Jesus the Great High Priest — Chapter IV
Het priesterschap van de Heere Jezus Christus valt uiteen in twee onderscheiden takken. Die komen overeen met twee machtige werken van genade en liefde, waarvan het ene door Hem op aarde is voltooid en het andere nu door Hem in de hemel wordt voortgezet. Die twee onderscheiden werken waren: 1, het brengen van een offer voor de zonde; 2, het doen van voorbede voor Zijn volk. Wij noemen ze onderscheiden werken eerder om onze voorstelling te helpen dan met de bedoeling ze werkelijk te scheiden.
In feite zijn zij namelijk het nauwst en innigst met elkaar verbonden en tot op zekere hoogte in elkaar vervlochten. Toen onze gezegende Heere Zichzelf vlekkeloos aan God opofferde, deed Hij voorbede door Zijn bloed. En nu Hij in de hemel is, pleiten de verdiensten van dat bloed nog steeds voor de troon.
Zo vinden wij de profeet het dragen van de zonde verbinden met de voorbede voor zondaars in die treffende woorden dat Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. (Jesaja 53:12.) Zijn voorbede voor overtreders werd gedaan op het ogenblik en door het middel van het dragen van hun zonde. Vader, vergeef het hun was Zijn biddende adem toen Hij de zonde droeg in Zijn eigen lichaam op het hout. (Lukas 23:34.)
Zo nam in type en beeld de hogepriester op de grote verzoendag van het bloed van het zondoffer binnen het voorhangsel en sprenkelde het op en voor het verzoendeksel. Zo verbond hij het offer bij het altaar buiten met de voorbede in het heilige der heiligen binnen. Wanneer wij bij dat deel van ons onderwerp komen waarin wij onze genadige Heere moeten beschouwen als Hem Die nu aan de rechterhand van de Vader voor ons bidt (Romeinen 8:34), zullen wij met Gods hulp en zegen trachten dieper in te gaan op het verband tussen Zijn dragen van de zonde aan het kruis en Zijn voorbede in de hemel.
Ons voornaamste doel is nu echter het geheim te ontvouwen van stervende liefde en verzoenend bloed dat in de hof en aan het kruis voltooid werd. De Levitische offers werpen veel licht op het ene offer waarmee Jezus, naar de Schrift, in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden. Wij hebben er daarom al veel gebruik van gemaakt. Als onze ruimte het toeliet, zouden wij er graag nog uitvoeriger op ingaan, op hun aard en geestelijke uitleg. Maar omdat onze ruimte noodzakelijk beperkt is, achten wij het het best ons te bepalen tot twee offers die onder de wet waren voorgeschreven: het brandoffer en het zondoffer.
Dit waren niet alleen de twee belangrijkste offers van de Levitische bedeling, die daarom met name genoemd worden in Psalm 40:7: brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist. Zij hebben ook een bijzondere aanspraak op onze aandacht omdat zij onze lijdende Hogepriester voorstellen onder twee onderscheiden aspecten, beide vol van genade en heerlijkheid. Het brandoffer stelt Hem, zoals wij al hebben aangewezen, voornamelijk voor zoals Hij voor God was. Het zondoffer stelt Hem voor zoals Hij voor de mens is.
In beide werd Hij voorgesteld als zondedrager. In beide offers werd de zonde overgedragen doordat de priester zijn hand op het hoofd van het slachtoffer legde. (Leviticus 1:4; Leviticus 4:4.) In beide werd het bloed van het slachtoffer vergoten en gesprengd. (Leviticus 1:5; Leviticus 4:4-6.) In beide werd verzoening gedaan voor de zonde. (Leviticus 1:4; Leviticus 4:20.) En beide werden geheel of gedeeltelijk op het altaar verbrand. (Leviticus 1:9; Leviticus 4:9-10.) Dat waren hun punten van overeenkomst. Zij zijn nauw genoeg om te tonen dat zij overeenkwamen in het voorstellen van het offer dat onze grote Hogepriester aan het kruis bracht.
Maar er waren onderscheidende verschillen tussen beide, van een zo duidelijk karakter dat zij tonen dat zij dit offer onder verschillende aspecten voorstelden. Zo was het brandoffer vrijwillig en het zondoffer verplicht. Het brandoffer werd gevild, in stukken gesneden en het ingewand en de schenkels werden met water gewassen. Geen van deze drie dingen was vereist bij het zondoffer.
Het bloed van het brandoffer werd slechts rondom op het altaar gesprengd. (Leviticus 1:11.) Maar het bloed van het zondoffer werd op de hoornen van het altaar gedaan, zevenmaal gesprengd voor het aangezicht van de Heere voor het voorhangsel van het heiligdom en uitgegoten aan de voet van het altaar van het brandoffer. (Leviticus 4:6-7.) Het hele brandoffer werd op het altaar verbrand. (Leviticus 1:13.) Van het zondoffer werd alleen het vet verbrand, dat is het inwendige vet dat de nieren bedekt. Want de huid en het vlees, ja de hele var, moesten buiten het leger worden gebracht naar een reine plaats en daar met vuur op het hout worden verbrand. (Leviticus 4:11-12.)
Wij zien dus dat het brandoffer en het zondoffer in sommige punten op elkaar leken maar in andere wijd uiteen liepen. En omdat wij er zeker van kunnen zijn dat de Heilige Geest door die verschillen onderwijs wilde geven, kunnen wij met Zijn hulp en zegen nu trachten in hun mystieke en geestelijke betekenis in te gaan.
1. Het brandoffer was geheel vrijwillig. Dit was een van zijn meest onderscheidende kenmerken. Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen. Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN. (Leviticus 1:2-3.)
Maar het zondoffer was verplicht. Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben; Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer. (Leviticus 4:2-3.)
Toen de zonde ontdekt was, werd er geen keus gelaten of er verzoening voor zou worden gedaan. Het was dwingend vereist dat het zondoffer werd gebracht. Het heet inderdaad een zonde van onwetendheid, maar met die uitdrukking en met het zondoffer dat daarvoor werd gebracht werd veel meer bedoeld dan op het eerste gezicht lijkt. Wij zullen daarom straks trachten uit te leggen wat met “zonden van onwetendheid” bedoeld werd. Maar ons doel is nu het onderscheid te tonen tussen het brandoffer en het zondoffer, namelijk dat het eerste vrijwillig en het tweede verplicht was.
In één opzicht was het offer van de gezegende Heere vrijwillig, in een ander opzicht verplicht. Zo stellen de twee soorten offers deze twee onderscheiden trekken voor van die ene verzoening voor de zonde die Hij aan het kruis bracht. Het woord van de waarheid houdt ons in verschillende gedeelten beide aspecten van onze lijdende Hogepriester zeer levendig en duidelijk voor.
Zo lezen wij dat Jezus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven. (Efeze 5:25.) Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, zegt de apostel. (Galaten 2:20.) En Jezus zelf zegt: Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:15; Johannes 10:17-18.)
In deze plaatsen wordt onze gezegende Heere voorgesteld als vrijelijk liefhebbend en Zichzelf vrijelijk gevend voor Zijn gemeente en volk. Hij legt vrijwillig Zijn leven af voor Zijn schapen en neemt het vrijelijk weer. Hier is geen dwang. Zoals Juda zich vrijelijk aan zijn vader Jakob aanbood om borg te worden voor Benjamin (Genesis 43:9), zo bood Jezus Zichzelf vrijelijk aan Zijn hemelse Vader aan om Borg te worden voor Zijn broeders. Hij kon daarom zeggen: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. (Psalm 40:8-9.)
In dit vrijwillig aanbieden van Zichzelf om de wil van de Vader te doen wordt de genade van de Heere Jezus Christus op uitnemende wijze getoond. Zij blijkt uit deze aandriften van liefde om Zichzelf voor de gemeente te geven. Zij blijkt uit dit werken van zuivere barmhartigheid om uit de schoot van de Vader voort te komen en de plaats van de zondaar in te nemen. En zij blijkt uit Zijn gehoorzaamheid als lijdende Borg van Zijn volk tot de dood, ja tot de dood aan het kruis.
Waar is een liefde gelijk aan Zijn liefde? Waar was een smart gelijk aan Zijn smart? Deze aandriften en werkingen van zuivere, vrije en vrijwillige liefde, door een levend geloof gevat en in zoete bevinding beleefd, maken de Heere Jezus Christus onuitsprekelijk dierbaar voor gelovige harten. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden, zegt de apostel. (2 Korinthe 8:9.) Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, zegt de heilige Johannes. (1 Johannes 4:19.)
Deze zuivere, onverdiende liefde van Jezus om een verzoenend offer voor onze zonden te worden, zoals die door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort, dringt verloste en wedergeboren zondaars Hem lief te hebben en tot Zijn lof te leven. Zo getuigde een van hen, aan wie het niet alleen gegeven was in Hem te geloven maar ook voor Hem te lijden: Want de liefde van Christus dringt ons; Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. (2 Korinthe 5:14-15.)
In onze beschouwingen van Jezus als Hogepriester moeten wij daarom ons oog strak richten op het vrije en vrijwillige karakter van Zijn onderneming. In de raadsvergaderingen van het eeuwige verbond nam Hij genadig op Zich de Knecht van de Vader te worden. Hoewel Hij Zoon was, een eeuwige, ware en wezenlijke Zoon, is van Hem te zeggen dat Hij gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden, en dat nam Hij vrijwillig op Zich. Deze kant van het karakter van onze gezegende Verlosser wordt prachtig afgebeeld door het brandoffer.
Maar toen Hij in de raadsvergaderingen van de eeuwigheid, bekrachtigd door het eeuwige verbond dat in alles wel geordend en gewis is, op Zich had genomen Borg te worden, werd wat tevoren zuiver vrij en vrijwillig was in zekere zin verplichtend. Er is een zin, een genadige zin, waarin het woord dwang zelfs van God Zelf gebruikt kan worden. Toen Hij bijvoorbeeld bij Zichzelf had gezworen Abraham te zegenen (Genesis 22:16-17), was Hij, om zo te zeggen, door Zijn eigen eed gebonden te doen wat Hij had beloofd. Daarom zegt de apostel dat het was om de erfgenamen van de belofte des te overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raad te tonen.
Toen Mozes pleitte voor het volk dat het gouden kalf had aanbeden, bracht hij daarom deze eed naar voren. Het was zijn krachtigste pleitgrond: Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israel, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. (Exodus 32:13.)
Zoals God dus, toen Hij Zich bij eed gebonden had Abraham te zegenen, als het ware door Zijn eigen eed gebonden was, zo was onze gezegende Heere, toen Hij Zich eenmaal door verbondsverplichtingen had gebonden om in de plaats en stede van Zijn volk te staan, niet langer vrij. Hij was geworden als de Hebreeuwse dienstknecht. Die was vrij om in het zevende jaar uit te gaan, maar als hij zei: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan, en zijn heer ter uitvoering van dat vrije besluit zijn oor aan de deurpost had doorboord, was hij daarna niet langer vrij.
Zo was onze gezegende Heere, toen Hij tot Zijn hemelse Vader zei: Gij hebt mij de oren doorboord, niet langer vrij. (De kanttekening heeft “gegraven”, met bijzondere verwijzing naar deze vrijwillige dienstbaarheid van de Hebreeuwse dienstknecht.) Hij was nu Gods Knecht: Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft. (Jesaja 42:1.) Hij was Zijn Knecht door Welken Ik verheerlijkt zal worden, gegeven als een Licht der heidenen, om Zijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Jesaja 49:3; Jesaja 49:6.)
Niet dat Hij wenste vrij te zijn en niet dat Hij berouw had van Zijn eeuwige verbintenissen. Integendeel kon Hij in de dagen van Zijn vlees zeggen: Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij. (Lukas 12:50.) Maar wij zien uit verschillende plaatsen, die ons als het ware een blik geven in de diepten van Zijn lijdensbevinding, dat Zijn heilige ziel terugdeinsde voor de beker die Hij op Zich genomen had te drinken.
Zo zei Hij, nog voor het uur van het lijden in Gethsemané, alsof dat lijden toen al in afwachting zijn sombere schaduw over Hem wierp: Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. (Johannes 12:27.) Vader, verlos Mij uit deze ure: daar is het terugdeinzen van het slachtoffer. Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen: daar is de heilige overgave aan de wil van de Vader.
Wij zien Hem in die overweldigende benauwdheid van ziel waarvan Hij zegt: Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. (Psalm 69:3.) Wij zien Hem in Gethsemané’s sombere hof in zwaren strijd, toen zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. (Lukas 22:44.) Wij zien Hem voor de overpriesters en oudsten en de hele raad zwijgen (Jezus zweeg stil, Mattheüs 26:63). Wij zien Hem in de tegenwoordigheid van Pontius Pilatus niet op een enig woord antwoorden (Mattheüs 27:14). Zo vervulde Hij de profetische verklaring: als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. (Jesaja 53:7.)
En vooral aan het kruis verborg de Vader als het bitterste bestanddeel van Zijn lijdensbeker Zijn aangezicht voor Hem. In al deze omstandigheden van smart, schande en smaad zien wij niet alleen wat de gezegende Heere leed toen Hij het gewicht van de zonde droeg. Wij zien ook waarom Zijn heilige ziel terugdeinsde bij het vooruitzicht die last te dragen. Dat Hij vrijwillig op Zich nam te lijden maakte het lijden niet geringer. Nee, het gewicht van het lijden verhoogde de vrijheid van Zijn genade.
Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan was slechts de uiting van de doodsstrijd van Zijn heilige ziel bij het eerste proeven van de toorn van de Vader. Het was Hij Die, gebogen onder smart en droefheid, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende. (Hebreeën 5:7.) Maar Hij had op Zich genomen en moest er doorheen.
Het woord was uitgegaan: Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. (Psalm 118:27.) Het zondoffer moest nu geofferd worden. Als brandoffer had Jezus Zich vrijwillig overgegeven om geheel verteerd te worden in de vlammen van goddelijke toorn en toch van zichzelf opofferende liefde. Maar nu staat Hij als zondoffer bij het altaar, want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. (2 Korinthe 5:21.)
Zoals het letterlijke slachtoffer met koorden aan de hoornen van het altaar werd gebonden opdat zijn worstelingen bedwongen zouden worden terwijl zijn bloed werd vergoten, zo was ook zijn Tegenbeeld, het heilige Lam van God, geestelijk aan de hoornen van het altaar gebonden. Dat gebeurde niet alleen door de koorden van Zijn eigen liefdevolle hart en niet alleen door de vaste koorden van de onveranderlijke wil van Zijn hemelse Vader. Het gebeurde ook door de even sterke koorden van Zijn eigen eeuwige verbondsverplichtingen. Hij had beloofd en moest uitvoeren. Zo was Hij, hoewel vrij, gebonden.
Deze vereniging van volkomen vrijheid en zelfopgelegde gebondenheid zien wij niet alleen bij de Hebreeuwse dienstknecht die wij al hebben aangehaald. Wij zien haar ook voortdurend in de ervaring van het menselijk leven. Zo kan mij gevraagd worden borg te worden voor iemand. Ik ben vrij het verzoek aan te nemen of het af te wijzen. Maar als ik het aanneem en zijn borg word, ben ik niet langer vrij. Dan ben ik gebonden door mijn verbintenis en door de nog sterkere banden van de wet.
Of als een vriend mijn hulp nodig heeft, ben ik vrij die te geven of die te onthouden. Maar als ik eenmaal beloof zijn verzoek in te willigen, ben ik niet langer een vrij handelend persoon maar gebonden mijn belofte na te komen. Prediker zegt: wat gij zult beloofd hebben, betaal het. Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt. (Prediker 5:3-4.)
Jezus was dus door Zijn eigen verbintenissen gebonden het werk te voltooien dat de Vader Hem te doen had gegeven. De gerechtigheid greep Hem aan, omdat Hij op de plaats van de zondaar stond. Omdat Hij geworden onder de wet was, (Galaten 4:4,) viel de vloek van de wet op Hem, want Hij was een vloek geworden zijnde voor ons. (Galaten 3:13.) En omdat Hij Borg was geworden voor Zijn broeders en zij de zware schuld niet konden betalen, kreunde Hij daaronder (Spreuken 11:15), om haar tot de laatste penning te voldoen.
2. En dit brengt ons bij een ander kenmerk van het zondoffer, waarin deze plaatsvervanging van Christus in de plaats van de zondaar duidelijker en nadrukkelijker wordt afgebeeld. Voordat de offerende priester het slachtoffer slachtte, legde hij zijn hand op zijn hoofd. Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer. En hij zal die var brengen tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des HEEREN. (Leviticus 4:3-4.)
Deze handeling stelde de overdracht van de zonde van de overtreder op het slachtoffer voor. Zij vereenzelvigde als het ware de een met de ander. Zij was een type van de plaatsvervanging van de overtreder door het slachtoffer en verklaarde door een zichtbaar teken dat het zijn zonden droeg en de straf ervan onderging, namelijk lijden en dood. Watts heeft de gevoelens van een gelovig hart dat deze plaatsvervanging beseft goed uitgedrukt toen hij schreef: “Mijn geloof zou haar hand leggen op dat dierbare hoofd van U, terwijl ik als een boetvaardige sta en daar mijn zonde belijd.”
Maar omdat deze overdracht van zonde vollediger en volkomener naar voren kwam bij de zondebok, willen wij de aandacht van onze lezers richten op die plechtige handeling op de grote verzoendag. En Aaron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. (Leviticus 16:21.)
Hoe treffend is het beeld waarin Aäron beide zijn handen, als waren zij gevuld met de zonden van Israël, op het hoofd van de levende bok legt. Hij belijdt al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden en legt ze op het hoofd des boks. Hoe zien wij door het geloof alle ongerechtigheden van de kinderen van God en al hun overtredingen gelegd op het heilige hoofd van Jezus! Wij zien hun droevige uitglijders en vallen, al hun lage afvalligheden en alle gruwelijke misdaden die met zoveel schuld en gewicht op hun bloedende gewetens hebben gelegen.
Zij werden “samengebracht”, zoals de profeet het in de kanttekening uitdrukt (Jesaja 53:6), als een machtige vloed die uit duizend samenvloeiende stromen op Hem afstormde. Jezus was vanaf Zijn eerste intrede in deze boze wereld een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Als het Lam van God droeg Hij de zonde van de wereld (Johannes 1:29, kanttekening) op het moment dat Johannes de Doper in de woestijn van Hem getuigde.
Toen Hij nog rondging en in de uitoefening van Zijn openbare bediening goed deed aan de lichamen en zielen van de mensen, nam Hij door toerekening onze krankheden op Zich en droeg Hij onze ziekten. Zo werd vervuld wat gesproken was door de profeet Jesaja: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen. (Mattheüs 8:17.) Maar in de hof en aan het kruis droeg het Lam van God vooral het gewicht van de toegerekende zonde.
Zoals Berridge zegt: “Het tafereel in de hof begint Zijn smarten.” Niet dat zij niet eerder waren begonnen, maar tot dan toe had Hij slechts de bittere beker geproefd die Hij daar tot op de bodem leegdronk. Dit begin van het uur van lijden deed Hem zeggen aan het begin van Zijn voorbedegebed, toen Hij, zoals wij eerder hebben getoond, volledig Zijn priesterambt aanvaardde: Vader, de ure is gekomen. (Johannes 17:1.)
Welk uur was dit anders dan het uur van het doodsangstige lijden, toen Zijn ziel zeer bedroefd was tot de dood toe en toch het uur waarvoor Hij in de wereld gekomen was? (Johannes 12:27.) Het was het uur van goddeloze mensen en van de macht der duisternis. (Lukas 22:53.) Het was het uur waarin de Vader luid riep: Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen. (Zacharia 13:7.)
Willen wij dus de buitengewone zondigheid van de zonde zien, voelen en beseffen, dan is het niet door de bliksemflitsen te bekijken en de donderslagen te horen van Sinaï’s vurige top. Het is door de doodsangst en het bloedige zweet te zien en het kreunen en de kreten te horen van de lijdende Zoon van God, gemaakt tot zonde voor ons, in de hof en aan het kruis. Wie op Hem ziet Dien wij doorstoken hebben, wordt in hart en ogen vervuld met godzalig leed over de zonde. Hij wordt vervuld met een heilige rouw om en over een gemartelde en gekrenkte Heere. (Zacharia 12:10.)
Het oog van het geloof, zoals dat aan de ziel geopenbaard wordt door de kracht van God, ziet de geliefde Zoon van God gebonden, gegeseld, geslagen, bespuwd en bespot. Het ziet Hem dan, als hoogtepunt van wrede hoon en hellewrede wreedheid, gekruisigd tussen twee dieven. Dit gelovig aanschouwen, deze gemeenschap aan het lijden van Christus, zal het hardste hart tot berouw en bekering doen smelten.
Maar wanneer wij door het oog van het geloof zien dat dit het kleinste deel van Zijn lijden was, wordt het nog veel ernstiger. Er waren diepten van zielenood, van onverdraaglijke angst en doodsstrijd uit de hand van God als een verterend vuur, van onbuigzame gerechtigheid en rechtvaardige verontwaardiging tegen de zonde waar zij ook en in wie zij ook gevonden wordt. Onze gezegende Heere moest de toorn van God dragen totdat Hij uitgestort als water werd en Zijn zachte, tedere hart in de vlammen van de gramschap als was werd en in Hem smolt. (Psalm 22:15.) Dan kunnen wij enigszins bevatten wat Hij op Zich nam toen Hij een zondoffer werd.
Want toen alle zonden van Zijn volk op Hem gelegd werden, viel de toorn van God die daarvoor verschuldigd was op Hem! Toen Jozefs beker in Benjamins zak gevonden werd, viel de straf van de overtreding op de schuldige. Die had kunnen zeggen: wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Zo behandelde de gerechtigheid Hem, toen de zonden van de uitverkorenen op het hoofd van Christus gevonden werden, als de schuldige misdadiger, hoewel Hij werkelijk onschuldig was en slechts door toerekening schuldig.
Scheiding van God, onder een besef van Zijn vreselijk misnoegen, en wel vanwege de zonde, dat gruwelijke ding dat Zijn heilige ziel haat: is dat niet de hel? Dit was dan de hel die de lijdende Verlosser onderging toen, naar het woord van de profeet, de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. (Jesaja 53:6.)
Welk hart kan bevatten of welke tong uitdrukken wat de gevoelens van de ziel van de Verlosser moeten zijn geweest? Hij was de geliefde Zoon van God. Hij had van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader gelegen. Zijn hele vreugde lag in hun wederzijdse liefde en gemeenschap. Zijn onuitsprekelijke zaligheid was het altijd te zijn wat Spreuken 8:30 zegt: Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. En nu werd Hij, de eniggeboren Zoon van de Vader, als het ware uit Zijn schoot weggestoten als, door toerekening, een zondaar.
In verhouding tot Zijn liefde voor de Vader waren Zijn nood en doodsstrijd over het misnoegen van de Vader. In verhouding tot Zijn intense heiligheid was Zijn smart omdat Hij als overtreder werd behandeld. De profeet zegt tot de bedroefde gemeente van God: Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest. (Jesaja 54:6.)
Wat is zo bitter voor de geest van een liefhebbende vrouw, een vrouw die getrouwd was in alle warmte en genegenheid van de jeugd, als door haar man verlaten te worden en dat al haar pogingen tot verzoening geweigerd worden? Maar wat is haar geestelijke smart, wat zijn al haar diepe wonden van lijdende liefde vergeleken bij de smart van geest die de Zoon van God voelde toen Zijn Vader, Zijn eigen Vader, Zijn aangezicht voor Hem verborg?
Dit bracht de pijnen van de hel in Zijn boezem. Want laten wij altijd bedenken dat de toorn van God, zoals gevoeld in het hart van Jezus, een plechtige en vreselijke werkelijkheid was. Was het lichamelijk lijden aan het kruis niet werkelijk? Doorboorden de nagels niet werkelijk de tedere handen en voeten, terwijl elke zenuw van het gefolterde lichaam tot de uiterste en folterendste hoogte van pijn werd opgespannen? Niet minder werkelijk en veel zwaarder waren de doodsstrijden van Zijn ziel. Want de toorn van God in het hart van de Verlosser was even werkelijk als de nagels die Zijn handen en voeten doorboorden!
Wat is lichamelijke pijn vergeleken met zielenangst? Onder de zwaarste lichamelijke pijn hebben martelaars zich in de vlammen verheugd, maar een gewonde geest, wie kan die dragen? Van alle benauwdheid is zielsbenauwdheid de zwaarste. En van alle zielsbenauwdheid, wat is te vergelijken met het besef van Gods toorn die de geest zelf opdrinkt en in het geweten brandt tot in de diepste hel?
Toch heeft Jezus de diepten van deze benauwdheid gedragen toen Hij onze zonden droeg in Zijn eigen lichaam op het hout. Als mens had Hij in die diepten niet kunnen standhouden zonder de schragende kracht van Zijn eigen inwonende Godheid en de genadige ondersteuning van de eeuwige Geest. Wij hebben nog verscheidene andere punten van het zondoffer te overwegen. Omdat die veel geestelijk onderwijs bevatten, stellen wij hun overweging uit tot ons volgende hoofdstuk, waarin wij hopen onze overdenkingen over het priesterschap van Jezus te besluiten.
The priesthood of the Lord Jesus Christ divides itself into two distinct branches, corresponding to those two mighty works of grace and love of which one was finished by him upon earth, and the other is now being carried on by him in heaven. These two distinct works were, 1, to offer sacrifice for sin; 2, to make intercession for his people. We have termed them distinct works, rather with a view to help our conceptions than with any intention really to separate them; for, in point of fact, they are most closely and intimately connected with each other and in a measure blended together, for when our blessed Lord offered himself without spot to God he made intercession by his blood, and now that he is in heaven the merits of that blood are still pleading before the throne. Thus we find the prophet connecting together the bearing of sin with intercession for sinners, in those striking words, “He bore the sin of many, and made intercession for the transgressors,” (Isa. 53:17,)—his intercession for transgressors being made at the time and by the very means of his bearing their sin. “Father, forgive them,” was his interceding breath at the very time when he was bearing sin in his own body on the tree. (Luke 23:34.)
So, in type and figure, on the great day of atonement, the high priest took of the blood of the sin offering within the veil and sprinkled it upon and before the mercy seat, thus connecting together the sacrifice at the altar without, with the intercession in the most holy place within. When we approach that part of our subject in which we shall have to contemplate our gracious Lord as even now at the right hand of the Father, making intercession for us, (Rom. 8:34,) we shall endeavor, with God’s help and blessing, to enter more fully into the connection between his bearing sin on the cross and his interceding in heaven; but our chief object at present is to open up the mystery of dying love and atoning blood which was consummated in the garden and on the cross.
As the Levitical sacrifices throw much light on the one offering whereby Jesus perfected forever them that are sanctified, we have already made much use of them, and if our limits admitted should be glad to enter still more largely into their nature and spiritual interpretation; but, as our space is necessarily restricted, we think it best to confine ourselves to two offerings prescribed under the law—the burnt offering and the sin offering. These were not only the two most important sacrifices of the Levitical dispensation, and are therefore specially named, Psalm. 40:6, “Burnt offering and sin offering have you not required,” but have an especial claim upon our attention as representing our suffering High Priest under two distinct aspects, yet each full of grace and glory.
The burnt offering, as we have already pointed out, represents him chiefly as he was to God; the sin offering as he is to man. In both he was represented as a sin-bearer, for in both of these sacrifices a transference was made of sin by the priest laying his hand on the head of the victim; (Lev. 1:4; 4:4;) in both the blood of the victim was shed and sprinkled; (Lev. 1:5; 4:4-6;) in both atonement was made for sin; (Lev. 1:4; 4:20;) and both were burnt either wholly or in part upon the altar. (Lev. 1:9; 4:9, 10.) Those were their points of union sufficiently close to show that they corresponded in representing the sacrifice offered by our great high Priest on the cross.
But there were distinctive differences between them of a character sufficiently marked to show that they represented this sacrifice under different aspects. Thus the burnt offering was voluntary, the sin offering was compulsory; the burnt offering was flayed, cut into pieces, and the inwards and legs washed in water; but not one of these three things was required in the sin offering; the blood of the burnt offering was merely sprinkled round about upon the altar, (Lev. 1:11,) but the blood of the sin offering was put upon the horns of the altar, sprinkled seven times before the Lord before the veil of the sanctuary, and poured out at the bottom of the altar of the burnt offering; (Lev. 4:6, 7;) the whole of the burnt offering was burnt upon the altar, (Lev. 1:13,) but the fat only of the sin offering, that is the internal fat which covers the kidneys, was burnt on the altar; for the skin and flesh, even the whole of the bullock, was to be carried forth without the camp, into a clean place, and there burnt on the wood with fire. (Lev. 4:11, 12.) We see, therefore, that though in some points the burnt offering and the sin offering resembled each other, yet that in others they widely differed; and as we may be sure that the Holy Spirit intended to convey instruction by these differences, we may, with his help and blessing, attempt now to enter on their mystical and spiritual meaning.
1. The burnt offering was wholly voluntary. This was one of its most distinctive features. “Speak unto the children of Israel, and say unto them, If any man of you bring an offering unto the Lord, you shall bring your offering of the cattle, even of the herd, and of the flock. If his offering be a burnt sacrifice of the herd, let him offer a male without blemish—he shall offer it of his own voluntary will at the door of the tabernacle of the congregation before the Lord.” (Lev. 1:2, 3.) But the sin offering was compulsory. “Speak unto the children of Israel, saying, If a soul shall sin through ignorance against any of the commandments of the Lord concerning things which ought not to be done, and shall do against any of them; if the priest that is anointed do sin according to the sin of the people, then let him bring for his sin, which he has sinned, a young bullock without blemish unto the Lord for a sin offering.” (Lev. 4:2, 3.)
When the sin was discovered, no choice was given whether atonement should be made for it, but it was imperatively required that the sin offering should be made. It is called indeed a sin of ignorance, but much more was intended, both by that expression and by the sin offering made for it, than at first sight might appear. We shall therefore attempt to explain by-and-by what was intended by “sins of ignorance;” but at present our object is to show the distinction between the burnt offering and the sin offering, in that the former was voluntary and the latter compulsory. In one sense the sacrifice of the blessed Lord was voluntary, in another compulsory; and thus the two kinds of offering represent these two distinct features of the one propitiation for sin which he offered upon the cross.
The word of truth brings before us, very vividly and clearly, in various passages, both these aspects of our suffering High Priest. Thus we read that Jesus “loved the church and gave himself for it.” (Eph. 5:25.) “Who loved me,” says the Apostle, “and gave himself for me.” (Gal. 2:20.) “As the Father knows me, even so know I the Father; and I lay down my life for the sheep. Therefore does my Father love me, because I lay down my life, that I might take it again. No man takes it from me, but I lay it down of myself. I have power to lay it down, and I have power to take it again. This commandment have I received of my Father.” (John 10:15, 17, 18.) In these passages our blessed Lord is represented as freely loving and freely giving himself for his Church and people, as freely and voluntarily laying down his life for his sheep, and freely taking it again. No compulsion is here. As Judah freely offered himself to his father Jacob, to become surety for Benjamin, (Gen. 43:9,) so Jesus freely offered himself to his heavenly Father, to become Surety for his brethren. He could therefore say, “Lo, I come; in the volume of the book it is written of me, I delight to do your wills O my God; yes, your law is within my heart.” (Psalm 40:7, 8.)
In this voluntary offering of himself to do the Father’s will, in these promptings of love to give himself for the Church, in these actings of pure mercy to come forth from the Father’s bosom to take the sinner’s place, and, as the suffering Surety of his people, to become obedient unto death, even the death of the cross, the grace of the Lord Jesus Christ is signally displayed. Where is love equal to his love? Where was sorrow equal to his sorrow? These promptings and actings of pure, free, and voluntary love, as apprehended by a living faith, and realized in sweet experience, make the Lord Jesus Christ unspeakably precious to believing hearts. “You know,” says the Apostle, “the grace of our Lord Jesus Christ, that though he was rich, yet for your sakes he became poor, that you through his poverty might be rich.” (2 Cor. 8:9.) “We love him,” says holy John, “because he first loved us.” (1 John 4:19.) This pure, unmerited love of Jesus, to become an atoning sacrifice for our sins, as shed abroad in the heart by the Holy Spirit, constrains redeemed and regenerated sinners to love him, and to live to his praise, as one testified, to whom it was given not only to believe in him, but also to suffer for his sake, “For the love of Christ constrains us; because we thus judge, that if one died for all, then were all dead—and that he died for all, that those who live should not henceforth live unto themselves, but unto him which died for them, and rose again.” (2 Cor. 5:14, 15.) In our contemplations, therefore, of Jesus as the High Priest, we must fix our eye steadily on the free and voluntary character of his undertaking, when, in the councils of the eternal covenant, he graciously undertook to become the Father’s servant; and though he was a Son, an eternal, a true, and real Son, to learn obedience by the things that he would suffer. This phase of our blessed Redeemer’s character is beautifully typified by the sacrifice of the burnt offering.
But, when in the councils of eternity, ratified by the everlasting covenant ordered in all things and sure, he had undertaken to become Surety, then what was before purely free and voluntary became in a sense compulsory. There is a sense, a gracious sense, in which the word compulsion may even be used of God himself. For instance, when he had sworn by himself to bless Abraham, (Gen. 22:16, 17,) he was bound, so to speak, by his own oath to perform what he had promised; and therefore the Apostle tells us it was to show more abundantly to the heirs of promise the immutability of his counsel. Moses, therefore, when he pleaded with the Lord on behalf of the people who had worshiped the golden calf, urged this oath as his most prevailing plea—“Remember Abraham, Isaac, and Israel, your servants, to whom you swore by your own self, and said unto them, I will multiply your seed as the stars of heaven, and all this land that I have spoken of will I give unto your seed, and they shall inherit it forever.” (Exod. 32:13.)
As, then, when God had bound himself by oath to bless Abraham, he was, so to speak, tied by his own oath; so, when our blessed Lord had once bound himself by covenant engagements to stand in his people’s place and stead, he was no longer free. He had become like the Hebrew servant, who, though free to go out in the seventh year, yet if he said, “I love my master, my wife, and my children; I will not go out free;” and if, in pursuance of this free determination, his master had bored his ear to the door-post, was then free no longer. So, when our blessed Lord said to his heavenly Father, “My ears have you opened,” (margin, “dug,” in especial reference to this voluntary servitude of the Hebrew bondman), he was no longer free. He was now God’s “servant, whom he upheld, his elect in whom his soul delighted;” (Isa. 42:1;) his servant in whom he would be glorified, given as a light to the Gentiles, that he might be his salvation unto the ends of the earth. (Isa. 49:3, 6.) Not that he wished to be free, not that he repented of his eternal engagements; on the contrary, he could say, in the days of his flesh, “I have a baptism to be baptized with, and how am I straitened until it be accomplished.” (Luke 12:50.)
But we find, from various passages, which give us, as it were, a view into the depths of his suffering experience, that there were shrinkings in his holy soul from the cup which he had undertaken to drink. Thus, even before the hour of Gethsemane’s suffering, as if in anticipation it even then cast its gloomy shade over him, he said, “Now is my soul troubled; and what shall I say? Father, save me from this hour; but for this cause came I unto this hour;” (John 12:27.) “Father, save me from this hour;” there is the shrinking of the victim. “But for this cause came I unto this hour;” there is the holy resignation to the Father’s will. And when he came into that overwhelming trouble of soul, of which he says, “I sink in deep mire, where there is no standing; I am come into deep waters, where the floods overflow me;” (Psalm 69:2;) when in Gethsemane’s gloomy garden, he was “in an agony, and his sweat was as it were great drops of blood, falling down to the ground;” (Luke 22:44;) when before the chief priests and elders, and all the council, “he held his peace,” (Matt. 26:63,) and in the presence of Pontius Pilate “answered him not a word,” (Matt. 27:14,) fulfilling thereby the prophetic declaration, “As a sheep before her shearers is dumb, so he opened not his mouth;” (Isa. 53:7;) and more especially on the cross, when, as the bitterest ingredient in his cup of suffering, his Father hid his face from him—in all these circumstances of sorrow, shame, and ignominy, we see not only what the blessed Lord suffered as bearing the weight of sin, but why his holy soul shrank in the prospect of bearing the load.
That he voluntarily undertook to suffer did not make the sufferings less. No, the weight of the suffering enhanced the freeness of his grace. “O my Father, if it be possible, let this cup pass from me,” was but the utterance of the agony of his holy soul in the first tasting of the Father’s wrath, when, bowed down with grief and sorrow, he offered up prayers and supplications, with strong crying and tears, unto him who was able to save him from death. (Heb. 6:7.) But he had undertaken, and must go through. The word had gone forth, “Bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar.” (Psalm 118:27.) The sin offering was now to be sacrificed. As the burnt offering, Jesus had voluntarily yielded himself up to be wholly consumed in the flames of divine wrath, yet of self-sacrificing love. But now he stands as a sin offering by the altar; for God “made him to be sin for us who knew no sin;” (2 Cor. 5:21;) and as the literal victim was bound with cords to the horns of the altar, that its struggles might be restrained while its blood was being shed, so was its Antitype, the holy Lamb of God, spiritually bound to the horns of the altar, not only by the cords of his own loving heart, not only by the firm cords of the fixed, immutable will of his heavenly Father, but by the no less strong cords also of his own eternal covenant engagements. He had promised, and must perform. Thus, though free, he was bound.
This union of perfect freedom and self-imposed bondage we see not only in the case of the Hebrew servant which we have already adduced—but as a matter of continual experience in human affairs. Thus I may be asked to become surety for a person. I am free to accept the request—or free to decline it. But if I accept it, and become his surety, I am free no longer, but am bound by my engagement, and the still stronger ties of the law. Or if a friend needs my help, I am free to give it, or to withhold it. But if I once promise to grant his petition, I am no longer a free agent, but am bound to perform my promise. “Pay that which you have vowed. Better is it that you should not vow than that you should vow and not pay.” (Eccl. 5:5.) Jesus, therefore, was bound by his own engagements to finish the work which the Father had given him to do. Justice arrested him, as standing in the sinner’s place. Being “made under the law,” (Gal. 4:4,) the curse of the law fell upon him, for he was made a curse for us; (Gal. 3:131;) and having become Surety for his brethren, as they could not pay the weighty debt, he groaned (Prov. 11:15) under it, that he might discharge it to the utmost fraction.
2. And this leads us to another feature of the sin offering, in which this substitution of Christ in the sinner’s place is more clearly and distinctly typified. Before he slaughtered the victim, the sacrificing priest laid his hand on its head. “If the anointed priest sins, bringing guilt on the people, he must bring to the Lord a young bull without defect as a sin offering for the sin he has committed. He is to present the bull at the entrance to the Tent of Meeting before the Lord. He is to lay his hand on its head and slaughter it before the Lord.” (Lev. 4:3, 4.) This act represented the transference of sin from the transgressor to the victim. It identified, as it were, the one with the other. It typified the substitution of the victim for the transgressor, and declared by a visible sign that it bore his sins and endured their penalty, which was suffering and death. Watts has well expressed the feelings of a believing heart, as realizing this substitution, when he writes,
“My faith would lay her hand
On that dear head of yours;
While, like a penitent, I stand,
And there confess my sin.”
But as this transference of sin was more fully and completely brought out in the case of the scapegoat, we shall direct our readers’ attention to that solemn transaction on the great day of atonement. “And Aaron shall lay both his hands upon the head of the live goat, and confess over him all the iniquities of the children of Israel, and all their transgressions in all their sins, putting them upon the head of the goat, and shall send him away by the hand of a fit man into the wilderness.” (Lev. 16:21.) How striking is the figure whereby Aaron is represented as laying “both his hands,” as if they were filled with the sins of Israel, upon the head of the live goat, and confessing “all the iniquities of the children of Israel, and all their transgressions in all their sins, putting them upon the head of the goat.” How we see by faith all the iniquities of the children of God and all their transgressions with all their sad slips and falls, all their base backslidings, and all the horrid crimes which have lain with such guilt and weight upon their bleeding consciences, put upon the sacred head of Jesus; “made to meet,” as the prophet speaks, (Isa. 53:6, margin,) like a mighty flood rushing upon him from a thousand confluent streams. Jesus was, from his first entrance into this evil world, a man of sorrows and acquainted with grief. As the Lamb of God, he was bearing the sin of the world, (John 1:29, margin,) at the very time when John the Baptist bore testimony of him in the wilderness. When yet going about doing good to the bodies and souls of men during the exercise of his public ministry, he was by imputation taking our infirmities and bearing our sicknesses. (Matt. 8:17.)
But it was in the garden and on the cross that the Lamb of God chiefly bore the weight of imputed sin. As Berridge says, “The garden scene begins his woes”—not that they had not begun before, but hitherto he had but tasted the bitter cup which there he drank to the very dregs. This commencement of the hour of suffering made him say in the opening of his intercessory prayer, when, as we have before shown, he entered more fully on his priestly office—“Father, the hour has come.” (John 17:1.) What hour was this but the hour of agonizing suffering, when his soul was exceeding sorrowful, even unto death, and yet the hour for which he came into the world; (John 12:27;) the hour of ungodly men and of the power of darkness; (Luke 22:53;) the hour when the Father cried aloud, “Awake, O sword, against my Shepherd, and against the man who is my fellow, says the Lord Almighty.” (Zech. 13:7.)
Would we, then, see, feel, and realize the exceeding sinfulness of sin, it is not by viewing the lightnings and hearing the thunders of Sinai’s fiery top, but in seeing the agony and bloody sweat, and hearing the groans and cries of the suffering Son of God, as made sin for us, in the garden and upon the cross. To look upon him whom we have pierced will fill heart and eyes with godly sorrow for sin, and a holy mourning for and over a martyred, injured Lord. (Zech. 13:10.) To see, by the eye of faith, as revealed to the soul by the power of God, the darling Son of God bound, scourged, buffeted, spit upon, mocked, and then, as the climax of cruel scorn and infernal cruelty, crucified between two thieves—this believing sight, this fellowship of the sufferings of Christ, will melt the hardest heart into contrition and repentance.
But when we see, by the eye of faith, that this was the smallest part of his sufferings, that there were depths of soul trouble and of intolerable distress and agony from the hand of God as a consuming fire, as of inflexible justice and righteous indignation against sin wherever and in whomever found, and that our blessed Lord had to endure the wrath of God until he was poured out like water, and his soft, tender heart in the flames of indignation became like wax, and melted within him, (Psalm, 22:14,)—then we can in some measure conceive what he undertook in becoming a sin offering. For as all the sins of his people were put upon him, the wrath of God due to them fell upon him!
As when Joseph’s cup was found in Benjamin’s sack, the penalty of the transgression fell upon the guilty one, who might have said, “Then I restored that which I took not away,” so, when the sins of the elect were found on the head of Christ, really innocent—though by imputation guilty, justice viewed him and treated him as the guilty criminal. Separation from God, under a sense of his terrible displeasure, and that on account of sin, that abominable thing which his holy soul hates—is not this hell? This, then, was the hell experienced by the suffering Redeemer when the Lord laid on him the iniquities of us all. (Isa. 53:6.) What heart can conceive or tongue express what must have been the feelings of the Redeemer’s soul when he, the beloved Son of God, when he who had lain in the bosom of the Father from all eternity, he whose whole joy was in their mutual love and fellowship, whose ineffable bliss it was to be ever “by him as one brought up with him, and to be daily his delight, rejoicing always before him,” when he, the Father’s only begotten Son, was as if put away from his bosom as, by imputation, a sinner. In proportion to his love to the Father were his distress and agony at his displeasure; in proportion to his intense holiness was his grief at being treated as a transgressor.
The prophet, speaking to the afflicted Church of God, says, “For the Lord has called you back from your grief—as though you were a young wife abandoned by her husband.” (Isa. 54:6.) What so grievous to the spirit of a loving wife, one who had been married in all the warmth and affection of youth, as to be forsaken of her husband, and that all her advances to reconciliation should be refused? But what is her grief of spirit, what are all her deep wounds of suffering love compared to the grief of spirit felt by the Son of God when his Father, his own Father, hid his face from him? This brought into his bosom the pangs of hell; for let us ever bear in mind that there was a solemn and dreadful reality in the wrath of God as felt in the heart of Jesus. Was not the bodily suffering of the cross real? Did not the nails really pierce the tender hands and feet, while every nerve of the agonized body was wrought up to the most exquisite and excruciating height of pain? No less real, and far more severe, were the agonies of his soul, for the wrath of God in the Redeemer’s heart was as real as the nails that pierced his hands and feet!
What is bodily pain compared with mental anguish? Under the heaviest bodily pain martyrs have rejoiced in the flames; but a wounded spirit who can bear? Of all trouble—soul-trouble is the heaviest; and of all soul-trouble, what is to be compared with a sense of God’s wrath drinking up the very spirit, and burning in the conscience to the lowest hell? Yet the depths of this trouble-depths in which he himself as man could not have stood, but from the sustaining energy of his own indwelling Deity and the gracious support of the eternal Spirit, Jesus sustained when he bore our sins in his own body on the tree. We have still several other points of the sin offering to consider, but as these contain in them much spiritual instruction, we shall defer their consideration to our next chapter, when we hope to close our meditations on the Priesthood of Jesus.