The Practical and Experimental Bearing and Influence Which the Royal Power and Authority of Jesus Have on Believing Hearts
Wij naderen nu een deel van ons onderwerp dat van het diepste belang is voor de toestand van ieder die belijdt te geloven dat Jezus als Koning regeert in Sion. Het gaat om de bevindelijke en praktische invloed die de kennis van deze waarheid heeft of zou moeten hebben op gelovige harten. Hebben wij geen bevinding van de regering van Christus in onze borst en heeft Zijn koninklijke macht en gezag geen praktisch gevolg voor ons leven, dan is er weinig bewijs dat wij Hem of de kracht van Zijn opstanding kennen door de onderwijzing en het getuigenis van de Heilige Geest.
Wij kennen Zijn koninklijke macht alleen voor zover wij haar ervaren. En wij ervaren haar alleen voor zover wij ernaar handelen. Zo is het bewijs van kennis de bevinding en het bewijs van bevinding de praktijk. Zie hier de gouden keten die waarheid, kennis, bevinding en praktijk met elkaar verbindt en alles aan de troon van de Koning van Sion bindt. Hij is Zelf de Waarheid. Een openbaring van Hem geeft kennis ervan. Kennis van de waarheid werkt de bevinding ervan. En bevinding van de waarheid brengt de praktijk ervan voort. Zo is de waarheid in Jezus, de kennis van Jezus, de bevinding uit Jezus en de praktijk naar Jezus. Is de keten niet volledig? Wat zouden wij eraan toevoegen of eraf nemen?
Ontlenen alle schakels, zo nauw met elkaar verbonden, hun eenheid en kracht niet evenzeer aan Zijn koninklijke heerschappij? En over wie zwaait Hij Zijn koninklijke scepter? Over gelovige harten. Want Zijn regering is een regering van genade en eist daarom genadige onderdanen. Zij is een geestelijk koninkrijk en wordt daarom opgericht en onderhouden door de kracht van de Geest. Zij is een heerschappij van liefde en wordt daarom door het geloof aanvaard en door de genegenheid omhelsd.
Het is dus onmogelijk om Zijn koninklijk gezag los te maken van een genadige bevinding van de kracht ervan. Het is ook onmogelijk om de scepter van Zijn genade los te maken van praktische gehoorzaamheid aan Zijn bewind. Wie waarheid van bevinding scheidt en bevinding van praktijk, scheidt wat God heeft samengevoegd. En wee de mens die zo’n scheiding afkondigt met zijn lippen of met zijn leven.
Laten wij daarom met de hulp en de zegen van de Heere proberen dit verband na te gaan. Om het duidelijker te maken bekijken wij de onderdelen afzonderlijk. Eerst richten wij onze aandacht op de bevindelijke invloed die de kennis van Christus’ koninklijk gezag heeft op een gelovig hart.
i. Weinig woorden zijn zo verkeerd begrepen en dus zo onvermijdelijk verkeerd voorgesteld als het woord bevinding. Het is zelfs bijna een synoniem van verdorvenheid genoemd. Menige trotse lip heeft zich er vol woede bij gekruld en menige lasterlijke tong heeft er een pijl van minachting op afgeschoten. Maar met dit woord wordt bedoeld, althans door hen die het goed gebruiken, een genadige kennis van de waarheid. Het omvat dus het hele werk van God in het hart en elke tak van het goddelijk leven in de ziel.
Zonder bevinding is er dan ook geen geloof en geen berouw, geen wedergeboorte en geen bekering. Wie haar mist is zonder de Geest van Christus en daarom niet van Hem. Hij is dood in zonden, zonder God en zonder hoop in de wereld. Onder een bevinding van het gezag van Jezus als Koning in Sion verstaan wij dan ook een geestelijke, genadige en zaligmakende vertrouwdheid met Zijn koninkrijk zoals het door de kracht van God in het hart is opgericht.
Dit koninkrijk is een innerlijk koninkrijk. het Koninkrijk Gods is binnen ulieden (Lukas 17:21). het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20). het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest. Is het dan binnen in ons, dan moet er een innerlijk besef zijn van zijn aanwezigheid. Is het in kracht, dan moet het iets voor ons en in ons doen. Is het rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest, dan moet er een geestelijk proeven zijn van deze hemelse vruchten.
Voordat dit koninkrijk in het hart kan worden opgericht, moet echter elk ander koninkrijk daar in stukken worden gebroken. Dat wordt prachtig getoond in het visioen van Daniël over het beeld: Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde (Daniël 2:34-35).
De steen die afgehouwen werd zonder handen stelt de Heere Jezus voor. Daarbij wordt gedoeld op Zijn menselijke natuur, die niet op de gewone wijze van voortplanting is gevormd. Het in stukken breken van de voeten van het beeld wijst mystiek vooruit op de ondergang van alles wat de oprichting en volle ontplooiing van Zijn koninkrijk in de weg staat. (Wij beweren niet dat de Schriftplaats daarnaast geen profetische betekenis heeft.)
Opdat Christus in het hart kan regeren en heersen, moet dus eerst al het andere gezag en alle andere macht worden gebroken. De heerschappij van de zonde moet wijken voor de heerschappij van de genade. Afgoden moeten van hun troon worden gestoten en mededingers verbannen. Begeerten moeten worden bedwongen. Het vlees moet worden gedood en gekruisigd. De oude mens moet worden afgelegd en de nieuwe aangedaan.
Maar wie is tot deze dingen bekwaam? Wie zal zijn eigen rechteroog uitrukken of zijn eigen rechterhand afhouwen? Wie zal de spijkers van de kruisiging in zijn eigen sidderende vlees slaan? Niemand! De Heere moet dus alles voor ons en in ons doen door Zijn Geest en genade. Het middel dat Hij gebruikt is Zijn woord. Waar het woord des konings is, daar is heerschappij. En Hijzelf zegt: Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? (Jeremia 23:29).
Om op ons beeld terug te komen: de steen valt op de tenen van zonde en zelf waarop het beeld staat en slaat ze in stukken. Door deze breuk valt het beeld om. Met dezelfde klap worden het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud als het kaf van de zomerse dorsvloeren, zodat er geen plaats meer voor wordt gevonden.
Zo worden hoogmoed en eigengerechtigheid, ongeloof en goddeloosheid, huichelarij en ijdel vertrouwen, vleselijkheid en wereldgezindheid, zonde en eigen ik in al hun vormen en gedaanten als door een dodelijke slag getroffen. Of zij nu sterk zijn als ijzer, laag als leem, glanzend als koper, kostbaar als zilver of schitterend als goud, zij worden verstrooid naar de winden van de hemel. Zo vormen zij geen hecht en blijvend beeld meer.
Deze val en ondergang van het eigen ik maakt nu de weg vrij voor de oprichting van het koninkrijk van Christus in het hart. Jezus openbaart Zich aan de ziel die zo gebroken en vernederd is als haar Heere en Koning. Zo wordt Hij gekend, geloofd en bemind. Deze drie, kennis, geloof en liefde, liggen aan de grond van alle genadige levende bevinding en vormen haar wortel. Laten wij ze afzonderlijk bekijken.
1. KENNIS. Als wij de Heere niet kennen, hoe kunnen wij Hem dan vertrouwen? Want alleen zij die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen (Psalm 9:11). Zonder een geestelijke, bevindelijke kennis van de Zoon van God is er zelfs geen eeuwig leven. Want dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Johannes 17:3).
Maar hoe kunnen wij Hem zo geestelijk en zaligmakend kennen als Hij Zich niet aan ons openbaart zoals Hij Zich niet aan de wereld openbaart (Johannes 14:22)? Zodra Hij Zich openbaart, worden Zijn goddelijke Persoon en voleindigd werk duidelijk gezien. Dat geldt ook voor Zijn overtreffende genade, Zijn hemelse heerlijkheid, Zijn weergaloze schoonheid, Zijn opperste zaligheid, Zijn volkomen geschiktheid en Zijn alles bevredigende toereikendheid.
Dit is licht zien in Gods licht (Psalm 36:10). Het is verlicht worden met het licht der levenden (Psalm 56:14). En het is het genieten van de zegen die de apostel beschrijft: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Korinthe 4:6).
2. GELOOF. Deze openbaring van Christus geeft een geestelijke kennis van Hem. En uit die kennis van Hem ontspringt het geloof in Hem. ik weet, Wien ik geloofd heb, zegt de apostel (2 Timotheüs 1:12). Jezus is de Leidsman en Voleinder van dit geloof. Het rust niet in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods (Hebreeën 12:2; 1 Korinthe 2:5).
Bekijk deze genade van het geloof echter vooral zoals zij wordt opgewekt en uitgelokt door de Persoon van Jezus als Koning van Sion. Wat is haar eerste werk? Hem een plaats in het hart te geven. Wanneer Jezus Zich met kracht openbaart, strekt het geloof meteen zijn armen uit en omhelst Hem. Zo brengt het Hem de ziel binnen.
Dit wordt prachtig uitgedrukt door de bruid: Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft (Hooglied 3:4). Door het geloof woont Christus in het hart (Efeze 3:17). Want het geloof geeft Hem eerst toegang en houdt Hem daarna daar vast.
3. LIEFDE. Omdat het geloof door de liefde werkt, stroomt de liefde vervolgens uit om zich te verlustigen in Hem Die geheel en al liefelijk is. Zo geeft zij Hem een heiligdom in de warmste en tederste gevoelens van de ziel. Dit is de kroon op de genaden van de Geest, de rijkste en rijpste vrucht van de hele hemelse tros. Zo wordt Jezus gekend, geloofd en bemind. Door dit drievoudig snoer is het hart gebonden aan Zijn troon en aan Hem Die erop zit in de volheid van Zijn Middelaarsgenade en hemelse heerlijkheid.
4. Uit deze kennis van Hem, dit geloof in Hem en deze liefde tot Hem ontspringt de VERENIGING met Hem als het levende Hoofd van de gemeente. Want dezelfde heilige en gezegende Geest, door Wiens hemelse onderwijzing en zalving deze genaden worden meegedeeld, geeft en bevestigt daardoor een geestelijke vereniging met deze Zoon van God (1 Korinthe 6:17).
5. Uit deze geestelijke vereniging met de Heere vloeit de GEMEENSCHAP met Hem voort. God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere. Dit deed de heilige Johannes zeggen: onze gemeenschap is waarlijk met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Johannes 1:3).
6. Uit deze gemeenschap vloeit de VRUCHTBAARHEID voort. De Heere opent dit zo prachtig in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken. Hoe duidelijk verklaart Hij daar dat wij zonder Mij, dat wil zeggen zonder vereniging en gemeenschap met Hem, niets doen kunnen, dat wil zeggen geen vrucht kunnen dragen tot Zijn lof. Maar blijven wij door geloof en liefde in Hem en blijft Hij door Zijn Geest en genade in ons, dan wordt er overvloedig vrucht gedragen tot heerlijkheid van God (Johannes 15:4-8).
De hele prachtige keten van levende godsvrucht kan een geestelijk oog terugvinden in die wonderbare hoofdstukken waarin de Heere Zijn bedroefde discipelen troostte: Johannes 14:1-31; Johannes 15:1-27; Johannes 16:1-33; Johannes 17:1-26.
1. De heerlijkheid van Christus bij Zijn Vader: Johannes 17:5; Johannes 17:11; Johannes 17:24.
2. De openbaring van Christus aan de ziel: Johannes 14:21-22; Johannes 16:16; Johannes 16:22.
3. Een zaligmakende kennis van Christus: Johannes 14:19; Johannes 16:14-15.
4. Geloof in Hem: Johannes 14:1; Johannes 14:10-11; Johannes 14:29; Johannes 16:27; Johannes 17:8.
5. Vereniging met Hem: Johannes 14:20; Johannes 15:5; Johannes 17:21; Johannes 17:23.
6. Gemeenschap: Johannes 15:4; Johannes 15:7; Johannes 15:10-11.
7. Vruchtbaarheid: Johannes 15:2; Johannes 15:5; Johannes 15:16.
ii. Zo zien wij het noodzakelijke verband tussen een bevinding van de koninklijke macht van Jezus en alle echte PRAKTISCHE GEHOORZAAMHEID aan Zijn wil en woord. Het gaat om alle innerlijke en uiterlijke onderwerping aan Zijn soevereine heerschappij en goddelijk gezag. De liefde is de hoofdveer van deze gehoorzaamheid: de liefde van Christus dringt ons (2 Korinthe 5:14). Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar (1 Johannes 5:3).
Zegt onze gezegende Heere Zelf niet: Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden? Ja, gehoorzaamheid is zo nauw met liefde verbonden dat zij niet alleen de toets ervan is. Ook de openbaringen van Christus hangen er nauw mee samen. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren (Johannes 14:21).
Praktische gehoorzaamheid is een godvruchtige en consequente levenswandel. Het is een dagelijks wandelen in de vreze en de liefde van God en een vruchtbaarheid in elk goed woord en werk. Het is een leven niet voor onszelf maar voor de Heere en een zoeken van Gods eer en niet van de onze. Het is een verlangen om het lichaam en de ziel van onze medemensen goed te doen. En het is een reinigen van onszelf van alle onreinheid van het vlees en van de geest door het woord van Gods genade.
Al zulke en soortgelijke vruchten van het geloof worden in de calvinistische belijdenis van deze tijd doorgaans weggelaten. Goede werken worden overgelaten aan de Arminianen. Het woord zelf zou een calvinistische kansel ontwijden, denkt men. En ze af te dwingen zou te sterk naar vrije wil en eigengerechtigheid ruiken om de kerkbanken te behagen.
Maar hoewel ze uit de bediening van deze tijd zijn weggelaten en uit de praktijk van het volk, zijn ze niet weggelaten uit het boek van God. Ze zijn ook niet weggelaten uit het geweten van hen die Hem werkelijk vrezen en liefhebben. Op de grote dag zal blijken in hoeverre men ze veilig heeft kunnen weglaten uit de belijdenis en de praktijk van velen die door zichzelf en anderen als kampioenen van de waarheid worden beschouwd.
Maar wat zulke mensen ook mogen denken of zeggen: het woord van God getuigt zeker en onfeilbaar dat de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen, en dat de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal (Psalm 93:5; Hebreeën 12:14).
Tot zover hebben wij gezien welke heilige en heiligende invloed een ware bevindelijke kennis van Christus als Heere en Koning heeft op het hart en het leven van een gelovige. Zijn troon is tot onze onuitsprekelijke troost een troon van genade. Maar tegelijk is het den troon Zijner heiligheid (Psalm 47:9). De heuvel van Sion, waarop de Vader Zijn Zoon heeft gesteld, is een berg Mijner heiligheid (Psalm 2:6).
Tot die heilige troon en die heilige berg zijn zondaars welkom, maar de zonde niet. Dienen wij de Heere, dan moet dat met vreze. Verheugen wij ons in Hem, dan met beving (Psalm 2:11).
Het wordt tijd om onze Overdenkingen te besluiten. Ons verlangen en doel was om onze lezers de Middelaarsgenade en heerlijkheid van de verhoogde Zoon van God voor te stellen als Priester, Profeet en Koning voor Zijn verloste en wedergeboren volk. Om dit doel te bereiken hebben wij getracht onze Overdenkingen stichtelijk en nuttig te maken. Wij hebben deze heilige onderwerpen niet behandeld als zuiver leerstellige bespiegelingen maar als gezegende bevindelijke thema’s van hemelse overdenking met praktische uitwerking en invloed.
Wij voelen maar al te goed hoe zwak en onvolkomen wij deze hemelse verborgenheden hebben behandeld. Toch hebben wij dat niet gedaan zonder enig nadenken en zorg en ook niet zonder gebed om goddelijke onderwijzing voor onszelf en een geestelijke zegen erop voor onze lezers. Wij hebben niet nalatig geschreven voor nalatige lezers. Wij hebben ons beijverd om door de gezonde leer vast te houden aan het getrouwe woord zoals ons is geleerd, zodat wij zowel kunnen vermanen als de tegensprekers overtuigen (Titus 1:9). Daarbij wilden wij bevinding en leer zo met elkaar verweven en de praktijk met de bevinding dat het de levende familie van God sticht.
Zij zullen onze beste en mildste rechters zijn. Want zij, en zij alleen, kennen de waarde en zaligheid van de onderwerpen die wij hun hebben voorgelegd. Daarom zullen zij, en zij alleen, een mantel van liefde leggen over onze onvolkomenheden. En nu, wat blijft er over dan de Heere te smeken dat Hij deze Overdenkingen over Zijn ambten, geschreven om de overvloedige rijkdom van Zijn genade te verheerlijken, laat uitlopen op de lof van Zijn heerlijkheid? Amen.
But we now approach a part of our subject which is of the deepest importance as personally affecting the case and state of every one who professes to believe that Jesus reigns as King in Zion—the experimental and practical influence which a knowledge of this truth has or should have on believing hearts. If we have no experience of the reign of Christ in our own bosom, and his royal power and authority have no practical effect on our lives, there is little evidence that we know him or the power of his resurrection by the teaching and testimony of the Holy Spirit. We know his royal power only as far as we experience it; we experience it only as far as we act upon it. Thus the evidence of knowledge is experience—the evidence of experience is practice. See then the golden chain which binds truth, knowledge, experience, and practice together, and all to the throne of the King of Zion. He is himself “the truth;” a revelation of him gives a knowledge of it; a knowledge of the truth works an experience of it; an experience of the truth produces the practice of it. Thus truth is in Jesus; knowledge from Jesus; experience out of Jesus; and practice after Jesus. Is not the chain complete? What shall we add to or take from it?
But do not all the links, so closely bound together, derive alike their union and their power from his kingly sway? And over whom does he wave his royal scepter? Over believing hearts; for his reign is a reign of grace, and therefore demands gracious subjects; a spiritual kingdom, and is therefore set up and maintained by the power of the Spirit; a rule of love, and is therefore received by faith and embraced by affection. It is impossible, therefore, to dissociate his kingly authority from a gracious experience of its power, or the scepter of his grace from a practical obedience to its rule. To separate truth from experience—and experience from practice—is to put asunder what God has joined together; and woe be to the man who proclaims such a divorce by his lips or by his life.
Let us, then, with the Lord’s help and blessing, attempt to trace out this connection, and to do so with greater clearness we will view them separately, directing our attention first to the experimental influence which a knowledge of Christ’s kingly authority has upon a believing heart.
i. Few words have been more misunderstood, and, as a necessary consequence misrepresented, than the term experience. It has actually been stigmatized as almost synonymous with corruption; and many a proud lip has angrily curled at the word, and many a libelous tongue hurled at it an arrow of contempt. But by the term is meant, at least by those who use it aright, a gracious knowledge of the truth. It thus comprehends the whole work of God upon the heart—every branch of the divine life in the soul. Without it, therefore, there is neither faith nor repentance, neither regeneration nor conversion; and to be without it is to be destitute of the Spirit of Christ and so to be none of his, to be dead in sins, without God and without hope in the world.
By an experience, then, of the authority of Jesus as King in Zion we understand a spiritual, gracious, and saving acquaintance with his kingdom as set up in the heart by the power of God. This kingdom is an internal kingdom. “The kingdom of God is within you.” (Luke 17:21.) “The kingdom of God is not in word, but in power.” (1 Cor. 4:20.) “The kingdom of God is not food and drink, but righteousness, and peace, and joy in the Holy Spirit.” If, then, it be within us, there must be an internal perception of its presence; if it be in power, it must do something for and in us; if it be “righteousness and peace and joy in the Holy Spirit,” there must be some spiritual tasting of these heavenly fruits. But before this kingdom can be set up in the heart there must be a breaking to pieces of every other kingdom there. This is beautifully shown in Daniel’s vision of the image. “You saw until that a stone was cut out without hands, which smote the image upon his feet that were of iron and clay, and broke them to pieces. Then was the iron, the clay, the brass, the silver, and the gold, broken to pieces together, and became like the chaff of the summer threshing-floors; and the wind carried them away, that no place was found for them—and the stone that smote the image became a great mountain, and filled the whole earth.” (2:34, 35.) The “stone cut out without hands” represents the Lord Jesus, a reference being intended to his human nature as not formed by ordinary generation; and the breaking to pieces of the feet, of the image mystically foreshadows the wreck and ruin of everything which stands in the way of the setting up and full development of his kingdom. (We do not say there is not a prophetical sense of the passage besides the spiritual meaning here given.)
That Christ, then, may reign and rule in the heart, there must be a previous breaking to pieces of all other authority and power. The reign of sin must give way to the reign of grace; idols must be dethroned; rivals banished; lusts subdued; the flesh mortified and crucified; the old man put off, the new man put on. But who is sufficient for these things? Who will pluck out his own right eye, or cut off his own right hand? Who will drive the nails of crucifixion into his own quivering flesh? No one! The Lord, then, must do it all for and in us by his Spirit and grace. The means which he uses is his word, for “where the word of a king is, there is power;” and he himself says, “Is not my word like a fire? says the Lord; and like a hammer that breaks the rock in pieces?” (Jer. 23:29.) To revert, then, to our figure, upon the toes of sin and self, on which the image stands, the stone falls and breaks them to pieces. This fracture brings down the image, and, with the same crash, the iron, the clay, the brass, the silver, and the gold become like the chaff of the summer threshing floors, so that no place is found for them. In this way pride and self-righteousness, unbelief and infidelity, hypocrisy and vain confidence, carnality and worldly mindedness, sin and self in all their various shapes and forms, whether strong as iron, base as clay, bright as brass, precious as silver, or glittering as gold, become smitten as with a deadly blow, and scattered to the winds of heaven, so as to form a compact and standing image no more. Now this fall and ruin of self makes way for the setting up of the kingdom of Christ in the heart. Jesus reveals himself to the soul, thus broken and humbled, as its Lord and King. He thus becomes known, believed in, and loved; and these three things, knowledge, faith, and love, lie at the foundation, and form the root of all gracious living experience.
Let us view them separately.
1. KNOWLEDGE. Unless we know the Lord, how can we trust him? for it is those, and those only, “who know his name,” who can or will “put their trust in him.” (Psalm 9:10.) Indeed, without a spiritual, experimental knowledge of the Son of God, there is no eternal life, for “this is life eternal, that they might know you, the only true God, and Jesus Christ, whom you have sent.” (John 17:1.) But how can we thus spiritually and savingly know him unless he manifests himself unto us as he does not manifest himself to the world? (John 14:22.) As, then, he manifests himself, his divine Person and finished work, his surpassing grace, and heavenly glory, his matchless beauty and supreme blessedness, his complete suitability and all-satisfying sufficiency are clearly seen. This is to see light in God’s light; (Psalm 36:9;) to be enlightened with the light of the living; (Psalm 56:13;) and to enjoy the blessing described by the Apostle—“For God, who commanded the light to shine out of darkness, has shined in our hearts, to give the light of the knowledge of the glory of God in the face of Jesus Christ.” (2 Cor. 4:6.)
2. FAITH. This revelation of Christ gives a spiritual knowledge of him, and out of this knowledge of him springs faith in him; “I know,” says the Apostle, “whom I have believed.” (2 Tim. 1:12.) Of this faith Jesus is the author, and Jesus the finisher, for it stands “not in the wisdom of men, but in the power of God.” (Heb. 12:2; 1 Cor. 2:5.) But view this grace of faith chiefly as raised up and drawn forth upon the Person of Jesus as King of Zion. What is its first work? To give him a place in the heart. When Jesus reveals himself with power, faith immediately stretches forth its arms, and embraces him, and thus brings him into the soul. This is beautifully expressed by the Bride—“It was but a little that I passed from them, but I found him whom my soul loves; I held him, and would not let him go, until I had brought him into my mother’s house, and into the chamber of her that conceived me.” (Song 3:4.) It is by faith that Christ dwells in the heart, (Eph. 3:17,) for faith first gives him admission, and afterwards maintains him there.
3. LOVE. And as faith works by love, love next flows forth to delight itself in him who is altogether lovely, and thus to enshrine him in the warmest, tenderest affections of the soul. This is the crowning grace of the Spirit, the richest, ripest fruit of the whole heavenly cluster. As, then, Jesus is thus known, believed in, and loved, by this threefold cord the heart is bound to his throne, and to him who sits thereon in the fullness of his Mediatorial grace and ascended glory.
4. From this knowledge of him, faith in him, and love to him, springs UNION with him as the Church’s living Head; for the same holy and blessed Spirit, through whose heavenly teaching and unction these graces are communicated, gives and cements by them a spiritual union with thus Son of God. (1 Cor. 6:17.)
5. From this spiritual union with the Lord flows COMMUNION or fellowship with him—“God is faithful, by whom you were called unto the fellowship of his Son Jesus Christ our Lord.” This made holy John say, “And truly our fellowship is with the Father and with his Son Jesus Christ.” (1 John 1:3.)
6. From this communion flows FRUITFULNESS, as the Lord so beautifully opens up in the parable of the vine and the branches.* How plainly he there declares that “without him,” that is, without union and communion with him, we can “do nothing,” that is, bring forth no fruit to his praise; but that, if we “abide in him” by faith and love, and he “abides in us” by his Spirit and grace, fruit will be abundantly brought forth to the glory of God. (John 15:4-8.)
The whole of this beautiful chain of vital godliness may be found by a spiritual eye, in those wondrous chapters wherein the Lord comforted his sorrowing disciples—John 14, 15, 16, 17.
1. The glory of Christ with his Father—17:5, 11, 24.
2. The manifestation of Christ to the soul—14:21, 22; 16:16, 22.
3. A saving knowledge of Christ—14:19 16:14, 15.
4. Faith in him—14:1, 10, 11, 29; 16:27; 17:8.
5. Union with him—14:20; 15:5; 17:21, 23.
6. Communion—15:4, 7, 10, 11.
7. Fruitfulness—15:2, 5, 16.
ii. We thus see the necessary connection between an experience of the kingly power of Jesus, and all real PRACTICAL OBEDIENCEto his will and word, all inward and outward submission to his sovereign sway and divine authority. Of this obedience love is the main-spring—“The love of Christ constrains us.” (2 Cor. 5:14.) For this is the love of God, that we keep his commandments; and his commandments are not grievous.” (1 John 5:3.) Does not our blessed Lord himself say,”If you love me, keep my commandments?” No, so closely is obedience connected with love, that, not only is it made the test of it, but the very manifestations of Christ are closely connected with it. “He who has my commandments, and keeps them—he it is that loves me; and he who loves me shall be loved of my Father, and I will love him, and will manifest myself to him.” (John 14:21.)
Practical obedience; a godly, consistent conduct and conversation; a daily walking in the fear and love of God; a fruitfulness in every good word and work; a living not unto ourselves but unto the Lord; a seeking of God’s glory and not our own; a desire to do good to the bodies and souls of our fellow men; and a cleansing ourselves of all filthiness of the flesh and spirit—by the word of God’s grace. All such and similar fruits of faith are generally left out of the Calvinistic profession of the present day. ‘Good works’ are left to the Arminians. The very word would desecrate, it is thought, a Calvinistic pulpit, and to enforce them would seem to smack too strongly of free-will and self-righteousness to please the pew.
But though left out of the ministry of the day, and left out of the practice of the people, they are not left out of the book of God, nor out of the consciences of those who truly fear and love him; and it will be seen in the great day how far they have been safely left out of the profession and practice of many who are considered by themselves and others champions of truth. But whatever such men may think or say, the word of God bears a sure, an unerring testimony that “holiness becomes the house of the Lord forever,” and that “without holiness no man shall see the Lord.” (Psalm 93:5; Heb. 12:14.)
Thus far, then, have we seen what a holy, sanctifying influence a true experimental knowledge of Christ as Lord and King has over a believer’s heart and life. His throne, though to our unspeakable comfort a throne of grace, is at the same time “a throne of holiness.” (Psalm 47:8.) The hill of Zion on which the Father has set his Son is a “holy hill.” (Psalm 2:6.) To that holy throne, to that holy hill, sinners are welcome, but not sin. If we serve the Lord it must be with fear; if we rejoice in him it must be with trembling. (Psalm 2:11.)
But it is time for us to bring our Meditations to a close. Our desire and aim in them have been to bring before our readers the Mediatorial grace and glory of the exalted Son of God—as Priest, Prophet, and King, to his redeemed and regenerated people; and in pursuance of this object, we have sought to make our Meditations edifying and profitable, by not handling these sacred topics as mere matters of doctrinal speculation, but as blessed experimental themes of heavenly meditation and practical efficacy and influence.
We cannot but feel how weakly, how imperfectly, we have treated these heavenly mysteries; but they have not been handled by us without some thought and care, as well as prayer for divine instruction for ourselves, and a spiritual blessing upon them for our readers. We have not written carelessly for careless readers; but while we have endeavored “to hold fast the faithful word as we have been taught, so as to be able by sound doctrine both to exhort and to convince the gainsayers,” we have also aimed so to blend experience with doctrine, and practice with experience, as to edify the living family of God. They will be both our best and most lenient judges, for as they, and they only, know the value and blessedness of the subjects which we have brought before them, so they, and they only, will throw a mantle of love over our imperfections.
And now what remains but to beg of the Lord that, as these Meditations on his Office Characters were written to magnify the exceeding riches of his grace, so he would make them redound to the praise of his glory! Amen.