February 29 — Through Baca’s Vale
Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven; en laat Uw rechten mij helpen. Psalm 119:175
En hetgeen wij „leven”, leven wij door het geloof; zoals de apostel het zegt: Het leven, hetwelk ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof des Zoons Gods. Wij leven door het geloof, wanneer het de Heere behaagt het ware geloof mede te delen, de kostelijke gave des geloofs aan het hart. Dan geloven wij inderdaad. Wij geloven dan in Jezus, geloven in Zijn bloed, geloven in Zijn gerechtigheid, geloven in Zijn Persoon, geloven in Zijn stervende liefde. En als het geloof in de ziel het gebogen hoofd begint op te heffen, beginnen wij te leven het geloof in de Zoon van God. En wanneer wij beginnen te leven, dan beginnen wij ook te loven. Wanneer wij in de donkerheid, koudheid en onvruchtbaarheid verkeren, dan hebben wij geen liefde, noch tot God, noch tot de mensen. De wegen Gods zijn ons een volkomen dwaasheid, de Bijbel wordt veronachtzaamd, van het gebed wordt weinig gebruik gemaakt, onder de prediking zijn wij dodig, koud, lusteloos, de omgang met Gods volk wordt nagelaten en de dingen der eeuwigheid schijnen kleurloos voor ons gezicht te zijn. Maar laat de Heere Zijn werk in het hart verlevendigen, laat Hem een genadige opwekking schenken, laat Hem de zalving van Zijn Geest doen ontwaren, laat de regen en de dauw Zijner genade nederdruipen, laat Hem Zichzelf met leven en kracht in het hart openbaren, dan wordt het gehele toneel veranderd. Het is dan als de lente na een sombere winter; het is dan als een uitstortende regen van de hemel na een langdurige droogte. Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. Er is een gezegende verandering als het de Heere behaagt in de ziel te verschijnen. Dan begint zij te leven. En dit leven openbaart zich in verscheidene opzichten. Terwijl wij dodig zijn, is het gebed een last; als het leven in oefening is, is het gebed onze ademtocht. Terwijl wij dodig zijn, smart het ons als wij aan God denken; wanneer het leven in oefening is, zijn de gedachten aan God ons zoet en aangenaam. Terwijl wij dodig zijn, kleven onze genegenheden aan de dingen van de tijd en het zinnelijke; als wij levendig zijn, gaan onze genegenheden boven het stof. Terwijl wij dodig zijn, is de wereld ons thuis, ofschoon maar een ellendig verblijf; als het leven in oefening is, zien wij opwaarts tot de hemel, als het tehuis der ziel, waar er geen tijd meer zijn zal.
“Let my soul live, and it shall praise you; and let your judgments help me.” — Psalm 119:175
When we “live,” we live by faith; as the Apostle says, “The life which I now live in the flesh, I live by the faith of the Son of God.” We live by faith when the Lord is pleased to communicate true faith, the precious gift of faith to the heart. Then indeed we believe. We then believe in Jesus, believe in his blood, believe in his righteousness, believe in his Person, believe in his dying love; and as faith begins to lift up its drooping head in the soul, we begin to live a life of faith in the Son of God. And as we begin to live, we also begin to love. When we are in darkness, coldness, and barrenness, there is neither love to God nor man; the very ways of God are a thorough misery to us; the Bible is neglected, and prayer is little attended to; under preaching we are cold, dead, and listless; the company of God’s people is forsaken, and the things of eternity seem to fade from our view.
But let the Lord revive his work upon the heart, let him bestow a gracious renewing, let him drop the unction of his Spirit, let the rain and dew of his grace fall, let him manifest himself with life and power; then the whole scene changes. It is like spring after a dreary winter; it is like the outpouring of the rain from heaven after a long season of drought, “You renew the face of the earth.” There is a blessed change when the Lord himself is pleased to appear in the soul. Then it begins to live.
And this life will manifest itself in various ways. While we are dead, prayer is a burden; when we have life, prayer is our very breath. When we are dead, the very thoughts of God are grievous; when we are alive, the thoughts of God are sweet and pleasant. When we are dead, our affections cleave to the things of time and sense; when we are alive, our affections mount upward. When we are dead, the world is our home, though it is but a miserable one; when we are alive, we are looking upward to heaven as the home of the soul when time shall be no more.