Spiritual-Mindedness
Wanneer is er ooit meer wereldgelijkvormigheid geweest dan nu? Wanneer was er ooit meer vleselijkheid in het gesprek: meer kwaadspreken, lasteren, ijdel geroddel en gekeuvel van huis tot huis? Wanneer werd er zonder enige schroom of schaamte meer lichtzinnig en oppervlakkig gepraat? Daardoor is een weinig bevindelijke en smaakvolle gemeenschap met de heiligen van God bijna onbekend geworden. Zo’n gemeenschap is tot nut en stichting van de ziel. Zij wekt een geestelijke band en verstevigt die. Zij trekt het hart omhoog naar de hemel en doet ons Jezus liefhebben en het beeld van Jezus in Zijn volk.
In vroeger tijd was het anders: Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven (Maleachi 3:16). Hun gesprek was zo dat de Heere er acht op kon slaan en het in Zijn boek kon optekenen. Maar zou de Heere luisteren naar het gesprek van de meeste belijders van nu en het optekenen?
Dat gesprek is er vooral op gericht om zichzelf te verheffen en anderen te kleineren. Onder een dun laagje godsdienstige taal, dat zij aantrekken om anderen te misleiden en zichzelf te bedriegen, laat het weinig anders zien dan de hoogmoed en wereldsgezindheid van hun hart.
Wanneer was er meer algemene doodsheid en duisternis in de kerken en zo weinig leven en kracht op de kansel en in de banken? Wanneer waren bevindelijke mannen van God zeldzamer en meer veracht en kleingemaakt? En wanneer waren er zoveel zogenaamde kletspredikers die bovendien zo populair waren? Zij hebben een gave om te spreken maar laten nauwelijks zien dat zij de waarheid van God kennen of liefhebben.
Maar laat de mensen zeggen wat ze willen en zijn wat ze maar kunnen. Laat duizenden zich verenigen om de heilige dingen van God te verlagen tot hun eigen gezonken peil. Toch blijft het een vaststaande en onveranderlijke waarheid, vast als de troon van God en onveranderlijk als de grote, uit Zichzelf bestaande IK BEN, dat het bedenken des vleses is de dood.
Het is een totale dood bij de onwedergeborenen en een gedeeltelijke dood wanneer de levende ziel onder die macht en invloed staat. En is het een totale dood bij de onwedergeborenen? Dan brengt dat alle vreselijke straffen van de dood mee als het leven van God hen uiteindelijk niet levend maakt.
Daarom kan geen louter belijden, geen formele geloofsbelijdenis, geen zitten onder een evangeliedienst, geen lidmaatschap van de gemeente en geen deelname aan de verordeningen hen redden van de tweede dood. Ook de naam dat men leeft terwijl men dood is, redt niet van de worm die niet sterft en van het vuur dat niet wordt uitgeblust. Dat geldt voor allen die vleselijk gezind zijn. Het maakt niet uit wat hun belijdenis is: die van het hoogste calvinisme of van het meest kruiperige Arminianisme.
Maar geestelijk gezind zijn is leven en wandelen onder de gezegende kracht en invloed van de Heilige Geest. Het is een hart en genegenheden hebben die omhoog zijn getrokken van dit arme en ijdele toneel naar de plaats waar Jezus zit aan de rechterhand van God. Dat is leven. Het is het leven van God in de ziel met al zijn tegenwoordige zaligheid en toekomstige heerlijkheid. En het is vrede. Want vrede en rust zijn alleen te vinden op dit pad van verbondenheid en gemeenschap met een verheerlijkte Verlosser.
In deze zoete geestelijkheid van gemoed, in deze hemelse genegenheden en in deze gemeenschap met de Heere bij Zijn eigen troon van genade bestaan voor een groot deel het leven en de kracht van de godzaligheid. Als het hart er niet bij betrokken is, is de godsdienst zwaar en slepend werk. Gebed, lezen, overdenking, prediking, luisteren en gesprek met de heiligen: dit alles is een last voor het vermoeide lastdier wanneer de kracht en het leven van God er niet in zijn. Dan is het hart koud en dood en staat het niet onder een merkbare invloed van de hoven van de hemel.
Maar soms rust er een zoete en heilige invloed op de ziel. Er is dan een gevoelde verbondenheid en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid. Een woord van Zijn lippen, waarin genade is uitgestort, raakt dan het hart en maakt het zacht. Het geloof ziet Zijn schoonheid en zaligheid, genade en heerlijkheid, liefde en bloed, medelijden en geschiktheid. Het grijpt Zijn sterkte vast en zegt: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Dan verwaardigt Hij Zich Zijn lieflijk aangezicht te ontsluieren. Dan gaan hart en genegenheden omhoog naar de barmhartige en medelijdende Hogepriester over het huis van God.
De lusten en kwaden die aan het lichaam van zonde en dood kleven, zoals de adder aan de hand van Paulus, vallen dan af in het vuur van de heilige ijver. Voor die ijver geldt: haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Die ijver is gericht tegen alles wat God haat. Hoogmoed en hebzucht, ontevredenheid en morren, boze buien en knagende zorgen en duizend God onterende angsten verbergen hun gehate koppen. Ongeloof en twijfel en een hele zwarte troep van twijfelingen en vrees worden op de vlucht gejaagd. En de Vredevorst regeert en heerst als de enige rechtmatige en geliefde Heere van de ziel.
Zoete tijden zijn het! Maar helaas, wat gaan ze snel voorbij. Wat snel trekken nieuwe wolken samen, steken nieuwe stormen op, werken nieuwe lusten en rijzen nieuwe vijanden op uit elke hinderlaag om geloof en hoop en lijdzaamheid op de proef te stellen. Zij werpen een donkere wolk over de ziel. Wij vertrouwen dat wij uit wat wij in ons eigen hart hebben gevoeld weten wat deze zoete geestelijke gezindheid is en wat haar gezegende werkingen zijn.
Zij is een sleutel om de Schriften te ontsluiten. Dan lezen wij ze namelijk onder dezelfde heilige invloed en door dezelfde goddelijke onderwijzing waardoor zij zijn geschreven. Zij is een deur tot het gebed. Onder deze rustige en vredige gemoedsbewegingen zoekt de ziel als vanzelf en noodzakelijk heilige gemeenschap met God. Zij is de vruchtbare moeder van zoete overdenking. De waarheid van God wordt dan overpeinsd en genoten en blijkt brood uit de hemel te zijn. Zij is het geheim van alle leven en kracht in de prediking.
Als het hart niet betrokken is bij de waarheid die wordt verkondigd en daardoor niet week wordt gemaakt, is er een hardheid in de voordracht die de levende hoorder duidelijk voelt. En zij is de kracht van elk geestelijk gesprek. Hoe kunnen wij immers met enige zalving of vrucht spreken als wij niet geestelijk gezind zijn? Dan zijn de dingen van God ons element en de taal van onze lippen, omdat zij de vreugde van onze ziel zijn.
Maar anders zijn is vreselijk: vleselijk gezind te zijn op onze knieën met de Bijbel open voor onze ogen, in het huis van gebed, aan de tafel van de Heere en in het gezelschap van het gezin van God. Wat een last voor onze geest en wat een veroordeling voor ons geweten! Wat een bron van twijfel en vrees of het wel goed kan zijn tussen God en onze ziel als er zo’n afstand is tussen Hem en ons! En van alle arme ellendige mensen, of ze het nu voelen of niet, moet een vleselijk gezinde predikant de ellendigste zijn. Dood op de kansel moet dood in de banken voortbrengen.
Een predikant staat daar als een werktuig in de hand van God om de moedeloze harten van Zijn volk te troosten en aan te moedigen. Hij moet de slappe handen versterken en de struikelende knieën vaststellen. Hij moet een middel zijn om leven mee te delen aan de doden en de levenden te doen herleven. Maar als hij zelf dood is, totaal dood, kan hij dan leven aan anderen meedelen?
En wat als hij is als een dode van wie de helft van het vlees al is verteerd, zoals Mirjam toen zij door de melaatsheid werd geslagen? Zo is een behouden mens die in vleselijkheid en dood is weggezonken en daar niet diep onder lijdt of onder zucht als onder een zware last. Hoe kan hij de gemeente van de levende God weiden?
Het is waar dat de aanzienlijkste heiligen en dienaren van God hun dode en donkere tijden hebben. Dan lijkt het leven van God zo laag te zijn gezakt dat het nauwelijks nog zichtbaar is. Zo verborgen is de stroom door de modderbanken van hun gevallen natuur. Toch glijdt het leven om hen heen voort, zo niet door hen heen.
Soms valt er van boven een lichtstraal op. Terwijl de stroom zijn weg zoekt naar de oceaan van de eeuwige liefde, toont die straal niet alleen dat hij er is maar ook welke kant hij op gaat. En hij laat zien dat hij aan de hemel de straal teruggeeft die hij van de hemel ontvangt.
Ja, juist door deze donkere en dode tijden worden de heiligen en dienaren van God onderwezen. Zij zien en voelen wat het vlees werkelijk is en hoe vervreemd het is van het leven van God. Zij leren in wie al hun kracht en toereikendheid liggen. Zij worden ervan doordrongen dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont. Zij leren dat geen inspanning van henzelf het leven van God in kracht en frisheid kan onderhouden.
En zij leren dat alles wat zij zijn en hebben voortkomt uit de zuivere, soevereine genade. Dat geldt voor alles wat zij geloven, weten, voelen en genieten en voor al hun bekwaamheid, nut, gaven en genade. Het komt voort uit de rijke, vrije, onverdiende en toch onophoudelijke goedheid en barmhartigheid van God.
In deze harde school van pijnlijke bevinding leren zij hun leegheid en nietigheid. Zij leren dat zij zonder Christus waarlijk niets kunnen doen. Zo worden zij bekleed met nederigheid, dat zeldzame en toch lieflijke gewaad. Zij laten hun eigen kracht en wijsheid los en leren uit eigen bevinding dat Christus alles in allen voor hen is en altijd zal zijn. Ja, alles in allen in hen.
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6)
Wij beschouwen geestelijke gezindheid niet als een vaste toestand van de wedergeboren ziel. Wij zien haar als iets dat onder bijzondere invloeden wordt voortgebracht en daarom aan schommelingen onderhevig is. De apostel bedoelt in Romeinen 8:6 eenvoudig dit: de gezindheid van de nieuwe mens van genade, zijn adem en zijn neiging, is als hoofdbestanddeel leven. De vrede is daarvan het gevolg en de vrucht.
Anders gezegd: de nieuwe mens van genade is dat geestelijke wezen (Johannes 3:6; Romeinen 8:16; Ezechiël 36:26) dat uit de Geest geboren is. Hij bezit leven als zijn bezielend en werkend beginsel. En omdat dit leven van Christus komt en met Christus verenigt, geniet hij vrede door zijn verbondenheid en gemeenschap met Hem.
Maar de apostel stelt niet als vast beginsel dat de ziel van een gelovige altijd geestelijk gezind is en daarom altijd leven en vrede geniet. Hij maakt integendeel onderscheid tussen het vlees en de geest in een gelovige. Hij toont het wezenlijke verschil tussen die twee. Het ene is dood en het andere leven. Het ene is vijandschap en het andere vrede. Het ene is de wet van God niet onderworpen en het andere gehoorzaam aan Zijn wil en Woord. Het ene mishaagt God en het andere is Hem welbehaaglijk.
Daaruit leidt hij af dat alle mensen wandelen, dat wil zeggen denken, spreken, leven en handelen, naar het een of het ander. Wie naar het vlees wandelen, dat wil zeggen de bewegingen, begeerten en voorschriften ervan volgen, zijn dood, vijanden van God en ongehoorzaam. Daarom mishagen zij Hem. Wie naar de Geest wandelen, bezitten en tonen goddelijk leven. Zij genieten vrede met God, gehoorzamen Zijn voorschriften en zijn Hem welgevallig.
Toch kan bij een oprecht kind van God de vraag opkomen of hij geestelijk gezind is of kan zijn. Hij kent en voelt immers veel van zijn dorheid, duisternis en dood. Hij is zo zelden in het genot ervan en vaak zo ver van het leven en de vrede die haar begeleidende vruchten zijn. Hier is grote wijsheid en heilige voorzichtigheid nodig om een juist antwoord te geven.
Menige ellendige, vleselijke en dode belijder put troost uit het horen dat het ware kind van God zijn tijden van doodsheid en koude heeft. Hij denkt er niet aan en wil er niet aan denken dat het iets anders is altijd dood te zijn dan het soms te zijn. Het is iets anders het te zien dan het te voelen en er onder te rouwen.
Hoevelen zijn er niet in de belijdende kerk bij wie het gebeurt dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige (Deuteronomium 29:19). Dit zijn zij die aanzitten met de kinderen van God. Van hen geldt: weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld (Judas 12).
Daarom zijn veel wijsheid en voorzichtigheid nodig om niet het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. Aan de ene kant mogen wij het hart van de rechtvaardige niet bedroeven. Aan de andere kant mogen wij de handen van de goddeloze niet sterken door hem leven te beloven terwijl al zijn wegen wegen van de dood zijn (Ezechiël 13:22). Hebben wij niet allemaal veel reden om te klagen dat wij tekortschieten in deze zoete en gezegende geestelijkheid van gemoed? Toch, hoe kunnen wij weten wat zij is als wij haar niet hebben gevoeld, of althans een deel ervan, in ons eigen hart?
Wie dood zijn in zonde en wie dood zijn in een belijdenis kennen haar niet en willen haar niet kennen. Alleen het levende gezin van God kent haar zaligheid en zoetheid. Alleen zij zijn immers uit de Geest geboren en wandelen daarom naar Hem, bedenken wat Hij wil en genieten het. En wat een leven is er in als men het voelt! Het is het enige echte geluk dat het kind van God hier beneden geniet. Het is zijn metgezel in de eenzaamheid, zijn steun in de ellende, zijn troost in ziekte en zijn vrede in de dood.
Als het leven is, moet het een fontein van water in zijn ziel zijn, springende tot in het eeuwige leven (Johannes 4:14). En als het vrede is, dan is het het genot van Christus’ eigen beste gave en laatste erfenis. In feite zijn daarin al het leven en de vrede van de godsdienst. Zonder haar is godsdienst slechts een naam en een denkbeeld, zonder tegenwoordige genade of toekomstige heerlijkheid. Hoe zoet is op zulke ogenblikken het Woord van God! Welk licht schijnt er op de heilige bladzijde! Welke wijsheid en waarheid verschijnen er in elke regel! Welke volheid, zaligheid en zalving druipt eruit als honing uit de honingraat!
Zo ging het Jeremia: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen! (Jeremia 15:16). Zo was het ook de ervaring van David: Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! (Psalm 119:103). Waarom is dat zo? Omdat wij dan worden onderwezen door dezelfde Geest onder Wiens inspiratie de Schriften zijn geschreven. Wij staan dan onder dezelfde invloeden en dezelfde heilige zalving.
Hoe zoet is dan het gebed! Het is de taal van het hart en de opstijgende adem van de ziel. Het is het geestelijke offer dat op het gouden altaar wordt gelegd en opstijgt met het reukwerk van de grote en heerlijke Voorspraak (Openbaring 8:3-4). Hoe zoet is dan de overdenking, als geestelijke gedachten door het gemoed rollen, geestelijke gevoelens de ziel vervullen en geestelijke genegenheden het hart verwarmen en week maken.
Dat is: zich verlustigen in de Heere (Psalm 37:4; Jesaja 58:14). Het is te voelen dat de wegen van de wijsheid wegen der liefelijkheid zijn (Spreuken 3:17). Het is te smaken en te zien dat de Heere goed is (Psalm 34:9). Het is te ervaren hoe nabij, dierbaar en kostbaar Christus is voor hen die geloven (1 Petrus 2:7). En het is met elke blik van het geloof meer en meer van Zijn schoonheid en zaligheid te zien. Dan is er geen ander gezelschap meer nodig dan dat van de Heere. En hoe meer het hart naar Hem wordt opgetrokken, des te meer ontvangt het uit Zijn volheid.
Hier is leven: het leven van alle godsdienst en van alle verordeningen, prediking, gebed, luisteren, lezen en gesprek. Geestelijke gezindheid is het leven van die allemaal. Zonder haar is alles dood, op de kansel en in de banken. U kunt welsprekendheid hebben, bekwaamheid, gezonde leer, teksten bij tientallen en anekdotes bij handenvol. U kunt stem, bombast en gebaren hebben. Dit alles kan doorgaan voor wonderbaarlijke prediking terwijl er geen greintje geestelijk leven is in de man of in zijn bediening. En u kunt bewonderende hoorders in de banken hebben die vol zijn van geloften, beloften en tranen. Toch is er niet één greintje goddelijk leven in hun hart.
Ware godsdienst is een geheim. Zij ligt tussen God en de ziel. Dit geheim, dat bij hen is die God vrezen (Psalm 25:14), bestaat in het hebben van de Geest en het gemoed van Christus (Romeinen 8:9; 1 Korinthe 2:16). Zo is men één geest met Hem, verbonden met Hem door deze heilige band (1 Korinthe 6:17). Dit brengt vrede. Vijandschap en oorlog kunnen niet bestaan tussen vrienden. En de Heere zegt tot Zijn discipelen: Gij zijt Mijn vrienden. Hij is onze vrede. Die vrede komt door Zijn bloed, want daardoor heeft Hij vrede gemaakt.
Geestelijke gezindheid houdt verzoening in en een dichtbij gebracht zijn. Zij houdt verbondenheid en gemeenschap in en een rusten op het verzoenende bloed en het volbrachte werk van de Zoon van God. Moge de Heere ons genadig veel van deze geestelijke gezindheid schenken. Moge Hij ons zo geschikt maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. Want de heiligmaking, waarvan dit een hoofdbestanddeel is, is nodig: zonder welke niemand den Heere zien zal.
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6)
“For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.” — Romans 8:6
When was there ever more worldly conformity than now? When was there ever more carnality in conversation, more backbiting, slander, idle gossip, tittle-tattling from house to house, levity and froth indulged in without scruple or shame? so that a little feeling, experimental, savory communion with the saints of God, such as profits and edifies the soul, creates and cements a spiritual union, draws the heart upwards to heaven, and makes us love Jesus and the image of Jesus in his people, is almost unknown.
In ancient times, “those who feared the Lord spoke often one to another, and the Lord hearkened and heard it, and a book of remembrance was written before him.” (Mal. 3:16.) Their conversation was such as the Lord could hearken to, and record in his book. But would the Lord hearken to and record the conversation of most professors now, the main object of which is to exalt themselves and depreciate others; and under a thin veil of religious phraseology, put on to blind others and deceive themselves, display little else but the pride and worldliness of their hearts? When was there more general deadness and darkness in the churches, and so little life and power in the pulpit and pew? When were experimental men of God more scarce, and more despised and depreciated; or mere ‘prating ministers’, who have a gift to speak, but who give little evidence that they either know or love the truth of God, so many and so popular?
But let men say what they will, or be what they may, let thousands combine to lower the sacred things of God to their own sunken level, it still stands a fixed, immutable truth, fixed as the throne of God, immutable as the great self-existent I AM, that “to be carnally-minded is death”—death total in the unregenerate, death partial when the living soul is under its power and influence. And if death total in the unregenerate, it entails all the awful penalties and punishments of death, if life from God does not eventually quicken.
Therefore no mere profession, no formal creed, no sitting under a gospel ministry, no church-membership or partaking of ordinances, no name to live while dead, will rescue from the second death, from the worm that does not die—and the fire that is not quenched, those who are carnally-minded, whatever be their profession, whether of the highest Calvinism or the most groveling Arminianism.
But “to be spiritually-minded”—to live and walk under the blessed power and influence of the Holy Spirit, to have the heart and affections drawn up from this poor, vain scene to where Jesus sits at the right hand of God, this is “life,” the life of God in the soul, with all its present blessedness and all its future glory, and “peace,” for peace and rest are alone to be found in this path of union and communion with a glorified Redeemer. In this sweet spirituality of mind—in these heavenly affections—in this communion with the Lord at his own throne of grace—the life and power of godliness much consist. Unless the heart be engaged in it, religion is heavy, dragging work. Prayer, reading, meditation, preaching, hearing, conversation with the saints, all are “a burden to the weary beast” when the power and life of God are not in them, when the heart is cold and dead, and not under some sensible influence from the courts of heaven.
But when a sweet and sacred influence rests upon the soul, when there is a felt union and communion with the Lord of life and glory, when a word from his lips, into which grace is poured, touches and softens the heart; and faith, viewing his beauty and blessedness, grace and glory, love and blood, sympathy and suitability, takes hold of his strength and says, “I will not let you go except you bless me,” and he condescends to unveil his lovely face; then there is a lifting up of the heart and affections to the merciful and compassionate High Priest over the house of God. The lusts and evils which cling to the body of sin and death, as the viper to Paul’s hand, then drop off into the fire of godly jealousy, “the coals whereof are coals of fire, which has a most vehement flame” against all that God hates; pride and covetousness, fretfulness and murmuring, evil tempers and carking cares, and a thousand God-dishonoring anxieties, hide their hateful heads; unbelief and infidelity, and a whole black troop of doubts and fears are put to the rout; and the Prince of Peace reigns and rules as the soul’s only rightful and loved Lord.
Sweet, seasons, but, alas! how transient; how soon fresh clouds gather, fresh storms arise, fresh lusts work, and fresh foes start up from every ambush to try faith and hope and patience, and cast a dark cloud over the soul! We trust we know, from what we have felt in our own bosom, what this sweet spiritual-mindedness is, and what are its blessed effects. It is a key to unlock the Scriptures, for then we read them under the same sacred influence, and by the same divine teaching by which they were written; it is a door of prayer, for under these calm and peaceful emotions the soul, as if instinctively and necessarily, seeks holy communion with God; it is the fruitful parent of sweet meditation, for the truth of God is then thought over, fed upon, and is found to be bread from heaven—it is the secret of all life and power in preaching, for unless the heart be engaged in, and melted and softened by the truth delivered, there will be a hardness in its delivery which will make itself sensibly felt by the living hearer. And it is the power of all spiritual conversation, for how can we talk with any unction or profit unless we are spiritually-minded, and in that frame of soul wherein the things of God are our chief element—the language of our lips, because the delight of our soul?
But to be otherwise—to be carnally-minded on our knees, with the Bible open before our eyes, in the house of prayer, at the Lord’s table, in the company of the family of God—what a burden to our spirit, what a condemnation to our conscience, what a parent of doubt and fear whether matters can be right between God and our own soul, when there is such a distance between him and us! And of all poor miserable wretches, felt or not felt, a carnally-minded minister must be the worst. Death in the pulpit must engender death in the pew. A minister stands there as an instrument in the hands of God to comfort and encourage the drooping hearts of his people, to strengthen the weak hands, and confirm the feeble knees, to be a means of communicating life to the dead, and reviving the living. But if dead himself, totally dead, can he communicate life to others? And if “as one dead, of whom the flesh is half consumed,” like Miriam when struck by leprosy—a saved man sunk into carnality and death, and that not deeply felt or groaned under as a heavy load—how can he feed the church of the living God?
It is true that the most eminent saints and servants of God have their dead and dark seasons, when the life of God seems sunk to so low an ebb as to be hardly visible—so hidden is the stream by the mud-banks of their fallen nature. Still it glides onward, around them, if not through them—and sometimes a beam of light falls upon it from above, as it threads its way toward the ocean of eternal love, which manifests not only its existence but its course, and that it gives back to heaven the ray it receives from heaven. No, by these very dark and dead seasons, the saints and servants of God are instructed. They see and feel what the flesh really is, how alienated from the life of God; they learn in whom all their strength and sufficiency lie; they are taught that in them, that is, in their flesh, dwells no good thing; that no exertions of their own can maintain in strength and vigor the life of God; and that all they are, and have, all they believe, know, feel, and enjoy, with all their ability, usefulness, gifts, and grace—flow from the pure, sovereign grace, the rich, free, undeserved—yet unceasing goodness and mercy of God! They learn in this hard school of painful experience their emptiness and nothingness, and that without Christ indeed they can do nothing. They thus become clothed with humility—that rare, yet lovely garb; cease from their own strength and wisdom, and learn experimentally that Christ is, and ever must be, all in all to them, and all in all in them.
“For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.” (Romans 8:6)
We do not view spiritual-mindedness as a habitual state of the regenerated soul, but one brought forth under special influences, and therefore subject to fluctuations.
The meaning of the apostle in Romans 8:6 is simply this—that the mind, the breath, the bent and inclination of the new man of grace, is “life,” as its main element, and “peace,” as the result and fruit of life. In other words, the new man of grace, that “spirit,” (John 3:6, Rom. 8:16, Ezek. 36:26,) which is born of the Spirit possesses “life” as its animating, operating principle; and as this life is from Christ and unites to Christ, it enjoys “peace” from its union and communion with him.
But the apostle does not lay it down as a certain fixed principle that the soul of a believer is always spiritually-minded, and that therefore, he always enjoys life and peace. He is, on the contrary, drawing the distinction between the flesh and the spirit in a believer, and showing the essential difference between the two. The one is death, the other life; the one is enmity, the other peace; the one not subject to the law of God, the other obedient to his will and word; the one displeasing to God, the other pleasing in his sight.
Thence he argues that all men walk, that is, think, speak, live, and act, according to the one or the other; and that those who “walk after the flesh,” that is, follow out its movements, desires, and dictates, are dead, at enmity with God, disobedient, and therefore displeasing to him; while those who “walk after the spirit” possess and manifest divine life, enjoy peace with God, obey his precepts, and are pleasing in his sight.
But the question may occur to a sincere child of God who knows and feels much of his barrenness, darkness, and death, whether he is or can be spiritually-minded, when he is so rarely in the enjoyment of it, and is often so far from the life and peace which are its attendant fruits. Here great wisdom and holy caution are needed to give a right answer. Many a wretched, carnal, dead professor takes comfort from hearing that the real child of God has his seasons of deadness and coldness, not thinking or caring to think that it is one thing to be always dead, and another to be so sometimes; one thing to see it, and another to feel and mourn under it. How many there are in the professing church “who bless themselves in their heart, saying, I shall have peace, though I walk in the imagination of mine heart, to add drunkenness to thirst.” (Deut. 29:19.) These are they who feast with the children of God, “feeding themselves without fear,” when they are but “clouds without water, carried about of winds; trees whose fruit withers, without fruit, twice dead, plucked up by the roots.” (Jude 12.) Much wisdom, therefore, and caution are needed not to take the children’s bread and cast it to the dogs; on the one hand not to make the heart of the righteous sad, and on the other not to strengthen the hands of the wicked by promising him life when all his ways are ways of death. (Ezek. 13:22.)
Have we not all much reason to lament our coming short of this sweet and blessed spirituality of mind? Yet how can we know what it is unless we have felt it, or at least some measure of it, in our own hearts? Those dead in sin and the dead in a profession neither know it nor care to know it. It is the living family of God alone who know its blessedness and sweetness, for they alone are born of the Spirit, and therefore walk after it, mind it, and enjoy it. And yet, what life there is in it, when felt! It is the only real happiness the child of God enjoys here below; his companion in solitude, his support in affliction, his comfort in sickness, and his peace in death. For if it be “life,” to have it must be an inward well of water springing up in his soul; (John 4:14;) and if it be “peace,” it is the enjoyment of Christ’s own best gift and last legacy. In fact, in it are all the life and peace of religion, and without it religion is but a name and a notion, without present grace or future glory. How sweet, at such moments, is the word of God! What light shines upon the sacred page! what wisdom and truth appear in every line! what a fullness, blessedness, and unction drop from it, like honey from the honeycomb!
Such was Jeremiah’s feeling—“Your words were found, and ate them; and your word was unto me the joy and rejoicing of my heart—for I am called by your name, O Lord God Almighty.” (Jer. 15:16.) Such was David’s experience—“How sweet are your words unto my taste! yes, sweeter than honey to my mouth!” (Ps. 119:103.) Why is this, but because we are then taught by the same Spirit under whose inspiration the Scriptures were written, and are under the same influences and the same holy anointing?
How sweet, then, is prayer! It is the language of the heart, the ascending breath of the soul, the spiritual sacrifice laid upon the golden altar, and ascends with the incense of the great and glorious Intercessor. (Rev. 8:3, 4.) How sweet, then, is meditation, as spiritual thoughts roll in upon the mind, spiritual feelings fill the soul, and spiritual affections warm and melt the heart. This is to delight oneself in the Lord, (Ps. 37:4, Isa. 58:14,) to feel that the ways of wisdom are ways of pleasantness, (Prov. 3:17,) to taste and see that the Lord is good, (Ps. 34:8,) to find how near, dear, and precious Christ is to those who believe, (1 Pet. 2:7) and to see with every look of faith more and more of his beauty and blessedness. No company is now wanted but the Lord’s company; and the more the heart is drawn up towards him, the more it receives out of his fullness.
Here is life—the life of all religion, and of all ordinances, preaching, praying, hearing, reading, conversing—spiritual-mindedness is the life of them all. Without it all is death in the pulpit and in the pew. You may have eloquence, ability, sound doctrine, texts by scores, and anecdotes by handfuls; you may have voice, rant, and gesture; and all this may pass for wonderful preaching, when there is not a grain of spiritual life in the man or his ministry. And you may have admiring hearers in the pew, full of vows, promises, and tears, and yet not one grain of divine life in the heart. True religion is “a secret”—it lies between God and the soul; and this secret, which is with those who fear God, (Ps. 25:14,) is having the Spirit and mind of Christ; (Rom. 8:9; 1 Cor. 2:16;) and thus being “one spirit” with him, as joined to him by this holy tie. (1 Cor. 6:17.)
This brings “peace.” Enmity and war cannot exist between friends, and the Lord says to his disciples, “you are my friends.” He himself is our peace. It comes through his blood, for by it he has made peace. Spiritual-mindedness implies reconciliation, a being brought near; union and communion, and a resting on the atoning blood and finished work of the Son of God.
The Lord graciously bestow upon us much of this spiritual-mindedness, and thus make us fit for the inheritance of the saints in light; for without holiness, of which this is a main part, no man shall see the Lord.
“For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.” (Romans 8:6)