Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Jezus, de grote Profeet voor Zijn volk — De wezenlijke aard van het profetische ambt

Philpot toont dat een profeet in de eerste plaats iemand is die voor God spreekt en pas daarna iemand die de toekomst voorzegt. Hij volgt het profetische ambt van de val van Adam via Abel, Enoch en Noach tot de profeten die van Christus getuigden.

Wij beschouwen nu het profetische ambt van Jezus. Wij hopen met Gods hulp en zegen te laten zien dat het een ambt van bijzondere genade is en vol van goddelijke gezegendheid voor Zijn gelovige volk. Moge de Geest onze gedachten leiden en onze pen richten in onze Overdenkingen over de genade en heerlijkheid van Jezus als de Profeet van Zijn gemeente. Moge Hij Zich zeer dierbaar, nabij en kostbaar maken voor schrijver en lezer. Moge Hij ons bewaren voor alle dwaling en leiden in alle waarheid, zodat wij Zijn grote en heerlijke Naam verhogen terwijl wij aan Zijn voeten zitten. Dan horen wij Zijn woord en zien wij op naar Hem voor die hemelse onderwijzing die Hij uit hoofde van Zijn profetische ambt zo gezegend meedeelt.

Bij de uitwerking van dit onderwerp is enige orde nodig voor de duidelijkheid. Wij willen daarom aantonen:

I. De wezenlijke aard van het profetische ambt.

II. De bijzondere bekwaamheden van Jezus om Zijn profetische ambt te dragen.

III. Jezus Die Zijn profetische ambt uitoefent op aarde.

IV. De huidige wijze waarop Hij Zijn profetische ambt in de hemel draagt.

V. De geestelijke werking die Zijn profetische ambt heeft op de bevinding van Zijn gelovige volk.

De wezenlijke aard van het profetische ambt

Het eigenlijke kenmerk van het profetische ambt, dat wij het eerste en wezenlijke kenmerk kunnen noemen, wordt naar ons oordeel soms niet duidelijk begrepen. Meestal denkt men dat een profeet vooral iemand is die toekomstige gebeurtenissen voorspelt. Dat is zeker een deel van het profetische ambt en wel een zeer belangrijk deel. Maar het is allerminst het eerste of wezenlijke kenmerk. Voor dat ambt zoals de Heere het Zelf droeg was het zelfs een geheel ondergeschikt kenmerk. Het eerste en wezenlijke kenmerk van een profeet is dat hij VOOR GOD SPREEKT. Hij is als de mond van God (Jeremia 15:19) om Gods woorden te spreken.

Dat is duidelijk, niet alleen uit de afleiding van het woord in het Hebreeuws en in het Grieks maar ook uit verscheidene plaatsen in het woord van de waarheid. Neem bijvoorbeeld de volgende Schriftplaatsen: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn. Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aaron, uw broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat. (Exodus 7:1-2.)

Wij wijzen op de parallelle uitdrukking die zo volledig bewijst dat het eerste en wezenlijke denkbeeld van een profeet is dat hij voor God spreekt: Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult. En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn, en gij zult hem tot een god zijn. (Exodus 4:15-16.)

Ook de woorden van de Heere tot Jeremia toen Hij hem riep tot het profetische ambt slaan het nauwst op hetzelfde punt: Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld. Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. (Jeremia 1:4-7.)

Het onderscheidende van de roeping van Jeremia tot het profetische ambt was dat de Heere Zijn woorden in zijn mond legde. (Jeremia 1:9.) Die woorden waren woorden van gezag en kracht. Daardoor rukte hij als werktuig de vijanden van God en de godzaligheid uit, brak hij ze af, verdierf hij ze en wierp hij ze neer. En hij bouwde en plantte het eigen volk van de Heere. (Jeremia 1:10.)

Dit was zeker een veel ruimere en gezaghebbender opdracht dan wanneer hij alleen was gezonden om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen. Het is volkomen waar dat hij de zeventigjarige ballingschap voorspelde, de verwoesting van Babel en de terugkeer van de kinderen van Juda naar hun eigen land. Hij sprak ook andere profetieën uit waarvan sommige nog onvervuld zijn. Maar dat was slechts een deel van zijn profetische zending.

Zo zei de Heere ook tot Ezechiël, toen Hij hem riep tot het profetische ambt: Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. (Ezechiël 2:7.) En nogmaals zei Hij tot hem: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren. En ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. (Ezechiël 3:10-11.)

Het leidende en kenmerkende van een profeet was dus dat hij tot het volk kwam met een „Zo zegt de HEERE” in zijn mond. Zijn woorden waren niet zijn eigen woorden maar Gods woorden en zijn boodschap was de uitdrukkelijke boodschap van de HEERE van de heirscharen. Dit inzicht in het fundamentele karakter en de positie van een profeet kan ons voorbereiden om iets duidelijker te zien hoe goed zo’n ambt past. Het laat ook de wijsheid en barmhartigheid van God zien die zo tot de mensenkinderen wilde spreken.

De mens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, was door de inrichting van zijn verstandelijk wezen in staat om rechtstreekse mededelingen van de wil en het welbehagen van zijn hemelse Schepper te ontvangen. Zo wandelde en sprak God in het paradijs met Adam. Hij onderwees hem in de kennis van Zijn wil en stelde hem een gebod voor wat hij moest doen en een verbod wat hij moest mijden. (Genesis 2:16-17.) In deze staat van onschuld en geluk was er geen profeet nodig om voor God tot de mens te spreken. De Heere verkeerde immers rechtstreeks en onmiddellijk met hem als het zuivere en verstandige schepsel van Zijn hand.

Maar toen Adam zondigde en viel, werd deze wijze van rechtstreekse en onmiddellijke gemeenschap van de mens met zijn Maker meteen afgesneden. De mens, beroofd van zijn oorspronkelijke zuiverheid en onschuld, voelde zijn naaktheid en schaamte. Vol schuld en schrik vluchtte hij voor de stem van de Heere, die hij vroeger met vreugde had gehoord. Tussen de bomen van de hof zocht hij beschutting tegen het verontwaardigde oog van de gerechtigheid.

Maar o, de ongeëvenaarde barmhartigheid en goedheid van de Heere! Want waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. In de hof zelf waar de mens zo vreselijk en moedwillig had gezondigd en was gevallen, werd barmhartigheid geopenbaard. De bomen die getuigen van de val waren geweest en de schuldige Adam tevergeefs hadden beschut tegen de toorn van zijn terecht vertoornde Schepper, waren nu getuigen van de eerste belofte van verlossing.

Die verlossing zou komen door een Middelaar die God Zelf voorzag, niemand minder dan Zijn eigen Zoon. Op het bestemde tijdstip zou Hij geboren worden uit een vrouw, uit het zaad van die vrouw die als eerste had gezondigd en daarna de man met zich had meegetrokken in de put waarin zij zelf gevallen was.

De vroegere weg van rechtstreekse en onmiddellijke gemeenschap tussen God en mens was dus door de zonde afgesneden. Het heerlijke plan van verlossing, dat van alle eeuwigheid in de schoot van God had gelegen, voorzag nu in een nieuwe weg waarop God weer met de mens kon omgaan. Er was een Middelaar gegeven en een losprijs gevonden door en uit Zijn bloed. Zo was een weg gebaand waarlangs de gemeenschap niet meer als voorheen onmiddellijk maar middellijk kon worden heropend. Zij rustte nu op een andere grondslag, een zekerder en gezegender fundament. Dit is dan de grondslag van het profetische ambt: eerst in de Persoon van de Middelaar en dan in door God gezonden en geïnspireerde mensen als getuigen van Hem.

Wij volgen de waarheid graag tot haar eeuwige bron en laten graag de sterke fundamenten zien waarop de ordeningen en bestemmingen van God rusten. In alle wegen en werken van God is onuitsprekelijke wijsheid. Wanneer wij die wijsheid zien, niet alleen zoals in de schepping vol harmonie en schoonheid maar zoals in het verbond van de genade vol liefde en barmhartigheid, heeft dat een gezegende neiging. Het vervult het verstand met de volle overtuiging van de zekerheid van de geopenbaarde waarheid en trekt hart en genegenheden op naar de Heere in het geestelijke genot ervan. Dit moet onze verontschuldiging zijn als wij sommige lezers enigszins van ons onderwerp lijken te zijn afgedwaald.

Zodra het verbond van de genade in de eerste belofte aan het licht was gebracht, werd erop gehandeld. Eerst nog vaag en duister maar steeds met toenemende helderheid, totdat het volledig werd geopenbaard in de Persoon en het werk van de Zoon van God. Toen heeft Hij door Zijn verschijning in het vlees leven en onsterfelijkheid aan het licht gebracht.

Zo was in zekere zin Abel, de eerste martelaar, ook de eerste profeet. Hij getuigde namelijk voor God en voor de weg van zaligheid door het verzoenende bloed van de beloofde Middelaar, toen hij bracht van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. De apostel zegt daarom van hem: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. (Hebreeën 11:4.)

Hij is gestorven en toch spreekt hij nog. Hij sprak voor God als profeet van de toekomst toen hij Hem een betere offerande bracht dan Kain. En nu spreekt hij nog voor Hem als profeet van het verleden. Zijn getuigenis staat immers op de heilige bladzijde opgetekend en laat nog steeds zijn stem horen als getuige voor de weg van zaligheid door het bloed van het Lam, overal waar het woord van de waarheid wordt gebracht.

Zo is er geen taal waar de stille stem van de sterrenhemel niet wordt gehoord (Psalm 19:4). Zo spreekt ook Abel nog als een stille profeet overal waar in Gods voorzienigheid de Bijbel wordt gebracht, in elke taal en tot elk volk. Hij bezegelde zijn getuigenis met zijn bloed en spreekt tot wie oren hebben om zijn stem te horen. Maar als het voorbeeld van Abel enigszins duister is, dan draagt het volgende voorbeeld dat wij noemen duidelijk Gods eigen getuigenis.

Enoch was zeker een profeet van de Heere, zoals Judas duidelijk getuigt. Een van zijn profetieën, die nog niet is vervuld, is voor ons bewaard in het woord van de waarheid. Hij wandelde met God en hij sprak voor God.

En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen. (Judas 1:14.)

Wat een helder zicht kreeg hij op de wederkomst van de Heere Jezus in alle heerlijkheid van de Vader, vergezeld van Zijn heilige tienduizenden, om over allen gericht te houden. En hoe duidelijk zag hij het karakter en voorspelde hij het einde van al die snode schepselen die onder de dekmantel van een belijdenis altijd de gemeente van God hebben geplaagd. In de laatste dagen zullen zij dat nog veel verschrikkelijker doen.

Noach was de volgende profeet die in het woord van de waarheid wordt vermeld, want de Schrift noemt hem den prediker der gerechtigheid. (2 Petrus 2:5.) En de gezegende Heere Zelf sprak in hem door Zijn Geest toen Hij door hem predikte tot de geesten die nu in hun vreselijke gevangenis zijn opgesloten en het oordeel van de grote dag afwachten. Dat zijn die weerspannige en ongehoorzame mensen van vóór de zondvloed tegen wie Noach getuigde met woord en daad, toen hij de ark toebereidde tot behoud van zijn huisgezin. (1 Petrus 3:18-20; Hebreeën 11:7.)

Maar tijd en ruimte laten niet toe dat wij dit onderwerp verder volgen of de stroom van de profetie nagaan vanaf haar oorspronkelijke bron tot het einde van de canon van het Oude Testament. Laten deze twee opmerkingen over het algemene karakter van de profetie genoeg zijn:

1. Het behaagde God voor Zichzelf een volk te kiezen in het zaad van Abraham, aan wie Hij Zijn wil bekend kon maken. Daarom wekte Hij onder hen een opeenvolging van profeten op om als Zijn mond tot hen te spreken in Zijn naam. Door zo van Hem te getuigen moesten zij voortdurend komende oordelen voorspellen of toekomstige zegeningen beloven. Daardoor hechtte zich vanzelf aan het ambt van profeet de gedachte dat hij iemand was die was gezonden om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen.

Dat was altijd in verband met het eerste kenmerk van zijn karakter: dat hij door God in het bijzonder was gezonden en sprak in Zijn naam en met Zijn bijzondere gezag. Het voorspellen van de toekomst was voor hun ambt inderdaad noodzakelijk. De vervulling van hun voorspellingen was een bewijs dat God in en door hen sprak. De volgende woorden van Mozes werpen het helderste licht op het hele onderwerp:

Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven. Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft? Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen. (Deuteronomium 18:20-22.)

2. Er geldt: de getuigenis van Jezus is de geest der profetie (Openbaring 19:10) zowel onder het Oude als onder het Nieuwe Testament. Zo getuigde de hele reeks van profeten van de Persoon en het werk, de genade en de heerlijkheid van de Zoon van God. Van Hem te getuigen was de vreugde van hun hart en het thema van hun tong. Zij zelf begrepen weliswaar niet volledig de volle strekking van hun eigen profetieën. Maar zij wisten dat de zaligheid door de beloofde Messias het thema van hen allen was, zoals de apostel Petrus verklaart:

Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heilige Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. (1 Petrus 1:10-12.)

In soortgelijke taal getuigde hij van dezelfde waarheid toen hij vrijwel onmiddellijk na de Pinksterdag tot het volk sprak in de zuilengang van de tempel: En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. (Handelingen 3:24-25.)

Zo bestrafte ook onze gezegende Heere de twee discipelen op weg naar Emmaüs om de traagheid van hun hart. Zij zagen en geloofden niet wat de profeten van Hem hadden getuigd: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. (Lukas 24:25-27.)

Gezegende Uitlegger! Gezegende uitlegging! O, dat Hij door Zijn Geest en genade aan ons wilde doen wat Hij later deed aan al Zijn discipelen, vlak voordat Hij van hen werd gescheiden en opgenomen in de hemel! Ja, dat Hij, Hij Zelf, ons verstand wilde openen opdat wij de Schriften zouden verstaan. Dat wij onder Zijn goddelijke onderwijzing, als de Profeet van Zijn gemeente, aan Zijn voeten mochten zitten en Zijn woorden horen. En dat wij in zoete bevinding mochten weten dat zij geest zijn en leven voor onze ziel.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!