The Ascension
Er is een bijzondere zegen in de Persoon en het werk van de aanbiddelijke Verlosser. Als de zon die in elk werelddeel schijnt, laat Hij uit Zijn onuitputtelijke volheid steeds stralen van genade en heerlijkheid uitgaan, in elk opzicht, naar gelovige ogen en harten. Hoe meer wij naar Hem opzien, des te meer vinden wij in Hem om te aanbidden en lief te hebben. Hoe meer wij in Zijn naam geloven, des te meer wordt die naam als uitgegoten zalf. En hoe meer wij van Zijn genade ervaren, des te meer voelen wij van haar kracht.
„Ben Ik een woestijn geweest voor Israël?” vraagt Hij Zijn volk. „Een land van de uiterste donkerheid?” (Jeremia 2:31). Nee, Heere, mogen wij dan antwoorden. Geen „woestijn”, want van U komt al onze vrucht. Geen „land van donkerheid”, want bij U is het licht des levens. Als wij dus geen vrucht plukken van dat deel van de hemelse hof waar wij nu, met Gods hulp en zegen, met onze lezers doorheen willen wandelen, dan komt dat niet doordat er daar geen vrucht groeit. Dan zijn onze ogen te dof om haar te zien of onze handen te zwak om haar van de boom des levens neer te halen.
Hierin, zoals in alles wat wij in Zijn naam spreken, schrijven of doen, erkennen wij gewillig onze tekortkomingen. Wij willen met al onze kracht de genade en heerlijkheid van de mensgeworden Zoon van God uiteenzetten. Ook is wat onze pen de laatste tijd bezighield niet zonder zorgvuldig nadenken gebleven. Toch voelen wij dat wij jammerlijk tekortschieten in gedachte en uitdrukking. Wij moeten met Berridge belijden:
Wij stamelen slechts en hakkelen zacht,
gebroken woorden, Zijn waarde niet half bedacht.
Als dit waar is van onze voorgaande overdenkingen over de heilige menselijke natuur van Jezus in Zijn staat van vernedering hier beneden, hoeveel te meer dan nu wij Hem moeten bezien zoals Hij nu is. Hij is hoog verheven op de troon, in de volle rijkdom van Zijn middelaarsgenade en heerlijkheid. Toch wagen wij de taak.
Wij hopen dat onze overdenking van Hem zoet mag zijn en vergezeld gaat van een zegen van omhoog voor hen die Zijn naam liefhebben en verlangen naar Zijn verschijning. Want al is Hij ver boven alle huidige voorstelling verheven, in het woord van de waarheid hebben wij een zekere gids. Als wij die volgen, kunnen wij gelovig iets verstaan van wat Hij is voor hen die Hem door het geloof zien aan de rechterhand van de Vader.
1. Het eerste punt dat ons nu bezighoudt is de HEMELVAART van de gezegende Heere. De eerste stap in onze overdenking is het bewijs van het feit zelf. In de diepte van Zijn wijsheid heeft God dit buiten alle twijfel en tegenspraak gesteld, althans voor allen die de Schrift als een door God ingegeven openbaring aanvaarden. Daarin hebben wij veel reden om Zijn oneindige neerbuigendheid en genade te bewonderen.
De Heere had direct na Zijn opstanding naar de hemel kunnen gaan zonder Zich aan Zijn discipelen te tonen. Of Hij had, nadat Hij hun verschenen was om te bewijzen dat Hij uit de doden was opgestaan, zonder ooggetuigen naar omhoog kunnen gaan. Maar dit machtige en toch zo onmisbare feit moest op een onwrikbaar fundament rusten. Daarom voer de Heere pas veertig dagen na de opstanding op.
Door Zijn herhaalde verschijningen aan Zijn discipelen gaf Hij hun zoveel „gewisse kentekenen” (Handelingen 1:3) dat Hij werkelijk was opgestaan. En toen Hij opvoer, gebeurde dat in het bijzijn en voor de open ogen van Zijn elf apostelen. Zo konden zij zelf het bewijs van hun eigen ogen hebben, het sterkste van alle mogelijke bewijzen. En zo kon de gemeente door alle eeuwen heen met vast vertrouwen rusten op zo’n onbetwistbare getuigenis.
Het feit van de hemelvaart van de Heere moeten wij nu nader uit de Schriften van de waarheid aantonen. Op de morgen van de dag waarop Hij ten hemel voer, verscheen de gezegende Heere voor de tiende en laatste keer aan Zijn volgelingen. De elf apostelen kwamen op Zijn bevel in Jeruzalem bijeen en Jezus verscheen in hun midden.
Wij lezen: En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. (Handelingen 1:4-5).
Tijdens deze laatste plechtige ontmoeting sprak de Heere vrij uitvoerig met Zijn discipelen, zoals is opgetekend. Wij hoeven die plaatsen niet uitvoerig aan te halen (Markus 16:15-18; Lukas 24:44-49; Handelingen 1:4-8). Zo gaf Hij hun niet alleen de zoete troost van Zijn werkelijke, levende aanwezigheid voordat Hij van hen scheidde. Hij gaf hun ook het duidelijkst mogelijke bewijs dat Hij dezelfde Jezus was die zij zo goed hadden gekend en zo innig hadden liefgehad in de dagen van Zijn vlees, de hele tijd dat Hij met hen omging.
Nadat Hij hun dit bevestigende bewijs had gegeven dat Hij het zelf was, voer Hij zichtbaar voor hun ogen op. Daarmee gaf Hij hun, en door hen de gemeente van God door alle eeuwen heen, de zekerste getuigenis dat Hij ten hemel was gegaan in dezelfde lichamelijke gestalte, in dezelfde menselijke natuur waarin zij Hem altijd hadden gekend. Dit is zo’n belangrijk kenmerk van ons onderwerp en moet het fundament van onze overdenkingen vormen.
Daarom willen wij de eigen woorden van de Heilige Geest aanhalen zoals ze op de ingegeven bladzijde staan: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. (Lukas 24:50-53). En: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. (Handelingen 1:9).
Bedenk eens even hoe sterk deze getuigenis is. Konden deze elf mannen zich vergissen in wat zij zo persoonlijk hadden gezien? De meesten van hen hebben later hun leven gegeven ter bevestiging van wat zij toen zagen. Zij zagen Hem, met wie zij zo’n tijd zoete gemeenschap hadden gehad, voor hun ogen opgenomen worden. Zij keken Hem na totdat een wolk Hem aan hun ogen onttrok.
Konden zij een onbetwistbaarder getuigenis hebben van de vervulling van Zijn eigen woorden? Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader. (Johannes 16:28). En ook: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. (Johannes 20:17).
Om niet de minste schaduw van twijfel in hun gemoed te laten en het nog dieper in hun hart te zegelen, en ook om hun Zijn toekomstige wederkomst te verzekeren, voegde de Heere in Zijn genade aan hun eigen ooggetuigenis nog een getuigenis van engelen toe: En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. (Handelingen 1:10-11).
Sommige lezers vinden het misschien bijna overbodig dat wij zoveel Schriftgetuigenis aanvoeren over een punt waaraan geen gelovige twijfelt. Maar wij kennen enigszins het ongeloof van het menselijk hart en de voortdurende aanvallen van die kant. Daarom hebben wij allang gezien en gevoeld dat het geloof de sterkste en zekerste voetsteun nodig heeft die God gegeven heeft, om op te staan in tijden van duisternis en verzoeking.
Sommigen lijken nooit te twijfelen aan de zekerheid van de rots of aan hun staan daarop. Maar wij belijden vrijuit dat er tijden zijn waarin de hel met al haar helse geschut en het ongeloof van ons verstand zich verenigen om ons geloof tot in het diepst te doen wankelen. Wij hebben echter in de school van de verzoeking deze les geleerd: het geloof heeft de allerstevigste voetsteun nodig om op te staan terwijl de storm woedt.
Een schipbreukeling wordt door de golvende baren aan land geworpen. Hij klampt zich met al zijn kracht vast aan de rots die hij gelukkig heeft bereikt, opdat de terugtrekkende golf hem niet weer de zee in sleept. Zo houdt ook de gelovige ziel, geland op de rots van de waarheid, zich met al haar macht vast aan het woord van Gods genade, opdat de golf van het ongeloof haar niet meesleept naar de zee van het verderf.
Als het geloof door goddelijke genade kan staan op zo duidelijk bevestigde feiten als de opstanding en hemelvaart van de gezegende Heere, dan voelt het vaste grond onder de voeten. Door te geloven in een opgestane en opgevaren Heere volgt het geen kunstelijk verdichte fabelen. Het neemt de waarheid zoals die in Jezus is aan uit de zekere getuigenis van hen die u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus als aanschouwers van Zijn majesteit (2 Petrus 1:16).
Het geloof heeft ook voedsel nodig, niet alleen een voetsteun. Juist op deze goddelijke werkelijkheden, zo duidelijk geopenbaard en zo helder bevestigd in het woord van de waarheid, voedt het geloof zich als met uitgelezen kost. Er kan een tijd komen, lieve lezer, dat u zich voelt alsof u een steile, hoge berg beklimt waarvan u de top moet bereiken of sterven. Toch rolt, ondanks al uw inspanning, elke steen waarop u uw voet wilt zetten onder u weg.
Bij elke stap bent u bang dat u uw leven verliest of een ledemaat breekt. Hoe zou u dan een vaste rots waarderen waarop u stap voor stap uw bevende, wankelende voeten kunt zetten. Deze rots is Christus, Die God in Sion gelegd heeft. Maar opdat het geloof er onbewogen op kan staan, onwrikbaar voor de aanvallen van ongeloof en goddeloosheid, heeft Hij in het woord van Zijn genade dit fundament vast en zeker gelegd door de sterkste getuigenis.
2. Wij hebben nu de sterke grondslag gezien waarop de hemelvaart van de gezegende Heere rust als een vaststaand feit. Daarom kunnen wij Hem nu door het geloof zien binnengaan in de hoven van de zaligheid. Het eerste en meest voor de hand liggende wat het geloof van Hem ziet, is dat Hij de hemel binnenging in hetzelfde menselijke lichaam waarmee Hij het laatst met Zijn discipelen had omgegaan en dat zij voor hun ogen hadden zien opnemen.
Want een deel van de verborgenheid der godzaligheid, die groot is, is dat God is geopenbaard in het vlees en is opgenomen in heerlijkheid. Hij is dus opgenomen in hetzelfde vlees waarin Hij geopenbaard is (1 Timotheüs 3:16).
John Owen heeft het geloof van de gemeente op dit wezenlijke punt zo helder onder woorden gebracht dat wij zijn woorden verkiezen boven onze eigen:
„Alle volmaaktheden waartoe de menselijke natuur in staat is, die in beide wezenlijke delen, lichaam en ziel, blijft wat zij was, komen de Heere Jezus Christus toe in Zijn verheerlijkte staat. Haar toeschrijven wat met haar wezen onverenigbaar is, is geen toekenning van heerlijkheid aan haar staat en toestand, maar een vernietiging van haar bestaan.
Aan de menselijke natuur goddelijke eigenschappen toevoegen, zoals alomtegenwoordigheid of onmetelijkheid, is haar van haar eigen eigenschappen beroven. Het wezen van Zijn lichaam is niet meer veranderd dan dat van Zijn ziel. Het is een grondartikel van het geloof dat Hij in de hemel is in hetzelfde lichaam waarin Hij hier op aarde verkeerde. Zo blijven ook de vermogens van Zijn redelijke ziel dezelfde in Hem.
Dit is dat ‘heilige’ dat onmiddellijk door de Heilige Geest in de schoot van de maagd is gevormd. Dit is die ‘Heilige’ die in het graf geen verderf zag. Dit is dat lichaam dat voor ons is opgeofferd en waarin Hij onze zonden op het hout heeft gedragen. Zich zo’n verandering in dit lichaam of van dit lichaam voor te stellen door de verheerlijking, dat het niet wezenlijk en zakelijk hetzelfde zou blijven als wat het was, is het geloof van de gemeente in een hoofdartikel omver te werpen.
Wij geloven dat juist het lichaam waarin Hij voor ons heeft geleden, zonder enige verandering in zijn zelfstandigheid, wezen of samenstellende delen, nog steeds de tempel is waarin God woont. Het is geen ander lichaam van een hemelse, ijle bouw waarin niets is van vlees, bloed of beenderen, waardoor Hij zo vaak de trouw van God in Zijn menswording betuigde. In dat lichaam bedient Hij in het heiligdom dat niet met handen gemaakt is. Het lichaam dat doorstoken is, is dat wat alle ogen zullen zien, en geen ander.”
De helderheid, wijsheid en heilige, hemelse nuchterheid van dit citaat behoeven van ons geen aanbeveling. Het spreekt voor zichzelf tot hen die de waarheid kennen en liefhebben en zich willen onderwerpen aan de uitspraken van God als haar onfeilbare bron. Wij mogen dus niet knoeien met dat grondartikel van ons allerheiligst geloof: de Heere Jezus nam in de hemel precies die menselijke natuur mee die Hij in de schoot van de maagd had aangenomen.
Toch doet deze volkomen gelijkheid van Zijn heilige menselijke natuur geen afbreuk aan enige volmaaktheid die nu in die verheerlijkte menselijke natuur geopenbaard is en verenigbaar is met het behoud van haar werkelijke gestalte en wezen. Een heldere aanwijzing hiervoor lijken wij in het woord van de waarheid te hebben. Toen de heilige Johannes op het eiland Patmos een openbaring ontving van Zijn verheerlijkte menselijke natuur, was dat niet een ijl lichaam zonder enig spoor van een menselijke gestalte.
Het was geen Jezus die Johannes niet meteen herkende als Degene die hem in het vlees had gezien. Het was Een, den Zoon des mensen gelijk. Dat was precies dezelfde Mensenzoon die hij hier beneden had gekend. Hij had ook Zijn hoofd en haar en Zijn ogen en Zijn voeten en een rechterhand. Al deze menselijke ledematen had Hij nog volledig, maar allemaal onuitsprekelijk heerlijk. En Zijn aangezicht, nog steeds hetzelfde menselijke aangezicht, was, gelijk de zon schijnt in haar kracht (Openbaring 1:13-16).
Het is wel nodig te bedenken dat wij, als wij spreken over de gelijkheid van het opgestane en opgevaren lichaam van de Heere, daar volkomen van scheiden wat de apostel de zwakheid van Christus noemt: hoewel Hij gekruist is door zwakheid (2 Korinthe 13:4). Want hoewel deze zwakheid verenigbaar was met Zijn staat van vernedering en daar zelfs voor nodig was, past zij niet bij een hemelse staat of bij Zijn verhoging tot eeuwige heerlijkheid.
Het lichaam van de gezegende Heere at, dronk en sliep, en was hier beneden moe en dorstig. Maar zulke zwakheden, of liever zulke zondeloze omstandigheden van een staat van vernedering, nam Hij niet mee de hemel in. Zijn lichaam en ziel zijn nog steeds precies en onveranderlijk dezelfde als op aarde. Maar de hemelse heerlijkheid heeft, zonder het werkelijke van Zijn menselijke natuur te vernietigen of ook maar te schaden, al die voorbijgaande en toevallige omstandigheden eeuwig verzwolgen die Zijn menselijke natuur in een tijdelijke staat noodzakelijk vergezelden.
Dit geldt ook voor de opgestane lichamen van de heiligen op de grote dag. De apostel zegt het zo mooi: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. (1 Korinthe 15:51-53).
Zij zullen gelijkvormig worden aan het opgestane lichaam van Jezus. Toch moeten wij steeds bedenken dat de heerlijkheid van Christus’ menselijke natuur in Zijn middelaarsstaat wezenlijk verschilt van de heerlijkheid die de zielen en lichamen van de opgestane heiligen op de grote dag zal bekleden. Want Zijn menselijke natuur bestaat in innige vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Daardoor onderscheidt zij zich eeuwig van de hunne en is zij oneindig verheven boven elke heerlijkheid die de opgestane lichamen van de heiligen zullen dragen.
Zij zullen Zijn heerlijkheid zeker van aangezicht tot aangezicht zien, zonder sluier ertussen (Job 19:27; Johannes 17:24; 1 Korinthe 13:12). En zij zullen eraan deelhebben, wat hun eeuwige vreugde zal zijn (Johannes 17:22; Lukas 22:29-30; Openbaring 3:21). Zij zullen in lichaam en ziel gelijkvormig worden aan Zijn verheerlijkt beeld, zodat zij eeuwig stralen in alle schoonheid van de heiligheid (Psalm 17:15; 1 Korinthe 15:49; Filippenzen 3:21). Zo zullen zij blinken als de glans des uitspansels en gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk (Daniël 12:3).
Maar bij al dit eeuwige gewicht van heerlijkheid zal de verheerlijkte menselijke natuur van de gezegende Heere door haar onuitsprekelijke vereniging met Zijn Godheid altijd van de hunne verschillen, niet alleen in mate maar ook in aard. Daarom is Zijn menselijke natuur, die zo heerlijk is door haar verbinding met Zijn Godheid, het voorwerp van de aanbidding van alle schepselen.
Het is precies dezelfde aanbidding als die aan de Persoon van de Vader wordt gebracht: En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. (Openbaring 5:13).
Deze heerlijkheid heeft Zijn menselijke natuur doordat zij bestaat in Zijn goddelijke Persoon. Zij is er dus aan eigen, en daardoor wezenlijk onderscheiden van de mindere heerlijkheid van de opgestane heiligen. Die hebben haar als een gift en niet als een noodzakelijk bijkomstigheid. Alle heerlijkheid die zij zullen hebben, komt van Hem als een gift van Zijn genade, omdat zij leden zijn van Zijn mystieke lichaam.
Maar in Hem woont zij in haar volle fonteinvolheid, want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou. Wat wij hier hebben of hierna zullen hebben, is slechts een gift. Maar wat Hij is en heeft, is en heeft Hij van rechtswege.
Bovendien blijft Zijn heilige menselijke natuur in haar verheerlijkte staat een schepsel. Zij is niet vergoddelijkt en kan dat ook niet worden. Toch ontvangt zij door haar innige verbinding met Zijn Godheid uitstralingen van kracht en heerlijkheid. Die kunnen wij door het geloof vatten, maar een eindig verstand kan zich daar nooit een passende voorstelling van maken, zelfs de hoogste engel niet.
Zijn eeuwige Godheid bestraalt Zijn menselijke natuur met een glans die verder gaat dan haar eigen. Zij schijnt er met schitterende heerlijkheid doorheen, zoals de zon door een wolk schijnt. Zo straalde ook op het ogenblik van Zijn verheerlijking op de berg de heerlijke Persoon van de Godmens zo dat Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw (Markus 9:3).
Als zo’n vergelijking geoorloofd is: zoals onze ziel ons lichaam veredelt en ons, zelfs in onze gevallen staat, als een onsterfelijk beginsel scheidt van de lagere schepping, zo veredelt de wezenlijke Godheid van de Zoon van God Zijn menselijke natuur en scheidt haar af van elke benadering of vergelijking met de mindere heerlijkheid van Zijn opgestane heiligen. Maar wij houden hier in, om niet te veel in te dringen in hoge en bespiegelende onderwerpen. Toch voelen wij dat het, voor zover wij gekomen zijn, gezegende verborgenheden zijn wanneer een levend geloof ze vat.
3. Wij kunnen nu verdergaan met de vraag op welke wijze en met welke bijzondere doeleinden van wijsheid en genade de gezegende Heere Zijn tegenwoordige staat van middelaarsverhoging aan de rechterhand van de Vader is binnengegaan. Wij zien Hem opvaren om in Zijn samengestelde Persoon als Godmens gezet te worden tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:20-21). Daarom kunnen wij Zijn ingaan in Zijn heerlijkheid (Lukas 24:26) onder twee verschillende gezichtspunten bezien: als zegevierend Koning en als genadig Hogepriester.
Hij ging de hemel dus binnen in glorieuze zegepraal om bezit te nemen van Zijn middelaarskoninkrijk, als de gezalfde Koning van Sion, van Wie geschreven staat: Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon (Psalm 2:6; Zacharia 6:13; Lukas 1:32-33). God de Vader had Hem een koninkrijk verordend (Lukas 22:29) als loon voor Zijn menswording en vernedering (Filippenzen 2:9-10; Hebreeën 2:9). Daar ging Hij de hemel in om het in bezit te nemen (Lukas 19:12; Openbaring 3:21).
Zodra Hij de aarde verliet en in een wolk van heerlijkheid aan de ogen van de elf apostelen werd onttrokken, begon Zijn koninklijke tocht. Als er een vurige wagen met vurige paarden werd gezonden om Elia ten hemel te brengen (2 Koningen 2:11), dan had de gezegende Heere zeker geen geringer geleide. Werd de dienstknecht zo geëerd en zou de Meester geen eer ontvangen?
Zou de onderdaan heerlijk ten hemel worden gebracht en de Koning geen stoet van hemelse heerlijkheid hebben? Vulden Zijn zomen den tempel toen Jesaja Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak (Jesaja 6:1; Johannes 12:41)? En zou dan geen stoet van heerlijkheid Hem gevolgd zijn toen Hij opvoer om Zijn middelaarskoninkrijk in bezit te nemen?
Wij hoeven hier niet te gissen. De Schrift geeft het duidelijkste bewijs van de zegevierende wijze waarop de Heere van het leven en de heerlijkheid opvoer. In Psalm 68 staat een gezegende beschrijving van het heerlijke geleide van engelen dat Hem op Zijn koninklijke tocht tot aan de poorten van de hemel vergezelde. Want wanneer Hij ten anderen male zonder zonde gezien wordt (Hebreeën 9:28), zal Hij van den hemel geopenbaard worden met de engelen Zijner kracht (2 Tessalonicenzen 1:7) en komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen (Mattheüs 16:27).
Zo vergezelden duizenden en duizenden dienstbare engelen Hem bij Zijn zegevierende hemelvaart: Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! (Psalm 68:18-19).
Ook in Psalm 47 wordt deze zegevierende hemelvaart van de gezegende Heere duidelijk aangeduid: Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang. Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. (Psalm 47:2-3). En verder: God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin. Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt! Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing! (Psalm 47:6-8).
Ook over de ontvangst van de gezegende Heere aan de poorten van de zaligheid zelf laat de Schrift ons niet zonder aanduidingen. Toen Hij de poorten van de hemel bereikte, kwamen de hemelse voorhoven als het ware in beweging bij Zijn nadering. Toen vond die gedenkwaardige wisseling plaats die in Psalm 24 is opgetekend. Zoals ons geloof het ziet, riepen de begeleidende engelen die Zijn heerlijk geleide vormden luid voor Hem uit, als heraulten van Zijn komst: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! (Psalm 24:7).
Maar van binnen klinkt de vraag: Wie is de Koning der ere? Van buiten antwoorden de gezellen van Zijn gevolg: De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. (Psalm 24:8). Dan klinkt het algemene koor, van buiten en van binnen: Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. (Psalm 24:9-10).
Wij zeggen niet dat dit alles letterlijk en werkelijk zo is gebeurd. Dat zou wellicht overmoedig zijn, want hemelse werkelijkheden gaan het menselijk voorstellingsvermogen te boven. Maar zo wordt het ons geloof in het woord van de waarheid voorgesteld, en zo nemen wij het aan in de eenvoud van kleine kinderen.
Het waren niet alleen de goede engelen die Zijn gevolg vormden. Oude koningen brachten na zegevierende oorlogen niet alleen gelukwensende vrienden mee naar huis, maar ook overwonnen vijanden. Zo wordt de gezegende Heere in de Schrift voorgesteld als iemand die toen zichtbaar zegevierde over de satan en al zijn engelen.
Het is alsof Hij bij Zijn heerlijke hemelvaart, toen Hij de gevangenis gevankelijk voerde, de helse heerscharen aan Zijn zegekar achter Zich aan sleepte en ze openlijk aan alle heilige engelen toonde als overwonnen gevangenen. Zo spreekt de apostel in elk geval: En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd, dat wil zeggen in het kruis, of, zoals de kanttekening het weergeeft, in Zichzelf (Kolossenzen 2:15).
De oude belofte was dat het zaad van de vrouw de slang de kop zou vermorzelen. Toen de satan, door in Judas te varen en de overpriesters en het volk aan te zetten om Christus’ kruisiging te eisen, naar zijn eigen mening Jezus volkomen had vernietigd, had hij er geen idee van dat dit naar Gods eeuwig ontwerp juist het middel zou zijn om die voorzegging te vervullen. Aan het kruis vermorzelde het zaad van de vrouw de kop van de slang, de zetel van zijn gifslagtanden en van zijn helse sluwheid en wreedheid. Daar ontwapende Jezus overheden en machten en wierp hen uit hun aangematigde heerschappij.
Maar toen Hij opvoer in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen (Psalm 68:19; Efeze 4:8). Dat betekent dat Hij hen gevangen voerde die de arme gevallen mens gevangen hadden gevoerd. Dat deed Hij voor de open ogen van het hele engelenheir, opdat de uitverkoren engelen ooggetuigen zouden zijn van het verderf en de ellende die hun afvallige broeders troffen door het mislukken van al hun plannen tegen de Heilige Israëls.
Uit het getuigenis van de Schrift blijkt dat de heilige engelen de plannen van God in het mysterie van de menswording gedeeltelijk, zo niet geheel, niet kenden totdat alles vervuld was in de dood en opstanding van Jezus. Ook nu nog wachten zij op verdere ontvouwing van Gods wijsheid, zoals die zich toont in de tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid van de gemeente van Christus. Dit werd in de Levitische bedeling afgebeeld door de cherubim die naar het verzoendeksel van de ark keken. Petrus verklaart het beeld zo: in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien (1 Petrus 1:12).
Let erop dat de apostel niet zegt dat zij begerig waren, maar dat zij begerig zijn. Zij verlangen er dus nog steeds naar in deze hemelse verborgenheden in te zien, om nieuwe ontdekkingen te krijgen van Gods wijsheid en heerlijkheid. Want Gods wijsheid wordt aan engelachtige geesten niet bekend door de schepping met al haar wonderen, noch door de voorzienigheid in al haar verschijningsvormen, maar door de verlossing: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere. (Efeze 3:10-11).
Met welke onovertroffen en schitterende heerlijkheid werd dan de oneindige wijsheid van God aan deze stralende engelachtige verstanden getoond toen zij bij de hemelvaart van hun Heere en de onze persoonlijk getuige waren van het volgende. In die natuur, die een weinig minder dan de engelen was geworden in Zijn staat van vernedering (Hebreeën 2:9), had Hij alle plannen van de satan verijdeld.
Hij had Gods eer gehandhaafd en Zijn gerechtigheid verheerlijkt. Hij had de wet, door hun bediening gegeven, groot en eervol gemaakt. Hij had de genade, barmhartigheid en liefde van de Vader geopenbaard in de zaligheid van miljoenen verloste zondaren. En nu keerde Hij zegevierend terug in de hemel om te regeren en te heersen aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte.
4. Dit brengt ons bij de doeleinden waarvoor Jezus zo zegevierend in de heerlijkheid opvoer. Kort gezegd zijn het er twee, die onderscheiden kunnen worden naar de twee verschillende werktuigen van koninklijke macht die de op de troon gezette Koning van Sion draagt als tekenen van Zijn gezag.
1. De ijzeren scepter, waarmee Hij over Zijn vijanden heerst. Die is Hem door Zijn Vader in handen gegeven: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. (Psalm 2:9). Heers in het midden Uwer vijanden was het charter van Zijn gezag, toen de Vader tot Hem zei: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. (Psalm 110:1-2).
Zo is Hem macht gegeven over alle vlees (Johannes 17:2), ja, alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18). Want God heeft alle dingen en dus al de vijanden onder Zijn voeten gelegd (1 Korinthe 15:25-27). Alle personen en dingen staan onder Zijn gezag. Al wordt gezegd: De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, toch geldt: Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten (Psalm 2:2, 4).
2. Daarnaast is er de scepter van Zijn genade, waarmee Hij regeert in de harten van een gewillig volk (Psalm 110:3). Hij buigt hen aan Zijn voeten in zoete onderwerping aan Zijn wil en wordt als Vredevorst op de troon gezet in hun hart en genegenheden. Maar wij zullen over de uitoefening van deze tweevoudige koninklijke macht nog nader moeten spreken wanneer wij komen aan de beschouwing van de tegenwoordige staat van onze Heere in de hemel. Daarom blijven wij er hier niet langer bij stilstaan. Wij gaan verder met het beschouwen van de aanbiddelijke Verlosser als:
5. Opvarend in de hoogte om een Hogepriester te zijn over het huis van God, en wel niet naar de wet des vleselijken gebods, zoals de priesters onder de wet, maar naar de kracht des onvergankelijken levens (Hebreeën 7:16). Van Hem was geprofeteerd: Hij zal priester zijn op Zijn troon (Zacharia 6:13).
In Zijn heerlijke Persoon verenigt Hij dus de koninklijke en de priesterlijke waardigheid. Van deze verbinding van koning en priester in één Persoon was Melchizedek een voorbeeld. Hij was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods (Hebreeën 7:1). En wij weten dat Gods getuigenis aan Zijn dierbare Zoon was: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. (Psalm 110:4; Hebreeën 7:17).
Hier beneden had de gezegende Heere één deel van Zijn priesterlijk ambt vervuld. Aan het kruis had Hij Zijn heilige menselijke natuur, Zijn reine lichaam en Zijn heilige ziel, als offer gebracht en zo verzoening gedaan voor de zonden van Zijn volk. Daarna voer Hij omhoog om voor hen het tweede deel van het priesterlijk ambt te vervullen. Dat is voor hen te pleiten (Romeinen 8:34; Hebreeën 7:25).
Dit werd prachtig afgebeeld in wat op de plechtige Verzoendag gebeurde. De hogepriester droeg de heilige linnen klederen, een beeld van de reine menselijke natuur van Jezus. Eerst bracht hij offer in de voorhof en deed verzoening voor de zonde.
Daarna ging hij met het bloed van de var en van de bok en met de rook van fijngestoten reukwerk, aangestoken met kolen van het koperen altaar, het heilige der heiligen binnen. Dit heilige der heiligen was een beeld van de hemel (Hebreeën 9:24). De hemelvaart van onze grote Hogepriester werd daar afgebeeld door de treden waarlangs de hogepriester opging toen hij na het offer met het bloed de tempel binnenging.
Wij mogen ook opmerken dat, toen de hogepriester zo de treden van de tempel opging om zich voor het aangezicht van de Heere te stellen in het heilige der heiligen, juist dan de jubelbazuin door het land klonk. Die verkondigde vrijheid aan alle slaven en gevangenen, en aan hen die hun huizen en landerijen hadden verkocht, zodat zij vrij konden terugkeren en er weer bezit van konden nemen.
Zo werd ook, toen Christus opvoer en met Zijn eigen bloed de hemel binnenging, vergeving en vrede afgekondigd. Toen begon het geestelijke jubeljaar. Zij die onder de wet gevangen lagen, in de slavernij van twijfel en vrees, en die zichzelf en al hun bezit voor niets hadden verkocht, zouden bevrijd worden door het blijde geluid van een evangelie van vrije genade, dat de apostelen op de Pinksterdag predikten.
There is this peculiar blessedness in the Person and work of the adorable Redeemer, that, like the sun which shines in every climate, he is ever beaming forth out of his inexhaustible fullness rays of grace and glory, under every aspect, to believing eyes and hearts; so that the more we look to him the more we see in him to adore and love, the more we believe in his name the more it becomes as the ointment poured forth, and the more we experience of his grace the more we feel of its power. “Have I been,” he asks his people, “a wilderness unto Israel? a land of darkness?” Jer 2:31. No, Lord, we may well answer; not “a wilderness,” for from you is all our fruit found; not “a land of darkness,” for with you is the light of life. If, then, no fruit be gathered by us from that portion of the heavenly garden through which we now purpose, with God’s help and blessing, to walk with our readers, it is not because no fruit grows there, but because our eyes are too dim to see, or our hands too weak to reach it down from the tree of life.
In this, as in everything else that we speak, write, or do in his name, we willingly acknowledge our shortcomings; for though we would wish to set forth to the utmost of our power the grace and glory of the incarnate Son of God; and though what has lately engaged our pen has not been without some amount of careful thought and consideration, yet we feel miserably to fail both in conception and expression, and must confess with Berridge,
But we lisp and falter forth
Broken words, not half his worth.
And if this be true as regards our past Meditations on the holy humanity of Jesus in his state of humiliation here below, how much more must it be so when we have to view him as he now is—enthroned on high in all the fullness of his mediatorial grace and glory. Still, we attempt the task, in the hope that our meditation of him may be sweet, and be attended with a blessing from on high to those who love his name and long for his appearing. For though he is exalted far beyond all present conception, yet in the word of truth we have a sure guide, by following which we may obtain some believing apprehensions of what he is to those who see him by faith at the right hand of the Father.
1. The first point, then, that will now engage our thoughts is the ASCENSION of the blessed Lord; and the first step in our meditation upon it will be to prove the fact. This, in the depth of his wisdom, God has been pleased to place beyond all doubt or controversy, at least to all who receive the scriptures as an inspired revelation; and by so doing he has given us much reason to admire his infinite condescension and grace. The Lord might have ascended to heaven immediately after his resurrection, without showing himself to his disciples; or after appearing to them, to prove that he was risen from the dead, he might have gone up on high without any eye-witnesses of his ascension. But that so stupendous and yet so indispensable a fact might rest on an immovable foundation, the Lord did not ascend until forty days after the resurrection, that by his repeated appearances to his disciples he might afford them so many “infallible proofs” Acts 1:3. that indeed he was risen from the dead; and when he went up on high it was in the presence and in the open sight of his eleven apostles, that not only they themselves might have the evidence of their own eyes, the strongest of all possible proofs, but that through all ages the church might be able to rest with sure confidence on such indubitable testimony.
The fact, then, of the Lord’s ascension we have now more particularly to show from the scriptures of truth. On the morning of that day on which he ascended to heaven the blessed Lord appeared for the tenth and last time to his followers. The eleven apostles met together at his command in Jerusalem, and there Jesus appeared in their midst. As we read—“And being assembled together with them, he commanded them that they should not depart from Jerusalem, but wait for the promise of the Father, which, says he, you have heard of me. For John truly baptized with water; but you shall be baptized with the Holy Spirit not many days hence.” Acts 1:4,5. During this last solemn interview the Lord conversed at some length with his disciples, as recorded, for we need not quote the passages at length. Mark 16:15-18. Luke 24:44-49. Acts 1:4-8. He thus afforded them not only the sweet consolation of his actual, living presence before he as parted from them, but the clearest possible evidence that he was the very same Jesus whom they had so well known and so dearly loved in the days of his flesh, during the whole time that he had consorted with them. Having, then, afforded them this confirming evidence that it was indeed he himself, he ascended visibly before their eyes to give to them—and to the church of God through all ages by them—the surest testimony that he had gone up into heaven in the same bodily form, the same identical humanity, in which they had ever known him.
As this is so important a feature of our present subject, and must form the foundation of our Meditations upon it, we will quote the very language of the Holy Spirit as we find it written in the inspired page—“Then Jesus led them to Bethany, and lifting his hands to heaven, he blessed them. While he was blessing them, he left them and was taken up to heaven. They worshiped him and then returned to Jerusalem filled with great joy. And they spent all of their time in the Temple, praising God.” Luke 24:50-53. “It was not long after he said this that he was taken up into the sky while they were watching, and he disappeared into a cloud.” Acts 1:9
Consider for a moment the strength of this testimony. Could these eleven men have been deceived or mistaken in what they thus personally witnessed? Most of them afterwards laid down their lives in confirmation of what they then saw. When, then, they viewed him with whom they had been for some time holding sweet converse taken up before their eyes, and they watched his ascension until a cloud received him out of their sight, could they have had a more indubitable testimony of the fulfillment of his own words, “I came forth from the Father, and am come into the world—again, I leave the world and go to the Father?” John 16:28. And again, “Go to my brethren, and say unto them, I ascend unto my Father and your Father, and to my God and your God.” John 20:17. But to leave not a shadow of doubt on their minds, and to seal it more effectually on their hearts, as well as to assure them of his future return, the Lord was graciously pleased to add to their own eye-witness angelic testimony—“They were looking intently up into the sky as he was going, when suddenly two men dressed in white stood beside them. “Men of Galilee,” they said, “why do you stand here looking into the sky? This same Jesus, who has been taken from you into heaven, will come back in the same way you have seen him go into heaven.” Acts 1:10-11
It may seem, perhaps, to some of our readers, almost unnecessary for us to have brought forward so much scripture testimony on a point which no believer doubts. But, through some little acquaintance with the unbelief and infidelity of the human heart, and continued assaults from that quarter, we have long seen and felt in our own mind that faith needs the strongest and surest foothold that God has given, on which it may stand during seasons of darkness and temptation. Some never seem to doubt either the certainty of the rock or their own standing on it; but we freely confess that there are times and seasons with us when hell, with all its infernal artillery, and the infidelity of the human mind combine together to shake our faith to its very center.
But we have learned this lesson in the school of temptation—that faith needs the firmest possible foothold on which it may stand while the storm rages. As, then, the shipwrecked sailor, washed ashore by the heaving billow, cleaves with all his strength to the rock which he has happily reached, lest the receding wave should sweep him out to sea, so does the believing soul, landed on the rock of truth, cleave with all its might to the word of God’s grace, lest the wave of infidelity sweep it away to the sea of destruction.
Now, when by divine grace faith can stand upon facts so clearly attested as the resurrection and ascension of the blessed Lord, it feels that there is firm ground beneath its feet; and that in believing in a risen and ascended Lord it does not “follow cunningly-devised fables,” but receives the truth as it is in Jesus from the sure witness of those who “have made known the power and coming of our Lord Jesus Christ, as eye-witnesses of his majesty.” 2Pe 1:16.
Faith, too, needs food as well as foothold; and it is upon these divine verities, so plainly revealed and so clearly established in the word of truth, that faith feeds as its choice provision. The time may come with you, dear reader, when you may feel as if clambering up a steep and lofty mountain, whose top you must reach or die; and yet, with all your exertion, every stone on which you would place your foot rolls away from under you, filling you with dread at every step lest life be lost, or limb be broken. Under such circumstances how you would prize a solid rock on which, step by step, you could set your trembling, staggering feet. This rock is Christ, which God has laid in Zion; but that faith may stand upon it unmoved, immovable by the assaults of unbelief and infidelity, he has in the word of his grace laid this foundation firm and sure by the strongest testimony.
2. Having, then, seen the strong foundation on which the ascension of the blessed Lord rests as an ascertained fact, we may now proceed to view him by faith as entering the courts of bliss. And the first most obvious view that faith obtains of him is that he entered heaven in the same identical human body in which he last communed with his disciples, and which they had seen taken up before their eyes; for one part of “the great mystery of godliness” is that “God manifest in the flesh” was “received up into glory,” and therefore in the same flesh as that in which he was thus manifested. 1Ti 3:16
John Owen has so clearly expressed the faith of the church on this vital point that we prefer giving his words to any of our own:
“All perfections whereof human nature is capable, abiding what it was in both the essential parts of it, body and soul, do belong unto the Lord Jesus Christ in his glorified state. To ascribe unto it what is inconsistent with its essence is not an assignation of glory unto its state and condition, but a destruction of its being. To affix unto human nature divine properties, as ubiquity or immensity, is to deprive it of its own. The essence of his body is no more changed than that of his soul. It is a fundamental article of faith that he is in the same body in heaven wherein he conversed here on earth; as well as the faculties of his rational soul are continued the same in him. This is that ‘holy thing’ which was framed immediately by the Holy Spirit in the womb of the Virgin. This is that ‘Holy One’ which, when it was in the grave, saw no corruption. This is that body which was offered for us, wherein he bore our sins on the tree. To fancy any such change in or of this body, by its glorification, as that it should not continue essentially and substantially the same that it was, is to overthrow the faith of the church in a principal article of it. We believe that the very same body wherein he suffered for us, without any alteration as to its substance, essence, or integral parts, and not another body of an ethereal, heavenly structure, wherein is nothing of flesh, blood, or bones, by which he so frequently testified the faithfulness of God in his incarnation, is still that temple wherein God dwells, and wherein he administers in the holy place not made with hands. The body which was pierced is that which all eyes shall see, and no other.”
The clearness, wisdom, holy and heavenly sobriety of the above extract need no commendation from us. It speaks sufficiently for itself to those who know and love the truth, and are willing to submit themselves to the oracles of God as its own infallible source. We must have no tampering, then, with that fundamental article of our most holy faith, that the Lord Jesus took into heaven the identical humanity which he assumed in the womb of the Virgin. But this thorough identity of his holy humanity does not impair or detract from every perfection as now made manifest in that glorified human nature which is consistent with its preserving its real form and essence. And of this we seem to have a very clear proof in the word of truth. When holy John had a revelation of his glorified humanity, in the Isle of Patmos, it was not of an ethereal body, retaining no traces of the human form, a Jesus whom he could not at once recognize as having seen him before in the flesh, but “one like unto the Son of man”—that very same Son of man whom he had known here below—one, too, who had “head, and hair, and eyes, and feet, and hands,” these human members all still retained in their entirety, but all unspeakably glorious; and whose “countenance” still the same human countenance “was as the sun shines in his strength.” Rev. 1:13-16.
It is necessary, indeed, to bear in mind that while we speak of the identity of the risen and ascended body of the Lord, we utterly separate from it what the apostle calls “the weakness” of Christ; “he was crucified through weakness;” 2Co 13:4. for though this weakness was compatible with, and even necessary unto, his state of humiliation, it is not consistent with a heavenly condition, or his exaltation to eternal glory. The body of the blessed Lord ate, and drank, and slept, was weary and thirsty here below. But no such infirmities, or, to speak more correctly, no such sinless contingencies of a state of humiliation were taken with him into heaven. His body and soul are still identically and unalterably the same as they were upon earth; but heavenly glory, without destroying or even impairing the reality of his human nature, has eternally swallowed up all those mere passing and contingent circumstances which necessarily attended his humanity in a time-state. This will also be the case with the risen bodies of the saints at the great day, as the apostle so beautifully speaks—“Behold, I show you a mystery; we shall not all sleep, but we shall all be changed, in a moment, in the twinkling of an eye, at the last trumpet; for the trumpet shall sound, and the dead shall be raised incorruptible, and we shall be changed; for this corruptible must put on incorruption and this mortal put on immortality.” 1Co 15:51-53
But though they will be fashioned after the likeness of the risen body of Jesus, we must ever bear in mind that the glory of Christ’s human nature in its mediatorial state essentially differs from that glory which will clothe the souls and bodies of the risen saints at the great day; for his humanity, as existing in intimate union with his divine Person, is there—by eternally distinguished from theirs, and exalted infinitely beyond any glory which the risen bodies of the saints shall wear. They will indeed see his glory face to face with—out a veil between, Job 19:27. John 17:24. 1Co 13:12. and be partakers of it, which will be their eternal joy; John 17:22. Luke 22:29,30. Rev. 3:21. they will be conformed in body and soul to his glorified image, so as to be eternally resplendent in all the beauties of holiness; Psalm 17:15. 1Co 15:49. Php 3:21. and as such they will “shine as the brightness of the skies, and as the stars forever and ever.” Da 12:3
But with all this eternal weight of glory, the glorified humanity of the blessed Lord, from its ineffable union with his Deity, will ever differ from theirs not only in degree, but in nature. For this reason, his human nature, as being so glorious from its conjunction with his Deity, is the object of adoration and worship of all creatures the very same worship which is paid to the Person of the Father—“And every creature which is in heaven, and on earth, and under the earth, and such as are in the sea, and all that are in them, heard I, saying. Blessing, and honor, and glory, and power be unto him who sits upon the throne, and unto the Lamb forever and ever.” Rev. 5:13.
This glory it has from its subsistence in his divine Person, therefore inherent in it, and thus essentially distinct from the inferior glory of the risen saints, who have it as a gift and not a necessary adjunct. All the glory which they will have is from him as a gift of his grace, and as being members of his mystical body; but it dwells in him in all its fountain fullness, for “it pleased the Father that in him should all fullness dwell.” What we have here, or shall have hereafter, is only by gift; but what he is and has he is and has by right.
Besides which, though his sacred humanity in its glorified state still remains a creature, and neither is nor can be deified, yet, from its intimate conjunction with his Deity it receives emanations of power and glory which we may apprehend by faith, but of which no adequate conception can ever be formed by a finite intellect, not even of the highest angel. His eternal Deity irradiates his humanity with a luster beyond its own, and shines through it with resplendent glory, as the sun shines through a cloud, or as at the moment of his transfiguration the glorious Person of the God-man made “his clothing become shining exceeding white as snow.” Mark 9:3. If such a comparison be admissible, as our soul ennobles our body, and thus, even in our fallen state, as being an immortal principle, separates us from the lower creation, so the essential Deity of the Son of God ennobles his humanity, and separates it from all approach or comparison of the inferior glory of his risen saints. But we pause, lest we seem to intrude too much on high and speculative subjects, though, as far as we have gone, we cannot but feel they are blessed mysteries when apprehended by a living faith.
3. We may pass on, then, to examine in what way, and to accomplish what special purposes of wisdom and grace, the blessed Lord entered upon his present state of mediatorial exaltation at the right hand of the Father. And viewing him as ascending on high that, in his complex Person as God-man, he might be “set at God’s own right hand in the heavenly places, far above all principality and power, and might, and dominion, and every name that is named, not only in this world, but also in that which is to come,” Eph 1:20,21. we may consider his entrance into his glory Luke 24:26. under these two different aspects—as a triumphant King, and as a gracious High Priest.
He entered heaven, then, in glorious triumph, to take possession of his mediatorial kingdom, as Zion’s anointed King, and “to sit and rule upon his throne.” Psalm 2:6. Zec 6:13. Luke 1:32,33. God the Father had appointed unto him a kingdom Luke 22:29. as the reward of his incarnation and humiliation, Php 2:9,10. Hebrews 2:9. and this he went into heaven to take possession of. Luke 19:12. Rev. 3:21. Immediately, then, that he left earth, and was received out of the sight of the eleven apostles in a cloud of glory, his royal progress began. Surely, if a chariot of fire and horses of fire were dispatched to take Elijah up to heaven, 2Ki 2:11. the blessed Lord had no inferior convoy. Was the servant so honored, and was no honor paid to the Master? Should the subject be taken gloriously to heaven, and the King have no train of celestial glory? Did “his train fill the temple” when Isaiah “saw his glory and spoke of him?” Isa 6:1. John 12:41. and did no train of glory follow him as he ascended on high to take possession of his mediatorial kingdom? But we are not left to conjecture upon this point. The scripture affords the clearest proof of the triumphant manner in which the Lord of life and glory went up on high.
In Psalm 68. there is a blessed description of the glorious convoy of angels which attended him on his royal progress up to heaven’s gates; for as, when “he shall appear a second time without sin unto salvation,” he will be “revealed from heaven with his mighty angels,” 2Th 1:7. and shall “come in the glory of his Father, with his angels,” Matthew 16:27. so thousands upon thousands of ministering angels attended upon him at his triumphant ascension. “The chariots of God are twenty thousand, even thousands of angels; the Lord is among them, as in Sinai, in the holy place. You have ascended on high; you have led captivity captive; you have received gifts for men, yes, for the rebellious also; that the Lord God might dwell among them” Psalm 68:17,18. This triumphant ascension of the blessed Lord is also clearly intimated in Psalm 47. “O clap your hands, all you people; shout unto God with the voice of triumph; for the Lord most high is awesome; he is a great King over all the earth. God is gone up with a shout, the Lord with the sound of a trumpet. Sing praises to God, sing praises; sing praises unto our King, sing praises; for God is the King of all the earth; sing you praises with understanding.” Psalm 47:1,2. Psalm 47:5-7
Nor are we left without scriptural intimations even of the blessed Lord’s reception at the very courts of bliss. When he reached the gates of heaven the celestial courts were, as it were, moved at his approach, for then was accomplished that memorable transition recorded in Psalm 24. As thus represented to our faith, it was as if the attendant angels that formed his glorious convoy shouted aloud before him, as the heralds of his approach, “Lift up your heads, O you gates, and be lifted up, you everlasting doors; and the King of glory shall come in.” Psalm 24:7. But from within is made the inquiry, “Who is this King of glory?” The answer is given from without by the attendants of his train, “The Lord, strong and mighty; the Lord, mighty in battle.” Then comes forth the universal chorus, from without and from within, “Lift up your heads, O you gates, even lift them up, you everlasting doors, and the King of glory shall come in. Who is this King of glory? The Lord Almighty, he is the King of glory.” Psalm 24:9,10. We do not say, it might be rash to assert it, that all this was literally and actually transacted, for heavenly realities are beyond the range of human conception; but it is so represented to our faith in the word of truth; and as such we receive it in the simplicity of little children.
Nor were good angels the only attendants of his train. Ancient kings, returning home after triumphant wars, brought back conquered enemies as well as congratulating friends. In a similar way the blessed Lord is represented in scripture as then manifestly triumphing over Satan and all his angels, as if in his glorious ascension, when “he led captivity captive,” he dragged at his chariot-wheels the infernal hosts of hell, and openly showed them to all the holy angels as vanquished prisoners. Thus, at least, the apostle speaks, “And having spoiled principalities and powers, he made a show of them openly, triumphing over them in it,” that is, the cross, or, to adopt the marginal rendering, “in himself.” Col 2:15.
The ancient promise was that “the seed of the woman should bruise the serpent’s head.” When Satan, by entering into Judas, and by instigating the chief priests and the people to demand that Christ should be crucified, had, as he thought, effectually succeeded in destroying Jesus, he little imagined that this was to be, by God’s eternal design, the very means of accomplishing that prediction. On the cross the seed of the woman bruised the serpent’s head the seat of his poison-fangs, as well as of his infernal craft and cruelty. There Jesus spoiled principalities and powers, and cast them out of their usurped dominion. But when he ascended on high he “led captivity captive;” Psalm 68:18. Eph 4:8. that is, he led captive those who had led poor fallen man captive, in the open sight of all the angelic host, that the elect angels might be eye-witnesses of the ruin and misery which had fallen on the heads of their apostate brethren in the defeat of all their schemes against the Holy One of Israel.
It would appear, from the testimony of scripture, that the holy angels were partially, if not wholly, ignorant of the designs of God in the mystery of the incarnation until all was fulfilled in the death and resurrection of Jesus; and even now are waiting for further developments of the wisdom of God as therein displayed in the present grace and future glory of the church of Christ. This was represented in the Levitical dispensation by the cherubim looking toward the mercy-seat of the ark, as Peter explains the figure, “which things the angels desire to look into;” 1Pe 1:12. and observe that the apostle does not say that they “desired,” but that they “desire,” that is, still desire, to look into these heavenly mysteries, to afford them renewed discoveries of the wisdom and glory of God; for it is not by creation, with all its wonders, nor by providence, in all its displays, that the wisdom of God is made known to angelic minds, but by redemption. “To the intent that now unto the principalities and powers in heavenly places might be known by the church the manifold wisdom of God, according to the eternal purpose which he purposed in Christ Jesus our Lord.” Eph 3:10,11
With what surpassing and resplendent glory, then, was the infinite wisdom of God displayed to these bright, angelic intelligences when, at the ascension of their Lord and ours, they personally witnessed how, in that very nature which “was made a little lower than the angels,” in his state of humiliation, he had defeated all the designs of Satan, vindicated the honor of God, glorified his justice, magnified the law given by their ministration and made it honorable, revealed the grace, mercy, and love of the Father in the salvation of millions of redeemed sinners, and was now returning triumphant into heaven to reign and rule at the right hand of the Majesty on high.
4. And this leads us to consider the ends for which Jesus ascended thus triumphantly into glory. They may be briefly viewed as two, which may be severally characterized by the two different instruments of regal power which the enthroned King of Zion bears as the insignia of his authority.
1. The rod of iron whereby he rules over his enemies. This has been put into his hands by his Father—“You shall break them with a rod of iron; you shall dash them in pieces like a potter’s vessel.” Psalm 2:9. “Rule in the midst of your enemies,” was the charter of his authority, when the Father said unto him, “Sit you at my right hand until I make your enemies your footstool.” Psalm 110:1,2. Thus power is given him “over all flesh;” John 17:2. yes, “all power in heaven and in earth;” Matthew 28:18. for “God has put all things,” and therefore “all enemies,” “under his feet.” 1Co 15:25-27. All persons and things are subject to his control; and though “the kings of the earth set themselves, and the rulers take counsel together against the Lord and against his anointed; he who sits in the heavens shall laugh, the Lord shall have them in derision.” Psalm 2:4
2. But there is the scepter of his grace, by which he rules in the hearts of a willing people; Psalm 110:3. bows them at his feet in sweet submission to his will; and becomes enthroned in their heart and affections as the Prince of peace. But as we shall have occasion to speak more particularly of the exercise of this twofold kingly power when we come to the consideration of our Lord’s present state in heaven, we shall not dwell any longer on this branch of our subject, but proceed to view the adorable Redeemer as:
5. Ascending on high that he might be a High Priest over the house of God, and that “not after the law of a carnal commandment,” as the priests under the law, “but after the power of an endless life.” Hebrews 7:16. It was prophesied of him that he should be “a Priest on his throne.” Zec 6:13. as uniting in his glorious Person the regal and priestly dignities. Of this conjunction of king and priest in one Person, Melchisedek was a type, who was “king of Salem and priest of the most high God;” Hebrews 7:1. and we know that the testimony of God to his dear Son was, “You are a Priest forever after the order of Melchisedek.” Psalm 110:4. Hebrews 7:17. When, then, the blessed Lord had fulfilled one part of his priestly office here below by offering the sacrifice of his sacred humanity, his pure body and his holy soul, on the cross, thereby making an expiation for the sins of his people, he went up on high to accomplish on their behalf the second part of the priestly office, which is to make intercession for them. Romans 8:34. Hebrews 7:25. This was beautifully typified by what took place on the solemn day of atonement, when the high priest, wearing the holy linen garments, a type of the pure humanity of Jesus, first offered sacrifice in the outer court and made atonement for sin, and then, with the blood of the bullock and of the goat, and the smoke of incense beaten small, lighted by coals taken from the bronze altar, entered into the most holy place. This most holy place was a type of heaven, Hebrews 9:24. and the ascension of our great High Priest there was represented by the steps up which the high priest went when, after offering sacrifice, he entered with the blood into the temple.
We may also observe that when the high priest thus ascended the steps of the temple to present himself before the Lord in the most holy place, this was the very time when the jubilee trumpet sounded through the land, and proclaimed liberty to all slaves and captives, and to those who had sold their houses and lands that they might freely return and take possession of them. Thus when Christ ascended up on high to enter heaven with his own blood, proclamation was made of pardon and peace, for then began the spiritual jubilee, when those who lay captive under the law, in bondage to doubt and fear, and who had sold themselves and all their possessions for nothing were to be liberated by the joyful sound of a free grace gospel preached by the apostles on the day of Pentecost.