Het is van eeuwigheid het voornemen van de Vader geweest om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken. Zowel in het plan als in de uitvoering heeft Hij de diepten van Zijn oneindige wijsheid, kracht en liefde getoond. De eeuwige Zoon van God zou het vlees en bloed van de kinderen in nauwe en onverbrekelijke vereniging met Zijn goddelijke Persoon aannemen. In die natuur zou Hij de rijkdom van de soevereine genade openbaren, de hoogten en diepten van de eeuwige liefde en de volheid van de ongeschapen heerlijkheid van een drie-enige Jehova. Dat is van eeuwigheid het vaste raadsbesluit en voornemen geweest van de grote en heerlijke zelfbestaande IK BEN.
Heel de schepping, heel de voorzienigheid en alle gebeurtenissen en omstandigheden van tijd en ruimte waren oorspronkelijk en vastomlijnd zo geregeld dat dit oorspronkelijke plan werd uitgevoerd.
De schepping met al haar wonderen van kracht en wijsheid was niet nodig voor het geluk of de heerlijkheid van de zelfbestaande Jehova. Vader, Zoon en Heilige Geest hadden van eeuwigheid die heilige, innige vereniging en onderlinge omgang met elkaar. Zij hadden die wederzijdse liefde en onuitsprekelijke gemeenschap van drie onderscheiden Personen en toch slechts één God, die de schepping niet kon vermeerderen en niet kon aantasten.
De tijd met al haar gebeurtenissen is slechts een ogenblik. De ruimte met al haar afmetingen is slechts een stipje, vergeleken met het bestaan van een God die de eeuwigheid bewoont en daarom alle tijd en alle ruimte vervult. Dat een zelfbestaande God ruimschoots genoeg heeft aan Zichzelf voor Zijn eigen geluk en Zijn eigen heerlijkheid is voor een gelovig hart even vanzelfsprekend als het bestaan van God Zelf.
Toch behaagde het de heilige drie-enige Jehova dat er een uiterlijke openbaring van Zijn hemelse heerlijkheid zou komen. Die zou plaatsvinden door de menswording van de Zoon van God, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid. De Vader bereidde Hem daarom een lichaam toe dat Hij te zijner tijd zou aannemen. Zo richt Hij Zich tot Zijn hemelse Vader: Gij hebt Mij het lichaam toebereid. (Hebreeën 10:5.)
Het was de eeuwige wil van God dat Hij dit toebereide lichaam in vereniging met Zijn goddelijke Persoon zou opnemen. Toen de bestemde tijd kwam om het raadsbesluit uit te voeren, kon de eeuwige Zoon dan ook uit de schoot van de Vader voortkomen. En Hij deed dat met deze woorden op Zijn lippen: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God. (Hebreeën 10:7.) Met dat boek wordt het boek van Gods eeuwige raadsbesluiten bedoeld.
Nu verklaart het woord van de waarheid: de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees. (1 Timotheüs 3:16.) Zonder een bevindelijke kennis van deze grote verborgenheid kan er daarom geen godzaligheid zijn in hart, op de lippen of in het leven. En is er geen godzaligheid, dan is er geen zaligheid. Anders zouden wij de poorten van de hemel openen voor de goddelozen, die volgens de Schrift niet bestaan in het gericht (Psalm 1:5), en zouden wij voor niets rekenen dat de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid. (Romeinen 1:18.)
Het is de waarheid, gelijk de waarheid in Jezus is, die alleen vrijmaakt. En het is diezelfde waarheid, gelijk de waarheid in Jezus is, die niet alleen bevrijdt maar ook heiligt: Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. (Johannes 17:17.)
Hoe belangrijk en hoe onmisbaar is het dan om de waarheid voor onszelf te kennen in ons eigen hart en geweten, door goddelijk onderwijs en goddelijke getuigenis. Dan zijn wij verlost van slavernij, duisternis, onwetendheid en dwaling. Dan genieten wij de liefde en barmhartigheid van God en worden wij door Zijn Geest en genade geheiligd. Zo kunnen wij voor Zijn aangezicht wandelen in het licht van Zijn gelaat.
En omdat in de Persoon van de vleesgeworden Zoon van God al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, is het zalig om door het geloof naar Hem op te zien aan de rechterhand van de Vader. Dan ontvangen wij uit Zijn volheid die mededelingen van wijsheid en genade die ons niet alleen verlichten met het licht der levenden. Zij maken ons ook deelgenoten van Zijn heiligheid en geschikt voor het erfdeel van de heiligen in het licht.
Zo onderwezen en gezegend willen wij dit plechtige onderwerp naderen. Met de ogen van een verlicht verstand en van een gelovig hart willen wij zien naar de verborgenheid van een vleesgeworden God. Mozes trok op Gods bevel zijn schoenen van zijn voeten toen hij naar de brandende braam keek, omdat de plaats waarop hij stond heilig land was. (Exodus 3:5.) Hoeveel te meer moeten wij dan, wanneer wij zien naar de verborgenheid van God die in het vlees is geopenbaard en waarvan de brandende braam slechts een voorbeeld was, de schoenen van de vleselijke rede van onze voeten trekken.
De aard van die heilige menselijke natuur die de gezegende Heere aannam bij de uitvoering van dit wonderlijke plan.
De heilige menselijke natuur van de gezegende Heere bestaat uit een volmaakt menselijk lichaam en een volmaakte menselijke ziel. Beide zijn op één en hetzelfde ogenblik aangenomen in de schoot van de maagd Maria, onder de overschaduwende werking en invloed van de Heilige Geest. Dat blijkt duidelijk uit de woorden van de engel tot de maagd: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. (Lukas 1:35.)
i. Het eerste wat wij voor ogen moeten houden is dat het een werkelijke en wezenlijke menselijke natuur was. Zij bestond uit een echt menselijk lichaam en een echte menselijke ziel, die beide op één en hetzelfde ogenblik in de schoot van de maagd werden aangenomen. Het moest dezelfde natuur zijn die gezondigd had. Anders zou er geen verlossing of verzoening kunnen zijn van die natuur of van hen die haar droegen.
Zo redeneert de apostel: Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. (Hebreeën 2:16.) Dat houdt in dat de Zoon van God de engelennatuur had moeten aannemen als gevallen engelen verlost en verzoend hadden moeten worden. Maar omdat de mens verlost moest worden, nam Hij de menselijke natuur aan.
Het was dus geen schimmige gedaante die de Zoon van God in de schoot van de maagd aannam. Vóór Zijn menswording was Hij in menselijke gedaante verschenen aan Abraham, Jakob, Gideon en Manoach en zijn vrouw. Nu nam Hij een werkelijke menselijke natuur aan, zo werkelijk en zo wezenlijk als de onze.
Zo staat er van de Zoon van God: de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden. (Filippenzen 2:7.) Ook staat er: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond. (Johannes 1:14.) En: Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses. (Romeinen 8:3.) En: Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden. (Hebreeën 2:14.)
Deze getuigenissen van de Schrift tonen overvloedig aan dat de Zoon van God een werkelijke menselijke natuur aannam. Het was echter geen gevallen natuur, die tot zonde in staat en sterfelijk was. Hij is vlees geworden, dus werkelijk vlees. Hij kwam in gelijkheid des zondigen vleses, dus niet in de werkelijkheid van zondig vlees.
Hij nam vlees aan van de maagd. Anders had Hij niet het beloofde zaad van de vrouw kunnen zijn dat de kop van de slang zou vermorzelen. (Genesis 3:15.) En Hij had niet het zaad van Abraham kunnen zijn, aan wie de belofte in het bijzonder gedaan was (Galaten 3:16) en van wie de maagd Maria in rechte lijn afstamde.
Deze natuur nam Hij zo aan dat zij Zijn eigen natuur werd, evenzeer als Zijn goddelijke natuur de Zijne is. Om een uitdrukking uit de Schrift te gebruiken: Hij “greep” haar “vast”. (Hebreeën 2:16, kanttekening.) Hij nam haar niet aan als een kleed dat Hij zou afleggen nadat het werk van de verlossing was volbracht. Zij werd opgenomen in onverbrekelijke vereniging met Zijn goddelijke Persoon.
Ook Zijn dood aan het kruis heeft deze vereniging niet verbroken. Lichaam en ziel werden wel gescheiden en Zijn onsterfelijke en onverderfelijke lichaam lag in het graf. Maar Zijn ziel was in het paradijs, in onverbrekelijke vereniging met Zijn Godheid.
Ieder van ons is werkelijk en waarlijk mens, doordat wij de menselijke natuur persoonlijk en individueel als ons eigen bestaan hebben. Zij is zo volledig de onze alsof er op aarde niemand anders aan deelhad dan wij. Zo heeft ook de Zoon van God de natuur aangenomen die alle mensen gemeen hebben, en die daarom het vlees en bloed van de kinderen wordt genoemd. Hij heeft haar zo volledig tot de Zijne gemaakt als de onze de onze is. Hij is dus werkelijk en waarlijk de Mens Christus Jezus. (1 Timotheüs 2:5.)
ii. Het tweede wat wij moeten geloven en vasthouden is dat deze menselijke natuur geen persoon was maar een natuur. Dit punt lijkt op het eerste gezicht misschien niet van diepe en grote betekenis. Maar alle wegen en werken van God dragen het stempel van oneindige wijsheid. Bij dieper nadenken blijkt dan ook dat het zaken omvat van het grootste gewicht, van de rijkste genade en de hoogste heerlijkheid.
Denk maar aan de gevolgen die noodzakelijk zouden volgen als de heilige menselijke natuur van onze gezegende Heere een persoon was en geen natuur. Dan zou de Heere Jezus Christus twee Personen zijn: een Persoon als God en een andere Persoon als mens. Er zouden dus twee onderscheiden individuen zijn. Maar het is een natuur, die op zichzelf geen eigen individualiteit had en op het ogenblik van haar ontvangenis werd opgenomen in vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Daarom is de Heere Jezus nog steeds slechts één Persoon, ook al bezit Hij twee onderscheiden naturen.
De engel noemde haar daarom dat Heilige. Dat wil zeggen: die heilige natuur, dat heilige vlees, die heilige zelfstandigheid. Zij wordt een ding genoemd omdat zij een werkelijke zelfstandigheid had. Zij wordt heilig genoemd omdat zij niet door natuurlijke voortplanting verwekt was. In het ogenblik van de ontvangenis werd zij door de Heilige Geest geheiligd, zodat zij wezenlijk heilig was, niet in staat te zondigen en onsterfelijk. Zij kon sterven maar was niet aangetast door de zaden van ziekte of dood.
Het was geen lichaam als het onze, dat in ongerechtigheid geboren is en in zonde ontvangen. (Psalm 51:7.) Het werd verwekt door een goddelijke en bovennatuurlijke werking van de Heilige Geest. Daarom was het heilig, niet betrekkelijk en gedeeltelijk zoals wij, maar werkelijk, volkomen en wezenlijk heilig.
Het was onnozel, of zoals het woord ook vertaald kan worden: vrij van alle kwaad. Het was onbesmet door enige smet van verderf in lichaam of ziel, zowel erfelijk als feitelijk. Er was geen zaad, geen neiging, geen begeerte, geen gevoel en geen beweging van of naar de zonde. Het was afgescheiden van de zondaren in zijn ontvangenis en vorming en in elke gedachte, elk woord en elke daad. Op aarde was het zo gescheiden van de zonde, en de zonde zo gescheiden van het lichaam, als het nu is in de tegenwoordigheid van God.
Het is hoger dan de hemelen geworden doordat die menselijke natuur tot de troon van heerlijkheid is verhoogd. Het is hoger dan de zichtbare hemelen. Want wat is de heerlijkheid van zon, maan of sterren naast de heerlijkheid van de heilige menselijke natuur van Christus in de hoven van de hemel? En het is ook hoger dan de onzichtbare hemelen. Want in Zijn menselijke natuur is Hij als God-mens ver verheven boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. (Hebreeën 7:26; Efeze 1:20-22.)
Onder de ketterijen en dwalingen die de vroege kerk plaagden was de nestoriaanse ketterij. Zij beweerde dat de menselijke natuur van Christus een persoon was en maakte zo twee personen in de Heere. Daarnaast was er de eutychiaanse ketterij. Zij verklaarde dat er slechts één natuur was, omdat de mensheid van Christus in Zijn goddelijkheid werd opgenomen.
Tegen beide dwalingen trekt de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis haar tweesnijdend zwaard. Dat is een gezond en bewonderenswaardig overzicht en bolwerk van de goddelijke waarheid. “Die, hoewel Hij God en mens is, toch niet twee is maar één Christus. Één, niet doordat de Godheid in vlees is veranderd, maar doordat de mensheid in God is opgenomen. Geheel één, niet door vermenging van wezen maar door eenheid van Persoon. Want zoals de redelijke ziel en het vlees één mens is, zo is God en mens één Christus.”
De nestoriaanse ketterij wordt in stukken gehouwen door de verklaring dat Hij niet twee is (dat wil zeggen twee personen) maar één Christus. De eutychiaanse wordt getroffen door de woorden: geheel één, niet door vermenging van wezen maar door eenheid van Persoon.
Maar bedenk nu de ZEGENINGEN die met deze hemelse waarheid verbonden zijn en eruit voortvloeien. De heerlijkheid en schoonheid van deze verborgenheid kunnen weliswaar alleen door het geloof gezien en gekend worden. Want alleen het geloof, een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, geeft aan deze goddelijke werkelijkheden een wezenlijk bestaan in het hart van de gelovige. Maar als wij door het geloof in deze hemelse verborgenheid kijken, zien wij in de twee punten die wij tot nu toe hebben aangeroerd een grote schoonheid en zaligheid.
De menselijke natuur die de gezegende Heere in vereniging met Zijn goddelijke Persoon aannam, had honger en dorst. Zij was vermoeid, weende, zuchtte en kreunde. Zij zweette bloeddruppels en worstelde in doodsstrijd in de hof en aan het kruis. Zij werd beproefd, verlaten, verzocht, geslagen, bespuwd en gekruisigd en stierf door een vrijwillige daad.
Was het geen werkelijke menselijke natuur geweest, dan waren het lijden en het leed van de heilige ziel en de pijnen en doodsangsten van het heilige lichaam niet werkelijk geweest. Dat geldt ook voor de gehoorzaamheid, het vergoten bloed, het gebrachte offer en het afgelegde leven. In elk geval waren zij niet werkelijk verdragen en geofferd in juist die natuur die verlost en verzoend moest worden.
De apostel zet dit prachtig uiteen: Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen. (Hebreeën 2:17-18.)
Maar als de menselijke natuur van onze gezegende Heere een Persoon was geweest, dan waren haar daden persoonlijk onderscheiden geweest. Dan zou het gewicht en de geldigheid van de Godheid er niet op gedrukt zijn. Wij kunnen het onderscheid tussen een natuur en een persoon als volgt toelichten. Man en vrouw zijn door het huwelijk op verborgen wijze één vlees, maar zij blijven twee onderscheiden personen. Hun daden als personen zijn daarom ieder afzonderlijk. Ieder is zedelijk en werkelijk verantwoordelijk voor zijn of haar eigen daden.
Waren zij echter zo samengegroeid, als een geënte boom, dat zij twee naturen werden en slechts één persoon, dan zou het anders zijn. Aangenomen dat de vrouw de zwakkere is, zouden de daden van de zwakkere natuur dan daden zijn van één en dezelfde persoon. Zij zouden getekend zijn met alle sterkte en kracht van de sterkere.
Zo is het ook met de twee naturen van onze gezegende Heere. De menselijke natuur is wezenlijk en innerlijk heilig, niet in staat te zondigen, onverderfelijk en onsterfelijk. Toch is zij de zwakkere en mindere natuur. Zij draagt desondanks het stempel van alle waarde, kracht en geldigheid van de goddelijke natuur. Want hoewel er twee naturen zijn, is er slechts één Persoon.
Zo is de grote en levensnoodzakelijke waarheid van de twee naturen en toch slechts één Persoon van de heerlijke Immanuël geen dorre of abstracte leer. Zij is ook geen speculatieve theorie die is voortgesponnen uit de hersenen van oude kerkvaders en geleerde godgeleerden. Zij is een gezegende openbaring van de wijsheid en genade van God.
iii. Maar er ligt veel schoonheid en hemelse heerlijkheid in de wijze waarop die menselijke natuur is aangenomen. Bij de vorming van deze heilige menselijke natuur zien wij de drie Personen van de gezegende Drie-eenheid werkzaam. De Vader bereidde het lichaam toe, de Zoon nam het aan en de Heilige Geest vormde het.
Met de toebereiding van het lichaam als daad van de Vader bedoelen wij niet de feitelijke vorming of samenstelling in de schoot van de maagd. Wij bedoelen de eeuwige bestemming ervan, de toebereiding in de raad, de wijsheid en de liefde van de Vader. Gij hebt Mij het lichaam toebereid. (Hebreeën 10:5.) In de kantlijn staat: “Gij hebt Mij gereedgemaakt”, letterlijk: “lid voor lid samengevoegd”.
Het ontwerpen, bedenken en samenvoegen in Zijn eigen eeuwige gedachten betrof niet alleen het raamwerk van het lichaam van de Heere en de samenstelling van Zijn ziel. Het lichaam moest ook zo toebereid worden dat het, ontvangen in de schoot van de zondige maagd, niet zou delen in haar zonde, haar val, haar ziekte en haar verderfelijkheid. Dat was een groter wonder dat in de hemel verscheen dan wat de heilige Johannes in een visioen zag. (Openbaring 12:1.)
Dit toebereide lichaam nam de eeuwige Zoon van God aan. Met de aanneming door de Zoon bedoelen wij geen scheppende daad, alsof de Zoon van God het aan te nemen lichaam Zelf schiep. Wij bedoelen die onuitsprekelijke daad van nederbuigende genade waardoor Hij op één en hetzelfde ogenblik van de vorming die heilige menselijke natuur opnam in vereniging met Zijn goddelijke Persoon. Die natuur bestond uit een volmaakt menselijk lichaam en een volmaakte menselijke ziel.
Wij zeggen “op één en hetzelfde ogenblik”, want wij verwerpen met afschuw die ijdele verdichting, dat nutteloze verhaal, die verderfelijke en gevaarlijke dwaling van het voorbestaan van de menselijke ziel van de Heere Jezus. Hij is in alle dingen Zijn broeders gelijk geworden, uitgezonderd de zonde. (Hebreeën 2:17; Hebreeën 4:15.) Tenzij bewezen kan worden dat onze ziel vóór ons lichaam geschapen is en eeuwen eerder bestond, kan niet worden aangetoond dat de menselijke ziel van de Heere Jezus zo’n voorbestaan had.
Deze menselijke natuur, toebereid door God de Vader en aangenomen door God de Zoon, werd gevormd door God de Heilige Geest. Met de vorming van die heilige menselijke natuur door de Heilige Geest bedoelen wij die daad van wonderbare kracht waardoor Hij de maagd overschaduwde met Zijn werkingen en invloed. Hij schiep uit haar vlees een heilige menselijke natuur, die Hij op het ogenblik van haar ontvangenis heiligde en met genade vervulde.
iv. Dit leidt ons verder naar een vierde punt, dat niet minder vol is van waarheid en zaligheid. Wij kunnen het stellen in de vorm van een plechtige vraag. Hoe was het mogelijk dat er in een natuur die zo toebereid, aangenomen en geschapen was enige smet van zonde, verderf, ziekte of sterfelijkheid zou zijn?
De Vader beschouwde die menselijke natuur, die Hij van eeuwigheid voor Zijn dierbare Zoon had toebereid, met onuitsprekelijk welbehagen en verrukking. Kon Hij die de mens bij de oorspronkelijke schepping zo zuiver en onschuldig maakte, naar Zijn eigen beeld en Zijn eigen gelijkenis, voor Zijn eigen Zoon een gevallen, bezoedeld en verderfelijk lichaam toebereiden? Voor Zijn eniggeboren, eeuwige Zoon? Of zelfs een lichaam dat tot verderf en verval in staat was?
Kon de Zoon, die is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, een andere natuur aannemen in vereniging met Zijn eeuwige Godheid dan een zuivere, heilige, onsterfelijke en onverderfelijke? Het was geen lichaam dat door ziekte zou vergaan en aan een kwaal zou sterven. Het zou dan als voedsel voor het verderf aan het oog onttrokken worden. Het werd in innige vereniging met de Godheid zelf opgenomen als haar onsterfelijke en onverderfelijke metgezel.
Kon de Heilige Geest iets anders vormen dan een heilige natuur, bestemd om door de Zoon van God in een zo nauwe, innige en onverbrekelijke vereniging te worden aangenomen? Maar het kan nuttig zijn deze punten van goddelijke waarheid wat nauwkeuriger te onderzoeken.
1. Eerst de innerlijke heiligheid en zuiverheid van de menselijke natuur van de Heere. Zij was wezenlijk onzondigbaar. Dat wil zeggen: niet alleen niet besmet met zonde maar volstrekt niet in staat daardoor besmet te worden. Wij lezen dat het onmogelijk is dat God liege. (Hebreeën 6:18.) Zo kunnen wij van de heilige menselijke natuur van de gezegende Heere zeggen dat het onmogelijk was dat zij zondigde.
De getuigenissen in het woord van de waarheid over de onzondigbaarheid van de menselijke natuur van de gezegende Heere zijn zeer vol en duidelijk. Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt. (2 Korinthe 5:21.) Hij kende geen zonde. Dat wil zeggen: niet in Zijn eigen Persoon, noch in haar smet of bezoedeling, noch in enige benadering ervan.
De Heere zegt: de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets. (Johannes 14:30.) Satan, de overste van deze wereld, kwam om Hem te verzoeken en aan te vallen. Maar hij had niets in Hem, zoals hij dat in ons wel heeft. Hij had dus geen innerlijke stof om op te werken. Als wij zo’n beeld mogen gebruiken: hij had binnen de muren geen grond om zijn helse artillerie op te stellen.
Hij kon de gezegende Heere van buitenaf aanvallen. Want de Heere was iemand die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 4:15.) Die zonde had in de heilige menselijke natuur van de aanbiddelijke Verlosser geen geboorte of bestaan, geen wortel of stam en niet de minste mogelijkheid daartoe.
De wijlen Dr. Cole heeft in het werk dat voor ons ligt, vele jaren geleden uitgegeven, de afschuwelijke godslasteringen van de eertijds populaire Edward Irving over dit punt op de duidelijkste en krachtigste wijze ontmaskerd. Wij mogen ze met recht “afschuwelijke godslasteringen” noemen. Dr. Cole verklaart namelijk dat hij met zijn eigen oren heeft gehoord hoe deze arme, ellendige, schreeuwende redenaar de heilige menselijke natuur van de gezegende Heere “die zondige substantie” noemde. Hij noemde zijn eigen preken namelijk “redevoeringen”.
De heilige schoonheid en de onuitsprekelijke zaligheid van die heilige menselijke natuur bestond voornamelijk hierin dat de Heere was een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. (1 Petrus 1:19.) Dat werd afgebeeld door het paaslam (Exodus 12:5) en eigenlijk door elk ander ceremonieel offer. (Leviticus 22:19-24; Deuteronomium 15:21.)
Wij mogen de eigenaardige aard van de menselijke natuur van de gezegende Heere nooit uit het oog verliezen. De natuur van Adam was tot zondigen in staat. Zij was weliswaar zuiver geschapen maar niet door een bovennatuurlijke werking van de Heilige Geest verwekt. Zij was een zuivere geschapen natuur maar geen heilige verwekte natuur. Die twee zijn wezenlijk verschillend.
Bovendien was de menselijkheid van Adam een persoon en kon zij daarom vallen. Maar de menselijkheid van Jezus is een natuur die in vereniging met Zijn goddelijke Persoon is opgenomen. Zij kon dus evenmin zondigen of van de Godheid afvallen als Zijn Godheid kon zondigen of van Zijn mensheid kon afvallen.
2. Daarom was zij, zoals Dr. Cole terecht heeft aangetoond, onverderfelijk. Het lichaam van de gezegende Verlosser lag volgens de Joodse manier van rekenen drie dagen en nachten in het graf. Maar het kende geen verderf. De apostel verklaart het uitdrukkelijk: Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. (Handelingen 13:37.)
De heilige menselijke natuur van de Heere Jezus bevatte geen zaden van verval. Zij was een werkelijk lichaam zoals het onze. Zij at, dronk en sliep zoals wij. Maar zij viel niet onder de oorspronkelijke vloek en was niet betrokken in de val van Adam. Daarom was zij niet aan ziekte of verderf onderworpen zoals ons lichaam. De vrijwillige dood van de gezegende Heere scheidde voor een tijd lichaam en ziel. Maar het lichaam was in het graf niet meer door verderf aangetast dan de ziel in het paradijs door zonde.
3. Deze heilige menselijke natuur van de aanbiddelijke Heere was dus wezenlijk onsterfelijk. Dr. Cole heeft dat in zijn brief over dit onderwerp bewonderenswaardig aangetoond. Het lichaam van de Heere kon sterven. Omdat sterven het voornaamste onderdeel van elk offer was, is het zelfs aangenomen om te kunnen sterven.
Het stierf niet uit innerlijke noodzaak, zoals onze lichamen sterven. Die zijn wezenlijk sterfelijk, omdat zij betrokken zijn in de overtreding van Adam. Het stierf door een vrijwillige daad. Dat is volkomen duidelijk uit de eigen woorden van de Heere: Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:17-18.)
Het was niet de pijn van het kruis, de nagels door handen en voeten, de uitputting van de natuur of de nood van de ziel die de Heere Jezus, om zo te zeggen, doodde. Toen Hij het werk had volbracht dat Zijn Vader Hem te doen had gegeven, zodat Hij kon zeggen: Het is volbracht, boog Hij het hoofd. Het hoofd zakte niet vanzelf neer, neergedrukt door de dood. Hij zelf, vol van leven en onsterfelijkheid, boog het. En toen gaf Hij door een vrijwillige daad den geest, dat wil zeggen: Hij ademde Zijn leven uit.
In ons volgende nummer hopen wij met Gods hulp en zegen uitvoeriger op dit deel van het onderwerp in te gaan, in onze beschouwingen over de heilige menselijke natuur van onze gezegende Heere in haar staat van vernedering. Daarom zullen wij er nu niet verder over uitweiden. Wij besluiten met een uittreksel uit het boek van Dr. Cole:
“De vreselijke en onvermijdelijke gevolgen van het toepassen van de term ‘sterfelijk’ op het lichaam van Christus.”
“1. Als het lichaam van Christus ‘sterfelijk’ was in de onveranderlijke betekenis van die term, dan was Zijn dood, zoals wij al hebben aangestipt, niet vrijwillig maar uit noodzaak. Dan stierf Hij niet uit eigen vrije wil. Hij stierf omdat Hij als persoonlijk zondaar (beef, mijn ziel, bij de gedachte!) Zichzelf niet van de dood kon redden. Hij had geen macht om Zijn leven ‘af te leggen’ maar werd gedwongen het op te geven, omdat Hij het door Zijn eigen zonden had verbeurd!
Hij gaf Zijn leven dan niet als rantsoen voor velen. De rechtvaardige oordelen van God namen het van Hem weg voor Zijn eigen overtredingen: de ziel, die zondigt, die zal sterven. (Ezechiël 18:4.) Maar is dit de waarheid zoals die in Jezus Christus is? Is dit de leer over de aanbiddelijke Persoon van de Zoon van God die in het Woord is geopenbaard? Is dit het onderricht dat de Heilige en Gezegende Geest op het hart van de verlosten verzegelt?
Nee, nee! De Schriften verklaren, en zij die gebracht zijn tot het ervaren van de weldaden van de dood van Christus weten en geloven, dat Zijn dood niet uit noodzaak was maar een vrije en vrijwillige gave.
Hoe duidelijk verklaart Hij dit Zelf en hoe veelzeggend beschrijft Hij het: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. En Hij zegt dat de Vader Hem liefheeft, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. (Johannes 10:11; Johannes 10:17-18.)
Zijn offer wordt overal genoemd een offer van Zichzelf, een vrijwillige gave. Er staat dat Hij Zichzelven opgeofferd heeft (Hebreeën 7:27), dat Hij de zonde teniet kwam doen door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26) en dat Hij is Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen. (1 Timotheüs 2:6.) En zo overal. Maar al deze Schriftplaatsen worden vierkant tegengesproken en heel deze wolk van getuigenissen wordt volkomen krachteloos gemaakt als het lichaam van Christus ‘sterfelijk’ was.”


