Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Ziekte en geneesmiddel

Philpot beschrijft de ondergang die de zonde in lichaam en ziel heeft aangericht, ook in de nette vermakelijkheden van de mens. Hij toont dat gemeenschap met God alleen mogelijk is doordat de Zoon van God ons vlees heeft aangenomen.

Geen hart kan zich voldoende voorstellen en geen tong kan voldoende uitdrukken in welke toestand van ellende en ondergang de zonde de schuldige, ellendige mens heeft gestort. Door hem van God te scheiden heeft zij hem afgesneden van de enige Bron en fontein van alle geluk en alle heiligheid. Zij heeft hem ten gronde gericht, lichaam en ziel. Het lichaam heeft zij met ziekte en kwaal gevuld. De ziel heeft zij misvormd en het beeld van God, waarnaar zij geschapen was, heeft zij verwoest. Zij heeft . . . al zijn verstandelijke vermogens verbrijzeld, zijn oordeel gebroken, zijn verbeelding bezoedeld en zijn genegenheden vervreemd.

Zij heeft hem de zonde doen liefhebben en God doen haten. Zij heeft hem van top tot teen vervuld met hoogmoed, lust en wreedheid. Zij is de vruchtbare moeder geweest van alle misdaden en gruwelen waaronder de aarde zucht. Alleen al de opsomming van sommige daarvan heeft zoveel harten met afschuw en ontzetting vervuld. Dit zijn de meer zichtbare vruchten van de val.

Maar dichter bij huis, in ons eigen hart, in wat wij zijn of geweest zijn, vinden en voelen wij wat voor ravage en ondergang de zonde heeft aangericht! Er kan geen groter kenmerk van vervreemding van God zijn dan willens en wetens vermaak en genoegen te zoeken in dingen die Zijn heiligheid verafschuwt. Maar wie van het gezin van God is hier niet schuldig aan geweest? Elke beweging en neiging van onze natuurlijke gezindheid, elk verlangen en elke lust van ons vleselijke hart was vroeger gericht op genot en bevrediging in iets wat strijdig is met de wil en het woord van de levende Jehova.

Weinigen van ons hebben in de dagen van ons vlees geen vermaak gezocht in een van zijn velerlei, maar bedrieglijke vormen. De schouwburg, de renbaan, de dans, de sport, de kaarttafel en het nachtelijke feestgelag: de genieting der zonde werd door sommigen van ons opgezocht. Onze dolle, koortsachtige dorst naar opwinding was de voortdurende roep van ons goddeloze vlees: Geef, geef! Onze ellendige roekeloosheid of onbesuisde, brutale vastberadenheid om “ons te vermaken”, zoals wij het noemden, wat het ook kostte, stortte ons telkens weer in de zee van de zonde. Daar zouden wij zonder soevereine genade zijn gezonken om nooit meer op te staan.

Of als de “beperkingen van de zedelijkheid” een rem zetten op grove en zondige genoegens, dan bleven wij zoeken naar zulke “geoorloofde vermakelijkheden” (zoals wij ze achtten) als verandering van omgeving en plaats, buitenlandse reizen, het lezen van romans en verzonnen verhalen, mooie kleren en bezoekjes.

Wij bouwden luchtkastelen van liefde en romantiek, bedachten hoe wij menselijke goedkeuring konden krijgen en smeedden plannen voor eigen vooruitgang en eigen bevrediging. Wij hielden onze geest bezig met geliefde studies en verlustigden ons in bezigheden waarvoor wij een natuurlijke aanleg hadden, zoals muziek, tekenen, dichtkunst of misschien zwaardere studies en wetenschappelijk onderzoek.

Wij hebben deze bezigheden van de middenklasse genoemd als minder voor de hand liggende zonden dan grove misdaden als dronkenschap en laag liederlijk leven in de lagere kringen. Maar met een geestelijk oog bezien dragen zij allemaal hetzelfde noodlottige merkteken van de dood in de zonde. De zedelijken en de onzedelijken, de verfijnden en de onverfijnden, de beschaafde weinigen of de ruwe velen: zij zijn allen gelijk geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.

Er wordt ons vaak de vraag gesteld: “Wat is er voor kwaad in deze bezigheid of in dat vermaak?” Het kwaad is dat men zich om zichzelf in dat vermaak verlustigt. Het houdt de geest bezig en vult de gedachten, zodat God buitengesloten wordt. Het maakt geestelijke dingen onsmakelijk. Het richt een afgod op in het hart en wordt een plaatsvervanger voor God.

Dit weten en voelen wij nooit werkelijk, totdat goddelijk licht de geest verlicht en goddelijk leven de ziel levend maakt. Dan beginnen wij te zien en te voelen in welke ellendige toestand de zonde ons heeft gebracht. Wij zien dat wij ons hele leven niets anders hebben gedaan dan wat God verafschuwt. Wij zien dat al het gedichtsel der gedachten van ons hart te allen dage alleenlijk boos is geweest.

Wij zien dat wij onszelf onder de slag van Gods gerechtigheid en onder de vloek van Zijn rechtvaardige wet hebben gebracht. Nu is er niets dan dood en verderf voor onze ogen. Als wij arme slaven van de zonde, Satan en de dood niet verlost werden, konden wij niet met God verzoend worden.

En toch worden er, ondanks al die ellende en jammer en dwars door al dat berouw over het verleden en die vrees voor de toekomst heen, verlangens naar God opgewekt, de vrucht en het werk van Zijn genade in het hart. Dit zijn de eerste ademtochten naar gemeenschap met God, de eerste beweging van de van boven levend gemaakte ziel naar haar Vader en Vriend.

Maar waar komt deze beweging van de ziel omhoog en hemelwaarts vandaan? Wat is de grond waarop een zondaar durft te naderen, ja, als nabijgebracht kan ervaren wat de heilige Johannes bedoelt met: en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus? (1 Johannes 1:3)

God Zelf heeft de grond gelegd in de gave van Zijn dierbare Zoon. Als Jezus onze natuur niet in eenheid met Zijn eigen goddelijke Persoon had aangenomen, zou er nooit gemeenschap van de mens met God hebben kunnen zijn. Dit wordt door de apostel prachtig uiteengezet. (Hebreeën 2:1-18) Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel; En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.

Zij die deelachtig waren aan vlees en bloed, waren de kinderen, die Mij God gegeven heeft. Maar dit vlees en bloed had gezondigd, was van God vervreemd geraakt, werd door de duivel tiranniek beheerst en was onderworpen aan de dood en aan het oordeel dat na de dood komt. De vrees voor de dood hield hen voortdurend in slavernij. Als deze arme slaven van de zonde, Satan en de dood niet verlost werden, konden zij niet met God verzoend of dichtbij gebracht worden om enige gemeenschap met Hem te hebben.

Maar de Zoon van God nam het zaad Abrahams aan. Dat wil zeggen dat Hij de menselijke natuur aannam zoals zij van Abraham afstamt. De maagd Maria, van wier vlees Hij nam, stamde immers rechtstreeks van Abraham af. Zo is Hij geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.

En zo is Hij in alles den broederen gelijk geworden (de zonde alleen uitgezonderd, waarvan Hij geen smet of vlek had), opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn om de zonden des volks te verzoenen.

Zonder deze verlossing en verzoening zou er geen gemeenschap kunnen zijn. Gemeenschap is deelgenootschap, en deelgenootschap houdt wederzijdse deelname en wederzijds belang in. Het is niet enkelvoudig maar tweezijdig: een gemeenschap van natuur, belang of genegenheid, waarin ieder geeft en neemt. Zo is de grond van alle gemeenschap met God gelegd in deze gezegende waarheid dat de Zoon van God ons vlees heeft aangenomen. Dat geeft Hem gemeenschap met de mens. Hij is Zelf God. Dat geeft Hem gemeenschap met God.

In de ladder die Jakob in een visioen zag, rustte het onderste deel op de aarde en verloor het hoogste zich in de hemel. Zo raakt de menselijke natuur van Christus de aarde met haar smarten, maar Zijn goddelijke natuur rijst op tot de hemel met haar heerlijkheid. En de mens, de arme, ellendige mens, kan door gemeenschap met Christus in Zijn lijden gemeenschap hebben met God in Zijn liefde. Johannes ontvouwt dit op zegenrijke wijze in zijn eerste brief: Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens. (1 Johannes 1:1)

Wat had Johannes van het begin af gehoord? Wat had hij met zijn ogen gezien? Wat had hij aanschouwd en wat hadden zijn handen getast van het Woord des levens? Wat anders dan de Zoon van God in het vlees? Zijn oren hadden de stem gehoord, zijn ogen hadden de gedaante gezien en zijn handen hadden de voeten en handen van het Woord des levens getast.

En dat was niet slechts lichamelijk, want dat zou hem even weinig leven hebben gegeven als de Joodse gerechtsdienaars die Zijn handen bonden of de Romeinse soldaten die Hem aan het kruis nagelden. Het was de geestelijke openbaring van het Woord des Levens aan zijn ziel (zoals hij zelf verklaart: Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard) die hem in staat stelde te zeggen: Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. (1 Johannes 1:3)

Naarmate deze goddelijke weg voor ons hart wordt geopend, beginnen wij toegang tot God te vinden door Jezus Christus, de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Zolang Hij niet in enige mate aan de ziel geopenbaard en bekendgemaakt is, is er geen grond voor toegang tot God. Zonde, schuld en veroordeling versperren het pad. De wet vervloekt, het geweten veroordeelt, Satan beschuldigt en in onszelf is geen hulp of hoop.

Maar naarmate Christus wordt geopenbaard en bekendgemaakt, en de kracht en werking van Zijn bloed wordt gezien en gevoeld, wordt het geloof versterkt om door Hem de Vader te naderen. Dat gaat zo door, na menige worsteling tussen hoop en wanhoop, totdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is. En dit geeft gemeenschap met God.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!