Maar Jezus is een koninklijke Priester. Zo werd Hij afgebeeld door Melchizedek, die de twee ambten van priester en koning in zich verenigde. Hij was immers koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods (Hebreeën 7:1). Dit was „de ordening van Melchizedek”. Daarnaar is Jezus tot hogepriester gemaakt, krachtens de oude eed: De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. (Psalm 110:4).
Het priesterschap naar de ordening van Melchizedek had drie bijzondere kenmerken, waardoor het zich van de Levitische orde onderscheidde:
1. Het was een koninklijk priesterschap. Want Melchizedek was, zoals de naam het zegt, die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes (Hebreeën 7:2).
2. Het kwam tot stand met een eed. En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden; Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek). Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden. (Hebreeën 7:20-22).
3. Het was eeuwig. Zo luidde immers de belofte: „Gij zijt Priester in eeuwigheid.” Jezus was dus geen tijdelijke hogepriester, zoals de hogepriesters onder de wet die door ziekte werden getroffen en door de dood werden weggenomen. En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven (Hebreeën 7:23).
Maar Jezus is niet op de wijze van de hogepriester onder de wet Priester geworden. Het is Hij Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens (Hebreeën 7:16). Daarom blijft Hij eeuwig bestaan als Bezitter van een onveranderlijk priesterschap. Daarin ligt een groot deel van de geschiktheid en zaligheid van Zijn priesterlijk ambt, zoals Hij dat nu in de hemel voortzet. De apostel zegt het zo: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. (Hebreeën 7:25).
Laten wij nu, voor zover de Heere ons daartoe in staat stelt, de Heere Jezus door het geloof beschouwen als de Hogepriester over het huis van God. Dat kan ons heilige vrijmoedigheid geven om dichtbij te komen: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees (Hebreeën 10:19-20). Als wij zo met een waar hart mogen naderen, kunnen wij er baat bij vinden onze gezegende Heere te overdenken in deze betrekking tot Zijn gemeente en volk.
De hogepriester onder de wet deed op de grote Verzoendag een plechtige verzoening. Die viel eenmaal per jaar, op de tiende dag van de zevende maand. Eerst deed hij verzoening voor de zonden van zichzelf en zijn huis en daarna voor de ongerechtigheden van de kinderen van Israël (Leviticus 16:34). Dat deed hij op twee manieren.
Hij offerde een var als zondoffer voor zichzelf en een bok, waarop het lot van de Heere was gevallen, als zondoffer voor het volk (Leviticus 16:6, 9, 11). En hij nam een wierookvat vol gloeiende kolen van het altaar en vulde zijn handen met zoet reukwerk, fijngestoten. Daarmee ging hij het heilige der heiligen binnen.
Dit was die heilige plaats die het heilige der heiligen werd genoemd (Hebreeën 9:3). Daarin stond de ark van het verbond. Daarop, tussen de cherubs, was de Sjechina, de zichtbare openbaring van de aanwezigheid en heerlijkheid van God. In dit heilige der heiligen ging de hogepriester alleen op de grote Verzoendag binnen. En zelfs op die dag was het hem op straffe van de dood verboden binnen het voorhangsel te komen, dat het van het heiligdom scheidde. Hij moest dan zijn vlees hebben gewassen, het heilige linnen kleed hebben aangedaan, het bloed van het offer hebben meegenomen en het reukwerk op de gloeiende kolen in het wierookvat hebben gelegd.
Dit alles was in hoge mate een voorbeeld van Jezus als de grote Hogepriester. Het wassen van het vlees duidde Zijn reinheid als hogepriester aan, de heilige linnen kleren de heiligheid van Zijn menselijke natuur, het bloed Zijn verzoenend bloed dat aan het kruis is vergoten en het reukwerk Zijn verdienstelijke voorbede. De heiligste plaats was een beeld van de hemel. Het voorhangsel was een beeld van de scheiding tussen God en ons. Het wees erop dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had (Hebreeën 9:8).
Toen Jezus stierf, scheurde dit voorhangsel in tweeën van boven tot beneden (Mattheüs 27:51). Dat toonde dat er geen scheidend voorhangsel meer was tussen God en Zijn volk. Maar dat de hogepriester met het bloed en het reukwerk binnen het voorhangsel ging, was een bijzonder beeld van Jezus, onze opgestane Hogepriester, Die de hoven van de hemel binnengaat.
Er was een verband tussen de voorbede van de hogepriester buiten en binnen het voorhangsel. Buiten het voorhangsel werd het offer gebracht, maar het bloed werd erbinnen gebracht. Het koperen altaar stond buiten het voorhangsel, maar de ark van het verbond binnen. De hogepriester vergoot het bloed buiten, maar sprenkelde het binnen.
De gloeiende kolen werden genomen van het koperen altaar dat in de open voorhof stond. Maar het reukwerk werd erop gelegd toen hij het heilige der heiligen binnenging. Zo kon de wolk van zijn geur het verzoendeksel bedekken, waarop en waarvoor hij het bloed sprenkelde van de var, gebracht voor zijn zonden, en van de bok, voor de zonden van het volk.
Zo is ook onze allergezegendste Hogepriester, nadat Hij Zijn heilige lichaam en ziel als offer voor de zonde had gebracht, uit de doden opgestaan. Hij voer omhoog om in Zijn reine en heilige menselijke natuur de hemel binnen te gaan. Die werd afgebeeld door de heilige linnen kleren die Aäron droeg toen hij binnen het voorhangsel ging. Zo kon Hij daar dat deel van Zijn priesterlijk ambt vervullen: voor ons te bidden.
Dit werd, zoals wij al even aanstipten, prachtig afgebeeld doordat de hogepriester het fijngestoten reukwerk binnen het voorhangsel bracht, samen met het verzoenende bloed. Het reukwerk was fijngestoten, dus gekneusd, niet gesneden. Dat was er niet alleen om de geur vrijer te laten vloeien als de kolen het aanstaken. Het was ook een beeld van het lijden en de smarten van onze in doodsangst verkerende Hogepriester: het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen (Jesaja 53:10). Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. (Jesaja 53:5).
De kolen van het koperen altaar waren een beeld van Gods toorn. Het vuur op het koperen altaar was in de eerste plaats door de Heere Zelf ontstoken (Leviticus 9:24) en is nooit gedoofd. Daarop werden niet alleen alle brandoffers verbrand, maar ook elk deel van de andere offers, zoals het vet van het zondoffer, dat daar met dat uitdrukkelijke doel werd neergelegd.
De wolk van reukwerk die het heilige der heiligen vulde en het verzoendeksel bedekte, stelde de geuren voor van de tegenwoordige voorbede van onze grote en heerlijke Hogepriester in de hemel. En het bloed, op en voor het verzoendeksel gesprenkeld, was een beeld van het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel (Hebreeën 12:24). Dat is het dierbare bloed dat reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7).
Dat bloed nam Hij mee de hemel in toen Hij daar binnenging in Zijn heilige menselijke natuur. Zijn werking om een schuldig geweten te reinigen van vuil, schuld en dode werken om een levende God te dienen, maakt Hij nog steeds openbaar. Dat doet Hij wanneer de Heilige Geest neemt uit wat van Christus is en het met Zijn eigen goddelijke kracht aan de ziel openbaart.
Een gelovig zien van Christus, zoals Hij werd afgebeeld door de hogepriester onder de wet die op de grote Verzoendag binnen het voorhangsel ging, zal ons gemoed duidelijker en volledig voorbereiden om Hem te beschouwen terwijl Hij nu Zijn priesterlijk ambt voortzet in de heerlijke tempel boven. Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons (Hebreeën 9:24).
Het binnengaan van de hogepriester binnen het voorhangsel was een bijzonder deel van zijn heilige ambt. Daardoor onderscheidde hij zich van zijn priesterlijke broeders, die de gewone offers mochten brengen (Leviticus 1:5), maar niet met het bloed van de var en de bok het heilige der heiligen binnen mochten gaan (Leviticus 16:1). Een deel van zijn priesterlijk ambt was dus buiten en een deel binnen het voorhangsel. Toch waren de twee delen doorlopend, verbonden en onscheidbaar.
Zo is het ook met onze grote en heerlijke Hogepriester, Die nu binnen het voorhangsel is. Hij is inderdaad voor sterfelijke ogen verborgen, zoals de hogepriester voor de kinderen van Israël verborgen was door het voorhangsel van de tabernakel. Maar Hij dient daar nog even werkelijk en waarachtig in onze natuur als Aäron diende in het heilige der heiligen toen hij het bloed op en voor het verzoendeksel sprenkelde en de plaats vulde met de rook en geur van het reukwerk.
Wij hebben al een verband aangewezen tussen het bloed van het offer dat buiten het voorhangsel was vergoten en datzelfde bloed dat naar binnen werd gebracht. Ook is er een soortgelijk verband tussen de kolen van het koperen altaar en het fijngestoten reukwerk, waarvan de rook het verzoendeksel bedekte. Zo is er een noodzakelijk en allergezegendst verband tussen de bloedstorting en het offer van Christus op aarde en Zijn voorbede in de hemel.
De geur van Zijn voorbede stijgt op van het altaar van Zijn offer. Zo steeg ook, als beeld, van het brandoffer van Noach een liefelijke reuk op tot de Heere (Genesis 8:21). En omdat Hij Zijn bloedstorting en dood steeds voor Zijn volk hier beneden voorstelt, leeft Hij in die zin altijd om voor hen te bidden (Hebreeën 7:25).
Wij hoeven dus niet te veronderstellen dat de voorbede van onze gezegende Hogepriester een hoorbare voorbede is, die met werkelijke gebeden en smekingen wordt gedaan. Bij de voorafbeeldende voorbede van de hogepriester op de grote Verzoendag waren het niet zijn hoorbare gebeden die bij God gelden. Daarvan werd niets vermeld en daarover werd niets geboden. Het waren het bloed van het offer en de rook van het reukwerk. Zo omschrijft de apostel zijn ambt: Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden (Hebreeën 5:1).
Een opmerkelijke illustratie daarvan is wat gebeurde toen de gemeente van de kinderen van Israël tegen Mozes en Aäron murmureerde en de Heere hen als in een ogenblik wilde verteren: En Mozes zeide tot Aaron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk. (Numeri 16:46-47).
Mozes zei niet tegen Aäron dat hij voor het volk moest bidden, maar dat hij verzoening voor hen moest doen. Het waren dus niet de gebeden van Aäron, de bemiddelende hogepriester en voorafbeeldende middelaar, maar het reukwerk, aangestoken met vuur van het koperen altaar, dat bij de Heere gold en de plaag stuitte die al was begonnen (Numeri 16:45-48).
Zo bestaan de kracht en het gelden van Zijn voorbede in de aanwezigheid van Jezus in de hemel in onze natuur. Zij bestaan ook in het voortdurend voorstellen van Zijn bloedstorting en offer op aarde voor de ogen van Zijn Vader. Zo wordt Hij ook afgebeeld als bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was (Openbaring 19:13). En Johannes zag Hem in de hoven van de hemel als een geslacht lam. Hij zegt: En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht (Openbaring 5:6).
Zo werd Zijn ambt als bemiddelende Hogepriester voorgesteld. Want zoals een Lam, staande als geslacht een beeld is van Zijn offer voor de zonde, zo duidt Zijn staan als geslacht lam in het midden van de troon aan dat Zijn dierbare bloed nu voortdurend geldt voor de zaligheid van de verlosten en steeds voor de ogen van de Vader wordt gebracht. Het is het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19), ja, van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld (Openbaring 13:8), in de voorbeschikkende raadsbesluiten en voornemens van God.
De tegenwoordige voorbede van onze grote Hogepriester aan de rechterhand van de Vader, zoals het oog des geloofs haar ziet, is vol bemoediging en troost voor elk gelovig hart. Er zijn weinig levende leden van de familie van de Heere die niet op verschillende tijden en momenten zuchten en kreunen onder een last van zonde en droefheid.
Nu zijn er twee bijzondere kenmerken in de voorbede van Jezus binnen het voorhangsel die op deze tweeërlei last aansluiten: de kracht van Zijn voorbede en het medeleven en de barmhartigheid van Zijn liefhebbend hart. Het eerste past bij de last van hun zonden, het tweede bij die van hun droefheden. Wij zullen, met Gods hulp en zegen, deze twee punten afzonderlijk bezien.
Laten wij dus eerst een blik werpen op de kracht van Zijn voorbede en zien hoe passend zij is om de ziel te verlichten onder een last van zonde. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige, zegt Johannes (1 Johannes 2:1). Wat kunnen wij met onze zonden doen? Hun last, hun schuld, hun vuil en hun macht? Niets, absoluut niets, behalve eronder bezwijken. Want wij kunnen ze niet wegdoen en niet overwinnen.
Maar Jezus kan beide. Hij is Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1 Korinthe 1:30). Een arme, schuldige, ellendige, wegzinkende zondaar mag dus naar Hem opzien om zijn zaak te bepleiten. In Hem heeft hij een Voorspraak bij den Vader, een door God Zelf aangestelde en daarom zeker van het oor van de Rechter. Hij is een wonderlijke Raadsman (Jesaja 9:5) die in de hemelse rechtszaal voor hem kan opstaan. Hij heeft nog nooit een zaak verloren, nog nooit een nederig verzoekschrift afgewezen en nog nooit een cliënt teleurgesteld.
Maar de kracht en het gelden van deze voorspraak in de hemel rusten op Zijn verzoenend offer dat op aarde is gebracht. Johannes voegt er direct aan toe: En Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Johannes 2:2). De kracht van deze voorspraak rust hierop: Hij is, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen (Hebreeën 9:28), eenmaal geopenbaard om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26).
Het rust ook hierop dat van Hem geschreven staat: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kolossenzen 2:14). Het rust erop dat Zijn werk volbracht is (Johannes 17:4; Johannes 19:30). En erop dat Hij vrede heeft gemaakt door het bloed van Zijn kruis (Kolossenzen 1:20). Daarom is Hij nu onze machtige Voorspraak en succesvolle Middelaar in de hemel, waar de zaak wordt aangehoord en beslist.
Wij raken deze allergezegendste waarheden gemakkelijk uit het oog, en ook dat wij zo’n Vriend daarboven hebben. Wij geloven ze wel, vast en volledig, werpen er het anker in uit en hebben geen hoop dan die welke ermee verbonden is en eruit voortkomt. Maar in tijden van duisternis en nood is dat anders. Dan ligt de schuld van herhaalde terugvallen zwaar en drukkend op het geweten. Dan hangen de nevels en mist van het ongeloof over de fundamenten van onze hoop. Dan zijn onze bewijzen omwolkt en onze tekenen maar flauw te zien.
Dan hebben wij een levende Voorspraak nodig Die onze zaak kan bepleiten, omdat wij dat zelf niet kunnen. Door voor ons Zijn bloed en gehoorzaamheid, Zijn lijden, offer en dood voor te stellen, kan Hij ons meer dan overwinnaars laten zijn tegen elk beschuldigend pleidooi en elke tegenstander.
Zo stond de satan aan de rechterhand van Josua, de hogepriester, om hem te wederstaan (Zacharia 3:1). Zo klaagt de verklager onzer broederen hen voor God aan, dag en nacht (Openbaring 12:10). Noch Josua noch de broeders konden een woord tot hun eigen verdediging inbrengen. Toch kwamen beiden als overwinnaars uit de strijd door de hulp van de Heere en het bloed van het Lam. Zo overwinnen ook arme schuldige zondaars nu door de kracht van hun hemelse Voorspraak.
Doordat wij het gewicht en de last van de zonde voelen en toch door het geloof zien dat onze grote Hogepriester binnen het voorhangsel is gegaan, zijn onze ogen, handen en harten allemaal op Hem gericht. Zo door het geloof verwerkelijkt, heeft dit gelovige zien van onze hemelse Voorspraak een bijzondere kracht. Het trekt verlangen en smeking uit de ziel naar Hem toe en achter Hem aan.
Nee, juist in deze levende en dagelijkse gemeenschap met Jezus in de hemel bestaan het leven en de kracht van de godzaligheid. Ik leef, en gij zult leven (Johannes 14:19). Hij is, verheven boven alle overheid en macht, het heerlijke Hoofd van de gemeente (Efeze 1:22), uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom (Kolossenzen 2:19).
Deze vereniging met Hem als levend Hoofd brengt gemeenschap met Hem voort. Want terwijl Hij genade meedeelt uit Zijn eigen volheid, ontspringt in de ziel een zoete en heilige omgang met Hem, zoals het geloof Hem ziet op Zijn genadetroon als de Middelaar tussen God en mens. Deze mededelingen van goddelijk licht en leven uit Zijn volheid verlichten de ogen van het verstand en gaan vergezeld van de geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Hem (Efeze 1:17-18). Dan ontstaat in het hart een genadig zien van Zijn schoonheid en zaligheid, van Zijn genade en Zijn heerlijkheid (Psalm 112:4; Jesaja 33:17; Lukas 1:78-79; 2 Petrus 1:19).
Dit is drinken uit de fontein des levens en in Uw licht zien wij het licht (Psalm 36:10). Het is juist het licht des levens dat de Heere geeft aan wie Hem volgen (Johannes 8:12).
Terwijl de ziel in het licht van deze genadige onderwijzingen wandelt, ziet zij het bloed van Jezus als een fontein van oneindige waarde en onuitsprekelijke kracht tegen zonde en onreinheid. Zij ziet Zijn gerechtigheid als een allergezegendste bedekking voor al haar schaamte en naaktheid, Zijn bloedende, stervende liefde als een zeer genezende balsem voor een gewond geweten en als een hemelse versterking voor een bezwijkende geest.
Door deze onderwijzingen wordt de werkelijkheid van de ware godsdienst en van de levende godzaligheid geleerd, en op geen andere manier. Geen waarlijk beproefde ziel kan zich tevredenstellen met het zien van de zaligheid als louter een leer van het evangelie, een vaste en zekere waarheid die in de ingegeven bladzijde schijnt. Blij is hij zeker dat de weg van de zaligheid zo helder geopenbaard is in het woord der waarheid.
Blij is hij ook dat het licht, het leven en de kracht van de Geest in hem is, om van binnen te getuigen van de waarheid en zekerheid van het geschreven getuigenis. Maar al dit licht en deze kennis in de letter van de waarheid schiet tekort bij een zaligheid die aan zijn eigen hart en geweten geopenbaard en bevestigd is.
Hier komt dus de zaligheid van een eeuwig levende Voorspraak en Middelaar aan de rechterhand van de Vader. Door Zijn bloed en liefde met kracht toe te passen, zegt Hij tot de ziel: „Ik ben uw zaligheid.” Daarom wordt van Hem gezegd: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. (Hebreeën 7:25).
Wie zal beschrijven, en wie zal begrenzen, Gods „uiterste”? David riep: Van het einde des lands roep ik tot U (Psalm 61:3). Heman klaagde dat God hem in den ondersten kuil gelegd had, in duisternissen, in diepten (Psalm 88:7). Hizkia stond bij de poorten des grafs en de groeve der vertering (Jesaja 38:10, 17). Jeremia klaagde: De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! En hij riep: HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. (Klaagliederen 3:54-55). Jona riep uit den buik des grafs (Jona 2:2).
Al deze diep onderwezen en diep beproefde heiligen van God kenden zowel het uiterste van de mens als het uiterste van God. Zij wisten dat het uiterste van de mens zonde, hel en wanhoop was, en dat het uiterste van God genade, zaligheid en hemel was.
Nooit blijkt de kracht van de voorbede van onze grote Hogepriester zo duidelijk als wanneer zij zo tot het uiterste zaligmaakt. Wie iets van zichzelf als zondaar kent, of in wiens hart de fonteinen van de grote afgrond enigszins zijn opengebroken, heeft zijn eigen „uiterste”.
Dat geldt ook voor wie ooit de zonde heeft gezien in het licht van Gods oneindige reinheid en heiligheid en voor Hem heeft getrild. En voor wie ooit de schuld van terugvallen, de pijn van misstappen en vallen en zijn eigen ellendige onmacht heeft gevoeld, niet alleen in het uur van de verzoeking maar ook om de last van de overtreding van zijn geweten te nemen.
Wie van hen allen heeft niet zijn „uiterste”? Misschien niet werkelijk zo diep en wanhopig als dat van Heman en Jona, maar toch in zijn eigen gevoel een uiterste waaruit niemand hem kan redden dan die Hogepriester en Voorspraak Die aan Gods rechterhand leeft om voor hem te bidden. Hier ondervinden wij de bevindelijke werkelijkheid en gevoelde zaligheid van zo’n Voorspraak bij de Vader, tegen Wie en voor Wie wij gezondigd hebben. Mocht de Heere ons in staat stellen onze zaak in Zijn hand te leggen, hoe diep of wanhopig ook, en te wachten en uit te zien tot Hij verschijnt en redt!


