Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1853: Liefde en eenheid in een verdorde gemeente

Terwijl de wereld bloeit, kwijnt de gemeente door twist en kilte. Philpot wijst op het voorbeeld van de profeten en van Paulus: liefde, verdraagzaamheid en de uitstorting van de Geest brengen genezing.

In de wereld spreekt op dit moment alles van beweging en vooruitgang. De wetenschap wint dagelijks nieuw terrein. Er is vooruitgang in smaak en schoonheid, de handel bloeit, werk is er in overvloed, de rijkdom neemt toe en de weelde heerst. Australië stort haar gouden schatten uit en trekt duizenden over de oceaan om, zoals Demas, haar glinsterende erts op te graven. Amerika opent zijn armen wijd voor mijriaden behoeftige landverhuizers.

Stoomschepen, spoorwegen en elektrische telegrafen verspreiden zich naar alle kanten en verbinden de verst verwijderde volken nauw met elkaar. Alles wijst op een tijdperk van bedrijvigheid en vooruitgang zoals de wereld nog nooit heeft gezien. Goed kan de vorst en god van deze wereld vanaf zijn duistere troon neerzien op zijn toegewijde onderdanen en aanbidders en zeggen:

“Alles gaat goed. Nooit haastten de zonen van Adam zich sneller naar de hel. De razernij van de zaken, de altijd kletterende hamer en de altijd snorrende schietspoel! Het snuiven van het ijzeren ros dat elk uur duizenden bonzende hoofden achter zich aan sleurt! De onophoudelijke bezigheid van de geest op kantoor, in de winkel en op het handelskantoor! Het geroep van ‘werk, werk, werk’ dat steeds uit de fabrieksbel galmt! In dit enorme gistende vat van het leven lijkt alles te golven en te bewegen.

Mensen zien deze tekenen van de tijd en roepen: ‘Wat een voorspoed! Wat een succes! Mochten wij er maar meer van hebben: meer zaken, meer goud, rijkere oogsten en grotere schuren. Dan zullen wij het rustig aan doen en eten, drinken en vrolijk zijn.’”

Maar waar is bij al deze stoffelijke voorspoed de godsdienst, de levende godzaligheid, het werk van de genade? Bloeit die ook? Groeit de gemeente, de bruid van het Lam, in genade en in de kennis van onze Heere Jezus Christus? Zijn er opvallende bekeringen of bijzondere verlossingen? Heerst er liefde in het hart van de gemeenten? Prediken de dienaren met kracht en geestelijke smaak? Wordt God diep gevreesd? Worden Zijn beloften vast geloofd, Zijn geboden zorgvuldig onderhouden en Zijn inzettingen hoog geacht? Wordt Zijn woord innig liefgehad en Zijn eer ernstig gezocht?

Zijn zij die de waarheid belijden nederig, biddend, waakzaam en geestelijk gezind? Wandelen zij als levende getuigen voor God en getuigen zij tegenover een goddeloze wereld dat zij kinderen en dienaren van de Allerhoogste zijn? Is de scheidslijn tussen de gemeente en de wereld helder en duidelijk? En is zij werkelijk schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?

Wie kan dat zeggen? Wie kan van de gemeente zeggen dat zij bloeit en dat haar voorspoed gelijk oploopt met die van de wereld? Wij kunnen veeleer Joëls klacht aanheffen: Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan. De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen. (Joël 1:10-12.)

Wie weet wat genade is en wat genade doet, kan niet anders dan zien dat de hemel boven Sion zwaar bewolkt is. Het leven van God staat op een laag peil en de zegeningen en vertroostingen van de Geest worden sterk tegengehouden. Waar u ook gaat, overal hoort u dezelfde klachten. Gemeenten zijn zwaar verscheurd en verdeeld. Partijzucht heerst wijd en zijd. Kilte en doodsheid verlammen hen die eens vol leven en gevoel schenen.

Wanneer de kinderen van God samenkomen, is er weinig echt geestelijk gesprek. Wereldse onderwerpen verdringen de dingen van God: de kleinigheden van de dag, het weer, de markten en de oogsten, de politiek en de roddel. Wordt er over de godsdienst gesproken, dan blijft dat alles op afstand. De bevinding gaat verloren in een wolk van algemeenheden. Over de gaven en bekwaamheden van predikanten, over teksten en preken en over hun wisselingen en verplaatsingen wordt veel gepraat.

Dan wordt er een twistpunt aangesneden waarover de strijders elkaar met tand en nagel aanvliegen. De partijen verliezen hun zelfbeheersing en het ene harde woord lokt het andere uit. Zo ontaardt alles in een herbergruzie. De arme godsdienst wordt in de kerkenraadskamer even erg vertrapt als de nuchterheid in de kroeg.

Waar zijn liefde en eendracht te midden van deze strijd van tongen? Wat voelen de tederhartigen en de zachtmoedigen en stillen? Wat voelen de pas geroepenen, de jonge leden van de gemeenten, het geoefende deel van de kudde en de twijfelenden en vrezenden, wanneer zij mensen zien die naar leeftijd en ervaring vaders in Israël zouden moeten zijn? Zij zijn koud en dood in hun gesprek. Zij slapen onder de bediening en zijn begraven in vleselijkheid. Hun tong komt alleen in beweging als de wereld ter sprake komt, als er twist is op de gemeentevergadering of redetwist in de kerkenraadskamer.

Als gemeenten uit onverenigbare bestanddelen bestaan, kunnen twist en verdeeldheid niet uitblijven. Hoe kunnen de stormvogel en de schuchtere duif in hetzelfde nest wonen? De duif kan niet gillen op de kam van de kokende golf en tussen de deinende baren haar visbuit bijeenzoeken, zwelgend in wind en storm. En de stormvogel kan niet wonen in het rustige nest van de liefde om klagend te koeren over de afwezigheid van zijn geliefde.

Toch is het een teken dat de Heere Zijn gemeente niet verlaten heeft, dat er nog zulke duiven zijn. Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen, zegt de Heere tot de gemeente. (Hooglied 1:15.) Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte. Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte. (Hooglied 5:2; Hooglied 6:9.)

Deze duiven zijn de stillen in het land, de zachtmoedigen die de aarde zullen beërven, de nederigen en verslagenen die beven voor Gods woord. Zij zijn de getekenden op het voorhoofd die zuchten en wenen over alle gruwelen. Zij zijn de tederhartige Josia’s die hun klederen scheuren wanneer zij de wet ontdekken. Zij zijn de Baruchs die geen grote dingen voor zichzelf zoeken maar wier leven hun tot een buit wordt gegeven.

Zij walgen van zichzelf met Job. Zij roepen met Jesaja: Wee mij. Zij klagen met Jeremia over de verwoestingen van Sion. Zij liggen op hun zij al de dagen van haar belegering, zoals Ezechiël, en verheugen zich met Nehemia in de bouw van de tempel van de Heere. Zij bidden om de vrede van Jeruzalem, hebben het stof en de stenen van Sion lief, zijn dapper voor de waarheid op aarde en blijven de Heere aanhangen met een vast voornemen van het hart.

Zeker, zij worden, zoals Asaf, de hele dag geplaagd en elke morgen getuchtigd. Net als Heman is hun ziel vaak vol van kwaden en nadert hun leven het graf. Hun hoop wordt, zoals die van Job, soms weggerukt als een boom. Zoals Hizkia hebben zij voor vrede vaak grote bitterheid. En zoals Jozef worden zij vaak door de schutters bitter bejegend, beschoten en gehaat.

Bij de genadetroon staat Satan hun tegen, zoals hij Jozua de hogepriester tegenstond. Hij beschuldigt hen dag en nacht voor God, zoals hij de martelaren van oudsen beschuldigde. Strikken omringen hun voet aan alle kanten. Vaak glijden en struikelen zij op gladde plaatsen. Begeerten en driften werken met angstwekkende kracht. Een boos hart brengt onophoudelijk boze dingen voort. En soms opent een sombere wanhoop haar armen wijd, alsof zij hen in haar laatste ademtocht voor eeuwig wilde wegdragen in de diepste duisternis.

Wij zeggen niet dat er geen bevoorrechte mensen zijn wier ziel meer verwarmd wordt door de stralen en meer bewaterd door de regens en dauw van de hemel dan die van hen wier bevinding wij zojuist hebben geschetst. De Heere zegene hen steeds overvloediger en vermeerdere hun aantal als het Zijn wil is! Zij zijn heldere en gezegende uitzonderingen op het merendeel van het levende gezin in deze tijd. Maar de meesten zijn diep bedrukt en hebben deze hartversterkingen nodig. En als zij meer van de vertroostingen hebben, hebben zij ook meer van de lijdensdelen van Christus.

Maar is de toestand van deze dagen zonder voorbeeld in het woord van de waarheid? De laatste dagen van de Joodse kerk, vlak voor de Babylonische ballingschap, en de tijd vlak voordat de profeet Maleachi de canon van het Oude Testament sloot, vertonen blijkbaar zeer gelijke trekken. Misschien mogen wij zelfs zeggen dat die nog erger waren. Lees de profetieën van Jeremia en Ezechiël en zie hun klachten over profeet, priester en volk.

De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van dien maken? (Jeremia 5:31.) Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. (Jeremia 6:13-14.)

Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de een een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen denzelven pleisteren met loze kalk. Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. (Ezechiël 13:10-11.)

Stoutmoedig en onbevreesd waren inderdaad de aanklachten van deze dienaren van God tegen de goddeloosheid die in die dagen overvloedig was. Zonder vrees en zonder vleierij kondigden zij de komende oordelen van God over een schuldig volk aan. Maar hoe behandelden zij het lijdende overblijfsel? Maakten zij geen onderscheid tussen de schuchteren en de dapperen, tussen hen die beven voor Gods woord en hen die het kwaad doen, tussen de zieke schapen en de sterke bokken? Hierin zijn zij onze navolging ten volle waard.

Geselden zij de bedroefde heiligen met schorpioenen? Sloegen zij hen met dezelfde gesel als de goddeloze wereld of de valse profeten? Nee, integendeel: zij gaven hun telkens beloften van de gunst van de Heere. Dat was de kern van hun getuigenis: Voorwaar, het zal goed zijn met uw overblijfsel.

Zij moedigden hen aan het aangezicht van de Heere te zoeken: Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN. (Zefanja 2:3.) Zij moedigden hen aan op de Heere te vertrouwen: Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN, en steune op zijn God. (Jesaja 50:10.)

Zij verzekerden hun dat de Heere zou verschijnen tot hun vreugde (Jesaja 66:5) en dat Hij een vurige muur rondom hen zou zijn en tot heerlijkheid wezen in het midden van haar (Zacharia 2:5). Hij zou hen opzoeken en redden uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid waren op de dag van wolken en donkerheid. En al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen, toch zou Zijn goedertierenheid niet van hen wijken en het verbond van Zijn vrede niet wankelen.

Moeten wij niet in dit spoor treden? Als wij geroepen worden om luid te roepen en niet te sparen, om onze stem te verheffen als een bazuin en het volk zijn overtreding te tonen en het huis van Juda zijn zonden, dan worden wij evenzeer geroepen om het hart van de rechtvaardige niet bedroefd te maken, die God niet bedroefd heeft gemaakt. De door God ingegeven profeten hadden wel een opdracht om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren, maar ook een opdracht te bouwen en te planten. (Jeremia 1:10.)

Als de hagel de toevlucht van de leugen wegvaagde, dan werd er nog steeds een grondsteen in Sion gelegd, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is. Laat Jezus niet over het hoofd gezien worden. Laat Zijn dierbaar bloed niet stilzwijgend ter zijde worden gesteld en Zijn rechtvaardigmakende gehoorzaamheid niet uit het zicht verdwijnen. Laat Zijn genade niet vergeten worden en Zijn stervende liefde niet verwaarloosd.

Wij kunnen zoveel kwaad in onszelf en in anderen zien dat wij niets anders meer zien. Onze ogen kunnen zo vast op de kwaal gericht zijn dat wij het geneesmiddel uit het oog verliezen. Wij kunnen zo veel en zo lang stilstaan bij de ziekte van Sion dat wij vergeten dat er nog balsem is in Gilead en een machtige Geneesheer. Er is veel gevaar dat wij in een wettische geest vervallen bij het streven een antinomiaanse geest te vermijden.

Sion is ziek en kwijnt. Hoe moet zij genezen en hersteld worden? Door de wet of door het evangelie? Vloeit de balsem van de berg Sinaï of van de berg Sion? De schapen zijn ziek. Moeten de onderherders hen om te genezen met de herdersstaf op het hoofd slaan en over de berghelling gooien? Of moeten zij hen naar de groene weiden en de stille wateren brengen? Moeten zij hen met Ezau afjakkeren of zachtjes leiden met Jakob? Moeten zij over hen heersen met strengheid en met hardigheid, of hen weiden op de bergen van Israël in een goede kooi en in een vette weide? (Ezechiël 34:4,14.)

Er is twist in de gemeenten. Hoe moet die twist genezen en de vrede hersteld worden? Doen de predikanten dat door de zweep mee de kansel op te nemen, als een kijfachtige moeder die de kinderen links en rechts geselt, meer om haar eigen drift te luchten dan voor hun bestwil? Een tik hier en een draai om de oren daar herstelt de vrede in een gemeente even weinig als in een huisgezin. Gezinnen en gemeenten moeten door liefde geregeerd worden en niet door de roede.

Laat er inderdaad een roede zijn en haal die waar nodig tevoorschijn, want tucht is in de gemeente even nodig als in het huis. Maar laat de roede niet het voornaamste middel zijn en pas haar niet toe voordat alle mildere middelen zijn beproefd en mislukt. En is de roede nodig, laat haar dan gedrenkt zijn in de tranen van de herder. Laat zij niet worden toegepast zoals een schoolmeester een spijbelaar geselt, maar zoals een vader een kind tuchtigt.

Wij zijn door de teerste banden en de zaligste verplichtingen gebonden om verdraagzaamheid en vergeving te tonen aan dwalende broeders. Wij moeten hun kwade daden niet rechtvaardigen en geen oogje dichtknijpen voor de zonde. Wij moeten op onszelf letten, opdat ook wij niet verzocht worden. Wij mogen niet hard en onverbiddelijk zijn, steeds geneigd te berispen en te veroordelen. Wij mogen onze broeders niet bij de keel grijpen om honderd penningen met de eis Betaal mij, wat gij schuldig zijt, terwijl wij onze eigen schuld van tienduizend talenten vergeten.

Wij mogen niet steeds munt, dille en komijn afwegen en vertienden terwijl wij het gewichtigere, het recht en de liefde, verwaarlozen. Wij mogen niet als rechters zitten maar moeten als misdadigers voor het gerecht staan. Wij mogen onszelf niet verheffen door anderen omlaag te halen. Wij mogen onze eigen betrekkelijke goedheid niet vergroten door de tekorten van belijders in de andere schaal te leggen.

De profeten deden dat niet. Zij vereenzelvigden zich met het volk van de Heere in al hun belijdenissen. Wie was onberispelijker dan Daniël? Toch, lees zijn belijdenis (Daniël 9:1-27): Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, enzovoort. Niet: ‘Ik, Daniël, ben vrij.’ Wie was getrouwer dan Jeremia? Toch, hoe vereenzelvigt hij zich met het zondigende Israël! Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest. Hij bidt ook: bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds. (Klaagliederen 3:42; Klaagliederen 5:21.)

Wie was gehoorzamer dan Mozes? Toch scheidt hij zich niet af van het overtredende Israël: vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde. (Exodus 34:9.) Toen hij ervan afweek zijn mond in het stof te leggen en de staf in zijn hand nam, sloeg hij daarmee niet alleen het gezicht van de rots maar ook de ruggen van Israël met een Hoort toch, gij wederspannigen, alsof ook hij er niet een was. Toen sloot hij zichzelf buiten het beloofde land. Hij stond toen als een god en niet als een mens. Daarom heiligde hij de Heere niet voor de ogen der kinderen van Israel. (Numeri 20:10-12.)

Toen Paulus een roede naar de gemeente van Korinthe zond, deed hij dat niet in een zelfverheffende, zelfgerechtige geest maar uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen. En toen zijn bestraffingen tot hun berouw gezegend werden, was hij vervuld met vertroosting en zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. (2 Korinthe 2:4; 2 Korinthe 7:4.) Wat een voorbeeld van de hoogste trouw vermengd met de teerste liefde!

Hij is langzaam om te verwonden en snel om te genezen, als laatste met de roede en als eerste met de kus. Hij is vertoornd over de zonde maar teder over de zondaar, ijverzuchtig voor de eer van de Heere maar indachtig aan Zijn genade. Hij is bezorgd voor de zuiverheid en het welzijn van de kudde maar smacht ernaar het dwalende schaap terug te brengen. Waren herders Paulussen en gemeenten brieven van Christus, dan zouden er minder verdeeldheden zijn en die zouden sneller genezen.

Maar als een onbuigzame, onvergevingsgezinde geest zich aan beide kanten vertoont, als gemeenten de zwakheden van hun predikant niet kunnen dragen en predikanten niet willen wijken waar zij duidelijk in gebreke zijn, dan smeult er onder kansel en kerkbank een vulkaan. Die zal eens losbarsten in een onblusbare vlam, nog in dit leven. Bedenk daarom: indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.

Er is geen zekerder teken en geen onrustbarender verschijnsel van het verval van de levende godzaligheid dan het gebrek aan liefde en eendracht onder hen die de waarheid belijden. Als de liefde tot de broeders de dageraad van het geestelijk leven aanduidt, dan wijst het verdwijnen van die liefde zeker op het verval ervan. Een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet bestaan. Een belegerde stad die van binnen door partijtwist verscheurd wordt, moet voor de vijand vallen.

Vrede in de gemeente is de naaste zegen na vrede in de ziel en hangt er het innigst mee samen. Het is even dwaas als huichelachtig te spreken van vrede met God als het hart in oorlog is met de broeders. Aan de vrede moeten wij dus alles opofferen, behalve waarheid en geweten. Onze strijd moet niet zijn om onze eigen zelfzuchtige doeleinden te bereiken, onze eigen meningen star door te drijven of over de geest van anderen te heersen alsof onze eigen opvattingen noodzakelijk onfeilbaar waren. Wij moeten ons beijveren te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.

De bloei van een gemeente bestaat niet in het aantal leden, in de biddende gaven van haar diakenen, in haar vrijgevige kwartaalcollecten, in de gaven en bekwaamheden van de predikant of in de heldere leeropvattingen van het volk. Zij bestaat in de liefde die het hele lichaam samenbindt. De werkelijke groei van een gemeente komt niet zozeer van buiten als van binnen: den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Zonder deze innerlijke groei in liefde kunnen er bij tientallen leden aan een gemeente worden toegevoegd en toch blijft het hele lichaam een tweedrachtige massa van vormloze ledematen, zonder eenheid met het Hoofd of met elkaar.

Wij mogen er zeker van zijn dat de voorschriften van het Nieuwe Testament over wederzijdse liefde en vergeving niet straffeloos veronachtzaamd en verwaarloosd kunnen worden. Ons koppige humeur en onze onvergevingsgezinde geest kunnen weigeren naar Gods woord te luisteren. Maar wij kunnen de voorschriften en het voorbeeld van de Schrift niet ongestraft terzijde stellen omdat onze verdorven natuur zich ertegen verzet. Gods wegen mogen onze vleselijke gezindheid niet behagen, maar Hij zal ze daarom niet veranderen. Als wij tegen Hem in wandelen, zal Hij tegen ons in wandelen, en als wij ongehoorzaam zijn, zullen wij de bittere vruchten ervan oogsten.

Als de zonde aan het ene eind van de keten zit, zal het verdriet zeker aan het andere zitten. Als wij in het vlees zaaien, zullen wij zeker uit het vlees verderfenis maaien. Maar als wij in de Geest zaaien, zullen wij uit den Geest het eeuwige leven maaien. Wat wij vooral nodig hebben en waarop onze gebeden en verlangens gericht moeten zijn, is de uitstorting van de Geest over herders en gemeenten en over de hele gemeente van God. Geen ander middel baat. Bij gebrek hieraan vervallen wij voortdurend in uitersten.

Wij zien dit in de bediening van onze tijd, want de bediening is slechts een afspiegeling van de tijden. Sommigen zijn geheel voor de leer. Leer, leer, leer, en dat in de hardste en droogste vorm, is hun onveranderlijke hoofdvoedsel. Zeer lieflijk en dierbaar zijn de leerstukken van het evangelie wanneer de Heilige Geest ze in de ziel laat neerdruppelen. Maar op een koude, stelselmatige manier als louter geloofsbelijdenis voorgedragen, worden zij een vervanging voor levende godzaligheid en dus een vloek in plaats van een zegen.

Anderen zien de verwaarlozing van de praktische godsdienst in onze tijd en dringen voortdurend aan op het gebod. Maar zij doen dat in een geest die zo wettisch is en met een aard die zo hard is, dat de genade bijna uit het zicht wordt gedrongen en de arme hoorders steeds vol slavernij en slaafse vrees zijn. En weer anderen, die de bevinding prediken, staan zo lang stil bij de werkingen van de zonde dat zij de werkingen van de genade bijna weglaten. Zij wijzen op de kwaal en vergeten bijna het geneesmiddel te beschrijven.

Maar al deze kwalen en ontelbare andere waaronder Sion nu gebukt gaat, kunnen alleen verholpen worden door de uitstorting van de Geest uit de hoogte. Van Hem alleen komt een ware kennis van de zonde, berouw erover, belijdenis ervan en afkeer ervan. Dan zal Sion zich bekeren en van zichzelf walgen in stof en as. Dan zal de belijdenis stromen naar God en naar de broeders. Dan zullen liefde en eendracht tussen predikanten en gemeenten herleven. En dan zal de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, hun harten en hun zinnen bewaren in Christus Jezus.

Totdat die gelukkige tijd aanbreekt, is het onze wijsheid en ons geluk twist en strijd te mijden. Het zien en voelen van het kwaad in onszelf en in anderen moet ons wederzijdse verdraagzaamheid leren. Wij liggen allen in het ziekenhuis. Zouden wij dan ruziën met onze medepatiënten? Moeten wij niet veeleer meeleven met elkaars klachten en uitzien naar de komst van de Geneesheer, die alleen ieder en allen kan genezen? Op deze gemeenschappelijke grond kan heel het levende gezin elkaar ontmoeten, zelfs in deze donkere en sombere dag.

Maar als wij ons niet van twist kunnen onthouden en toch een strijdpunt met de broeders willen, laat dit dan ons geschilpunt zijn: wie is de grotere zondaar, wie heeft het meest aan de Zaligmaker te danken en wie zal het meest tot Zijn eer leven.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!