1. Het eerste en voornaamste punt van overeenkomst is dit: beide zijn voor hun geestelijk leven en hun bloei afhankelijk van de Heere, hun Hoofd. De gemeente is Zijn lichaam, waarvan de afzonderlijke gelovigen leden zijn. Zonder Hem kunnen lichaam en leden niets doen. Hij is de Weg waarop beiden wandelen, de Waarheid waarin beiden geloven en het Leven waarin beiden leven.
2. Maar behalve deze overeenkomst in afhankelijkheid is er ook een opvallende gelijkenis in bevinding. In de geschiedenis van de gemeente zijn er bepaalde uitgesproken perioden van geestelijke bloei, ‘tijdvakken’ zoals men ze gewoonlijk noemt. In die tijden werden de tegenwoordigheid en de kracht van de Heere bijzonder openbaar.
Deze tijden waren geheel te danken aan de bijzondere uitstorting van de Heilige Geest, volgens de belofte van de Schrift: Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten. Daarom heeft men ze ‘uitstortingen’ van de Heilige Geest genoemd. De eerste daarvan was die allergedenkwaardigste op de Pinksterdag. Zij was het voorbeeld en het model van alle volgende, al overtrof zij die onmetelijk in kracht en heerlijkheid. De profeten spreken van den vroegen regen en den spaden regen. Dat lijkt in beeld en gelijkenis de schoonheid en zaligheid van deze genadige uitstortingen voor te stellen.
Zolang deze buien op de gemeente vielen, bloeide zij. Meestal was het voor haar een tijd van uiterlijke vervolging en moeite. Maar naarmate haar verdrukkingen toenamen, namen ook haar vertroostingen toe, en zij zag eruit als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren.
Maar toen deze genadige uitstortingen werden onthouden, nam zij langzaam af in vruchtbaarheid, als een veld dat geen regen krijgt. Zo laat de geschiedenis van de gemeente een afwisseling zien van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, herstel en verval, leven en dood, zomer en winter, opstanding en bederf. Hierin komt de bevinding van de gemeente overeen met de bevinding van haar geestelijke leden.
Er zijn weinig kinderen van God die niet kunnen terugkijken op bepaalde uitgesproken tijden in hun bevinding, waarin de gezegende Geest krachtig in hun hart werkte. Zo was het met hun eerste overtuigingen of hun eerste zegeningen, met hun geest van smeking of hun geest van horen. Zo was het met de zoete openbaringen van Christus, met de duidelijke gebedsverhoringen en met de liefde die zij voor de broeders voelden. Zo was het ook met hun bereidheid om offers te brengen en vervolging te lijden omwille van de waarheid.
Deze en soortgelijke lichte en gezegende plekken in de christelijke bevinding komen bij de enkele gelovige overeen met de uitstortingen waarover wij spraken. Die markeren bepaalde tijdperken in de gemeente. En hun koude, doodsheid en onvruchtbaarheid wanneer de invloeden van de Geest worden onthouden, komen overeen met de tijden van achteruitgang en verval in de geschiedenis van de gemeente.
3. Een derde punt van overeenkomst valt ook op te merken. Wanneer de gemeente was vervallen tot koude en dood, heeft de Heere in haar te allen tijde een uitverkoren overblijfsel bewaard. Dat zucht en roept over het verval van Sion en getuigt als trouwe getuige tegen de toestand waarin zij is gevallen. Ook hier komt de bevinding van de enkele gelovige overeen met de bevinding van de gemeente.
In de boezem van een kind van God is er nog altijd een zucht en een roep over de gruwelen, hoe diep de ziel ook in vleselijkheid en lauwheid is gezonken. De ziel is zich innerlijk bewust van haar afdwalingen, haar koude, doodsheid en verval. En het geweten, als een trouwe getuige voor God, onomkoopbaar en niet tot zwijgen te brengen, verheft telkens weer zijn stem. Het getuigt tegen het verlaten van den Springader des levenden waters om bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.


