Een natuur die oorspronkelijk en wezenlijk minder is dan die van de engelen, wordt hier verheven en verhoogd, zoals de apostel zegt: Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:21). Dit is het grote en plechtige geheim waarop de apostel de ogen van ons verlichte verstand wil richten. We moeten het in ons gelovige hart ontvangen als een bijzondere vrucht van de gave van de Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus.
Laten we daarom proberen dit gezegende thema nog wat verder te volgen. Het toont niet alleen de oneindige wijsheid en liefde van God. Het bevat ook grenzeloze voorraden van kracht, bemoediging en troost. Die zijn er voor wie van alle hoop en hulp in zichzelf zijn beroofd en opzien naar een opgestane en gekroonde Middelaar, Hogepriester en Voorspraak. Zij zien naar Hem op opdat Hij hun zaak bepleit, hun strijd voert, in hun nood voorziet, hun ongerechtigheden onderwerpt en hen volkomen zalig maakt, terwijl zij steeds door Hem tot God komen.
Toen de Zoon van God Zich verwaardigde onze natuur in vereniging met Zijn eigen goddelijke Persoon aan te nemen, maakte Hij haar door die daad van liefde en macht geschikt voor meer dan Zijn diepste vernedering. Zij kon ook delen in de hoogste hoogten van Zijn hemelse heerlijkheid. Het was immers een onverbrekelijke vereniging. Daarom kon geen enkele omstandigheid van diepte of hoogte, van lijden op aarde of heerlijkheid in de hemel scheiden wat voor altijd was verbonden.
De vernedering van onze gezegende Heere ging echter vooraf aan Zijn verhoging en was de noodzakelijke inleiding daartoe. Zo zei Hij Zelf: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Lukas 24:26). Daarom moeten wij het ene uit ervaring leren voordat we het andere uit ervaring kunnen leren.
Met andere woorden: wij moeten Christus in Zijn vernedering door het geloof aanschouwen, uit eigen bevinding kennen en als het ware persoonlijk leren kennen. Dat maakt ons geschikt en bereidt ons voor om Hem in Zijn verhoging te aanschouwen, te kennen en persoonlijk te leren kennen. De Schrift verbindt de twee dan ook altijd met elkaar. Dat blijkt als we Filippenzen 2:5-11 vergelijken met Hebreeën 12:2.
Als deel van Zijn vernedering was onze Heere, zoals de apostel zegt, een weinig minder dan de engelen geworden (Hebreeën 2:9). Wat een wonder dat Hij Die als Zoon van God de engelen heeft gemaakt (Kolossenzen 1:16), minder werd dan zij! Hij had zelfs hun dienende hulp en steun nodig en ontving die ook (Mattheüs 4:11; Lukas 22:43). O, de diepten van vernedering waarin de gezegende Verlosser neerboog! Hij droeg die zuivere, vlekkeloze, heilige menselijke natuur, die Hij in vereniging met Zijn goddelijke Persoon als Zoon van God had aangenomen, tot haar laagste punt.
Laten we steeds goed bedenken dat vernedering geen verlaging is. Onze gezegende Heere heeft Zichzelf vernederd in een vrijwillige daad van overweldigende genade (Filippenzen 2:8). Het was niet meer in de macht van mensen of omstandigheden Hem van Zijn heerlijkheid te beroven dan het in de macht van valse getuigen lag Hem van Zijn onschuld te beroven. De smetteloze reinheid van Zijn heilige mensheid bewaarde die voor verlaging, ook in haar diepste vernedering. Die mensheid was verenigd met Zijn goddelijke natuur en vervuld en ondersteund door de Heilige Geest.
De doornenkroon en het purperen kleed, de spottende knieval van de Romeinse soldaat en de hoonlachende spot van de Joodse priester riepen Zijn genade op maar bezoedelden de heerlijkheid van onze lijdende Heere niet. Hij was heilig gehoorzaam aan de wil van Zijn Vader toen Hij de bittere beker dronk. Hij toonde zachtmoedige waardigheid te midden van de ergste beledigingen en kalme overgave aan heel het gewicht van het lijden dat God of mensen Hem oplegden. Dit alles straalde des te helderder bij elke poging Hem te onteren.
Het is zeer zoet en gezegend om als het ware in enkele van die diepten van vernedering te kijken waarin de Verlosser wegzonk. In de diepste diepten van Zijn zielenstrijd was Hij uitgestort als water. Zijn hart, gebroken van verdriet en smart, was als was en smolt in Hem weg (Psalm 22:15). Toch was Hij te midden van dat alles de heerlijke Zoon van God, hoewel Hij toen de lijdende Mensenzoon was. En Hij was gisteren aan het kruis dezelfde Jezus als vandaag aan de rechterhand van Zijn Vader, en Hij zal het voor eeuwig zijn in de rijken van de hemelse zaligheid (Hebreeën 13:8).
Een blik van het geloof op de vernedering van Jezus bereidt ons voor op een blik van het geloof op de verhoging van Jezus. Beide hangen, zoals we hebben opgemerkt, zo nauw met elkaar samen. Het oog van ons geloof moet voortdurend op Jezus gevestigd zijn. De Persoon van Christus is immers het grote voorwerp van het geloof. Wie Hem uit het oog verliest, verliest de Weg, en de Waarheid, en het Leven uit het oog (Johannes 14:6).
Zoals het geloof dus de gezegende Heere in de diepste diepten van Zijn vernedering beschouwt, overdenkt en erop handelt, zo beschouwt, overdenkt en handelt datzelfde geloof Hem ook in de hoogten van Zijn heerlijke verhoging. Het is hetzelfde geloof, want er is maar een geloof (Efeze 4:5). Wanneer het geloof Hem in Zijn vernedering heeft aanschouwd en als het ware kennis met Hem heeft gemaakt, heeft dat een bijzonder kenmerk en een bijzondere zaligheid. Het kan die kennismaking meenemen naar Zijn verhoging.
Is Hij nu niet dezelfde Jezus als op aarde? Hij is wel verhoogd tot een onvoorstelbare hoogte van heerlijkheid. Toen Johannes Hem zag, zij het enigszins als door een sluier, viel hij als dood aan Zijn voeten (Openbaring 1:17). Maar Hij is nu dezelfde Jezus als toen Hij een Man van smarten was (Jesaja 53:3) en vertrouwd met ziekte en verdriet. Hij draagt hetzelfde menselijke lichaam en heeft dus hetzelfde tedere, medelijdende hart.
Alles wat Hij op aarde was als Jezus, is Hij nog steeds in de hemel. Hij heeft al die tederheid en zachtmoedigheid, al dat medelijden met arme gevoelige zondaars en al die ontferming met onwetenden en dwalenden. Hij heeft al die genade en waarheid die door Hem gekomen zijn en in Hem zijn geopenbaard, al die bloedende, stervende liefde en al dat medeleven met bedrukten en verzochten.
Hij heeft al die kracht om met één woord elke soort ziekte en kwaal te genezen. Hij heeft al die overtreffende schoonheid en zaligheid waardoor Hij voor wie Hem hebben gezien de banier boven tien duizend draagt en gans begeerlijk is (Hooglied 5:10; Hooglied 5:16).
Dit alles behoudt Hij niet alleen in de hoogste hemelen. Hij is bovendien als het ware begiftigd met een groter vermogen om het te gebruiken. Want Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18) en alle dingen zijn onder Zijn voeten gesteld. Dat is niet alleen om Zijnentwil, maar opdat Hij het Hoofd zou zijn over alle dingen voor de gemeente.
Terugkerend naar onze uitleg zien we dus enkele bijzondere weldaden en zegeningen die uit de verhoging van haar heerlijke Hoofd naar de gemeente stromen.
I. De eerste die de apostel noemt, is dat God alle dingen Zijn voeten onderworpen heeft (Efeze 1:22). Hier wordt gezinspeeld op de taal van Psalm 8. In die psalm heeft de psalmist met verwondering en bewondering de heerlijkheid van de sterrenhemel overdacht. Daarna richt hij zijn gedachten op de mens in vergelijking daarmee, die zo gering en onbeduidend lijkt. Maar de Heilige Geest in hem, als Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus, wijst hem erop dat hij de mens niet als mens moet zien maar in de Godmens.
Hij moet de menselijke natuur niet overdenken zoals wij haar dagelijks in onszelf en anderen zien. Hij moet haar zien zoals ze is aangenomen in vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Door haar natuurlijke gesteldheid was ze een weinig minder gemaakt dan de engelen, maar na de hemelvaart van Jezus is ze verhoogd tot soevereine heerschappij en heerlijkheid.
Met dit gezicht van het geloof op de heerschappij die aan de verhoogde Godmens is gegeven, breekt hij uit in deze verheven zang: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet (Psalm 8:5-7).
Dat dit de gedachte van de Heilige Geest in die psalm was, blijkt duidelijk wanneer we er de geïnspireerde verklaring van vergelijken in Hebreeën 2:6-10. Ook de verwijzing ernaar in 1 Korinthe 15:25-27 is daarvoor van belang. Het geheel is een opmerkelijk voorbeeld van wat we de zwangerschap van de Schrift kunnen noemen. Het toont hoe diepe goddelijke waarheden besloten liggen in passages die buiten het bereik van het gewone oog zijn. Toch is dit alles, gelezen in het licht van deze uitleg, zo passend. En wat een licht werpt het op de oorspronkelijke gave van heerschappij aan Adam!
Adam was immers een type van Christus (1 Korinthe 15:45-49). De heerschappij die hem werd gegeven over alles wat leeft en zich beweegt op de aarde (Genesis 1:28), was dus een voorafbeelding van de heerschappij die aan de tweede Adam zou worden gegeven. Hij herwint alles wat Adam verbeurde en verloor en nog meer dan dat. Door Zijn menswording verheft Hij de menselijke natuur zoals ze nooit had kunnen worden verheven, zelfs als Adam in zijn geschapen onschuld was gebleven.
Dat alle dingen onder de voeten van de zo hoog verhoogde Jezus worden gesteld, lijkt drie dingen in te sluiten:
1. De vrijwillige onderwerping van vrienden.
2. De gedwongen onderwerping van vijanden.
3. De onderwerping van alle dingen, gebeurtenissen en omstandigheden.
1. De vrijwillige onderwerping van vrienden. Een groot verschil tussen wie van Christus zijn en wie dat niet zijn, is dit. De eersten nemen Zijn juk gewillig en onderdanig op zich omdat zij gewillig zijn gemaakt op de dag van Zijn macht (Psalm 110:3). De anderen zeggen in hun hart, zo niet met hun lippen: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij (Lukas 19:14).
Eerst door nood gedreven en daarna overwonnen en onderworpen door de ontdekkingen van Zijn genade en de kracht van Zijn woord, dat voor hun ziel geest en leven werd, vallen de met bloed gekochte mensen van Jezus aan Zijn voeten. Zij erkennen Hem als hun Heere en hun God. Zij geloven het evangelie niet alleen maar gehoorzamen het ook. Het is hun immers bekend gemaakt tot gehoorzaamheid des geloofs (Romeinen 16:26).
Het is het verlangen van hun ziel om in alles aan Christus onderdanig te zijn (Efeze 5:24), Zijn geboden te houden, Zijn wil te doen en tot Zijn lof te leven. Daarom is het hun grootste verdriet en klacht dat ze niet kunnen doen wat ze willen. Dat komt door de sterkte en macht van de zonde die in hen woont. Maar Hij Die hen aan Zijn voeten heeft gebracht, zal voleindigen wat hen aangaat (Psalm 138:8). Hij zal op Zijn tijd en op Zijn wijze alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Korinthe 10:5).
2. Maar de woorden wijzen vooral op de gedwongen onderwerping van vijanden. Omdat God alle dingen onder de voeten van Christus heeft gesteld, zal uiteindelijk iedereen aan Zijn heerschappij onderworpen worden. Deze heerschappij is immers zowel toekomstig als tegenwoordig. Zo zegt de apostel dat wij nog niet zien dat hem alle dingen onderworpen zijn (Hebreeën 2:8). Maar Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben (1 Korinthe 15:25).
De koningen der aarde mogen zich opstellen en de vorsten mogen samen beraadslagen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde (Psalm 2:2). Maar God heeft Jezus gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid (Psalm 2:6). Hij zal hen verpletteren met een ijzeren scepter en in stukken slaan als een pottenbakkersvat (Psalm 2:9). Vrees dus uw vijanden niet, u bevende heiligen.
Zoals de voorafgebeelde Jozua de gevangen koningen naar voren bracht en de mannen van Israël opdroeg hun voeten op hun halzen te zetten (Jozua 10:24), zo zet Jezus Zijn voeten op hen. Zo wil Hij ook dat u door het geloof uw voeten zet op de nek van uw vijanden. Dat zijn geen persoonlijke of privévijanden en ze zijn dat niet door onenigheid en twist, strijd en ruzie. Het zijn vijanden als vijanden van Christus, vijanden van God en van de godzaligheid.
Ze mogen razen en tieren en u vervolgen en onderdrukken. Maar Jezus heeft hen allen onder Zijn voeten en vroeg of laat zult u zien dat ze allemaal voor u vallen. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem (Psalm 37:5). Wacht geduldig op Hem. Dan zult u alle werkers der ongerechtigheid vroeg of laat zien worden afgesneden als gras, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen (Psalm 37:2).
3. Maar door alle dingen onder Zijn voeten te stellen heeft God daar ook alle dingen, gebeurtenissen en omstandigheden onder gesteld. Hoe groot, hoe talrijk en hoe ingewikkeld zijn de verschillende gebeurtenissen en omstandigheden die de gemeente van God hier beneden vergezellen, terwijl ze naar haar hemelse thuis reist! Wat lijken ze vaak een ondoorgrondelijk doolhof en wat lijken ze ons vaak tegen te werken, alsof we er nooit doorheen kunnen komen of er nauwelijks onder kunnen leven.
Maar als alle dingen en alle personen onder de voeten van Jezus zijn gesteld, dan kan er geen enkele omstandigheid zijn waarover Hij niet de hoogste zeggenschap heeft. Alles in de voorzienigheid en alles in de genade staat evenzeer onder Zijn beschikking. Er is geen beproeving of verzoeking, geen lijden van lichaam of ziel, geen verlies, geen kruis en geen pijnlijk sterfgeval. Er is geen ergernis, geen verdriet of teleurstelling en geen geval, toestand of omstandigheid die niet onder de voeten van Jezus is gesteld. Hij heeft soevereine, allerhoogste beschikking over alle gebeurtenissen en omstandigheden.
Als Hij Die oneindige kennis bezit, ziet Hij ze. Als Hij Die oneindige wijsheid bezit, kan Hij ze besturen. En als Hij Die oneindige macht bezit, kan Hij ze schikken en richten tot ons goed en tot Zijn eigen eer. Hoeveel moeite en zorg zouden we onszelf besparen als we dit vast konden geloven, ervaren en ernaar handelen!
Als we met het oog van het geloof konden zien dat elke vijand en elke vrees, elke moeilijkheid en verlegenheid en elke beproevende of pijnlijke omstandigheid allemaal onder Zijn voeten zijn en onder Zijn soevereine beschikking vallen, dan zou ons vaak een hele last van angst en zorg van de schouders worden genomen. Dat geldt voor elke verwachte of onverwachte gebeurtenis en elke bron van zorg, nu of in het vooruitzicht.
II. God heeft echter niet alleen alle dingen onder Zijn voeten gesteld. Hij heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen (Efeze 1:22). Dit punt moeten we nu dus beschouwen.
Aan het begin van onze uitleg hebben we erop gewezen dat de betrekking van Christus tot de gemeente als haar verbondshoofd en de betrekking van de gemeente tot Hem als Zijn mystieke lichaam als het ware de grondtoon vormen van heel de brief. Als we deze wederzijdse betrekking van Hoofd en leden niet duidelijk zien en voortdurend bedenken, missen we veel van de bijzondere kracht en schoonheid van elke leer, verklaring en voorschrift die erin worden geopenbaard of ingeprent. Dan hebben we een zeer vaag en onvolledig beeld van de heerlijkheid van Christus of van de genade die aan de gemeente is geschonken.
Het is inderdaad een onderwerp dat alle menselijk denken en voorstellingsvermogen zo te boven gaat dat we ons niet hoeven te verwonderen over ons onvermogen erbij te komen. Alleen door goddelijk onderwijs en een geloof dat God bijzonder schenkt, kan dat. Toch had deze betrekking van Christus tot de gemeente een bijzondere plaats in de raad des HEEREN die in eeuwigheid bestaat. Door haar werd Hij gesteld tot haar heerlijke Hoofd en werd zij Zijn mystieke lichaam. Ze nam diep de gedachten van Zijn hart in beslag, die zijn van geslacht tot geslacht (Psalm 33:11).
Voor de gemeente kwam de Zoon van God in deze wereld en nam in de schoot van de maagd haar natuur aan. Voor haar leefde Hij, voor haar was Hij gehoorzaam, voor haar leed, bloedde en stierf Hij. Voor haar stond Hij weer op en voor haar ging Hij op naar omhoog en kreeg Hij alle dingen onder Zijn voeten. Als haar Hoofd is Hij dus nu over alle dingen. Met dit alles zorgvuldig in gedachten laten we nu zien wat dit hoofdschap betekent en inhoudt.
1. Het betekent ten eerste dat de Heere Jezus het Hoofd van de gemeente is in de zin van voorrang. Heeft ons natuurlijke hoofd niet voorrang boven alle leden van ons lichaam, en is dat niet zijn kenmerk? Juist zijn bevelvoerende positie in het lichaam, de manier waarop het op zijn hoge plaats boven de andere leden is gesteld, geeft ons hoofd een erkende voorrang. Maar die voorrang gebruikt en oefent het uit voor het voordeel van het hele lichaam.
Zo is het ook met het hoofdschap van Christus. Juist Zijn voorrang is ten bate van de leden. Hier zien we dus hoe de ambten die de Heere Jezus bekleedt, door Hem worden bekleed als Hoofd van de gemeente tot haar bijzondere voordeel. Als haar Hoofd bidt Hij voor haar als Hogepriester binnen het voorhangsel. Als haar Hoofd onderwijst en leert Hij haar als Profeet. En als haar Hoofd leidt, richt en regeert Hij haar als Koning.
Dit geeft de ambten van Christus zulk een bijzondere kracht en zaligheid dat elke handeling die Hij in verband daarmee verricht, geschiedt als het opgestane en heerlijke Hoofd van de gemeente. Deze betrekking geeft ze, als we dat woord mogen gebruiken, een bijzondere bepaaldheid en ook een eigen tederheid. Brengt Hij als Hogepriester voortdurend de verdiensten van Zijn lijden, bloedstorting en dood voor Zijn Vader? Stijgt die zoete reukoffer voortdurend op en vult hij de hoven van de hemel met onuitsprekelijke geur? Dan pleit en bidt Hij zo voor de gemeente als haar opgestane en verheerlijkte Hoofd.
Hij is de Vertegenwoordiger van de gemeente in de hoven daarboven. Juist Zijn aanwezigheid daar als haar Hoofd is dus een zeker onderpand dat Zijn voorbede voor haar zal slagen. Kan zij falen of kan haar verzoek worden afgewezen, met zo’n Voorspraak die haar zaak bepleit?
Evenzo, wat een tederheid en bepaaldheid geeft het hoofdschap van Christus aan Zijn ambt als Profeet! Hoe teder onderwijst een man zijn vrouw! Wat een leerzame, liefdevolle leerling vindt hij in haar! Hoe kan hij woorden met glimlachen vermengen en raadgevingen met kussen! (Hooglied 1:2.) Milton zegt het prachtig over Eva, als hij haar de rede van de engel door Adam laat navertellen: van zijn lippen behaagden haar niet alleen woorden.
Zo is het ook als we Hem als Koning zien. Jezus is voor Zijn gemeente geen willekeurige monarch maar een gekroonde Bruidegom die voor haar en in haar regeert. Hij eist haar hart op, want dat heeft Hij rechtmatig gewonnen. Hij eist ook haar liefdevolle gehoorzaamheid op als het beste voor haar eigen geluk. Zijn heerschappij over haar is dus de zachte, liefdevolle heerschappij van een man over zijn vrouw. Om het beeld vast te houden: het is de heerschappij van ons natuurlijke hoofd over de leden van ons lichaam.
Voor het lichaam zien onze ogen, voor het lichaam horen onze oren en voor het lichaam spreken onze lippen. Ons hoofd adviseert en leidt alles. Wat we moeten doen en waarheen we moeten gaan, hoe we moeten handelen, wat we moeten volgen en wat we moeten mijden. Het bepaalt hoe we wandelen, rennen, vechten en stilstaan, alles behalve omkeren. Zo is het ook met ons geestelijk Hoofd.
2. Daarom is Hij ten tweede voor de gemeente een Hoofd van invloed. Dat toont Hij vooral op drie manieren, namelijk als Bron van leven, van beweging en van kracht.
1. In Hem leven wij, want Hij is ons leven (Johannes 14:6; Kolossenzen 3:4). Van Hem is het eerst ontvangen, want alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil (Johannes 5:21). Door Hem wordt het in stand gehouden, want Hij heeft beloofd: Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19). Zolang het Hoofd leeft, kan het lichaam niet sterven.
2. Van Hem komt ook alle geestelijke beweging: alle bedrijvigheid, energie, warmte, ijver en ernst. Grijpt de hand vastberaden het zwaard? Beweegt de voet zich actief voorwaarts? Wordt er enige gewillige dienst bewezen aan de zaak van de waarheid, aan de bedrukte heiligen, aan de armen en behoeftigen? Is er enige arbeid van liefde die de doener onderscheidt van de prater? Die onderscheidt de warmhartige, zelfverloochenende, tedere en meelevende volgeling van Jezus van de luie, zichzelf toegeeflijke, dorre en driest levende belijder. Het komt van Jezus als levend Hoofd.
3. Zo is Hij ook als levend Hoofd van invloed voor de gemeente de bron van al haar kracht. Alle mijn bronnen zijn in U, zei iemand van ouds (Psalm 87:7). Het Hoofd sprak eens zo tot een van Zijn lijdende leden: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. En wat antwoordde het versterkte lid? Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone (2 Korinthe 12:9).
Maar we moeten haast maken om te besluiten. Van de gemeente wordt hier verklaard: Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult (Efeze 1:23). In de gedachten van God, en als in Christus uitverkoren, is de gemeente een volmaakt lichaam. Zij is dus de volheid van Christus.
Zoals ons hoofd en onze leden in hun vereniging met elkaar één volmaakt, harmonieus lichaam vormen, zo is het met Christus en de gemeente. Zoals het natuurlijke hoofd onvolledig zou zijn zonder het lichaam en het lichaam onvolledig zonder het hoofd, zo is het met de mystieke Christus en Zijn lichaam, de gemeente. Elk mist het andere en de vereniging van beide maakt het geheel compleet.
De Zoon van God had door mens te worden een lichaam nodig waarvan Hij het Hoofd zou zijn. Zonder dat zou Hij zijn als een bruidegom zonder bruid, een herder zonder schapen, een fundament zonder gebouw, een wijnstok zonder ranken. Hij had de gemeente niet nodig als Zoon van God maar wel als Mensenzoon.
In die zin is zij dus Zijn volheid. In haar is al Zijn liefde volledig, Zijn werk volledig, Zijn genade volledig en Zijn heerlijkheid volledig. Wanneer zij thuisgebracht wordt om voor eeuwig bij Hem in heerlijkheid te zijn, dan zullen alle voornemens van God en al Zijn eeuwige raadsbesluiten van wijsheid en genade voltooid zijn.
In deze zin kunnen we de uitdrukking de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult verstaan. Wat een wonderlijke gedachte dat Hij Die als Zoon van God alles in allen vervult en alle plaatsen vervult met Zijn alomtegenwoordigheid, Zich toch verwaardigt een betrekkelijke volheid te hebben in Zijn lichaam, de gemeente!
Zo is er niet alleen Zijn algemene aanwezigheid maar ook Zijn genadige aanwezigheid. Daarmee vervult Hij Zijn heiligen hier beneden naar de maat van hun vermogen. Want Hij voorziet nu uit Zijn eigen volheid in al hun nood. Hij vervult hun verstand met kennis van Zichzelf. Hij vervult hun harten soms met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petrus 1:8).
Hij vervult hun geweten door toepassing van Zijn dierbare bloed met vrede. Hij vervult hun wil met ernstige verlangens en geestelijke wensen en ook met onderwerping onder de beproevingen. En Hij vervult hun gevoelens door ze in liefde naar Zichzelf en naar allen die Hem liefhebben omhoog te trekken.
Daarnaast is er Zijn heerlijke aanwezigheid. Daarmee zal Hij alle leden van Zijn verheerlijkte lichaam vervullen. Dan zullen ze volgens Zijn gebed bij Hem zijn waar Hij is, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt (Johannes 17:24). Maar welk hart kan de schatten van genade en heerlijkheid bevatten en welke tong kan ze uitspreken, die zo worden geopenbaard en aan het licht gebracht in het hoofdstuk waarvan we de uitleg hebben beproefd?
Ondanks al ons verlangen en onze poging om deze hemelse geheimen te ontvouwen voor het geestelijk verstand en het gelovig aannemen van onze lezers, voelen we hoe ver we erbij achter zijn gebleven om hun deze diepe geheimen van ons allerheiligst geloof voor te stellen. Toch willen we ze aanbevelen aan de zegen van die heilige en genadige Geest door Wie ze in het woord van de waarheid zijn opgetekend.
We vragen vergeving voor alles wat gebrekkig of ongerijmd is, waaraan we ons schuldig mogen hebben gemaakt. En nu we onze uitleg van dit wonderbare hoofdstuk besluiten, werpen wij ons brood uit op het water (Prediker 11:1) in de hoop dat het na weinige of vele dagen gevonden zal worden, tot eer en lof van de drie-enige God.


