Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De bevoegdheid van de Heere Jezus om het ambt van Profeet voor Zijn volk te bekleden

Philpot toont waarom de Heere Jezus de Profeet van Zijn volk kan zijn: om Zijn Godheid en eeuwig Zoonschap, om Zijn volkomen mensheid en om Zijn eigen bevinding en verzoeking. Zo is Hij de Mond waardoor de Vader tot de mensenkinderen spreekt.

Bij het ontvouwen van dit onderdeel van ons onderwerp onderzoeken wij eerst de grondslag van deze bevoegdheden. Die blijkt grotendeels dezelfde te zijn als de grondslag van Zijn priesterambt: Zijn heerlijke Persoon als Immanuël, God met ons. Dat Hij God is, werkelijk en wezenlijk God, de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, is de grondslag van al Zijn ambten en van alles wat Hij voor de gemeente van God is.

Almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid zijn wezenlijke eigenschappen van de Godheid. Wie als Priester verzoent, als Profeet onderwijst en als Koning regeert, heeft ze nodig. De Godheid van onze gezegende Heere rust dan ook niet alleen op afzonderlijke teksten van de Schrift, hoe talrijk of hoe duidelijk die ook zijn. Wij danken God dat Hij ons die rechtstreekse getuigenissen heeft gegeven om ons geloof te versterken en het te verdedigen tegen tegenstanders. Maar de onrechtstreekse getuigenissen zijn zo mogelijk nog sterker.

De Godheid van onze gezegende Heere is zo verweven met de waarheid van God dat de hele openbaring in stukken zou vallen als men haar eruit kon scheuren. Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn genade en heerlijkheid en het hele heilsplan dat Hij heeft volbracht zijn zozeer van Zijn Godheid afhankelijk dat ze zonder haar en los van haar niet alleen geen waarde of geldigheid zouden hebben. Ze zouden helemaal niet bestaan. Ze zouden geen plaats hebben in het Woord en geen plaats in het hart van het gezin van God.

Bekijk dit in verband met Zijn ambten. Was Jezus slechts een mens, dan zou Zijn bloed als Priester en Offer tegelijk niet genoeg waard zijn om één zonde weg te doen, laat staan de miljoenen zonden van miljoenen zondaren. Hoe zouden Zijn ogen dan kunnen zien, Zijn oren horen en Zijn lippen onderwijzen als Profeet van Zijn gemeente? Duizenden van Zijn gelovigen roepen immers van alle kanten tot Hem en zien naar Hem op om onderwijs.

Was Hij slechts een mens, hoe zouden Zijn schouders dan het gewicht van de heerschappij kunnen dragen als Koning over alle dingen in de hemel en op de aarde? Zo is Zijn eeuwige, werkelijke en wezenlijke Godheid de grondslag van al Zijn ambten. Zonder haar zou elke andere bevoegdheid volkomen krachteloos zijn.

Maar ook hier komen wij, zoals bij Zijn priesterambt, die gezegende en heerlijke waarheid tegen van Zijn echte, eigenlijke en eeuwige Zoonschap. Voor Zijn ambt als Profeet is dat een even noodzakelijke bevoegdheid als Zijn eeuwige Godheid. Het is er in feite onlosmakelijk mee verbonden. Wanneer wij dus beweren dat het ware en eigenlijke Zoonschap van onze gezegende Heere wezenlijk hoort bij Zijn bekleding van het ambt van Profeet voor Zijn gemeente, dan doen wij dat als belijdenis van een grote en gewichtige evangeliewaarheid.

In onze inleidende opmerkingen over de aard van het profetische ambt hebben wij laten zien dat een profeet in wezen iemand is die voor God spreekt. Dat is precies de rol die onze gezegende Heere voor de gemeente vervult als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Hij spreekt voor de Vader tot de gemeente, want de Vader spreekt in en door Hem.

Tweemaal sprak de Vader met een hoorbare stem uit de hemel. De eerste keer zei Hij: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! De tweede keer voegde Hij op de heilige berg eraan toe: hoort Hem! (Mattheüs 3:17; Mattheüs 17:5.) Het bijzondere van de genade en de heerlijkheid van de christelijke bedeling, haar opvallende en onderscheidende kenmerk, is dat God daarin spreekt in en door Zijn dierbare Zoon.

Hoe helder en schoon verklaart de apostel dit in het openingshoofdstuk van de brief aan de Hebreeën: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft; Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen; Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft. (Hebreeën 1:1-4.)

Wanneer wij door het geloof de Zoon van God zien als het Afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, mogen wij wel voelen en zeggen: wie is zo geschikt om voor de Vader te spreken als Zijn eigen Zoon, Die van eeuwigheid in Zijn schoot lag? Wie kent de wil van de Vader zo volmaakt en zo innig, en wie kan die wil zo goed aan de mensenkinderen openbaren?

In Wie vinden wij liefde en macht zo met elkaar verbonden? In Wie vinden wij zo’n ijver voor de eer van God en zo’n medelijden met de mensenkinderen, zo’n majesteit en zo’n barmhartigheid, zo’n oneindige reinheid en zo’n onuitsprekelijke nederbuiging? Wat een vertegenwoordiger van God en wat een boodschapper voor de mens!

Hij en de Vader zijn één: één in wezen en één in wil, hoewel in Persoon onderscheiden. Eén zijn met de Vader in wezen en toch van de Vader onderscheiden in Persoon is het eigen kenmerk van Zijn eeuwige betrekking tot Hem als Zijn eniggeboren Zoon. Het Woord is Zijn titel als Persoon in de Godheid: het Woord was God. Maar waarom is Hij het Woord? Omdat God in Hem en door Hem spreekt. En waarom spreekt de Vader in en door Hem? Omdat Hij Zijn Zoon is.

Wie is zo geschikt als Zijn eigen Zoon, zowel voor de Vader om door Hem te spreken als om voor de Vader te spreken? Buiten de Zoon kan de Vader niet gezien, niet gehoord en niet gekend worden. God is in Zichzelf wezenlijk onzichtbaar. Hij woont in een licht waartoe niemand kan naderen en geen mens heeft Hem gezien of kan Hem zien. Maar het heeft Hem behaagd Zich te openbaren in de Persoon van Zijn dierbare Zoon.

Zo zien wij in Hem de Vader, zoals Hij tegen Filippus zei. (Johannes 14:9.) En wanneer wij Zijn heerlijkheid aanschouwen, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid, zien wij de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (Johannes 1:14; 2 Korinthe 4:6.)

Op dezelfde manier kunnen wij de stem van God niet rechtstreeks en onmiddellijk horen. Toen die stem klonk op de brandende top van de Sinaï, beefde het hele volk dat in het leger was en schudde zelfs de hele berg hevig. De stem was zo vreselijk dat wie haar hoorden, smeekten dat het woord niet meer tot hen gesproken zou worden. En het gezicht was zo ontzagwekkend dat zelfs Mozes, de man van God en de middelaar als voorafbeelding, zei: Ik ben gans bevreesd en bevende. (Hebreeën 12:19-21.)

Zoals wij God dus niet kunnen zien dan als Hij Zich in Zijn Zoon openbaart, zo kunnen wij God ook niet horen dan als Hij in Zijn Zoon spreekt. Dat was het getuigenis van Johannes de Doper over Hem: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. (Johannes 1:18.)

Als Hij Die uit de schoot van de Vader kwam, was Hij bij uitstek bekwaam om over Hem en voor Hem te spreken. Dat getuigde Johannes zo duidelijk: Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate. (Johannes 3:31-34.)

In ons volgende onderwerp hopen wij met Gods hulp en zegen verder in te gaan op de bevoegdheden van de Heere Jezus Christus om het ambt van Profeet voor de gemeente van God te bekleden.

In al Zijn werken en al Zijn wegen, in de schepping, in de voorzienigheid en in de genade, straalt de oneindige wijsheid van de grote en heerlijke Soeverein van hemel en aarde met duidelijke glans. Het menselijk verstand is door de val verlaagd en bedorven en zit vol duisternis, ongeloof en goddeloosheid. Daardoor blijft die wijsheid voor de ogen van de mensen meestal verborgen. Maar als wij onder het onderwijs en het getuigenis van de gezegende Geest het licht leren zien in Gods licht, begint die oneindige en onuitsprekelijke wijsheid zich voor ons bewonderende blik te openen.

Wanneer de Geest ons in de schepping Zijn wonderdoende hand leert zien, kunnen wij met David zeggen: Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. (Psalm 104:24.) Mogen wij Zijn hand in de voorzienigheid nagaan, dan kunnen wij terugzien op de hele weg waarlangs Hij ons al die jaren door de woestijn heeft geleid. Dan zien wij op elke stap wijsheid en barmhartigheid gestempeld.

Maar welk beeld wij door het geloof ook krijgen van de enige wijze God, Die werkt in de wonderen van de schepping of regeert in de ingewikkelde zaken van de voorzienigheid: op het gebied van de genade wordt Zijn wijsheid voor een gelovig hart het meest ontdekt. Het evangelie is immers de grote, laatste openbaring van Zijn gedachten en wil in de zaligheid van Zijn volk. Het is de grootste ontplooiing van Gods wijsheid die aan Zijn verstandige schepselen geboden kon worden, of dat nu verloste mensen zijn of bewonderende en aanbiddende engelen.

Het besef hiervan deed de apostel zeggen: En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden; Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was; (1 Korinthe 2:6-7.)

Bij een andere gelegenheid deed het hem als het ware stilstaan aan de rand van heilige verwondering en eerbiedig ontzag, met deze kreet in zijn hart en op zijn lippen: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! (Romeinen 11:33.)

Zelfs de engelen, die heldere en heerlijke wezens die altijd het aangezicht zien van de God en Vader van de Heere Jezus in de hemel, putten hun diepste lessen over de wijsheid van God uit het aanschouwen van Zijn genadige omgang met Zijn volk: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere; (Efeze 3:10-11.)

Deze openbaring van Gods wijsheid aan engelachtige verstanden door middel van de gemeente werd voor de heiligen van het Oude Testament voorgesteld door de twee cherubs van gedreven goud. Die overdekten met hun vleugels het verzoendeksel en keerden hun gezichten ernaartoe. Het was alsof zij voortdurend wilden doordringen in het goddelijke geheim van barmhartigheid en genade voor de schuldige mens door de menswording van de Zoon van God. Zoals de apostel zegt: in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. (1 Petrus 1:12.)

De Heere Jezus Christus is dan ook in Zijn Persoon en werk, als de Middelaar tussen God en mensen, in alle ambten die Hij bekleedt, in alle rijkdom van Zijn genade en alle volheid van Zijn heerlijkheid, de wijsheid Gods en ook de kracht Gods. (1 Korinthe 1:24.) Want In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. (Kolossenzen 2:3.)

Maar deze schatten zijn voor de wijzen en verstandigen verborgen en worden alleen aan kinderkens geopenbaard. (Mattheüs 11:25.) Daarom is Hij Zelf ons geworden is wijsheid van God. (1 Korinthe 1:30.) Wij mogen in Hem en uit Hem die springader van wijsheid bezitten, die in ons zal zijn als een stromende beek. (Spreuken 18:4.)

Dat gebeurt doordat wij aan Zijn voeten zitten en Zijn woorden horen (Lukas 10:39) en Zijn juk op ons nemen en van Hem leren (Mattheüs 11:29). Het gebeurt door de vereniging en gemeenschap met Hem als levende leden van Zijn mystieke lichaam (Efeze 5:30) en doordat wij met Hem verbonden zijn als één geest met Hem (1 Korinthe 6:17). Het gebeurt doordat wij Zijn gezindheid in ons opnemen (1 Korinthe 2:16). Het gebeurt ook doordat wij met ongedekt gezicht Zijn heerlijkheid als in een spiegel aanschouwen en naar hetzelfde beeld veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals door de Geest van de Heere. (2 Korinthe 3:18.)

Het verband van deze opmerkingen over de wijsheid van God, zoals die zich toont in de Persoon en het werk van Christus, is misschien niet meteen duidelijk. Wij hebben ze echter laten vallen in samenhang met het deel van ons onderwerp dat nog voor ons ligt: de bevoegdheden die de Heere Jezus bezat om Zijn ambt als Profeet voor Zijn volk te vervullen.

Als de gezegende Heere dan de wijsheid Gods is, zal die wijsheid uitstralen. Zij doet dat niet alleen in de samenstelling van Zijn heerlijke Persoon als Immanuël, God met ons, maar in elk van Zijn verbondsambten. Niet alleen als Priester en Koning maar ook als Profeet straalt Hij in de heerlijkheid van de Vader.

Hier komen oneindige wijsheid, oneindige liefde en oneindige macht samen: de wijsheid van God de Vader, de liefde van God de Zoon en de macht van God de Heilige Geest. Alles is verenigd in de Persoon en het werk van Immanuël om de Vader te verheerlijken, de Zoon te verhogen en de gemeente te redden. Dit hemelse geheimenis van wijsheid, liefde en macht te verstaan, te geloven, lief te hebben, te vereren en te aanbidden is onze hoogste wijsheid. Het in zoete bevinding te verwerkelijken en vervuld te worden met alle gezegende vruchten die eruit voortkomen voor tijd en eeuwigheid is onze rijkste barmhartigheid.

Met het verlangen om enkele van deze diepten van wijsheid, liefde en macht te doorzien, nemen wij ons onderwerp nu weer op: de bevoegdheden van Jezus om het profetische ambt te bekleden tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk.

Wij hebben eerder vooral stilgestaan bij de bevoegdheden die Hij bezit als goddelijke Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, voorafgaand aan en onafhankelijk van de mens, zowel gevallen als ongevallen. Het waren er twee: 1. Zijn eeuwige Godheid; 2. Zijn ware en eigenlijke Zoonschap. Beide waren, zo hebben wij gezien, nodig om Hem te bekwamen om als de mond van God te spreken.

Hij was het Woord dat in het begin bij God was. (Johannes 1:1.) Hij alleen had de Vader gezien (Johannes 6:46) en kende de Vader zoals de Vader Hem kent (Johannes 10:15). Hij is van de Vader uitgegaan (Johannes 16:28) als de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is (Johannes 1:18) en Hij openbaarde wat Hij gezien en gehoord had, want hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij. (Johannes 3:32.)

Het is zeer versterkend voor het geloof om deze bevoegdheden van de gezegende Heere te zien om van de Vader te getuigen. Wij willen zekerheden, het volste bewijs en de helderste verzekering dat Jezus wat Hij van de Vader verklaard heeft, niet kende door inspiratie, zoals de profeten, maar door werkelijk persoonlijk zien en kennen. Wij willen zekerheid dat Hij uit de schoot van de Vader kwam en dat Hij een voedsterling bij Hem was, dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. (Spreuken 8:30.)

Wat een rust is dit voor het geloof! Het kan met volle zekerheid steunen op alles wat Jezus over de Vader heeft getuigd, want Hij alleen kent Hem en openbaart Hem toch genadig aan de mensenkinderen. Bij de dingen die onze eeuwige vrede aangaan, bij de ernstige zaken van de eeuwigheid waarin de troost en vreugde van onze ziel op het spel staan, om haar eeuwige zaligheid nog te zwijgen, is het hoogst nodig een grondslag te hebben waarop het geloof stevig kan bouwen en veilig kan staan. Dat geldt te midden van alle stormen van de verzoeking, de golven van de ellende en de schuimende baren van ongeloof en goddeloosheid, opgezweept door de adem van de satan.

Gelovige, uw geloof moet steunen op de woorden van Jezus Christus en ermee omgaan, want Hij heeft de woorden des eeuwigen levens. Uw geloof zal, als het dat nog niet is geweest, door het vuur beproefd worden. Zie dus goed toe op de grondslag en let erop dat die stevig en goed is.

Wij zullen met Gods hulp en zegen uitvoeriger bij dit deel van ons onderwerp stilstaan wanneer wij zien hoe het profetische ambt van onze Heere de bevinding van een gelovige raakt. Maar wij willen onze lezers nu al inprenten hoe nodig en hoe zalig het is om ware en gelovige opvattingen te hebben over de bevoegdheden van onze Heere om te spreken in de naam van de Vader. Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, vóórdat de fundamenten van de aarde gelegd werden en de dageraad zijn plaats kende.

Nu komen wij echter bij de bevoegdheden die meer rechtstreeks samenhangen met Zijn zuivere MENSHEID. Wij zullen zien dat die even noodzakelijk zijn als de bevoegdheden die gegrond zijn op Zijn eeuwige Godheid en Zoonschap.

1. Het is Zijn mens-zijn naast Zijn God-zijn dat Hem geschikt maakt tot Middelaar: Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus. (1 Timotheüs 2:5.) Doordat Hij de Mens Christus Jezus is en tevens God de Zoon, kan Hij de scheidsman of scheidsrechter zijn (zo staat het in de kantlijn) naar wie Job verlangde. (Job 9:33.) Alleen Hij kan zijn hand op ons beiden leggen.

Als God kon Jezus voor de mens tot God spreken. Als mens kon Hij voor God tot de mens spreken. Zo hoog als de hoogste, werd Hij zo laag als de laagste. Gelijk aan de Vader in Zijn goddelijke natuur, werd Hij gelijk aan de mens in Zijn menselijke natuur.

De Profeet van wie Mozes sprak, zou komen uit het midden van de kinderen Israëls, uit hun broederen. Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken. En nog eens: Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. (Deuteronomium 18:15; Deuteronomium 18:18.)

De beloofde Profeet moest worden verwekt uit het midden van de broederen. Hij zou immers van het zaad van de vrouw zijn (Genesis 3:15) en uit het zaad van David, naar het vlees (Romeinen 1:3). Om een broeder te zijn moest Hij hun natuur aannemen, zoals de apostel verklaart: Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden. (Hebreeën 2:14.)

En nogmaals zegt hij: Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. (Hebreeën 2:16-17.) Dat bekwaamde Hem om te zeggen: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen. (Hebreeën 2:12.)

Zijn bevoegdheid als mens om het ambt van Profeet te bekleden was even nodig als Zijn bevoegdheid als God. Om de mens te redden werd God mens. Om Zijn broeders te onderwijzen werd de Zoon van God hun broeder. Deze zuivere en volmaakte menselijkheid nam Hij aan in de schoot van de maagd. De Heilige Geest, onder Wiens goddelijke en bovennatuurlijke werking en overschaduwing deze menselijke natuur ontvangen werd, vervulde haar op het eigenste ogenblik van de ontvangenis met alle genade. Zo maakte Hij haar tot een heilige tempel waarin alle volheid van de Godheid lichamelijk woonde.

2. Maar hoewel deze menselijke natuur van onze gezegende Heere op het ogenblik van haar ontvangenis geheiligd en met alle hemelse genade vervuld was, was zij toch vatbaar voor zowel natuurlijke als geestelijke groei en voor verdere toename van de gaven en genaden van de Heilige Geest. Wij lezen daarom van Jezus in Zijn vroegste jaren dat het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem. (Lukas 2:40.)

De groei die daar genoemd wordt, heeft betrekking op Zijn lichaam, want elders wordt van Hem gezegd dat Hij toenam in grootte. (Lukas 2:52.) Hij groeide zoals wij groeien van kind tot jongeling en man. Maar Hij kende niet de nadelen van ziekte en kinderkwalen waaraan wij onderhevig zijn. Daarvan was Hij volkomen vrij, omdat er in Zijn zuivere en heilige lichaam geen smet van ziekte of kiem van sterfelijkheid was.

Dat Hij werd gesterkt in den geest, betekent dat Zijn ziel steeds meer met kracht en wijsheid werd vervuld door een voortdurende toevloed van de kracht en zalving van de Heilige Geest. Er werd geen nieuwe genade aan Zijn ziel meegedeeld, zoals er geen nieuw lid aan Zijn lichaam werd toegevoegd. Maar zoals Zijn zuivere menselijke ziel, net als de onze, met de groei van het lichaam uitdijde en groeide, zo werd zij meer en meer vervuld met de Heilige Geest.

De goddelijke natuur nam voor onze gezegende Heere niet de plaats van een ziel in. De twee naturen waren wezenlijk onderscheiden. Hoewel ze op geheimzinnige wijze verenigd waren in de Persoon van de Godmens, was er, zoals de geloofsbelijdenis van Athanasius het goed uitdrukt, geen „vermenging van de zelfstandigheid”. Die zou er zijn geweest als Zijn wezenlijke Godheid als ziel Zijn lichaam bezield had.

Vraagt iemand waarom de menselijke ziel van Jezus de gaven en genaden van de Heilige Geest nodig had, terwijl zij vanaf het ogenblik van Zijn ontvangenis heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren was? Dan antwoorden wij dat zij zonder die gaven en genaden niet aan de dienst van God gewijd zou zijn geweest. Zij had dan ook niet naar de volle maat van haar vermogen voor Hem en tot Hem kunnen leven.

Heel Zijn menselijke natuur, lichaam en ziel, zou nog steeds dat Heilige zijn geweest. (Lukas 1:35.) Maar zoals het lichaam zonder natuurlijke groei altijd een baby zou zijn gebleven, zo zou Zijn ziel niet zijn opgegroeid tot haar volle wijsheid en genade. Dat zou zijn gebeurd als dezelfde gezegende Geest, Die haar in de schoot had gevormd en geheiligd, haar niet voortdurend met hemelse schatten had aangevuld.

Dit wordt prachtig ontvouwd in de woorden van de profeet: Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. (Jesaja 11:1-3.)

Door de inwoning van de Heilige Geest werd de menselijke natuur van onze gezegende Heere een heilige tempel, gewijd aan de dienst van God en met alle genade vervuld. Zij werd bekwaam gemaakt om niet alleen de hele wil van de Vader te doen en te lijden, maar ook elk verbondsambt te bekleden.

3. Maar vooral bij Zijn doop werd Hij gewijd aan de actieve dienst van Zijn hemelse Vader. Toen daalde de Geest van God in lichamelijke gedaante als een duif uit de hemel neer en bleef op Hem. De Vader riep met hoorbare stem uit de hemel: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

Dit kwam overeen met de zalving van de profeten van weleer tot hun profetisch ambt, zoals Elia het bevel kreeg Elisa tot profeet zalven in uw plaats. (1 Koningen 19:16.) Toen verzegelde de Vader Hem, want Dezen heeft God de Vader verzegeld (Johannes 6:27). Hij getuigde van Hem (Johannes 8:18), getuigde van Zijn Zoonschap, gaf Hem de Geest niet met mate (Johannes 3:34) en beval ons Hem te horen.

Toen daalde de Heilige Geest neer, zoals Johannes de Doper zag, en bleef op Hem. (Johannes 1:32-33.) Door deze zichtbare nederdaling en dit blijvende rusten zalfde Hij Hem op bijzondere wijze met al die goddelijke gaven en genaden. Daardoor werd Hij bekwaam om Zijn zending als Bode van het verbond op de meest volmaakte en volledige wijze te vervullen, tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk.

Zo kunnen wij een onderscheid maken tussen twee zaken. Aan de ene kant staan die genaden van de Heilige Geest waarmee Hij gezalfd werd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. (Psalm 45:8; Hebreeën 1:9.) Aan de andere kant staat de bijzondere mededeling van hemelse genaden en gaven waardoor Hij op een eigen wijze werd afgezonderd en bekwaam gemaakt om het werk te voltooien dat de Vader Hem te doen gaf.

Onze gezegende Heere leefde een leven van geloof op Zijn hemelse Vader. De werkingen van dit geloof in al zijn verscheidene gestalten zijn duidelijk te zien in die Psalmen die buiten alle twijfel de bevinding van Jezus in de dagen van Zijn vlees bevatten. Er is geen genade of vrucht van de Heilige Geest die Zijn volk in maat bezit en die de Heere niet zonder maat bezat. Bedenk daarbij dat dit werkzame genaden waren, die door dezelfde Heilige Geest Die ze had meegedeeld voortdurend werden aangewakkerd en geoefend.

Wie die Psalmen waarin onze Heere spreekt met verlicht oog leest, ziet al deze genaden voortdurend werken. Men ziet geloof in al zijn werkingen, hoop in al haar verankeringen en liefde in al haar stromen. Men ziet lijdzaamheid in al haar verduren, nederigheid in al haar onderwerpingen en gebed in al zijn smekingen. Men ziet lof in al zijn aanbidding, gehoorzaamheid in al haar toegeven, ijver in al zijn gloed, toewijding in al haar zelfopofferingen, heiligheid in al haar vlam en aanbidding in al haar gloed.

Al deze genaden en vruchten van de Heilige Geest schitteren als met stralen van hemels licht in de persoonlijke bevinding van onze gezegende Heere in die Psalmen waarin Hij spreekt. Zij waren als het ware door de Heilige Geest voor Hem vervaardigd voordat Hij in een tijdelijke staat kwam. Zij waren niet alleen profetisch over Zijn lijden ten bate van Zijn gemeente, maar ook de geestelijke uiting van Zijn eigen heilige ziel in de dagen van Zijn vlees.*

Deze persoonlijke bevinding van onze gezegende Heere vormt nog een zeer noodzakelijke bevoegdheid voor Zijn bekleding van het profetische ambt. Zo bezat Hij een tong der geleerden, om te weten met den moede een woord ter rechter tijd te spreken.

* Wanneer wij zeggen dat de bevinding van de Heere Jezus Christus in de Psalmen vervat is, wijzen wij nadrukkelijk de opvatting af dat zij allemaal op Hem betrekking hebben. Dat sommige dat wel hebben, blijkt uit de toepassing ervan op Hem in het Nieuwe Testament en uit Zijn eigen woorden. (Lukas 24:44.) Maar het zou monsterlijk zijn om Psalmen als Psalm 32 en Psalm 51 op Hem te betrekken.

Buiten alle twijfel behoren Psalm 22, Psalm 40, Psalm 69 en Psalm 110 echter aan Hem toe. Als bijvoorbeeld in Psalm 22 Zijn lichamelijk lijden door Zijn eigen lippen beschreven wordt, is het dan niet in volle overeenstemming daarmee te menen dat ook het lijden van Zijn ziel, met andere woorden Zijn innerlijke bevinding, door Hemzelf beschreven wordt? Temeer omdat Hij het eerste vers gebruikte om dat allersmartelijkste lijden uit te drukken, toen de Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg. Dit bedoelen wij als wij zeggen dat de Psalmen de bevinding van Christus bevatten.

4. Dit brengt ons bij een andere bevoegdheid van onze gezegende Heere om het profetische ambt te bekleden: Hij had persoonlijke ervaring van verzoeking. Wij hebben al gezien dat het de Vader in de diepten van oneindige wijsheid behaagde als Bode van het verbond Iemand te zenden Die die innige en onuitsprekelijke kennis van Hem bezat die niemand had behalve Zijn eniggeboren Zoon. Zoals Jezus daardoor naar Zijn goddelijke natuur in de hoogste mate bekwaam was om te spreken wat Hij wist en te getuigen wat Hij had gezien, zo behaagde het de Vader dat Hij ook naar Zijn menselijke natuur dergelijke bevoegdheden zou bezitten.

Wij hebben dit al gezien in zijn twee voornaamste kenmerken. Het eerste waren de gaven en genaden van de Heilige Geest, Hem zonder mate geschonken ten bate van anderen. Het tweede was de persoonlijke bevinding die Hij had van elke genade van de Geest. Het eerste maakte Hem tot prediker, het tweede tot gelovige. Door het eerste leefde Hij voor God, door het tweede leefde Hij tot God.

Door het ene brak Hij het brood des levens voor anderen, door het andere had Hij Zelf spijs te eten die de wereld niet kende. Door het eerste waren de woorden die Hij sprak geest en leven voor Zijn gelovige volk. Door het tweede kon Hij zeggen: En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. (Johannes 8:29.)

Het onderscheid dat wij zo hebben getrokken tussen de gaven en genaden van de Heilige Geest, aan de Heere geschonken voor de uitoefening van Zijn profetische ambt, en de genade waarmee Hij vervuld was als zaak van Zijn eigen persoonlijke bevinding, is misschien niet voor al onze lezers duidelijk. Het verschil lijkt echter duidelijk aangewezen als wij Jesaja 11:2-3 vergelijken met Jesaja 61:1-3.

de Geest der kennis en der vreze des HEEREN wijst duidelijk op een inwendige bevinding van godvrezendheid. Die staat, zoals wij weten, in het woord der waarheid vaak voor de hele som van levende godsvrucht. Maar dat Hij gezalfd was om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen wijst duidelijk op de gaven die Hem geschonken waren om voor God tot Zijn volk te spreken.

Maar als onderdeel van deze persoonlijke bevinding was het voor de Heere nodig om de werkelijkheid en kracht van de verzoeking bevindelijk en gevoelsmatig te kennen. Daarom werd Hij onmiddellijk na Zijn doop, voordat Hij de uitoefening van Zijn profetische ambt begon, geleid. Een van de evangelisten zegt het krachtig: dreef Hem de Geest uit in de woestijn. (Markus 1:12.) Hij werd dus door een machtige drang van de Geest in de woestijn gebracht om daar door de duivel verzocht te worden.

In het verslag en de aard van die verzoekingen gaan wij niet in, hoewel ze ongetwijfeld veel nuttig onderwijs bevatten. Voor ons doel volstaat het de aandacht van onze lezers te vestigen op wat wij de goddelijke verklaring van de apostel erover kunnen noemen: Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 2:18; Hebreeën 4:15.)

Het volk van de Heere is voor het grootste deel een zeer beproefd en verzocht volk. Daarom was het nodig dat hun lijdende Hoofd ook beproefd en verzocht werd, opdat Hij in Zijn eigen ziel een persoonlijke, individuele en diepe bevinding zou hebben van de aard en kracht van de verzoeking. Het was niet genoeg dat Hij de verzoeking kende als de alwetende God. Hij moest haar kennen als lijdend mens.

Zo kende Hij armoede doordat Hij arm was en niets had waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Zo kende Hij vervolging, verachting en haat doordat Hij door mensen werd veracht en verworpen, en lijden en smart doordat Hij Zelf een man van smarten was en vertrouwd met ziekte. Zo kende Hij ook de verlating door God doordat Zijn Vader Hem verliet in het uur van Zijn hevigste doodsangst. Op dezelfde wijze leerde Hij de kracht en de pijnen van de verzoeking doordat Hij Zelf persoonlijk verzocht werd.

Van Hem geldt dat Hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Daarom kan geen enkele verzoeking van buiten of van binnen het kind van God aanvallen waarvan Jezus geen persoonlijke bevinding had. Maar bedenk steeds: zonder zonde, waarvan er in Zijn lichaam noch Zijn ziel enig zaad of enige smet was.

Hier verschilt de genadige Heere van ons. Bij ons komt de verzoeking nooit zonder dat zij zonde aantreft en opwekt. Maar in Hem was er geen zonde om op te wekken, zoals Hij Zelf zei: want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets. (Johannes 14:30.) Die overste is de satan. Hij vond niets zondigs om op in te werken, niets verdorvens om aan te zetten, niets van zijn eigen gebroed om iets in te verwekken en niets brandbaars om te ontsteken.

Alle beelden moeten in wezen onvolledig en van zichzelf onvolmaakt zijn om goddelijke waarheid uit te drukken. Dat geldt zeker voor een waarheid die zo diep verborgen en voor het menselijk verstand onnaspeurlijk is als wat er in de ziel van de heilige Verlosser omging toen de vorst der duisternis Hem verzocht. Toch kunnen wij met dit voorbehoud misschien twee eenvoudige vergelijkingen gebruiken. Zij moeten het verschil duidelijk maken tussen de verzoeking die de heilige ziel van Jezus aanviel en die welke ons verdorven hart aanvalt.

Een woeste zee kan beuken op een zuivere, witte marmeren rots of op een aarden wal. De rots kan zij noch verplaatsen noch bevlekken. Golf na golf wordt teruggeslagen en weggeworpen. Wat voor stromen ook langs haar zijden spoelen, de rots blijft zoals zij was. Het zoute water is niet in haar substantie gedrongen en heeft zich er niet mee vermengd.

Zo wees de zuivere en heilige ziel van Jezus, Die de „Rots van de eeuwen” is, de felste en gemeenste verzoekingen van de satan af. Zij schudde ze van zich, onbewogen en onbevlekt. Hij voelde ze, kende ze en bevond ze, maar vermengde zich er nooit mee, en zij zich niet met Hem.

In de woestijn, op de top van de zeer hoge berg en op de tinne van de tempel schudde Jezus de aanvallen van de verzoeker met heilige rust van Zich af met: Er is geschreven! Niet dat Hij de kracht van de verzoekingen niet voelde, maar de Leeuw uit Juda schudde ze af zoals dauwdruppels van Zijn manen.

Maar wij zijn een aarden wal. Wanneer de zee van de verzoeking daartegen beukt, vermengt zij zich met de oorspronkelijke grond, spoelt stukken weg en stroomt in modderige stromen af, alsof zij in haar wezen binnendrong. Zoals in ons beeld dezelfde zee rots en wal aanvalt, zo vielen dezelfde verzoekingen de Heere en ons aan. Maar wat een verschil in uitwerking!

Hij voelde ze zonder zonde. Wij voelen ze met zonde. Zij vermengden zich niet met Zijn zuivere ziel en bevlekten haar daarom niet. Maar zij vermengen zich wel met ons verdorven hart en verontreinigen het droevig.

Neem nog een ander beeld, van nog bescheidener aard, om het verschil te tonen tussen de uitwerking van de verzoeking bij de Heere en bij ons. Rechts van u staat een gouden vaas met het zuiverste, helderste water. Links staat een aarden kom waarin het water schoon en goed lijkt, maar alleen omdat al het vuil op de bodem is bezonken. Roer beide met dezelfde stok. Het water in de vaas blijft zuiver en helder. Het water in de kom wordt meteen troebel en dik.

Waar komt het verschil vandaan? Niet van de stok die roert. Ook niet geheel van het vat. Het zit in het slijk op de bodem van het water.

Maar zijn onze beelden onvolmaakt en ontoereikend (en dat geven wij volledig toe), richt dan uw ogen, uw gelovige ogen, want zintuig en rede zijn hier nutteloos en erger dan nutteloos, op deze twee punten. Probeer erin door te dringen, al kunt u ze niet bevatten: 1. in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest; 2. doch zonder zonde. In deze twee punten ligt de hele waarheid en het hele geheim van de verzoeking van onze Heere opgesloten.

Wie nog enige uitleg van het geheim wil en vraagt hoe de Heere de verzoeking kon voelen zoals wij, terwijl er in Hem geen zondig beginsel was om zich ermee te vermengen, laat die zichzelf dan vragen of hij nooit verzoeking voelt als hij haar verfoeit. De vurige pijlen van de satan, bijvoorbeeld lasterlijke en ongelovige verzoekingen, dingen die uw ziel verfoeit, bedroeven en benauwen die uw geest niet, die ze haat en verfoeit? Hoe hemelser, geestelijker en heiliger een mens is, des te scherper voelt hij deze „meesterstukken van de hel”.

Dit kan u een flauw begrip geven van de wijze waarop de heilige ziel van de Verlosser de verzoekingen van de satan voelde. Hij voelde ze zeer scherp, naar de maat van Zijn eigen vlekkeloze heiligheid, en toch werd Hij er nooit door besmet.

Maar wij moeten ophouden. Wij zijn wat te ver de zee opgevaren, omdat de wind ons zeil vulde. Toch hopen wij niet van koers te zijn geraakt. Wij hebben met ons oog op Jezus als onze poolster gevolgd wat wij ons voornamen: onze lezers de bevoegdheden voor te houden van onze genadige Heere om dat profetische ambt te vervullen tot heil en zegen van de gemeente van God. Hij nam het op Zich in het eeuwige verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. (2 Samuël 23:5.)

Tot hiertoe hebben de bevoegdheden van onze gezegende Heere om het ambt van Profeet voor Zijn gemeente te bekleden het onderwerp van onze overdenkingen gevormd. Alle betrekkingen waarin de Heere staat tot Zijn volk als hun verbondshoofd zijn levende bronnen van kracht en troost voor hen. Zij zijn dat precies naar de mate van hun geloof in Hem en van het ontvangen uit Zijn volheid, genade voor genade. (Psalm 87:7; Johannes 1:16; Galaten 2:20.)

Dit geloof wordt gevoed door kennis en werkt door liefde. Hoe wenselijk is het dan dat allen die in Zijn naam geloven met gezalfde ogen duidelijk de sterke grondslag zien en met vertrouwende harten bevindelijk gevoelen waarop hun vertrouwen in Hem gebouwd is: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is. (Jesaja 28:16.)

Ons geloof moet, als het inderdaad het geloof van Gods uitverkorenen is, beproefd worden als door vuur. Wij moeten dus goed letten op twee dingen: 1, de grondslag zelf; 2, het geloof dat op die grondslag staat. Falen in beide zou gevaarlijk zijn, zo niet noodlottig. Wij houden ons nu bezig met de grondslag. Het geloof dat erop bouwt, komt te gelegener tijd aan de orde.

O u die voor de eeuwigheid wilt bouwen maar vaak diep beproefd en bezwaard bent over de vraag of uw geloof werkelijk door de machtige kracht van God in uw hart gewerkt is: let goed op de grondslag. Hoe kan uw geloof sterk zijn als de grondslag zwak is? Hoe kan uw geloof de grondslag stevig omhelzen, tenzij u duidelijk ziet dat die door de hand van God Zelf in Sion gelegd is?

U moet ook voor uzelf weten dat zij als kostelijke hoeksteen en vaste grondslag al het gewicht van uw verzwaarde zonden kan dragen. Zij draagt heel de last van uw voortdurende smarten, heel de druk van uw dagelijkse nood en heel de last van uw ingewikkelde verlegenheden.

Dit is dus de reden waarom wij in al onze eerdere pogingen om de verbondsambten van onze verhoogde Heere uiteen te zetten zo uitvoerig stilstonden bij Zijn bevoegdheden om die te bekleden, tot eer van God en tot zaligheid en heiliging van Zijn volk. Laten wij altijd bedenken dat de heerlijke Persoon van Christus het grote voorwerp van ons geloof is.

Wendt U naar Mij toe—niet naar Mijn ambten—wordt behouden, alle gij einden der aarde! (Jesaja 45:22.) Komt herwaarts tot Mij—tot Mijzelf, tot Mij, de Godmens—allen die vermoeid en belast zijt: dat zijn Zijn genadige woorden. (Mattheüs 11:28.)

Eerst Hijzelf, dan Zijn ambten. Eerst de Zoon van God, dan de Hogepriester over het huis van God. Eerst de Zoon, Die ons gegeven is, dan Hij Die Wonderlijk, Raad heet. Eerst de Sterke God, dan de Vredevorst. (Jesaja 9:5.) Uit Zijn heerlijke Persoon ontlenen Zijn verbondsambten al hun genade en heerlijkheid, al hun schoonheid en zaligheid en al hun geschiktheid voor onze nood en ellende.

Als wij dus geen levend geloof in Zijn Persoon hebben, kunnen wij ook geen levend geloof in Zijn werk hebben. Eerst omhelzen wij Zijn heerlijke Persoon, zoals die door de kracht van God aan onze ziel is geopenbaard als Zijn eniggeboren Zoon. Dan leven wij een leven van geloof op Hem door uit Zijn volheid voorraad van hemelse genade te ontvangen.

Als ons geloof Hem moet omhelzen als de Engel des verbonds (Maleachi 3:1), als de beloofde Profeet naar Wiens woorden wij moeten horen op straffe van eeuwig verderf; als wij ons oor van Hem afkeren en ons hart tegen Hem verharden (Deuteronomium 18:15-19); als alle heiligen die in Zijn hand zijn in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden (Deuteronomium 33:3) en wij behoren tot dat bevoorrechte getal, dan kunnen wij zeker niet te goed gegrond en bevestigd zijn in een geestelijke en bevindelijke kennis.

Die kennis moet eerst Zijn heerlijke Persoon betreffen en dan Zijn verbondsambt als Profeet, waardoor Hij leidt: Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen. (Spreuken 8:20-21.)

Met dit verlangen om een zekere grondslag voor het geloof te leggen hebben wij tot hiertoe getracht de bevoegdheden van onze genadige Heere aan te tonen, zowel als Zoon van God als Mensenzoon. Hij is de Bode van de Vader, de Openbaarder van Zijn gedachten en wil, de Mond door Wie Hij tot de mensenkinderen spreekt.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!