Experimental Preaching
Een bediening zonder kracht is nooit voordelig of aangenaam geweest voor de gemeente van God en kan dat ook nooit zijn. In welk treffend taalgebruik zegt Paulus hoe zijn eigen bediening op dit punt was en welk effect zij had in de harten van hen voor wie zij tot zegen was: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
En ook: Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid.
Hoe zorgvuldig maakt hij hier onderscheid tussen het woord en de kracht in zijn eigen bediening! En over die van anderen oordeelt hij aan de hand van dezelfde beslissende toets: Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht. Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
Dit is dus het grote kenmerkende en beslissende verschil tussen de bediening van de letter en die van de Geest. De eerste is een leeg geluid en louter lawaai van gebabbel. De tweede is een levendmakende kracht. De eerste brengt voort tot slavernij en dood. De tweede deelt genade uit aan de hoorders en werkt krachtig in hen die geloven.
Maar als iemand de kracht van God nooit in zijn eigen ziel heeft gevoeld hoe kan hij die dan aan anderen uitdelen? Leven en kracht moeten in iemands hart zijn voordat zij op zijn lippen kunnen zijn. Dauw en geur moeten er eerst zijn. Voor deze bijzondere gave en genade uit de hemel bestaat geen vervanging.
Geleerdheid, begaafdheid en welsprekendheid mogen niet worden verguisd of terzijde geschoven. Zij kunnen immers aan de dienst van het heiligdom worden gewijd.
Maar zij zijn jammerlijke vervangers van die gloeiende kool van het altaar waarmee God de lippen aanraakt van Zijn gezonden dienstknechten. Paulus, Augustinus en Luther bezaten alle drie deze gaven in hoge mate. Toch maakten zij Paulus niet tot een mindere apostel, Augustinus niet tot een minder bewonderenswaardig uitlegger en Luther niet tot een minder onverschrokken of succesvol hervormer. Maar ver boven en voorbij al deze natuurlijke gaven uit ging die goddelijke kracht die op hen rustte en hun woorden bekleedde met een hemelse invloed op de zielen van de mensen.
Als dit voor ons fundamentele beginsel niet diep in het hart van een predikant is geplant en daar voortdurend levend wordt gehouden door het onderwijs van de Geest dan zal hij tevreden zijn met louter de letter. Of als hij een tijdlang strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is dan wordt hij bijna onvermijdelijk vroeg of laat van het pad van de bevindelijke waarheid afgetrokken.
Dit is of behoort te zijn het gevoel van elke dienaar van God: ik ben niets dan door Gods maken. Ik heb niets dan door Gods geven. Ik weet niets dan door Gods onderwijzen. Ik voel niets (op de juiste wijze) dan door Gods ingeven en ik kan niets doen dan door Gods werken. Het diepe en dagelijkse besef van zijn eigen volkomen onmacht en ontoereikendheid houdt hem op bevindelijke grond. Daarbij komt een levende ervaring van de genade en kracht van Christus die in zijn zwakheid volbracht wordt.
En naarmate de gezegende Geest in hem telkens nieuwe ontdekkingen werkt van zonde en zaligheid, ellende en barmhartigheid, ondergang en herstel, hel en hemel zal hij ook uitgeven wat hem ingegeven is. Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen (en dan de goede lering).
Elke beproeving en verzoeking, elke smeltoven en vloed, elke aanval van buiten of van binnen, elk opkomend gif van de inwonende zonde en elke vurige pijl uit het geschut van de hel zullen hem alleen maar dieper in de bevindelijke waarheid doen wortelen en gronden. Zo wortelt en grondt ook elke storm de eik vaster in de bodem. En elke straal van de Zon der gerechtigheid zal hem meer en meer uit trots en eigenliefde trekken naar het licht en de lucht van de hemel. Hetzelfde doen elke druppel dauw op zijn tak en elke regenbui op zijn wortel.
Nacht en dag, winter en zomer, storm en zonneschijn, kou en hitte, de duisternis van het lage dal en de glans van de bergtop: alles werkt in genade samen, zoals in de schepping. Zij zetten Gods werk voort en versterken en laten rijpen de boom die Zijn rechterhand heeft geplant in de gemeente van God.
Zolang iemand zo genadig wordt behandeld blijft hij op bevindelijke grond. Zijn ziel wordt levend gehouden door de kracht van God en hij is zelf in de dingen waarover hij spreekt. Daarom vergezellen leven, kracht en frisheid zijn woord. Dat beveelt zich niet alleen aan bij het geweten van het gezin van God. Het wordt ook met zoetheid en geur in hun harten gedragen.
Maar laat een dienaar van de waarheid op een gladde en gemakkelijke weg terechtkomen. Laat de zonde hem niet meer kwellen, Satan hem niet meer plagen en de wereld hem niet meer haten. Laat de belijders hem niet meer belasteren en God hem niet meer zegenen. Dan wordt zijn prediking, hoewel nog op dezelfde grondslag en nog uiterlijk met dezelfde dingen bezig, door onvermijdelijke noodzaak dor en droog.
Deze armoede van geest en onvruchtbaarheid van de bediening zal hij zelf spoedig beginnen te voelen tenzij hij wonderlijk is opgeblazen door trots en eigendunk. Langzamerhand merkt hij dat zijn prediking steeds hetzelfde is. De voorraad in de tank wordt zo vaak aangesproken en niet telkens opnieuw gevoed door een opwellende bron. Daardoor zakt het peil steeds verder en wordt het water flauwer en smakelozer. Het lijkt bijna dood en verderf te kweken in hemzelf en in de hoorders.
Hier is voor hem het keerpunt: zal hij zijn hele leven voor de gemeente van God een oude nutteloze versleten regenton zijn of een stromende beek? Blijft hij zonder oefening dan zal hij spoedig weinig anders overhouden dan duigen en hoepels. Keert God Zijn hand een tweede maal en handelt Hij weer genadig met hem dan zal er opnieuw levend water vloeien.
Maar neem het eerste geval aan. Laat roede en kus, frons en glimlach, verdrukking en vertroosting, beproeving en verlossing alle even zeer wegblijven. Laat de Heere hem om Zijn eigen wijze redenen op zijn droesem laten zitten. Laat hem koud, onvruchtbaar en droog blijven in zijn ziel. Zo zal dan ook zijn bediening zijn. Die goddelijke werkelijkheden uit levende ervaring waarvan hij ooit zoetheid vond in het verkondigen en het volk in het horen zijn nu dood en levenloos voor hem geworden.
Het komt dan op dit punt neer: of hij moet steeds weer over hetzelfde terrein blijven lopen tot zijn tanden en hoeven, als bij een vastgebonden ezel, elke grasspriet hebben afgesleten, of hij moet zijn touw breken en iets nieuws zoeken. Want zijn magerheid komt op zijn gezicht te staan en zijn eigen onvruchtbaarheid laat het volk duidelijk verhongeren.
Sommige mannen zijn te blind om het te zien, te dood om het te voelen of te trots om het te belijden. Zij houden vastberaden vast aan hetzelfde terrein. Zondag na zondag klinkt hetzelfde dode droge gebed en dezelfde dode droge preek. Niet alleen wordt hetzelfde oude verhaal verteld maar bijna in dezelfde woorden en met niets nieuws dan de tekst.
Dit kan bevindelijke prediking heten en in zekere zin is het dat ook. Maar het is een prediking die de ziel arm maakt. Wij geloven stellig dat de magere en ellendige staat van veel bevindelijke gemeenten er voor een groot deel aan te wijten is dat zij gevoed worden met de afgekloven en afgeknaagde botten en de oude droge korsten van een dode versleten bevinding. Geen wonder dat zulke prediking wordt veracht en dat mensen een vooroordeel hebben tegen bevindelijke prediking wanneer dit voor bevindelijk doorgaat.
Maar dit lijkt even weinig op echte bevindelijke prediking als het manna dat wormen kweekte en stonk leek op het manna dat met de ochtenddauw viel. Het droge en beschimmelde brood van de Gibeonieten was evenmin gelijk aan het koekje dat de engel voor Elia bakte. En hun oude schoenen met lappen waren niet dezelfde als de schoenen van ijzer en koper die God aan de voeten van Zijn volk deed. (Deuteronomium 33:25)
Op dit punt worden veel vergissingen gemaakt. Er bestaat een geloofsbelijdenis van de bevinding zoals er een belijdenis van de leer bestaat. Die kan op precies dezelfde dode en droge wijze worden geleerd. Er zijn bepaalde algemeen erkende en bijna gewijde termen en een stel gangbare uitdrukkingen.
Die zijn in het verleden gebruikt door echte bevindelijke dienaren en doorgegeven als een godsdienstig herkenningswoord en een vast gereedschap van predikers. Wie deze sleutel heeft geleerd en deze wachtwoorden bezit treedt naar voren als een bevindelijk dienaar van God. Hij komt zelf meteen op de lijst van de door God gezonden gezanten van de hemel te staan of wordt er door anderen op gezet.
Maar iemand wordt geen gezant van de Koningin aan het hof van Oostenrijk omdat hij een beetje Duits spreekt. Ook wordt hij geen gezant aan het hof van Frankrijk omdat hij wat Frans kan brabbelen. Zo maakt ook een stel bevindelijke uitdrukkingen iemand niet tot een gezant van de Koning der koningen aan het hof van Sion.
Maar veel zwakke en schuchtere kinderen van God kunnen niet door de woorden heen op de zaken zien. Zij voelen een toenemende doodsheid en onvruchtbaarheid onder de bediening van zulke mannen en nemen toch alle schuld op zichzelf. Zij eerbiedigen de predikant met bijna verachtelijk bijgeloof omdat hij predikant is. Zij geloven dat zijn woorden woorden van genade moeten zijn omdat zij op een bepaalde manier worden uitgesproken. Die woorden zijn zo vertrouwd in hun oren dat zij in hun ogen een soort godsdienstige waarde hebben gekregen.
Maar woorden zijn op zijn best slechts woorden. Tenzij er meer is dan woorden maakt een dergelijke bediening, hoe zeer ook in overeenstemming met de waarheid, de ziel van de hongerigen leeg en laat zij de drank van de dorstigen ontbreken. Maar het is moeilijk om van de kansel af te komen naar hun passende plaats, de kerkbank. Zo blijven zij prediken en behouden zij de naam en de goede faam van bevindelijke predikanten. Zij zouden zeer beledigd zijn als hun werd gezegd dat zij meer een last waren dan een voordeel voor de gemeente van God. Of dat zij de slachtschapen eerder plunderden dan weidden.
Anderen zien dit kwaad. Zij zien hoe dood en droog bevindelijke prediking vaak is geworden en hoe mager en verarmd de gemeente van God erdoor wordt. Zij verlangen ernaar de enge kring te doorbreken waarin zij tot nu toe hebben gelopen. „Wij willen”, zeggen zij, „ruimere opvattingen van Gods woord. Waarom zouden wij steeds in de enge kring van twijfels en vrezen, troost en zegeningen blijven ronddraaien? Waarom steeds de kenmerken van genade nagaan en praten zoals onze arme oude predikant vroeger praatte? Waarom niet uitbreken in iets anders dan wat wij telkens opnieuw hebben gehoord tot wij moe zijn van het woord bevinding zelf?”
Zodra iemand in zo’n gemoedstoestand verkeert is hij niet meer door innerlijke beproevingen gebonden aan de bevindelijke zaken. Hij is moe en beschaamd over zijn eigen magerheid en die van anderen. Dan lijkt de letter van Gods woord een deur te openen uit deze afgesleten weide. Er komt een nieuwe opvatting van de leer of wat licht over de profetie. Of een nieuwe ontdekking, zo lijkt het, over de kerkregering of een inzicht in een gebod. Of een toegang tot de voorbeelden en voorbeeldfiguren van de mozaïsche bedeling. Het maakt niet uit wat het is. Een nieuw licht lijkt in zijn denken door te breken.
Zijn opvattingen die eens zo nauw en beperkt waren worden ruimer. Hij leest en bestudeert de Schrift en lijkt bij elke lezing meer en meer kennis te verzamelen. Ja, het licht dat naar zijn gevoel in zijn denken doorbreekt gaat gepaard met een kracht die hij al enige tijd niet meer had gevoeld. Zijn ijver wordt aangewakkerd. Zijn mond gaat open of hij grijpt naar de pen en hij kan niet anders dan lucht geven aan zijn opvattingen en gevoelens.
Die nieuwe opvatting van de leer kan een herleefde ketterij zijn of een allang weerlegde dwaling. Zijn licht over de profetie kan louter uit boeken en schrijvers geleend zijn. Of hij heeft het zelf bij elkaar gezocht door parallelle plaatsen te vergelijken zonder dat er één woord op zijn knieën is verkregen of in zijn ziel is gevallen. Zijn beginselen over kerkregering kunnen volkomen hersenschimmig en onuitvoerbaar zijn. Zijn inzicht in voorbeelden en voorbeeldfiguren kan deels gestolen en deels fantasie zijn.
Of om het in het gunstigste licht te stellen: al zijn opvattingen kunnen heel gezond zijn en overeenstemmen met de letter van de Schrift. Maar wat het ook is: het is hem niet door de kracht van God in de ziel gewerkt. Het is niet in hem ingebrand in de smeltoven. Het is niet zijn eigen geworden door het onderwijs van de gezegende Geest. Het is niet aan zijn hart geopenbaard en toegepast en zo een onderdeel van een levende bevinding geworden. Het is ook niet ontvangen in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes.
Op zijn best zijn het slechts meningen die in de hersenen zweven. Het zijn gezichtspunten voor het oog van een verstandelijke godsdienst die de Schrift afspeurt zoals een kaartenmaker of een landschapsschilder de kenmerken van een uitgestrekt gebied bekijkt. Of het is een theorie uit het woord bijeengebracht zoals een student geschiedenis feiten verzamelt uit kronieken en kranten en ze samensmeedt tot een samenhangend stelsel van politieke geschiedschrijving.
Wel, het middel is erger dan de kwaal! Op bevindelijke grond was hij tenminste veilig. Als hij weinig te zeggen had dan was dat weinige gezond. Hij kon langs de baaien en kapen varen en wist enigszins waar hij was. De reis ging niet erg ver en was slechts van haven naar haven langs de kust. Maar nu heeft hij al zijn oude bakens en bekende boeien verlaten. Hij is stoutmoedig de zee opgestoken en vaart op en neer over de letter van het woord ver, ver weg van het oude spoor.
Iemand die zo plotseling voorwaarts schiet kan zichzelf wonderbaarlijk gevorderd vinden: een reus vergeleken met zijn vroegere dwergachtige gestalte en de achtergebleven gestalten van anderen. Maar hij vergist zich hierin treurig. Letter is geen Geest. Kennis is geen genade. Licht is geen bevinding. Woord is geen kracht. Hoofd is geen hart. Parallelle plaatsen zijn geen toegepaste beloften.
Men zou denken dat iemands eigen geweten hem zou overtuigen dat al deze plotseling verworven kennis die heilige dauw en hemelse zalving mist die het onderwijs van de Geest altijd vergezellen. Dat zij te snel is om echt te zijn. Men zou denken dat een man met godvrezendheid niet zo vol vertrouwen zou voortzeilen op de letter van het woord met wijde schoot en uitgespannen zeil.
Hij zou eerder beven bij elke opkomende wolk uit vrees voor een storm die zijn schip kan doen zinken. En hij zou terugdeinzen voor de nadering van elk oorlogsschip uit vrees dat hij als een zeerover en piraat zonder vergunning ter plekke aan de ra wordt opgehangen.
Wij spreken over wat wij kennen en hebben gevoeld. Wij schrijven niet over deze dingen in het donker of van een afstand. Als ons geweten het toeliet dan konden wij met de beste van deze zeerovers meezeilen. Wij konden net zo’n hoge mast hijsen en net zo’n wijd zeil spannen. Maar wij hebben een stille raadsman in ons die ons op bevindelijke grond houdt. Dat is de enige grond waarop mens of dienaar, prediker of schrijver veilig kan blijven.
Als wij wilden konden wij met hen meezeilen over de zee van onvervulde profetie. Wij konden de historische betekenis van de Schrift verklaren en kogels en granaten afvuren op alle twijfel en vrees. Wij konden duiken in de mystieke betekenis van voorbeeld en beeldspraak, spreuk en gelijkenis. Wij konden tekst op tekst en parallelle plaats op parallelle plaats stapelen en als een kruiser van de douane over het oppervlak van de letter scheren.
Een paar minuten zouden genoeg zijn om al hun geloof en al hun vertrouwen over te nemen. Want wij kennen die mannen en hun taal maar al te goed. Maar wat zou het geweten van binnen zeggen en wat zouden wij voelen als wij in de wapenrusting van Saul voor de gemeente van God stonden? Konden wij die aankrijgen dan zouden wij haar net als David spoedig graag weer uittrekken. Dan keerden wij terug naar de wapens die wij kunnen hanteren en waarvan wij de werking hebben ervaren: de slinger en de steen en het eenvoudige herdersgewaad.
Wij kijken dus naar al deze hoop woorden en geven die de juiste waarde: nul. Een nul geeft de volle som ervan weer. Mensen mogen prediken en schrijven en hun ruimere opvattingen luister bijzetten met beroep na beroep op het geschreven woord. Tekst na tekst mag hun geschriften bezetten zoals dauwdruppels het gras. Maar als zij niet geleerd hebben wat zij prediken en schrijven in de smeltoven van de verdrukking en door het onderwijs van de Geest dan is al zulke kennis waardeloos en ijdel.
Zij mogen het denken of noemen zoals zij willen. Wij zeggen zonder aarzelen: tenzij het is geleerd op het pad van de verdrukking en door de kracht van God in hun ziel is Ichabod zijn naam en Tekel zijn waarde.
Breng dus voor ons wat u maar wilt. Tenzij het gestempeld is door de kracht van God kunnen wij vrijmoedig zeggen: dit is geen godsdienst. Dit is geen genadevolle bevinding. Dit is geen proeven en betasten van het woord des levens. Het is ook geen deel van de verborgenheid des HEEREN die is voor degenen, die Hem vrezen.
„Maar”, zeggen zij, „wij werden het bevindelijke preken zo moe.” Dat is heel goed mogelijk. „En wij zagen dat de mensen het ook moe werden.” Dat is nog waarschijnlijker: namelijk uw prediking. „En nu zijn wij vol leven.” Dat is het waarschijnlijkst van al wat uzelf betreft. Al betwijfelen wij of het volk van God onder uw nieuwe prediking even levendig is als u. Maar dit bewijst niet dat de zaak van God is. Ranters zijn levendig. Mormonen zijn levendig. Zusters van Barmhartigheid en pas ingeklooisterde nonnen zijn levendig.
Zo is nu eens de inrichting van de menselijke geest dat alle nieuwe dingen haar merkbaar raken. Daarom schokken nieuwe opvattingen in de godsdienst haar wakker uit sloomheid en dofheid. Maar dit is slechts een opwekking van de levensgeesten. Het is een uitwerking op het denken en het verstandelijk beginsel in tegenstelling tot het genadevolle en geestelijke beginsel.
„Ach, maar wij prediken met meer kracht dan eerder. Ons hart zit er meer in en wij zijn ernstiger en warmer.” Stel nu dat u tot het pausdom was bekeerd. Zou er dan niet dezelfde ernst zijn geweest? Dezelfde gerichtheid van het denken op eeuwige dingen? Dezelfde warmte en ijver en gloed? Hoogstwaarschijnlijk veel meer. Maar wij noemen dit uiterste geval om het effect te laten zien dat elke verandering van opvattingen op het denken heeft.
Ongeveer 25 jaar geleden leerden wij hierover een les die ons van wonderbaarlijk nut is geweest. Het was juist toen het irvingianisme uitbrak met zijn gave van tongen, wonderen enzovoort. Een intieme vriend van ons, toen een leider en prediker van naam en faam, viel er halsoverkop in. Hij was naar Londen gegaan en had getuige geweest van wat de „manifestaties” werden genoemd in de kapel van de heer Irving. Hij kwam thuis als een even overtuigd gelovige in de goddelijke oorsprong van deze dingen als Irving ooit was.
Maar het meest opvallende was het zichtbare effect dat de verandering op hem had. Hij bad en vastte dag na dag. Hij las onophoudelijk de Schrift. Hij preekte en bezocht voortdurend de zieken. Hij streefde onvermoeibaar naar innerlijke en uiterlijke heiligheid. Dit alles werkte zo op zijn denken en lichaam dat de arme man binnen enkele weken slechts de schim van zichzelf was. En wat bracht dit alles voort? Wat hij zelf na een tijd verwierp en veroordeelde als een misleiding van Satan.
Zo zagen wij met eigen ogen welk een wonderbaarlijk effect nieuwe opvattingen kunnen hebben. Dat gaf ons inzicht in de natuurlijke godsdienst en in het bedrieglijke van louter ijver, vuur en vleselijke heiligheid. Het heeft ons geholpen enkele raadsels in de belijdende wereld te ontcijferen die ons anders misschien voor een probleem hadden gesteld.
Zoeken wij ergens stabiliteit bij een mens dan is het bij een dienaar van de bevindelijke waarheid. Hij treedt op als iemand die door God is onderwezen. Hij heeft het woord des levens geproefd, gevoeld en betast. Hij is door de Heilige Geest neergezet en gevestigd in de waarheid zoals die in Jezus is. Hij staat voor de gemeente van God als ogen voor de blinden en voeten voor de kreupelen (Job 29:15): als gids, onderwijzer, raadsman en vriend.
Hij is een uitdeler van de verborgenheden van God aan wie vereist wordt dat hij getrouw wordt bevonden. Hij is een gezant van de Koning der koningen en daarom diep betrokken bij de eer van zijn Meester. Hij is een dienaar van Jezus Christus wiens hoogste voorrecht het is persoonlijk de wil van zijn Heere te kennen en te doen en die als dienaar aan anderen bekend te maken tot gehoorzaamheid des geloofs.
Voor wie zo’n post bekleedt is onstandvastigheid op zijn zachtst gezegd een zwaar gebrek. Als de officier wankelt en de vaandeldrager bezwijmt, wat een verwarring brengt dat onder het gewone voetvolk! Een dienaar van de waarheid zien wankelen en zich zien tonen zoals Ruben (Snelle afloop als der wateren, Genesis 49:4) ondermijnt het fundament van ons vertrouwen dat hij door God is onderwezen. Het werpt een smet op zijn hele bediening. Het geeft ernstige reden tot vrees dat wat hij vóór zijn verandering naar voren bracht louter in de letter was geleerd en niet door het werk en de getuigenis van de Heilige Geest in zijn ziel.
Maar wat de onstandvastigheid van een dienaar zo belangrijk maakt is dat zij niet alleen hemzelf maar ook anderen raakt. Veel kinderen van God zijn goed van hart maar uiterst zwak van oordeel. In hun ogen is een predikant bijna een heilig wezen dat niet kan dwalen. Heeft hij schijnbaar een grote geestelijkheid van gemoed (iets wat trouwens gemakkelijk wordt aangenomen) dan zijn zij overweldigd door zijn eminente heiligheid. Kan hij bekwaam en vloeiend praten en redeneren dan worden zij overstelpt door de waterval van woorden. Zij zijn niet werkelijk overtuigd maar toch tot zwijgen en instemmen gebracht.
Een van de grootste verborgenheden in de godsdienst is naar ons denken het verschil tussen de kracht van de waarheid op het natuurlijke geweten en de kracht van de waarheid op het geestelijke geweten. Het is het verschil tussen het geloof dat in het natuurlijke denken wordt voortgebracht door de letter van het woord en het geloof dat in het hart wordt gewerkt door de Geest van God door de geest van het woord. En toch ligt hierin het hele verschil tussen een belijder en een bezitter, tussen de verdoemden en de behoudenen.
Hier is de rots waarop duizenden stranden. Hier is het grote bedrog van Satan als engel des lichts: dat iemand al het geloof kan hebben en toch niets is. Ja, hij kan het sterkste en meest onwankelbare geloof hebben in zijn natuurlijke denken, daar voortgebracht door de letter van het woord, en toch leven en sterven in zijn zonden als een niet vergeven misdadiger en een niet geheiligde rebel. Hij kan het meest onvoorwaardelijke geloof in Jezus Christus hebben en toch sterven buiten Christus. Hij kan de belofte geloven en geen belang hebben bij de belofte. Hij kan het gebod gehoorzamen en toch verdoemd worden wegens ongehoorzaamheid.
Dit is de grote sleutel van het kabinet. Wie deze sleutel niet in zijn hand heeft en toch het werk van de Geest probeert te beschrijven, hetzij als prediker of schrijver, zal slechts rommelen. Zonder haar kan hij geen enkele geheime la van het hart openen en in geen enkele binnenste schuilhoek van natuur of genade doordringen. Een ontzaglijke verborgenheid maar niet ontzaglijker dan waar: tussen een geestelijk en een natuurlijk geloof lag het hele verschil tussen David en Saul, tussen Johannes en Judas. Daarvan hangen leven of dood af, hemel of hel, onuitsprekelijke zaligheid of eeuwige wanhoop!
A ministry without power never was, never can be, profitable or acceptable to the church of God. In what striking language does Paul declare what his own ministry was as regards this point, and the effect produced by it in the hearts of those to whom it was blessed: “And my speech and my preaching was not with enticing words of man’s wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power; that your faith should not stand in the wisdom of men, but in the power of God.” “For our gospel came not unto you in word only, but also in power, and in the Holy Spirit, and in much assurance.” How carefully does he here distinguish between the “word” and the “power” as regards his own ministry; and, speaking of that of others, how he examines it by the same decisive test: “But I will come to you shortly, if the Lord will, and will know, not the speech of them which are puffed up, but the power. For the kingdom of God is not in word, but in power.”
This, then, is the grand distinctive and decisive difference between the ministration of “the letter” and of “the Spirit,”—that the one is an empty sound, a mere babbling noise, and the other a life-giving power; that the one genders to bondage and death, and the other ministers grace to the hearers, and works effectually in those that believe. But if a man has never felt the power of God in his own soul, how can he minister power to others? Life and power, dew and savor, must be in a man’s heart before they can be on a man’s lips. For this special gift and grace of heaven there can be no substitute. Learning, abilities, and eloquence, are not to be despised or set aside, for they may be dedicated to the service of the sanctuary; but they are miserable substitutes for that live coal from off the altar with which God touches the lips of his sent servants. Paul, Augustine, and Luther, had all these three gifts in an eminent degree; nor did they make Paul a less able apostle, Augustine a less admirable expositor, or Luther a less intrepid or successful reformer. But far above and beyond all these natural gifts was that divine power which rested upon them and clothed their words with a heavenly influence to the souls of men.
Now, if this, to us fundamental principle, be not deeply grafted in a minister’s heart, and there kept perpetually alive by the teaching of the Spirit, he will be fully satisfied with a mere letter drift; or if for a while he seem to “contend earnestly for the faith once delivered to the saints,” he will almost inevitably, sooner or later, be drawn aside from the path of experimental truth. This, then, is, or should be, the feeling of every servant of God, “I am nothing but by God’s making; I have nothing but by God’s giving; I know nothing but by God’s teaching; I feel nothing (aright) but by God’s inspiring; and I can do nothing but by God’s working.” The deep and daily sense of his own thorough helplessness and insufficiency, combined with a living experience of the grace and strength of Christ made perfect in his weakness, will keep him on experimental ground; and as the blessed Spirit works in him fresh and fresh discoveries of sin and salvation, misery and mercy, ruin and recovery, hell and heaven, so will he give out what is given in; “his heart will teach his mouth, and add learning (the right kind of learning) to his lips.”
Every trial and temptation, furnace and flood, every assault from without or within, every rising venom of indwelling sin, and every fiery dart from the artillery of hell, will only root and ground him more deeply in experimental truth, as every storm roots and grounds the oak more firmly in the soil; and every beam and ray of the Sun of Righteousness, with every drop of dew upon his branch, and every shower of rain on his root, will draw him more and more out of pride and self into the light and air of heaven. Thus, night and day, winter and summer, storm and sun, cold and heat, the lowly valley’s gloom and the shining mountain top, all combine in grace, as in creation, to carry on God’s work, and strengthen and ripen the tree of his right hand planting in the church of God.
As long as a man is thus graciously dealt with, he will be held on experimental ground; and his soul being kept alive by the power of God, and he being in the things of which he speaks, a life, power, and freshness will accompany his word; and this will not only commend itself to the conscience of the family of God, but be conveyed with a sweetness and savor to their hearts. But let a minister of truth get into a smooth and easy path, let sin cease to vex him, Satan to plague him, the world to hate him, professors to slander him, and God to bless him, his preaching, though still on the same basis, and still dealing outwardly with the same things, from inevitable necessity will get dull and dry. This leanness of spirit and barrenness of ministry, unless wonderfully puffed up by pride and conceit, he will soon begin himself to feel. He becomes sensible by degrees of a sameness in his preaching. The supply in the tank being so often drawn upon and not fed again and again with a rising spring, gets lower and lower, and the water more vapid and tasteless, until it seems almost to breed corruption and death in himself and the hearers.
Now here is the turning point with him, whether he is all his days to be to the church of God an old, useless, worn out rain-water butt, or a flowing brook. If left still unexercised, he will soon have little else but staves and hoops; if God turn his hand a second time, and once more deal graciously with him, living water will again flow. But assume the former case. Let the rod and the kiss, the frown and the smile, the affliction and the consolation, the trial and the deliverance be alike suspended; let the Lord for his own wise purposes leave him to settle on his lees; let him remain cold, barren, and dry in his soul, such will be his ministry; and those divine realities in living experience which he once found sweetness in declaring and the people in hearing, now becoming dead and lifeless to him, it comes to this point, that either he must keep going over the same ground over and over again, until, like a tethered donkey, his teeth and hoofs have worn out every blade of grass, or he must break his tether and get something new, for his leanness rises up in his face, and his own barrenness is evidently starving the people.
Some men, either too blind to see, too dead to feel it, or too proud to confess it, resolutely hold on to the same ground. Lord’s day after Lord’s day, there is the same dead dry prayer, and the same dead dry sermon. Not only is the same old tale told, but in almost the same words, with nothing new but the text. Now this may be called preaching experience, and so in a sense it is; but it is a preaching which beggars the soul; and we do believe that much of the lean and miserable state of many experimental churches is owing to this feeding them on the picked and gnawed bones and the old dry crusts of a dead, worn-out experience. No wonder that such preaching as this is despised, and that people are prejudiced against experimental preaching, when this is considered experimental.
But this no more resembles real experimental preaching than the manna which bred worms and stank resembled the manna which fell with the morning dew, or the dry and moldy bread of the Gibeonites was like the cake baked by the angel for Elijah, or their old shoes and clouted were the same as the shoes of iron and brass which God put on the feet of his people.
Many mistakes are made on this point. There is a creed of experience, as there is a creed of doctrine, which may be learned exactly in the same dead and dry way; there are certain generally recognized and almost consecrated terms, a set of current phrases, which, having been used in time past by real experimental ministers, have been handed down as a religious Shibboleth, a ministerial stock in trade; and he who has learned this key and obtained these pass-words, comes forward as an experimental servant of God, and puts himself at once, or is put by others, on the roll of the divinely-sent ambassadors of heaven. But as a man does not become the Queen’s ambassador to the Court of Austria because he can speak a little German, nor to the Court of France because he can gabble a little French, so it is not a set of experimental phrases which makes a man an ambassador from the King of kings to the Court of Zion.
But many weak, timid children of God cannot see through words into things, and though sensible of increasing deadness and barrenness under the ministry of such men, take all the blame to themselves, reverencing, with almost abject superstition, the minister, because he is a minister, and believing his words must be words of grace because they are pronounced in a certain way, and are so familiar to their ears that they have become consecrated in their eyes with a kind of religious value.
But words at best are but words; and unless there be something more than word, however consistent it be with truth, such a ministry will but make empty the soul of the hungry and cause the drink of the thirsty to fail.
But it is hard to come down from the pulpit to their fit place—the pew; thus they still keep on preaching and still maintain the name and credit of being experimental ministers; and highly offended they would be if told they were more of a burden than a benefit to the church of God, and rather plundered than fed the flock of slaughter.
Perceiving this evil, seeing how dead and dry a thing experimental preaching has much become, and observing how lean and impoverished the church of God gets through it, others long to break through the narrow circle in which they have already walked. “We want,” say they, “more enlarged views of God’s word. Why should we be ever treading the narrow circle of doubts and fears, comforts and blessings? Why be ever tracing out marks of grace, and talking just as our poor old minister used to talk in years gone by? Why not break forth into something different from what we have heard over and over again until we are weary of the very name of experience?”
Now just as a man is in this state of mind, not held down to experimental things by inward trials, but weary and ashamed of his own leanness and the leanness of others, the letter of God’s word seems to open a door out of this worn-out pasture. Some new view of doctrine, or some light upon prophecy, or some fresh discovery, as it appears, of church government, or some insight into the precept, or some entrance into the types and figures of the Mosaic dispensation—it matters not what it is, but a new light seems to break in on his mind. His views, once so narrow and contracted, become enlarged; he reads and studies the Scripture and seems to gather with every reading more and more knowledge. No, the light which thus breaks in, as he thinks, on his mind, is attended with a power which he had not for some time felt. His zeal is kindled, his mouth opened, or his pen seized, and he cannot but give vent to his views and feelings.
This new view of doctrine may be but a revived heresy or a long-exploded error; his light upon prophecy may be merely borrowed from books and authors, or gathered up by himself from a comparison of parallel passages, without one word got on his knees or dropped into his soul; his principles of church government may be altogether visionary and impracticable and his insight into types and figures partly stolen and partly fanciful; or to put it in the most favorable light, all his views may be quite sound and in accordance with the letter of Scripture. But whatever they be, they are not wrought into his soul by the power of God; they are not burnt into him in the furnace; they are not made his own by the teaching of the blessed Spirit; they are not revealed and applied to his heart, and thus made part and parcel of a living experience; nor are they received in much affliction with joy of the Holy Spirit. At best they are but opinions floating in the brain, views presented to the eye of an intellectual religion scanning the Scriptures as a map maker or a landscape painter scans the features of an outstretched tract of country; or a theory gathered from the word, much as a student of history gathers up facts from chronicles and gazettes, and welds them into a compact system of political narrative.
Why, the remedy is worse than the disease! While on experimental ground, he was so far safe, that if he had but little to say, that little was sound. He could coast along the bays and headlands, and knew something about where he was, though the voyage did not reach very far, and was but a going from port to port along the shore. But now he has left all his old landmarks and well-known buoys, and boldly pushed out to sea, sailing up and down the letter of the word, far, far away from the ancient track. A man thus suddenly starting forward, may think himself wonderfully advanced, a very giant compared with his former dwarfish stature and the stunted forms of others.
But he has made a sad mistake in this matter. Letter is not Spirit, knowledge is not grace, light is not experience, word is not power, head is not heart, parallel passages are not applied promises. One would think that a man’s own conscience would convince him that all this suddenly acquired knowledge lacks that sacred dew and heavenly unction which ever accompany the teaching of the Spirit, and that it is too rapid to be real. One would think that a man possessed of godly fear, instead of sailing along in this confident way on the letter of the word, with flowing sheet and outstretched sail, would rather tremble at every rising cloud lest it forebode a storm that might sink his ship, and shrink from the approach of every man-of-war, lest as an unlicenced sea rover and pirate, he should be summarily strung up at the yard-arm.
We speak of what we know and have felt, and are not writing upon these matters in the dark or at a distance. Did our conscience permit, we could sail along with the best of these sea rovers, hoist as high a mast, and spread as wide a sail; but we have a silent monitor within which keeps us on experimental ground—the only ground on which man or minister, preacher or writer, can safely keep. We could, if we were so minded, sail along with them on the sea of unfulfilled prophecy, explain the historical meaning of the Scriptures, fire shot and shell at all doubt or fear, dive into the mystical signification of type and figure, proverb and parable, heap text upon text and parallel passage upon passage, and skim over the surface of the letter like a revenue cutter. A very few minutes would suffice to give us all their faith and all their confidence; for we well know the men and their communication.
But what would conscience say within, and what should we feel to stand up before the church of God in Saul’s armor? Could we get it on, like David we should soon gladly put it off, and come to the weapons we can handle, and of which we have proved the efficacy—the sling and the stone, and the shepherd’s simple garb. We look, then, at all this heap of words, and we put it at its right figure—0. A cipher will sum up its full value. Men may preach, and write, and set off their enlarged views with appeal after appeal to the written word; (text after text may stud their writings, as dew drops the grass, but if they have not learned what they preach and write in the furnace of affliction, and by the teaching of the Spirit, all such knowledge is worthless and vain. They may think or call it what they please, but we unhesitatingly say, unless learned in the path of tribulation and through the power of God in their soul, Ichabod is its name and Tekel its value.
Bring, then, before us what you may, unless it be stamped by the power of God, we may boldly say, This is not religion; this is not gracious experience; this is not tasting and handling the word of life; nor is it a part of “the secret of the Lord,” which is “with those that fear him.” “But,” say they, “we got quite tired of experimental preaching.” Very likely. “And we saw that the people were getting tired of it too.” More likely still; that is, of your preaching. “And now we are all life.” Most likely of all as regards yourself; though we doubt whether the people of God are as lively under your new preaching as you.
But this is no proof that the thing is of God. Ranters are lively; Mormonites are lively; and Sisters of Mercy and fresh-cloistered nuns are lively. Such is the very constitution of the human mind, that all new things sensibly affect it; and therefore new views in religion electrify it out of torpor and dulness. But this is merely a stirring up of the animal spirits, an effect produced upon the mind, the intellectual principle, as distinct from the gracious and spiritual principle. “Ah! but we preach with more power than we did; our hearts are more in it, and we are more earnest and warm.” Now, suppose that you had been converted to Popery. Would not there have been the same earnestness, the same fixing of the mind on eternal things, the same warmth, and zeal, and fervor? Most probably much more; but we mention this extreme case to show the effect that any change of views produces on the mind.
We learned a lesson on this subject about 25 years ago, which has been of wonderful service to us. It was just at the time when Irvingism broke out with its gifts of tongues, miracles, etc.; and an intimate friend of ours, then a leader and preacher of name and fame, fell headlong into it. He had gone to London, witnessed what were called the “manifestations” in Mr. Irving’s chapel, and came home as confirmed a believer in the divine origin of these things as ever Irving had. But the most striking part was the visible effect produced upon him by the change. Praying and fasting day by day, reading the Scriptures incessantly, preaching and visiting the sick continually, and a most unwearied striving after inward and outward holiness, so wrought upon his mind and body, that the poor man in a few weeks was but the ghost of himself. And what produced all this? What he himself after a while renounced and denounced as a delusion of Satan. Thus being an eye-witness of what a wonderful effect new views can produce, it gave us an insight into natural religion and the deceptiveness of mere zeal, fervor, and fleshly holiness, which has helped us to read some enigmas in the professing world which might otherwise have puzzled us to decipher.
If we look for stability in any man, it is in a minister of experimental truth. He comes forward as one taught of God, as one who has tasted, felt, and handled the word of life, as one set down and established by the Holy Spirit in the truth as it is in Jesus. He stands up before the church of God as eyes to the blind and feet to the lame, as a guide, an instructor, a counselor, a friend. He is a steward of the mysteries of God, in whom it is required that he be found faithful; an ambassador of the King of kings, and as such, deeply interested in his Master’s honor; a servant of Jesus Christ, whose highest privilege is personally to know his Lord’s will and do it, and ministerially to make it known to others, for obedience of faith. For one occupying such a post, instability is, to say the least, a grievous defect. If the officer wavers, if the standard-bearer faints, what confusion it makes among the rank and file! To see a minister of truth, then, waver and show himself, like Reuben, “unstable as water,” saps the very foundation of our confidence that he is taught of God, throws a discredit upon the whole of his ministry, and creates strong grounds for fear that what he advanced before his change he learned merely in the letter, and not by the work and witness of the Holy Spirit in his soul.
But what makes the instability of a minister of such consequence is, that it affects others as well as himself. Many children of God, though right at heart, are exceedingly weak in judgment; and in their eyes a minister is almost a sacred being, who cannot err. If he be possessed of apparently great spirituality of mind—a thing, by the way, easily assumed, they are overawed by his eminent sanctity; and if he can talk and argue ably and fluently, they are overwhelmed by the waterfall of words, and though really not convinced, yet are silenced into acquiescence.
To our mind one of the greatest mysteries in religion is the difference between the power of truth on the natural conscience, and the power of truth on the spiritual conscience; between the faith produced in the natural mind by the letter of the word, and the faith wrought in the heart by the Spirit of God through the spirit of the word. And yet in this lies all the difference between a professor and a possessor, between the damned and the saved. Here is the rock on which thousands split; here is the grand deceit of Satan as an angel of light—that a man may have all faith, and yet be nothing. Yes; have the strongest and most unwavering faith in his natural mind, generated there by the letter of the word, and yet live and die in his sins an unpardoned criminal, an unsanctified rebel; may have the most implicit faith in Jesus Christ, and yet die out of Christ; may believe the promise, and have no interest in the promise; obey the precept, and yet be damned for disobedience.
This is the grand key of the cabinet; and he who holds not this key in his hand, be he preacher or writer that attempts to describe the work of the Spirit, will but fumble, for without it he cannot unlock one secret drawer of the heart, or penetrate into any one innermost recess of nature, or of grace. Tremendous mystery, yet not more tremendous than true, that between a spiritual and a natural faith lay all the difference between David and Saul, between John and Judas, and that on it hangs life or death, heaven or hell, unutterable bliss or eternal despair!