bede dat Hij u in dit nieuwe jaar uit Zijn volheid zal vervullen. Hij Die u tot hiertoe gedragen heeft, zal u niet loslaten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
So teach us to number our days, that we may apply our hearts unto wisdom.
Psalm 90:12
Casting our eyes back upon the year now past and gone, are there no mercies which claim a note of thankful praise? It is sweet to see the Lord’s kind hand in providence, but sweeter far to view His outstretched hand in grace. Are we then so unwatchful or so unmindful of the Lord’s gracious hand in His various dealings with our soul as to view the whole past twelve months as a dead blank in which we have never seen His face, nor heard His voice, nor felt His power? “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jer. 2:31) the Lord tenderly asks. Has He been such to us also for twelve long and weary months?
What! No help by the way, no tokens for good, no liftings-up of the light of His countenance, no visitations of His presence and power, no breakings-in of His goodness for all that long and dreary time—for dreary it must indeed have been for a living soul to have been left and abandoned of the Lord so long! If not blessed with any peculiar manifestations of Christ, with any signal revelations of His Person and work, blood and love, grace and glory, for such special seasons are not of frequent occurrence, have we not still found Him the Way, the Truth, and the Life?
If we have indeed a personal and spiritual union with the Son of God, as our living Head, there will be communications out of His fullness, a supplying of all our needs—a drawing forth of faith, hope, and love—a support under trials, a deliverance from temptations, a deepening of His fear in the heart, and that continued work of grace whereby we are enabled to live a life of faith on the Son of God.
To the reader…
How often, at the start of a new year, does the heart look more at what was lost than at what was gained! Is that how you stand at the beginning of this year? Do you look back on twelve months and see only a blank page, as if the Lord had passed you by? Then pause for a moment before you come to that conclusion. He Who asks, “Have I been a wilderness unto Israel?” asks it of you as well. He does not ask it to reproach you, but to make you remember. Was there not a word that held you up, a sigh that was answered, an hour when the burden grew lighter without your knowing why?
Such small tokens for good are no accident; they are the footsteps of the good Shepherd along the way. And even if you have seen little of His face, He is no less the Way, the Truth and the Life for a poor and needy soul. Learn, then, to number your days, not with fear, but with the prayer that in this new year He will fill you out of His fullness. He Who has carried you this far will not let you go.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Enséñanos de tal modo a contar nuestros días, que traigamos al corazón sabiduría.
Salmo 90:12
Al volver la mirada al año que ya ha pasado y se ha ido, ¿no hay misericordias que reclamen una nota de alabanza agradecida? Es dulce ver la mano bondadosa del Señor en la providencia, pero mucho más dulce es contemplar Su mano extendida en la gracia. ¿Somos, pues, tan descuidados o tan olvidadizos de la mano misericordiosa del Señor en Sus diversos tratos con nuestra alma, que consideremos estos doce meses pasados como un vacío muerto en el que nunca hemos visto Su rostro, ni oído Su voz, ni sentido Su poder? “¿He sido yo a Israel desierto, o tierra de tinieblas?” (Jer. 2:31), pregunta el Señor con ternura. ¿Ha sido Él tal cosa también para nosotros durante doce largos y fatigosos meses?
¡Cómo! ¿Ninguna ayuda en el camino, ninguna señal para bien, ningún alzamiento de la luz de Su rostro, ninguna visitación de Su presencia y poder, ninguna irrupción de Su bondad en todo ese tiempo largo y triste? ¡Pues triste habría sido, en verdad, para un alma viviente verse dejada y abandonada del Señor tanto tiempo! Si no hemos sido bendecidos con manifestaciones particulares de Cristo, con revelaciones señaladas de Su Persona y obra, de Su sangre y amor, de Su gracia y gloria, pues tales tiempos especiales no son frecuentes, ¿no lo hemos hallado aun así como el Camino, la Verdad y la Vida?
Si tenemos de veras una unión personal y espiritual con el Hijo de Dios como nuestra Cabeza viviente, habrá comunicaciones de Su plenitud, una provisión de todas nuestras necesidades; un avivar de la fe, la esperanza y el amor; un sostén en las pruebas, una liberación de las tentaciones, un ahondar de Su temor en el corazón, y esa obra continua de la gracia por la cual somos capacitados para vivir una vida de fe en el Hijo de Dios.
Al lector…
¡Cuántas veces, al comenzar un nuevo año, el corazón mira más lo que se perdió que lo que se ganó! ¿Es así como se encuentra usted al principio de este año? ¿Mira atrás a doce meses y no ve más que una página en blanco, como si el Señor hubiera pasado de largo? Entonces deténgase un momento antes de llegar a esa conclusión. Aquel que pregunta: “¿He sido yo a Israel desierto?”, se lo pregunta también a usted. No lo pregunta para reprocharle, sino para hacerle recordar. ¿No hubo una palabra que le sostuvo, un suspiro que fue respondido, una hora en que la carga se hizo más ligera sin que supiera por qué?
Tales pequeñas señales para bien no son casualidad; son las pisadas del buen Pastor a lo largo del camino. Y aunque haya visto poco de Su rostro, Él no es por eso menos el Camino, la Verdad y la Vida para un alma pobre y necesitada. Aprenda, pues, a contar sus días, no con temor, sino con la oración de que en este nuevo año Él le llene de Su plenitud. Aquel que le ha llevado hasta aquí no le soltará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leer mij Uw paden
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
Het feit alleen al dat de Psalmist deze woorden vanuit de grond van zijn hart uitspreekt, toont aan dat hij zelf sterk overtuigd was van het totale onvermogen van de mens om, behalve door goddelijk onderricht, Gods wegen te doorgronden of die te ontvangen met die goedkeuring en berusting door middel waarvan we uitsluitend hun schoonheid en zaligheid deelachtig kunnen zijn. Want als hij de ingeboren kracht en wijsheid had bezeten om deze kennis in zijn eigen ziel aan te brengen, dan zou het op z’n best huichelachtig zijn geweest om God te vragen dit voor hem te doen.
Maar hij was er sterk van overtuigd, vanuit diepe en pijnlijke ervaring, dat Gods wegen, zoals de Heilige Schrift zegt, buiten zijn gezichtsveld zijn. „Uw weg”, zegt hij elders, „was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend” (Ps. 77:20). Heel goed besefte hij dat er van nature een sluier van onwetendheid en blindheid over zijn ogen uitgespreid lag, die de hemelse wegen aan zijn blik onttrok. Hij wist daarom dat alleen als het God beliefde hem die wegen te tonen, hij enigszins bekwaam was ze te zien of te aanvaarden als Gods wegen, enigszins hun zaligheid innerlijk kon waarderen, of voor ze kon buigen en in ze berusten als ze zijn eigen natuurlijke gedachten en neigingen kruisten.
Gods wegen zijn dus in de eerste plaats wegen van oneindige wijsheid. Ze kunnen niets anders zijn. Hoe beoordelen we iemands wijsheid? Door de woorden die hij spreekt, maar vooral door de handelingen die hij uitvoert. Gods wegen moeten wegen van oneindige wijsheid zijn, omdat Hij de oneindig wijze God is. Maar Zijn wijsheid staat lijnrecht tegenover die van onszelf. We lezen daarom: „de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God” (1 Kor. 3:19), en we lezen ook dat de wijsheid van God dwaasheid bij de wereld is.
Maar hoewel op deze wegen de kenmerken van oneindige wijsheid zijn gestempeld, is die wijsheid zodanig dat ze zich buiten het gezicht van de mens bevinden, tot ze binnen het bereik van zijn geestelijke blik zijn gebracht, en de wijsheid die op ze is gestempeld en erin aanwezig is, aan zijn ziel wordt verkondigd door goddelijk onderricht. Om de wijsheid van Gods wegen te begrijpen, moeten we zelf deelhebben aan de goddelijke wijsheid, zoals de apostel zegt: „Maar wij hebben de zin van Christus” (1 Kor. 2:16). Daarom kunnen we alleen als we de zin van Christus hebben, en enige wijsheid van boven bezitten, deel hebben aan de wijsheid van Gods wegen.
Lezen: Psalm 25
Aan de lezer…
Misschien hebt u ook moeten leren dat u Gods wegen niet uit uzelf kunt doorgronden. De Psalmist bad niet uit gewoonte: „Heere, maak mij Uw wegen bekend”; hij bad zo omdat hij uit diepe en pijnlijke ervaring wist dat er van nature een sluier van onwetendheid en blindheid over zijn ogen lag. Had hij die kennis zelf in zijn ziel kunnen aanbrengen, dan was zijn gebed huichelachtig geweest.
Misschien staat u nu voor een weg die u onbegrijpelijk is, een weg in de zee, waarvan u de voetstappen niet ziet. Weet dan dat Gods wegen altijd wegen van oneindige wijsheid zijn, ook wanneer die wijsheid in uw ogen dwaasheid lijkt. Wat ons verstand niet vermag, kan Hij door Zijn onderricht geven. Bid daarom om de zin van Christus, opdat u Zijn wegen niet alleen mag zien, maar er ook voor mag buigen en er in berusten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere! Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
Psalm 25:4
Alleen al het feit dat de psalmist deze woorden uit de grond van zijn hart uitspreekt, laat zien dat hij er zelf sterk van overtuigd was dat de mens volkomen onmachtig is om zonder Goddelijk onderricht Gods wegen te doorgronden. Evenmin kan de mens ze uit zichzelf ontvangen met die instemming en berusting waardoor alleen wij hun schoonheid en zaligheid deelachtig kunnen worden. Want als hij de aangeboren kracht en wijsheid had bezeten om deze kennis in zijn eigen ziel aan te brengen, dan zou het op zijn best huichelachtig zijn geweest om God te vragen dit voor hem te doen.
Maar hij was er vanuit diepe en pijnlijke ervaring sterk van overtuigd dat Gods wegen, zoals de Heilige Schrift zegt, buiten zijn gezichtsveld liggen. „Uw weg”, zegt hij elders, „was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend” (Ps. 77:20). Hij besefte heel goed dat er van nature een sluier van onwetendheid en blindheid over zijn ogen lag, die de hemelse wegen aan zijn blik onttrok. Daarom wist hij dat hij alleen, als het God behaagde hem die wegen te tonen, enigszins in staat was ze te zien of ze als Gods wegen te aanvaarden. Alleen dan kon hij hun zaligheid innerlijk enigszins waarderen, of zich ervoor buigen en erin berusten wanneer ze zijn eigen natuurlijke gedachten en neigingen doorkruisten.
Gods wegen zijn dus in de eerste plaats wegen van oneindige wijsheid. Ze kunnen niets anders zijn. Hoe beoordelen we iemands wijsheid? Door de woorden die hij spreekt, maar vooral door de daden die hij doet. Gods wegen moeten wegen van oneindige wijsheid zijn, omdat Hij de oneindig wijze God is. Maar Zijn wijsheid staat lijnrecht tegenover die van onszelf. Daarom lezen we: „de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God” (1 Kor. 3:19), en we lezen ook dat de wijsheid van God dwaasheid is in de ogen van de wereld.
Maar hoewel op deze wegen de kenmerken van oneindige wijsheid gestempeld zijn, is die wijsheid zo, dat de wegen buiten het gezicht van de mens liggen. Dat blijft zo totdat ze binnen het bereik van zijn geestelijke blik worden gebracht, en de wijsheid die erop gestempeld is en erin aanwezig is, door Goddelijk onderricht aan zijn ziel wordt bekendgemaakt. Om de wijsheid van Gods wegen te begrijpen, moeten we zelf deel hebben aan de Goddelijke wijsheid, zoals de apostel zegt: „Maar wij hebben de zin van Christus” (1 Kor. 2:16). Daarom kunnen we alleen deel hebben aan de wijsheid van Gods wegen als we de zin van Christus hebben en enige wijsheid van boven bezitten.
Lezen: Psalm 25
Aan de lezer…
Misschien hebt u ook moeten leren dat u Gods wegen niet uit uzelf kunt doorgronden. De psalmist bad niet uit gewoonte: „Heere, maak mij Uw wegen bekend”; hij bad zo omdat hij uit diepe en pijnlijke ervaring wist dat er van nature een sluier van onwetendheid en blindheid over zijn ogen lag. Had hij die kennis zelf in zijn ziel kunnen aanbrengen, dan was zijn gebed huichelachtig geweest.
Misschien staat u nu voor een weg die u onbegrijpelijk is, een weg in de zee, waarvan u de voetstappen niet ziet. Weet dan dat Gods wegen altijd wegen van oneindige wijsheid zijn, ook wanneer die wijsheid in uw ogen dwaasheid lijkt. Wat ons verstand niet kan, kan Hij door Zijn onderricht geven. Bid daarom om de zin van Christus, opdat u Zijn wegen niet alleen mag zien, maar u er ook voor mag buigen en erin mag berusten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Shew me Thy ways, O LORD; teach me Thy paths.
Psalm 25:4
The very fact that the psalmist utters these words from the bottom of his heart shows that he was himself deeply convinced of man’s utter inability to search out the ways of God without Divine teaching. Nor can man of himself receive them with that consent and submission by which alone we can become partakers of their beauty and blessedness. For had he possessed the native strength and wisdom to bring this knowledge into his own soul, it would at best have been hypocrisy to ask God to do it for him.
But he was deeply convinced, from deep and painful experience, that the ways of God, as the Holy Scripture says, lie out of his sight. “Thy way,” he says elsewhere, “is in the sea, and Thy path in the great waters, and Thy footsteps are not known” (Ps. 77:19). He well knew that by nature a veil of ignorance and blindness lay over his eyes, which hid the heavenly ways from his view. He therefore knew that only as it pleased God to show him those ways was he in any measure able to see them, or to receive them as the ways of God. Only then could he inwardly in some measure prize their blessedness, or bow to them and submit to them when they crossed his own natural thoughts and inclinations.
The ways of God, then, are in the first place ways of infinite wisdom. They can be nothing else. How do we judge of a man’s wisdom? By the words that he speaks, but above all by the deeds that he does. God’s ways must be ways of infinite wisdom, because He is the infinitely wise God. But His wisdom stands directly opposed to our own. Therefore we read, “the wisdom of this world is foolishness with God” (1 Cor. 3:19), and we read also that the wisdom of God is foolishness in the eyes of the world.
But though the marks of infinite wisdom are stamped upon these ways, that wisdom is such that the ways lie out of man’s sight. So it remains until they are brought within the range of his spiritual vision, and the wisdom stamped upon them and present in them is made known to his soul by Divine teaching. To understand the wisdom of God’s ways, we must ourselves be partakers of the Divine wisdom, as the apostle says, “But we have the mind of Christ” (1 Cor. 2:16). Therefore we can only share in the wisdom of God’s ways when we have the mind of Christ and possess some wisdom from above.
Reading: Psalm 25
To the reader…
Perhaps you too have had to learn that you cannot search out God’s ways of yourself. The psalmist did not pray out of mere habit, “Shew me Thy ways, O LORD”; he prayed so because he knew from deep and painful experience that by nature a veil of ignorance and blindness lay over his eyes. Had he been able to bring that knowledge into his soul himself, his prayer would have been hypocrisy.
Perhaps you now stand before a way that is beyond your understanding, a way in the sea, whose footsteps you cannot see. Know then that God’s ways are always ways of infinite wisdom, even when that wisdom looks like foolishness in your eyes. What our understanding cannot reach, He can give by His teaching. Pray therefore for the mind of Christ, that you may not only see His ways, but also bow to them and rest in them.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Muéstrame, oh Jehová, Tus caminos; enséñame Tus sendas.
Salmo 25:4
El hecho mismo de que el salmista pronuncie estas palabras desde lo más hondo de su corazón muestra que él mismo estaba profundamente convencido de la completa incapacidad del hombre para escudriñar los caminos de Dios sin enseñanza divina. Tampoco puede el hombre por sí mismo recibirlos con aquel consentimiento y sumisión por los cuales únicamente podemos llegar a ser partícipes de su hermosura y bienaventuranza. Porque si hubiera poseído la fuerza y la sabiduría naturales para traer este conocimiento a su propia alma, habría sido, en el mejor de los casos, hipocresía pedir a Dios que lo hiciera por él.
Pero estaba profundamente convencido, por una experiencia honda y dolorosa, de que los caminos de Dios, como dice la Sagrada Escritura, están fuera de su vista. “En la mar fue Tu camino”, dice en otro lugar, “y Tus sendas en las muchas aguas; y Tus pisadas no fueron conocidas” (Sal. 77:19). Bien sabía que por naturaleza un velo de ignorancia y ceguera cubría sus ojos y le ocultaba los caminos celestiales. Sabía, por tanto, que solo en la medida en que a Dios le placiera mostrarle esos caminos, era capaz en algún grado de verlos o de recibirlos como caminos de Dios. Solo entonces podía en su interior apreciar en alguna medida su bienaventuranza, o inclinarse ante ellos y someterse a ellos cuando se cruzaban con sus propios pensamientos e inclinaciones naturales.
Los caminos de Dios son, pues, en primer lugar, caminos de sabiduría infinita. No pueden ser otra cosa. ¿Cómo juzgamos la sabiduría de un hombre? Por las palabras que habla, pero sobre todo por las obras que hace. Los caminos de Dios han de ser caminos de sabiduría infinita, porque Él es el Dios infinitamente sabio. Pero Su sabiduría se opone directamente a la nuestra. Por eso leemos: “la sabiduría de este mundo es necedad para con Dios” (1 Cor. 3:19), y leemos también que la sabiduría de Dios es locura a los ojos del mundo.
Pero aunque las señales de la sabiduría infinita están impresas sobre estos caminos, esa sabiduría es tal que los caminos quedan fuera de la vista del hombre. Así sigue siendo hasta que son traídos al alcance de su visión espiritual, y la sabiduría impresa en ellos y presente en ellos es dada a conocer a su alma por enseñanza divina. Para entender la sabiduría de los caminos de Dios, debemos nosotros mismos ser partícipes de la sabiduría divina, como dice el apóstol: “Mas nosotros tenemos la mente de Cristo” (1 Cor. 2:16). Por tanto, solo podemos participar de la sabiduría de los caminos de Dios cuando tenemos la mente de Cristo y poseemos algo de la sabiduría de lo alto.
Lectura: Salmo 25
Al lector…
Quizá también usted ha tenido que aprender que no puede escudriñar por sí mismo los caminos de Dios. El salmista no oraba por mera costumbre: “Muéstrame, oh Jehová, Tus caminos”; oraba así porque sabía, por una experiencia honda y dolorosa, que por naturaleza un velo de ignorancia y ceguera cubría sus ojos. Si hubiera podido traer ese conocimiento a su alma por sí mismo, su oración habría sido hipocresía.
Quizá se encuentra ahora ante un camino que sobrepasa su entendimiento, un camino en la mar, cuyas pisadas no puede ver. Sepa entonces que los caminos de Dios son siempre caminos de sabiduría infinita, aun cuando esa sabiduría parezca locura a sus ojos. Lo que nuestro entendimiento no puede alcanzar, Él puede darlo por Su enseñanza. Ore, pues, por la mente de Cristo, para que no solo vea Sus caminos, sino que también se incline ante ellos y descanse en ellos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psalm 17:5
Zonder twijfelachtig of bijgelovig stil te staan bij dagen en maanden en jaren, zijn er over het algemeen weinigen onder ons die een zo gewichtig tijdstip als het opdoemen van een ander jaar op ons levenspad laten voorbijgaan zonder enige erkentenis aan God of aan de mensen. Wanneer wij op de eerste morgen van het jaar onze ogen openen, dan zeggen wij doodgewoon: „Het is vandaag Nieuwjaarsdag.” Maar dit behoorde niet de enige opmerking te zijn die wij maken over het nieuw aangevangen jaar, waarvan wij immers het einde niet bespieden kunnen. Wanneer wij onze knieën buigen voor de troon der genade, brengen wij daarbij onze dankbare erkentenis voor de weldaden ons het achterliggend jaar geschonken, beide in de voorzienigheid en in genade, en zenden ernstige gebeden op om bijzondere weldaden te mogen ervaren en genieten in het aangevangen jaar. De laatste avondstond van het achterliggend jaar getuigden onze belijdenissen van de vele, vele zware zonden, omzwervingen, afwijkingen en verlatingen van de levende God gedurende het vervlogen jaar; deze morgen daarentegen getuigen onze smeekbeden om genade te mogen ontvangen, dat onze gangen mochten gehouden worden in Zijn sporen, opdat onze voetstappen niet zouden wankelen.
Tranen zijn het meest gepast bij de begrafenis van de doden, hopen en wensen bij de geboorte van de levenden. Het afgelopen jaar was als de verscheiden vader, afgetakeld door ouderdom en zwakte; het nieuwe jaar is het pasgeboren kind in de armen van de lachende baker. De eerste dag van het aangevangen jaar verschilt in uitwendig voorkomen maar weinig van de laatste van vorig jaar, de laatste van de voorgaande dagen. Het is nog midden in de winter. Maar het peinzend, biddend gemoed neemt maar weinig notitie van winterluchten. Het ontwaart dat het oude, versleten jaar in zijn graf is neergezonken, met al zijn beproevingen en verdrukkingen, en dat een nieuw jaar in zijn plaats gekomen is, met zijn nieuwe verwachtingen en nieuwe weldaden; en zou het nieuwe beproevingen brengen, dat de belofte van kracht zal blijven, dat nieuwe ondersteuning zal gegeven worden om die te overwinnen.
Verkwikt en versterkt aan de troon der genade door dergelijke gemeenschapsoefeningen met de God aller genade, gaan wij onze familiebetrekkingen ontmoeten, en opeens worden wij van alle zijden begroet met: „Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar”; een begroeting die wij eveneens met hartelijkheid en toegenegenheid beantwoorden. Bijna iedere vriend, bijna iedere bekende die wij in de loop van de dag ontmoeten, groet ons met dezelfde hartelijke wens. Nu, in dit alles moge veel uiterlijke schijn, lippenwerk of een gangbare gewoonte zitten; maar er kan ook veel oprechtheid, vriendelijkheid en toegenegenheid in zijn. Wij zijn waarlijk niet zo in ons ellendig eigen ik gekeerd, dat wij geen wens zouden hebben voor de gezondheid en de welstand, hetzij voor het tijdelijke, hetzij voor het geestelijke, van onze familiebetrekkingen en vrienden, alsook van onze bekenden. En wanneer wij hun het goede toewensen, dan behoeven wij ons niet achterhoudend of afkerig te tonen om dit in een paar vriendelijke woorden te uiten.
„Zijt vreedzaam onder elkander”, „barmhartig, vriendelijk”, „niet hooghartig”, „indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”: dit zijn voorschriften, gegrond in het Evangelie, die mogen, ja inderdaad moeten beoefend worden, zonder de minste opoffering van de getrouwheid welke hun past die dagelijks wensen te wandelen in de vreze Gods. Er moge een voorbeeld zijn van vriendelijke woorden, zowel als een voorbeeld van gezonde woorden; en als wij de laatste bezigen in volkomen overeenstemming met de leer van het Evangelie, dan mogen wij de eerste gebruiken in volkomen overeenstemming met de geest van het Evangelie.
Aan de lezer…
Er zijn tijden die om een bijzondere bede vragen, en nu een nieuw jaar voor u ligt, waarvan u het einde niet bespieden kunt, is zo’n tijd gekomen. Met welke bede gaat u het in? Achter u liggen vele zonden, omzwervingen en afwijkingen; voor u liggen wegen die u niet kent. U weet hoe licht uw voet uitglijdt en hoe snel uw hart afdwaalt. Breng dat alles eerlijk voor de troon der genade, en zeg het de dichter na: „Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.”
Want het oude jaar is met zijn beproevingen in het graf gezonken, en brengt het nieuwe jaar nieuwe beproevingen, de belofte blijft van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden. En gaat u dan uw naasten tegemoet, groet hen met oprechte, vriendelijke woorden. Wie zelf genade nodig heeft, mag ook een ander van harte het goede toewensen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
Psalm 17:5
Zonder op een twijfelachtige of bijgelovige manier stil te staan bij dagen, maanden en jaren, zijn er over het algemeen maar weinigen onder ons die zo’n gewichtig moment als het aanbreken van een nieuw jaar op ons levenspad voorbij laten gaan zonder er tegenover God of mensen iets van te erkennen. Wanneer wij op de eerste morgen van het jaar onze ogen openen, zeggen wij heel gewoon: „Het is vandaag Nieuwjaarsdag.” Maar dat zou niet de enige opmerking moeten zijn die wij maken over het pas begonnen jaar, waarvan wij immers het einde niet kunnen overzien. Wanneer wij onze knieën buigen voor de troon van de genade, brengen wij daar onze dankbare erkenning voor de weldaden die ons het afgelopen jaar geschonken zijn, zowel in de voorzienigheid als in de genade. En wij zenden ernstige gebeden op om in het begonnen jaar bijzondere weldaden te mogen ervaren en genieten. Op de laatste avond van het afgelopen jaar getuigden onze belijdenissen van de vele, vele zware zonden, omzwervingen, afwijkingen en het verlaten van de levende God in het vervlogen jaar. Deze morgen daarentegen getuigen onze smeekbeden ervan dat wij genade vragen, dat onze gangen in Zijn sporen gehouden mogen worden, opdat onze voetstappen niet zouden wankelen.
Tranen passen het best bij de begrafenis van de doden, hoop en wensen bij de geboorte van de levenden. Het afgelopen jaar was als de gestorven vader, afgetakeld door ouderdom en zwakheid; het nieuwe jaar is het pasgeboren kind in de armen van de lachende kraamverzorgster. De eerste dag van het nieuwe jaar verschilt uiterlijk maar weinig van de laatste dag van het vorige jaar, de laatste van de voorgaande dagen. Het is nog midden in de winter. Maar het peinzende, biddende gemoed let maar weinig op het winterweer. Het ziet dat het oude, versleten jaar in zijn graf is weggezonken, met al zijn beproevingen en verdrukkingen, en dat er een nieuw jaar voor in de plaats gekomen is, met nieuwe verwachtingen en nieuwe weldaden. En mocht het nieuwe beproevingen brengen, dan blijft de belofte van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden om die te overwinnen.
Verkwikt en versterkt door zulke oefeningen van gemeenschap met de God van alle genade aan de troon van de genade, gaan wij onze familieleden ontmoeten, en meteen worden wij van alle kanten begroet met: „Ik wens u een gelukkig Nieuwjaar”. Die groet beantwoorden wij evengoed met hartelijkheid en genegenheid. Bijna iedere vriend, bijna iedere bekende die wij in de loop van de dag ontmoeten, groet ons met dezelfde hartelijke wens. Nu kan er in dit alles veel uiterlijke schijn, lippenwerk of gewoonte zitten, maar er kan ook veel oprechtheid, vriendelijkheid en genegenheid in zijn. Wij zijn werkelijk niet zo in ons ellendige eigen ik gekeerd, dat wij onze familieleden en vrienden, en ook onze bekenden, geen gezondheid en welzijn zouden toewensen, zowel naar het tijdelijke als naar het geestelijke. En wanneer wij hun het goede toewensen, hoeven wij ons niet terughoudend of afkerig te tonen om dat in een paar vriendelijke woorden uit te spreken.
„Zijt vreedzaam onder elkander”, „barmhartig, vriendelijk”, „niet hooghartig”, „indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”: dit zijn voorschriften die in het Evangelie gegrond zijn. Zij mogen, ja, moeten zelfs beoefend worden, zonder ook maar iets op te offeren van de trouw die past bij hen die dagelijks in de vreze Gods willen wandelen. Er kan een voorbeeld zijn van vriendelijke woorden, net zo goed als een voorbeeld van gezonde woorden. Als wij de gezonde woorden gebruiken in volkomen overeenstemming met de leer van het Evangelie, dan mogen wij de vriendelijke woorden gebruiken in volkomen overeenstemming met de geest van het Evangelie.
Aan de lezer…
Er zijn tijden die om een bijzondere bede vragen, en nu er een nieuw jaar voor u ligt waarvan u het einde niet kunt overzien, is zo’n tijd gekomen. Met welke bede gaat u het in? Achter u liggen vele zonden, omzwervingen en afwijkingen; voor u liggen wegen die u niet kent. U weet hoe gemakkelijk uw voet uitglijdt en hoe snel uw hart afdwaalt. Breng dat alles eerlijk voor de troon van de genade, en zeg de dichter na: „Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.”
Want het oude jaar is met zijn beproevingen in het graf gezonken, en als het nieuwe jaar nieuwe beproevingen brengt, blijft de belofte van kracht dat er nieuwe ondersteuning gegeven zal worden. En wanneer u dan uw naasten tegemoetgaat, groet hen met oprechte, vriendelijke woorden. Wie zelf genade nodig heeft, mag ook een ander van harte het goede toewensen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hold up my goings in thy paths, that my footsteps slip not.
Psalm 17:5
Without scrupulously or superstitiously observing “days, and months, and times, and years,” few of us altogether pass by so marked an epoch as the dawning of another year upon our path without some acknowledgment of it both to God and man. When we open our eyes on the first morning of the year, we almost instinctively say, “This is New-year’s day.” Nor is this, at least this should not be, all the notice we take, all the acknowledgment we make of that opening year of which we may not see the close.
When we bend our knees before the throne of grace, we mingle with thankful acknowledgment for the mercies of the past year, both in providence and in grace, earnest petitions for similar mercies to be experienced and enjoyed through the present. Last evening witnessed our confessions of the many, many grievous sins, wanderings, backslidings, and departings from the living God during the year now gone; this morning witnesses our supplications for grace to hold up our goings in His paths, that our footsteps slip not through the year just come. Tears are most suitable at the burial of the dead; hopes and desires at the birth of the living. The past year was the departed father, worn out with age and infirmity; the present year the new-born babe in the arms of the smiling mother.
It is still, however, mid-winter. Today, the first of the present year, differs little in outward appearance from yesterday, the last of the past. But the thoughtful, prayerful mind takes little notice of wintry skies. It feels that the old, worn-out year has sunk into its grave, with all its trials and afflictions, and that a new year has come in its place, with its new hopes and new mercies; and if it bring new trials, yet that the promise still stands, that new strength will be given to meet and overcome them.
Refreshed and strengthened at the throne by such or similar communings with the God of all our mercies, we go down to meet our families, and are at once greeted on all sides with, “I wish you a happy new year,” a greeting which we as warmly and affectionately return. Almost every friend, well-nigh every acquaintance that we meet with in the course of the day, greets us with the same kind wish. Now in all this there may be a great deal of formality, lip-service, and traditional usage; but there may be also a good deal of sincerity, kindness, and affection. We are not, surely, so shut up in miserable self as to have no desire for the health and happiness, the temporal and spiritual welfare, of our families, our friends, or even our acquaintances.
And if we desire their good, we need not be backward or unwilling to express it in a few words of friendly greeting. “Be kind one to another, tender-hearted;” “Be sympathetic, be courteous;” “If it be possible, as much as lies in you, live peaceably with all men,” are precepts imbued with all the spirit of the gospel, and may be, indeed, should be, attended to without the least sacrifice of that faithfulness which becomes those who would daily walk in the fear of the Lord. There may be a form of kind words as well as “a form of sound words;” and as we may use the latter in perfect harmony with the doctrines of the gospel, so we may use the former in perfect harmony with the spirit of the gospel.
To the reader…
There are times that call for a special prayer, and now that a new year lies before you whose end you cannot foresee, such a time has come. With what prayer do you enter it? Behind you lie many sins, wanderings and departings; before you lie paths you do not know. You know how easily your foot slips and how quickly your heart strays. Bring all this honestly before the throne of grace, and say after the psalmist, “Hold up my goings in Thy paths, that my footsteps slip not.”
For the old year has sunk into its grave with its trials, and if the new year brings new trials, the promise still stands that new strength will be given. And when you then go out to meet those around you, greet them with sincere and kindly words. Whoever needs grace himself may also wholeheartedly wish another well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sustenta mis pasos en Tus caminos, porque mis pies no resbalen.
Salmo 17:5
Sin guardar de manera escrupulosa o supersticiosa “los días, y los meses, y los tiempos, y los años”, pocos de nosotros dejamos pasar del todo una época tan señalada como el amanecer de otro año en nuestro camino sin reconocerlo de algún modo, tanto ante Dios como ante los hombres. Cuando abrimos los ojos la primera mañana del año, decimos casi por instinto: “Hoy es día de Año Nuevo.” Y esta no es, o al menos no debería ser, toda la atención que prestamos, todo el reconocimiento que hacemos de ese año que comienza y cuyo fin quizá no veamos.
Cuando doblamos las rodillas ante el trono de la gracia, unimos al reconocimiento agradecido por las misericordias del año pasado, tanto en la providencia como en la gracia, peticiones fervientes para que misericordias semejantes sean experimentadas y disfrutadas durante el presente. La noche de ayer fue testigo de nuestras confesiones de los muchos, muchísimos pecados graves, extravíos, rebeliones y apartamientos del Dios vivo durante el año ya ido; esta mañana es testigo de nuestras súplicas pidiendo gracia para que Él sustente nuestros pasos en Sus caminos, a fin de que nuestros pies no resbalen en el año que acaba de llegar. Las lágrimas son muy propias en el entierro de los muertos; las esperanzas y los deseos, en el nacimiento de los vivos. El año pasado era el padre difunto, gastado por la edad y la flaqueza; el año presente, el niño recién nacido en brazos de la madre sonriente.
Sin embargo, todavía es pleno invierno. Hoy, el primer día del año presente, difiere poco en su apariencia exterior de ayer, el último del pasado. Pero la mente reflexiva y dada a la oración apenas repara en los cielos invernales. Siente que el año viejo y gastado se ha hundido en su sepulcro, con todas sus pruebas y aflicciones, y que un año nuevo ha venido en su lugar, con sus nuevas esperanzas y nuevas misericordias; y que, si trae nuevas pruebas, la promesa sigue en pie de que se dará nueva fuerza para hacerles frente y vencerlas.
Refrescados y fortalecidos ante el trono por estas o semejantes comuniones con el Dios de todas nuestras misericordias, bajamos a encontrarnos con nuestra familia, y enseguida se nos saluda por todos lados con un “Le deseo un feliz año nuevo”, saludo que devolvemos con igual calor y afecto. Casi cada amigo, casi cada conocido con quien nos encontramos en el curso del día, nos saluda con el mismo buen deseo. Ahora bien, en todo esto puede haber mucho de formalidad, de servicio de labios y de costumbre tradicional; pero también puede haber bastante de sinceridad, bondad y afecto. No estamos, sin duda, tan encerrados en nuestro miserable yo como para no desear la salud y la felicidad, el bienestar temporal y espiritual, de nuestras familias, de nuestros amigos, o incluso de nuestros conocidos.
Y si deseamos su bien, no tenemos por qué ser reacios ni negarnos a expresarlo con unas pocas palabras de saludo amistoso. “Sed los unos con los otros benignos, misericordiosos”; “sed compasivos, amigables”; “si se puede hacer, cuanto está en vosotros, tened paz con todos los hombres”, son preceptos impregnados de todo el espíritu del evangelio, y pueden, más aún, deben ser atendidos sin el menor sacrificio de aquella fidelidad que conviene a quienes desean andar cada día en el temor del Señor. Puede haber una forma de palabras amables así como hay “la forma de las sanas palabras”; y así como podemos usar esta última en perfecta armonía con las doctrinas del evangelio, así también podemos usar la primera en perfecta armonía con el espíritu del evangelio.
Al lector…
Hay momentos que piden una oración especial, y ahora que tiene delante un año nuevo cuyo fin no puede prever, ha llegado uno de esos momentos. ¿Con qué oración entra usted en él? Detrás de usted quedan muchos pecados, extravíos y apartamientos; delante de usted hay caminos que no conoce. Usted sabe con qué facilidad resbala su pie y con qué rapidez se desvía su corazón. Lleve todo esto con sinceridad ante el trono de la gracia y diga con el salmista: “Sustenta mis pasos en Tus caminos, porque mis pies no resbalen.”
Porque el año viejo se ha hundido en su sepulcro con sus pruebas, y si el año nuevo trae nuevas pruebas, la promesa sigue en pie de que se dará nueva fuerza. Y cuando salga luego al encuentro de quienes le rodean, salúdelos con palabras sinceras y amables. Quien necesita gracia para sí mismo puede también desear de todo corazón el bien a otro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl