1. De eerste tak van goddelijke waarheid waarin hij zo diep werd geleid is de val van de mens met zijn gevolgen van zonde en dood.
2. De tweede tak van goddelijke waarheid waarin hij zo gezegend werd geleid is de Persoon, het werk, de gehoorzaamheid, de dood, de opstanding en de verheerlijking van de Zoon van God, gezien in Zijn betrekking tot Zijn gemeente en bruid.
3. De derde grote tak van goddelijke waarheid waarin de uitnemende apostel zo gezegend schittert is de soevereine genade in haar rechtvaardigende, heiligende en zaligmakende werking op de gemeente van God.
Het was nooit Gods bedoeling de Schrift alleen tot het verstand van de mens te richten maar tot zijn hart en geweten. Zoals deze goddelijke waarheden dus een wezenlijk deel van de bevinding van de apostel vormden en uit de boezem van Christus in zijn ziel vloeiden, zo vloeiden zij ook uit zijn hart en werden zij door zijn pen in het geïnspireerde verslag opgetekend.
Zij storten zichzelf alleen dieper in de sloot!
Hoeveel arme zielen worstelen tegen de macht van de zonde — en behalen toch nooit de overwinning erover! Hoeveel mensen worden dagelijks als gevangenen weggevoerd door de lusten van het vlees, de liefde voor de wereld en de hoogmoed des levens — en behalen nooit de overwinning erover! Hoeveel mensen vechten en worstelen met tranen, geloften en sterke voornemens tegen de kleefzonden van drift, lichtzinnigheid of hebzucht — en raken er toch telkens weer door verstrikt en overwonnen!
Waarom is dit nu zo? Omdat zij het geheim niet kennen van geestelijke kracht tegen deze zonden en geestelijke overwinning erover. Alleen door een levende vereniging met de Heere Jezus Christus — door te drinken uit Zijn lijden en dood en te ontvangen uit Zijn volheid — kunnen wij enige overwinning behalen over de wereld, de zonde, de dood of de hel. De zonde wordt op geen andere wijze werkelijk of krachtdadig onderworpen!
De zonde kan dus niet overwonnen worden door wettische inspanningen en ernstige voornemens, door geloften en tranen. Die zijn op zijn best monnikenwerk — de vergeefse strijd van religieus vlees om zondig vlees te onderwerpen. Zij wordt overwonnen door een gelovige kennismaking met het lijden en de smarten van de Zoon van God en een geestelijke toegang daartoe. Dat gebeurt door een levend geloof in Hem en het ontvangen van voorzieningen van genade en kracht uit Zijn volheid — Zijn kracht die in onze zwakheid wordt volbracht.
Een zicht op Hem als een lijdende God — of een blik op Hem als een opgestane Jezus — hoort bij elke geslaagde poging om de overwinning te behalen over de zonde, de dood, de hel en het graf. U kunt streven, geloften afleggen en berouw tonen — en waar komt het allemaal op neer? U zinkt gewoon dieper en dieper in de zonde dan tevoren! Trots, wellust en hebzucht komen als een vloed binnen — en u wordt bijna overspoeld en meegesleept voordat u het beseft!
Maar als u een zicht krijgt op een lijdende of een opgestane Christus, komt er een onderwerpende kracht voort uit die geestelijke doop in Zijn dood of Zijn leven. Dat is zo wanneer u iets proeft van Zijn stervende liefde, een druppel van Zijn verzoenend bloed of enige openbaring van Zijn schoonheid en zaligheid. Die kracht geeft een overwinning over verzoeking en zonde die niets anders kan of zal geven!
Toch geloof ik dat wij vaak vele jaren nodig hebben om dit goddelijke geheim te leren. Wij proberen ons te bekeren en te verbeteren en kunnen het niet. Wij proberen beter te worden door de Moorman in de waskuip te dopen — totdat wij uiteindelijk door goddelijk onderwijs iets leren van wat de apostel bedoelde toen hij zei: de rechtvaardige zal uit het geloof leven. En wanneer wij in dit leven van geloof kunnen komen — dit verborgen leven — dan zijn onze genegenheden gericht op de dingen boven.
Het heeft geen zin mensen aan het werk te zetten met wettische inspanningen — zij storten zichzelf alleen dieper in de sloot! U moet Christus door de kracht van God in uw ziel krijgen — en dan zal Hij met Zijn glimlachen, bloed, liefde en tegenwoordigheid elke innerlijke vijand onderwerpen!
Genade en heerlijkheid
de HEERE zal genade en eer geven (Psalm 84:12)
Het is de bijzondere heerlijkheid van God te geven uit de oneindige volheid van Zijn goedheid en liefde. Hoe meer Hij geeft — des te meer wordt Hij verheerlijkt. Wij zouden tot Gods genadige voetbank moeten komen als tot die van een vrije en milde Weldoener.
Wij moeten voor Hem zeggen in de eenvoud van een klein kind: ‘Heere, ik ben arm — maak mij rijk! Heere, ik ben hongerig — voed mij! Heere, ik ben naakt — kleed mij! Heere, ik ben zondig — vergeef mij! Heere, ik ben hulpeloos — heb medelijden en erbarming met mij! Heere, ik ben zwak en dwalend, altijd struikelend en vallend. Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn! Heere, ik heb niets en ben niets — geef mij wat U goeddunkt — en maak mij tot wat U wilt dat ik ben.’
Het geheim van meer dan overvloedige genade
Wie niets weten van hun eigen hart — van hun eigen zwakheden — van hun eigen gebreken — van hun eigen innerlijke of uiterlijke misstappen en afvalligheden — weten niets van het geheim van meer dan overvloedige genade. Wij moeten er voortdurend aan herinnerd worden dat wij geen eigen kracht hebben. En zo worden onze zonden — onze misstappen — onze vallen — onze afvalligheden — onze gebreken — genadig tot ons nut gebruikt, als deel van de ‘alle dingen’ die ons ten goede medewerken. Zij leren ons onze zwakheid — en door ons onze zwakheid te leren voeren zij ons op naar de kracht van Christus!
Volmaakt in elkaar gepast
In het lichaam van Christus levert elk geestelijk deel zijn toegewezen deel van kracht en werkzaamheid aan de rest. Dit moet zichtbaar zijn in een evangeliegemeente waar liefde en eensgezindheid heersen. De Geest geeft elk lid die maat van genade die niet alleen volstaat voor zijn eigen zaligheid en vertroosting maar ook iets bijdraagt aan het welzijn van het geheel. Zo dragen sommigen hun gebeden bij ten bate van hun broeders omdat zij weinig anders te geven hebben.
Anderen die de Heere gezegend heeft met een deel van de goederen van deze wereld geven van hun bezit aan die arme leden voor wie hun mildheid vaak een tijdige hulp is. Weer anderen geven de gemeente een godzalig voorbeeld. Zij stellen haar een godzalig leven voor ogen: een zichzelf verloochenende, rechtschapen en consequente wandel. Anderen kunnen goed spreken, hebben een aangename gave in gesprek en gebed en kunnen uit de volheid van een gelovig hart in nederige, eenvoudige maar smakelijke taal getuigen van wat God voor hun ziel heeft gedaan.
Anderen zijn voorbeelden van nederigheid en laten een gebroken hart en een verslagen geest zien. Anderen tonen veel tederheid van geweten, grote omzichtigheid in hun gedrag en veel godvruchtige vreze. Sommigen bezitten een grote geest van liefde en genegenheid. Anderen hebben veel ijver en vrijmoedigheid voor de waarheid. Anderen hebben een gezond oordeel en scherp onderscheidingsvermogen. Anderen tonen veel geduld in lijden of zachtmoedigheid onder vervolging of grote geestelijke gezindheid. Sommigen hebben een diepe bekendheid met beproevingen en verzoekingen en veel kennis van de listen van Satan en de arglistigheid en verdorvenheid van het menselijk hart.
Zo levert dus op de een of andere manier elk deel iets aan het welzijn van het lichaam. Hoe arm of zwak een lid zich ook in een gemeente mag voelen — het is nog altijd een even wezenlijk deel van het lichaam als het sterkste.
Mijn kleine vinger is evenzeer een wezenlijk deel van mijn lichaam als mijn hand of arm. Hem af te staan zou mij pijn doen en ik lijd als hem het minste letsel wordt toegebracht. Zo is ook het zwakste en armzaligste lid van het lichaam van Christus evenzeer een lid. Het heeft evenveel geschiktheid in het lichaam en wordt door de Geest evenzeer geëerd voor wat het doet onder Zijn genadige invloeden als het sterkste in geloof, hoop en liefde.
Het hele lichaam is volmaakt in elkaar gepast. Elk deel, groot of klein, voegt iets toe aan het welzijn van het hele lichaam — zodat alle delen met dat deel meelijden als één deel lijdt en alle delen zich met dat deel verheugen als het geëerd wordt. Het lichaam is zo samengevoegd of als het ware samengelast tot één verenigde massa van vastheid en kracht — terwijl de inwonende Geest krachtig werkt in elk deel naar de maat van de genade die eraan is geschonken.
Gelade dobbelstenen!
Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen (Efeze 4:14)
Het woord dat met ‘bedriegerij’ is vertaald betekent letterlijk ‘vals spelen met dobbelstenen’. Er wordt gezinspeeld op de gewoonte van gokkers om de dobbelstenen te laden om een gunstige worp te krijgen. De dobbelstenen zijn goed gemerkt en goed gegooid maar zijn aan één kant verzwaard en vallen daardoor altijd in het voordeel van de valsspeler die ze gooit. Zo lijken dwalingen en ketterijen op geladen dobbelstenen! Ze zien er goed uit — netjes gemerkt met teksten en schriftplaatsen — en de predikant of schrijver lijkt ze volledig en eerlijk voor het volk neer te gooien. En toch zit er, net als bij geladen dobbelstenen, goochelarij en bedrog onder.
Zoals bij goochelkunsten dingen worden voorgesteld als iets wat ze niet zijn, zo misleiden goochelaars en bedriegers in de godsdienst de mensen met een schijn van vroomheid en heiligheid. Onder die schijn verbergen zij de meest verderfelijke dwalingen! Eenvoudige zielen worden gevangen — en het spel gaat door. Maar van alle gokkers zijn godsdienstige gokkers de ergste, want de worp gaat om de eeuwigheid en de ziel staat op het spel!
In welke andere vorm het eigen ik ook komt
alleszins zouden opwassen in Hem (Efeze 4:15)
Wij moeten in Christus opgroeien — en dat kunnen wij niet tenzij wij uit het eigen ik groeien. Het eigen ik is een dodelijke vijand van de groei in Christus. Of het nu eigengerechtigheid, zelfverwennerij, eigenwaan of zelfvertrouwen is — of in welke andere vorm het eigen ik ook komt — het is een dodelijke vijand van de groei in de genade!
Wat is uw zwaarste beproeving?
Wat is uw zwaarste beproeving? Wij hebben allemaal onze eigen beproevingen waar wij elk doorheen moeten — beproevingen in het lichaam — beproevingen in de omstandigheden — beproevingen in het gezin — beproevingen in het gemoed. Maar is er enige beproeving die gelijk is aan wat wij voelen van de inwonende zonde? Is het niet onze dagelijkse ervaring dat wij kreunend en zuchtend voor de Heere gaan vanwege het werken van de zonde in onze vleselijke gezindheid? Is het niet onze zwaarste last dat de zonde zo naar de heerschappij strijdt? Dat zulke gemene lusten voortdurend onze genegenheden proberen gevangen te nemen en zulke boze begeerten in onze boezem om de overwinning worstelen?
Is het niet onze zwaarste last dat zulke trots en ongelovigheid en andere overvloedige verdorvenheden voortdurend als een vulkaan in onze boezem worstelen om volledig uit te barsten en onze ziel te verwoesten? En wat laat ons deze last van de zonde voelen? De vreze Gods in een teder geweten.
Voor sommige mensen is de zonde geen last. Hun verdorvenheden bezorgen hun geen pijn. Hun trots, hun aanmatiging, hun hebzucht, hun ontucht, alle werkingen van de verdorven natuur trekken nooit een traan uit hun oog en persen nooit een snik uit hun hart! Waarom? Omdat zij de vreze Gods in een teder geweten missen. Naar de mate van de diepte van de godvruchtige vreze en de tederheid van het geweten voor God wordt de zonde innerlijk bemerkt — innerlijk gevoeld — en innerlijk betreurd en beklaagd!
Dit lichaam van zonde en dood!
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24)
Wat was het dan dat deze heilige apostel zo pijnigde? Het was het lichaam des doods dat hij met zich meedroeg! Die bewegende massa van verdorvenheid — die Behemoth die zijn zware leden in zijn ziel verhief en alles wat goed en genadig was in zijn hart vertrapte!
Het beeld is ontleend aan een gebruik van de Romeinen om een dood lichaam aan een levend lichaam vast te binden. En o, wat moet het misselijkmakende gevoel zijn geweest voortdurend het koude lijk dicht tegen het warme vlees te voelen — bijvoorbeeld in de nacht wakker te worden en het dode lichaam om het levende gebonden te voelen en door zijn koude armen omklemd te worden! Wat een gevoel van afschuw en walging moet het levende lichaam bij zo’n straf ondervinden!
Zie het nu geestelijk. Uw ‘nieuwe mens’ is warm jegens God. Er ontspringen heilige genegenheden — er stromen hijgende verlangens uit — er zijn tedere zuchten, verlangens en smachten naar de Zoon van God in Zijn schoonheid. En daaraan vastgeklonken is er een vleselijk, doezelig, zinnelijk, dood, aards hart — dat het voortdurend omringt met zijn koude, klamme omhelzing en zijn dodelijke doezeligheid aan de ziel meedeelt.
Willen wij bidden — willen wij het hart uitstorten in warme verlangens? De koude klauw van dit lichaam van zonde en dood dooft dat opkomende verlangen! Willen wij in de binnenkamers van ons hart ernstig Zijn aangezicht zoeken? De koude, klamme omhelzing van het lichaam van zonde en dood doet dat alles bevriezen — en belemmert voortdurend elke opwaartse beweging van de geest en klemt en boeit elk verlangen van de hemelse natuur! Nu dwingt de innerlijke strijd die door deze oefeningen en verwikkelingen ontstaat deze kreet af — Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
Een paar korrels dwaling
Niemand kan zelfs maar een paar korrels dwaling straffeloos innemen — het zal bedwelmen als het niet doodt. Het zal de ziel verzwakken als het niet meteen het leven vernietigt. Het zal en moet zijn hoofd of zijn hart aantasten — zijn handen of zijn voeten — zijn geloof of zijn wandel. Niemand kan dwaling en de geest van dwaling indrinken zonder er schade van te lijden — zijn geestelijke kracht wordt verzwakt en zijn geestelijke ledematen worden verlamd.
Wij moeten ons voor dwaling hoeden zoals wij ons voor vergif zouden hoeden! Er is iets aantrekkelijks en zoets voor de vleselijke gezindheid in dwaling. Menig kind is aangelokt door giftige bessen — eerst om ze te proeven en daarna, door hun zoetheid, om er veel van te eten. Laat de dwaling eenmaal haar aanlokkelijke bessen van de kansel hangen — dan zijn er in de gemeente genoeg om ze te plukken en te eten. Wees daarom op uw hoede voor dwaling — en voor dwalende mensen! Ik ben jaloers op dwaling naar de mate waarin ik de waarheid liefheb en waardeer.
Waar komt dit geestelijke verlangen vandaan?
Mijn ziel kleeft U achteraan (Psalm 63:9)
Waar komt dit geestelijke verlangen vandaan? Het komt voort uit het levendmakende werk van de Geest in de ziel. Zolang wij niet goddelijk verlicht zijn om onze verloren, verwoeste toestand te zien en geestelijk levend gemaakt zijn om hem te voelen, zijn wij tevreden met de dingen van de tijd en de zinnen. Dan is ons hart in de wereld. Onze genegenheden zijn gevestigd op de arme vergankelijke ijdelheden die snel voorbijgaan — en er is geen enkel geestelijk verlangen of hemels smachten in de ziel.
Maar wanneer de Heere licht en leven in het geweten zendt — om ons onszelf in onze ware gedaante te laten zien — dan beginnen onmiddellijk geestelijke verlangens. De ogen van het verstand worden geestelijk verlicht om God te zien en het hart wordt goddelijk levend gemaakt om te voelen dat Hij alleen de verlangens kan verlichten waaronder de ziel gebukt gaat. Zo wordt de Persoon voor de ogen van het gemoed gesteld Die ons alleen kan geven wat de ziel verlangt te genieten!
Wanneer een mens zichzelf verfoeit
gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt (Ezechiël 20:43)
Wanneer een mens zichzelf verfoeit, betekent dat niet slechts dat hij zichzelf haat. Het betekent dat hij zichzelf beschouwt als een gemene, verachtelijke ellendeling. Sommigen walgen van padden — sommigen van spinnen — sommigen van vuil. Walging houdt dus niet alleen in dat men iets haat — maar dat men het haat als iets waar men niet naar kan kijken!
Zo’n bedrieglijk schepsel
Het eigen ik moet een doodsslag krijgen! Maar dit eigen ik is zo’n bedrieglijk schepsel! Het kan zulke maskers dragen. Het kan zoveel vormen aannemen. Het kan tot zulke hoogten stijgen en tot zulke diepten zinken. Het kan in zulke gaten en hoeken kruipen dat ik de rol van de politie moet spelen. Ik moet de misdadiger opsporen, hem tot zijn schuilplaats volgen en hem in het licht van de dag slepen!
Het enge en smalle pad
In de wereld zult gij verdrukking hebben (Johannes 16:33)
Wie wandelt op het pad dat God voor hem heeft gekozen, zal elke tegenstand tegen zijn wandelen daarop ontmoeten. Ongelovigheid, ongeloof, opstandigheid, gemelijkheid en ongeduld — de aanvallen van Satan als een engel der duisternis en zijn verleidingen als een engel des lichts. Valse vrienden en heimelijke of openlijke vijanden — de vleierij van belijders en vaak de frons van Gods kinderen. Het verlies van wereldse belangen en het offer van bezittingen. Dit alles komt over hen die wandelen op het enge en smalle pad dat naar het eeuwige leven leidt. Het is allemaal verbonden met het kruis van Christus — en kan niet worden ontlopen!
Hij zal u nooit een aards paradijs laten hebben
haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen (Psalm 132:15)
Wat een zoetheid ligt er in het woord ‘verzadigen’! De wereld kan ons niet verzadigen! Hebben wij het niet geprobeerd — en sommigen van ons misschien vele jaren — om enige voldoening uit haar te halen? Maar kan een echtgenote of echtgenoot ons ‘verzadigen’? Kunnen kinderen of verwanten ons ‘verzadigen’? Kan alles wat de wereld goed of groot noemt ons ‘verzadigen’? Kunnen de genoegens van de zonde ons ‘verzadigen’? Is er niet in alles een knagende leegte? Oogsten wij niet onvoldaanheid en teleurstelling uit alles wat van het schepsel en van het vlees is? Vinden wij niet dat er weinig anders dan verdriet te oogsten valt uit alles in deze wereld?
Ik weet zeker dat ik al sinds jaren bevind dat er weinig anders uit de wereld te halen valt dan teleurstelling, onvoldaanheid, ijdelheid en kwelling des geestes!
De arme ziel kijkt rond naar de wereld — naar alle bezigheden, vermaken en betrekkingen van het leven — en vindt alles één droevige oogst — zodat zij niets oogst dan verdriet, verlegenheid en onvoldaanheid!
Een mens wordt hier gebracht en verlangt naar voldoening. Hij wil iets om hem gelukkig te maken — iets om de knagende leegte te vullen — iets om gebroken beenderen, bloedende wonden en melaatse zweren te verbinden. Hij kijkt naar alles: naar leerstellingen, meningen, denkbeelden, bespiegelingen, vormen, riten en ceremoniën in de godsdienst — naar de wereld met al haar bekoringen — en naar het eigen ik met zijn velerlei werkingen. Hij vindt daarin niets dan bitterheid van geest, kwelling en moeite en zinkt als een ellendeling neer. Dan opent de Heere hem iets van het Brood des levens. En dan vindt hij daarin een voldoening die hij nooit uit een andere hoek kon krijgen!
En dat is de reden, mijn vrienden, waarom de Heere Zijn volk zo kastijdt. Daarom dragen sommigen zulke zwakke, lijdende lichamen met zich mee. Daarom hebben sommigen zoveel gezinsverdriet en zijn anderen zo diep in armoede gedompeld. Daarom hebben anderen zulke weerspannige kinderen en worden weer anderen zo geoefend met geestelijke smarten dat zij nauwelijks weten wat hun einde zal zijn! Het is allemaal voor één doel — hen buiten Christus ellendig te maken — onbevredigd te laten behalve met evangeliespijs — hen zo ellendig en ongemakkelijk te maken dat God alleen hen gelukkig kan maken — en alleen troost kan spreken tot hun verontruste gemoed!
Mijn vrienden, als er jonge mensen hier zijn wier hart God met Zijn Geest heeft aangeraakt en die nog enige voldoening van de wereld zoeken — als uw gezondheid en geest nog ongebroken zijn en u verwacht van het schepsel een ‘oogst van genot’ binnen te halen — reken er dan op dat u, als u een kind van God bent, teleurgesteld zult worden! De Heere zal al uw ‘verwachte genoegens’ met wortel en tak uitrukken. Hij zal uw wereldse geluk grondig verstoren! Hij zal u nooit een aards paradijs laten hebben — en het is uw barmhartigheid dat Hij dat niet zal doen!
Als u geluk verwacht van een echtgenote of echtgenoot — van uw zaken — van de wereld — van wat uw vleselijk hart ook najaagt — reken er dan op dat God u geen vast of duurzaam genoegen daarin zal laten scheppen. Maar Hij zal al uw aardse genietingen met wortel en tak uitroeien!
Hij zal al uw wereldse plannen verstoren en u brengen op deze plek — om een ellendeling te zijn zonder Christus — om een verloren schepsel te zijn zonder de openbaringen van de Zoon van God aan uw ziel. En wanneer u geen genoegen in de wereld kunt vinden en geen geluk in de dingen van de tijd en de zinnen — maar ellende in uw ziel voelt en vreest dat eeuwige ellende uw deel zal zijn in de toekomende wereld — dan bent u juist degene die God door het evangelie zal vertroosten. Hij zal u een geopenbaard aandeel geven in de belofte aan Sion: haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
Het is onze barmhartigheid dat wij geen genoegen in de wereld kunnen scheppen!
Als wij dat konden — dan weet ik waar en wat ik zou zijn! Ik zou de ijdele verbeeldingen van mijn vleselijk hart najagen — en proberen genot te oogsten waar echt geluk nooit gevonden kan worden! En als iemand van u, mijn vrienden, treurt, zucht en kreunt en soms opwelt van opstandigheid en gemelijk ongeduld, omdat u niet kunt hebben wat u van nature wenst te genieten — of omdat u uw aardse plannen niet kunt verwezenlijken — en u weinig anders hebt dan hartzeer en benauwdheid van ziel, dan wordt u veel meer begunstigd dan wanneer u alles kon hebben wat het hart kon wensen!
God, Die u ellendig heeft gemaakt opdat u geluk in Hem zou vinden, zal u niet in uw ellende laten leven en sterven! Hij zal elke bloedende wond verbinden en de olie der vreugde in uw verontruste hart gieten! haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
De rivier
Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten (Psalm 36:9)
God geeft niet karig of krenterig alsof het Hem ooit speet wat Hij schonk. Maar wat Hij geeft schenkt Hij als een God — vrij, mild, overvloedig — Hem waardig als een oneindige, eeuwige, zelfbestaande Jehova!
Waarlijk gered worden
Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping (2 Timotheüs 1:9)
Waarlijk gered worden is gered worden van de toekomende toorn — van de macht van de zonde — van een lege belijdenis — van een vorm van godzaligheid — van het vlees — van de misleidingen van Satan — van de blindheid en onwetendheid van het eigen hart.
Hoe meet u uw kennis van de waarheid?
Hoe meet u uw kennis van de waarheid? Is het aan het aantal teksten dat u uit het hoofd hebt geleerd? Is het aan het feit dat u kunt uitleggen wat u in de Schriften ziet? Is het aan het inzicht dat u hebt verkregen door een schriftplaats met een andere te vergelijken? Als u geen betere kennis hebt dan dit — dan staat het allemaal in het vlees — en is het niets anders dan ‘dorre letterbespiegeling’ die de ziel onvruchtbaar voor God laat.
Meet uw kennis aan deze toets: welke gevoelens brengt zij voort — welke oefeningen voor God — welke ademtochten in de tegenwoordigheid van Hem met Wie u te doen hebt — welke uitgangen van het hart — welke plechtige vragen van de ziel voor Hem in Wiens tegenwoordigheid u van tijd tot tijd staat. Deze toets is van toepassing op elke graad en elk stadium en elke staat van het geestelijk leven — voor zover dat geestelijk leven in oefening is.
Welke denkbeelden of meningen wij ook eerder over God mogen hebben gehad — en die kunnen heel helder en systematisch zijn en volledig in het kanaal van de letterwaarheid lopen — wij kennen Hem alleen geestelijk voor zover het Hem behaagt Zichzelf rechtstreeks aan ons geweten te openbaren. Dat geldt voor alle uiterlijke denkbeelden, bespiegelingen of verbeeldingen die wij over het wezen van God mogen hebben. Alle andere kennis staat in het vlees. Zij is slechts de vrucht van het schepsel en schiet volkomen tekort bij die kennis die geestelijke wijsheid en eeuwig leven is.
Maar telkens wanneer de Heere de Geest de waarheid van God met kracht tot de ziel brengt, wekt Hij door de toepassing van die waarheid geestelijke gevoelens, geestelijke ademtochten en geestelijke oefeningen op over wat Hij het goed vindt mee te delen.
Zie, ik ben gering
Zie, ik ben te gering (Job 39:37)
Soms raakt de gelovige verstrikt in een verzoeking — valt hij af van God — gaat hij op zoek naar gebroken bakken die geen water houden — verlaat hij de levende fontein — en zoekt hij genot bij zijn afgoden.
Als de christen verstrikt is in enige zonde of gevangen in een strik van het vlees of een verzoeking van Satan, dan brengt een teder geweten hem neer aan de voeten van de Heere om te kermen en te zuchten en te klagen. Dan belijdt hij wat een gemene ellendeling hij is om zo met het kwaad verstrikt te zijn — wat een monster van ongerechtigheid om zo door het kwaad overwonnen te worden — wat een vuil, smerig, bezoedeld beest om zoveel kwaad in zijn hart aan het werk te hebben dat hem voortdurend gevangen wegvoert!
Wij kunnen gemakkelijk de godsdienst van mensen meten
Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft (1 Johannes 2:6)
Wij kunnen gemakkelijk de godsdienst van mensen meten aan deze toets: niet waar zij staan in ‘louter leer’ — niet waar zij staan in ‘lege denkbeelden’ — niet waar zij staan in ‘aanmatigend zelfvertrouwen’ — niet waar zij staan in ‘torenhoge bespiegeling’. Maar waar zij staan in gebrokenheid van hart — tederheid van geweten — verslagenheid van geest — zachtmoedigheid van ziel — godvruchtige vreze — kinderlijk ontzag — en sidderende eerbied. Waar is de gezindheid van Christus in hen zichtbaar? Waar is het beeld van een lijdende Heere op hen gestempeld?
Het is ‘ijdel vertrouwen’ om altijd over Christus te praten — en niets te weten van de Geest van Christus. Het is ‘ijdel gepraat’ om te belijden het kruis van Christus te kennen — en nooit enige weerspiegeling van het beeld van Christus in ons te hebben.
Het is de ergste dwaasheid en het toppunt van aanmatiging om ons als kinderen van God te beroemen wanneer er niets van het beeld van een gebroken-hartige Heere op onze ziel gestempeld is — of zichtbaar is in ons gedrag. Bent u dan een arm, gebroken-hartig kind van de levende God? Is er enige mate van de Geest van Christus in u? Is er enige flauwe gelijkenis van Zijn zachtmoedigheid en heilig beeld op u gestempeld?
Een God Die men niet bespot of beschimpt
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Korinthe 4:6)
Als de Heere ons dus enig geestelijk licht heeft getoond, heeft Hij ons licht getoond zowel met betrekking tot Zichzelf als met betrekking tot onszelf. Hij heeft ons met betrekking tot Zichzelf getoond wie HIJ is. Hij heeft iets van Zichzelf op ons geweten gestempeld. Hij heeft enige getuigenis aangaande Zichzelf in ons hart gebracht. Hij heeft iets van Zijn heerlijk karakter aan onze ziel geopenbaard en ons onder de werkingen van de Heilige Geest in Zijn tegenwoordigheid gebracht om daar mededelingen van leven te ontvangen uit de onuitputtelijke volheid van Christus.
Zo zien en voelen wij dat wij te maken hebben met een hartendoorzoekende God. Wij zien en voelen dat wij te maken hebben met een zondehatende God. Wij zien en voelen dat wij te maken hebben met een God Die niet bespot of beschimpt wordt. Voor zover het Hem behaagt het ons te openbaren, zien en voelen wij dat elk geheim van ons hart en elke werking van ons gemoed voor Hem openligt.
Ook zien wij, voor zover het Hem behaagt het te openbaren, wat WIJ zijn in Zijn heilige en reine ogen: een massa van zonde, vuil en bederf. Wij zijn zonder hulp van het schepsel, zonder kracht van het schepsel, zonder wijsheid van het schepsel, zonder gerechtigheid van het schepsel en zonder schoonheid van het schepsel. Wij zijn zonder iets waarvan wij kunnen zeggen dat het geestelijk goed is.
Ook toont Hij ons, voor zover het Hem behaagt het te openbaren, de weg van de ZALIGHEID door Jezus Christus. Hij heeft ons niet alleen getoond wat wij van nature zijn maar Hij heeft Zich ook in zekere mate verwaardigd ons te tonen wat wij door genade zijn. Hij heeft niet alleen enige bekendheid met Zichzelf als een God van volmaakte rechtvaardigheid in ons hart gebracht — maar ook enige bekendheid met Hem als een God van barmhartigheid in onze ziel. Zo heeft Hij ons in plechtige mate gebracht Hem te kennen — de enige ware God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.
Volstrekte afhankelijkheid van de Heere
Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild (Psalm 33:20)
Er lijkt één kenmerk te zijn dat elke gelovige gemeen heeft, in welk stadium van geestelijke bevinding hij zich ook bevindt — en dat is een volstrekte verzaking van het eigen ik — en een volstrekte afhankelijkheid van de Heere dat Hij in hem werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Laat mensen maar praten over de wijsheid van het schepsel — of roemen op menselijke gerechtigheid — of menselijke verdienste — of enige andere zo’n ijdele verdichtsel van de verbeelding.
U zult nooit een van de heiligen uit de Bijbel een andere taal horen uitspreken dan een volledige verzaking van het schepsel in al zijn aspecten. Zij hangen eenvoudig aan de Heere van leven en heerlijkheid en zijn van Hem afhankelijk. Hij moet Zich aan hen openbaren, hen zegenen, hen leren en hen leiden in alle waarheid. Zo stempelt de bevinding van de heiligen de hele fictie van menselijke verdienste, wijsheid van het schepsel en vleselijke gerechtigheid als leugen.
Mijn genade is u genoeg
En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9)
Niet uw kracht — niet uw wijsheid — niet uw gebeden — niet uw bevinding — maar Mijn genade. Mijn vrije, Mijn weergaloze genade, onafhankelijk van alle werken en inspanningen en van alles in het schepsel. Zij vloeit geheel en alleen, volledig en vrij uit de boezem van Jezus naar de behoeftigen — de schuldigen — de verlatenen — de verlorenen. U die beproefd wordt in wereldse omstandigheden, die het harde lot van armoede moet doorstaan — Mijn genade is u genoeg! U die dag na dag verzocht wordt te zeggen of te doen wat het geweten veroordeelt — Mijn genade is u genoeg!
U die gekweld wordt door gezinsverdriet en ellende en vaak wordt meegetrokken in gemelijkheid en mopperen — Mijn genade is u genoeg! In welke staat, welk stadium, welke beproeving of omstandigheid van de ziel het kind van God zich ook bevindt — de belofte blijft luiden: Mijn genade is u genoeg! Onze zwakheid, hulpeloosheid en onmacht zijn juist de dingen die de kracht, de sterkte en de genade van Jezus aantrekken. Gelovige, uw geval ligt nooit buiten het bereik van de woorden: Mijn genade is u genoeg! De vrije, de weergaloze, soevereine genade van God is genoeg voor al Zijn volk — in welke staat, welk stadium, welke benauwdheid of moeilijkheid zij zich ook bevinden!
O, wat een tegenstand
O, wat een tegenstand is er tegen het leven van het geloof! Welke moeilijkheden, belemmeringen, hindernissen en verdrukkingen liggen er op iemands pad wanneer hij in geloof op weg gaat! Er is zonde die voortdurend werkt — er is de duivel die hem verzoekt of kwelt — soms de wereld die hem verstrikt of vervolgt — en vaak zijn eigen hart dat hem bedriegt en verstrikt. Heeft ooit een mens zo’n vuile aanblik gezien? Naarmate de sluier wordt weggenomen, begint de ziel ook de werkingen van innerlijke zonde te zien en te voelen waarvan zij tevoren onwetend was.
Het wegnemen van de sluier toont ons niet alleen de heerlijkheid van God maar ook alles wat tegen die heerlijkheid indruist. Dat zijn de trots van ons hart, de macht van ons ongeloof, de vijandschap van onze vleselijke gezindheid, de vreselijke huichelarij, de vermetele aanmatiging, het afschuwelijke verraad en de vleselijke lusten. Ook alle obscene verbeeldingen van onze verdorven natuur komen aan het licht. Zij zullen in ons werken ondanks al onze zuchten en kreten van het tegendeel.
Dit alles wordt, naarmate de sluier van de ziel wordt weggenomen, steeds meer openbaar en wij krijgen (en o, wat een aanblik is het!) een zicht op onszelf!
Heeft ooit een mens zo’n vuile aanblik gezien als zichzelf? Wanneer hij neerkijkt in het riool van zijn eigen natuur, ziet hij dan niet alles daar kruipen en krioelen als kikkervisjes in een sloot om hem te doen walgen? Maar naarmate een mens meer ziet en voelt van de werkingen van zijn verdorven natuur en de uitbarstingen van de huichelarij van zijn verraderlijk hart — wordt hij ertoe gebracht eenvoudiger en eenduidiger op te zien naar de heerlijke Zoon van God en zich oprechter en onvoorwaardelijker te werpen op dat bloed dat hem reinigt van alle zonde!
De sluier wordt weggenomen!
Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen (Romeinen 10:3)
Wat een bont monster is de mens in zijn natuurlijke staat — vol kwaad — voortdurend zonde bedrijvend — God in Zijn gezicht tartend door duizend misdaden — en toch zijn eigen gerechtigheid oprichtend!
Wij zouden net zo goed kunnen verwachten dat een misdadiger in de gevangenis hoopt vrij te komen door zijn goede daden en zijn gehoorzaamheid aan de wetten van zijn land. Hij wacht in de dodencel de verdiende straf af voor zijn verzwaarde misdaden — voor zijn moorden, roverijen en voortdurende aanslagen op alle menselijke wetten. Net zo dwaas is het te verwachten dat zo’n gemene ellendeling als de mens hoopt naar de hemel te klimmen langs de ladder van zijn goede woorden, goede gedachten, goede werken en goede bedoelingen.
Eigengerechtigheid is in al haar vormen zo verweven met elke gedachte van ons hart, zo verstrengeld …


