We dachten dat we als een bij naar believen van bloem tot bloem konden zwerven en de zoetigheid van de zonde konden opzuigen. We beloofden onszelf voor morgen een even rijk feestmaal als dat van vandaag. We droomden er niet van dat de zonde ons al die tijd vasthield in boeien die — hoewel ze van zijde leken — in werkelijkheid van ijzer waren! Het is de grootste misleiding onszelf vrij te denken en te noemen — terwijl we slaven zijn van hoogmoed en lust!
Al die tijd van “ingebeelde vrijheid” — maar werkelijke slavernij — leek het alsof we onze eigen heer en meester waren. Het idee van onafhankelijkheid was ons zoet. Afhankelijk te zijn van wie dan ook, zelfs van de God Die ons gemaakt heeft, was een slavernij die te bitter was voor ons trotse hart om te dragen!
Maar neem nu aan dat de genade ons vrij heeft gemaakt van deze “ingebeelde onafhankelijkheid” die werkelijke slavernij was. Neem aan dat het evangelie het woord van zaligheid voor onze ziel is geworden en dat we onder nieuwe verplichtingen zijn gebracht. We leven onder nieuwe banden, we worden door andere drijfveren beïnvloed, we worden door een andere geest geleid en we zijn gebracht tot een kinderlijke afhankelijkheid van God, zowel in de voorzienigheid als in de genade. We kunnen nu de kracht voelen van de woorden van de apostel: gij uws zelfs niet zijt.
Nu kunt u terugkijken op een tijd waarin u harde meesters diende — en toch hun dienst liefhad. De wereld had uw genegenheden in bezit. De zonde heerste, raasde en tierde in uw vleselijke hart. HET EIGEN IK stond bovenaan in al uw gedachten en verlangens. Welke gedragslijn het ook ingaf — of liever “gebood” — u gehoorzaamde gewillig.
Toen u onder deze harde meesters was, was hun dienst u zoet zolang u dacht dat u van uzelf was. U kon tot op zekere hoogte met uzelf doen wat u behaagde. Uw cipier hield u nauw in het oog en kon elk ogenblik op u neerduiken als een kat op een gewonde muis. Toch liet hij u een zekere ruimte, want hij wist dat u zo zijn werk des te doeltreffender zou doen en zijn ketenen des te steviger om uw nek zou binden.
Zo waren uw tijd, uw talenten, uw geld, de leden van uw lichaam en de vermogens van uw verstand van uzelf. U kon uw tijd besteden zoals u wilde. U kon uw gaven gebruiken zoals u het meest dienstig achtte voor uw wereldse belangen en met uw geld doen wat uw neiging u ingaf. U kon de leden van uw lichaam gebruiken om uw natuurlijke begeerten te dienen. En in dit alles was er niemand die u tegenhield — niemand die u ter verantwoording riep voor wat u had gezegd of gedaan.
U zag inderdaad niet dat de zonde al die tijd uw meester was en dat de liefde tot de wereld, diep wortelend in uw hart, over u heerste en u bestuurde. Evenmin zag u welke onwetendheid en blindheid uw ogen in de grofste duisternis hielden. Zo verbeeldde u zich vrij te zijn — terwijl u de grootste slaaf van de zonde en de satan was! Maar nu bent u uit al deze ellendige slavernij gebracht. U bent door de wet van zonde overtuigd en schuldig bevonden en hebt vrede en vergeving gevonden door het bloed van Jezus Christus.
Wat is nu het gevolg van deze zegen van boven? Heeft ze u niet bevrijd van die ellendige slavernij aan zonde, satan, wereld en eigen ik die ik heb beschreven? Heeft ze uw voeten niet als het ware op een nieuw spoor gezet, een nieuw veld voor u geopend en u nieuwe verplichtingen opgelegd? Heeft ze u — om het met één woord te kronen — niet onder het zachte juk van een nieuwe Meester gebracht?
Romantische verwachtingen van een klein aards paradijs?
Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin (Hagai 1:9)
Hebt u uw luchtige dromen en gekoesterde plannen verwezenlijkt gezien? Zijn uw eerzuchtige plannen met succes bekroond? Hebt u niet herhaalde teleurstellingen gehad? Zijn anderen, die in vermogen of belofte minder leken dan u, u niet in de wedloop voorbijgestreefd? Uw vleselijke plannen, uw vleselijke verwachtingen, uw luchtkastelen, uw dromen van geluk en uw romantische verwachtingen van een klein aards paradijs zijn allemaal wreed teleurgesteld — zo hebt u in de bitterheid van uw ziel gedacht. De knoppen vielen af net toen ze bloei begonnen te beloven en een plaag trof uw hele leven, zodat u de oogst niet kon binnenhalen waarvan u de verwachtingen had gekoesterd.
God zal erop toezien dat Hij kruis na kruis en beproeving na beproeving op Zijn volk legt — totdat Hij hen tot onderwerping brengt. O, hoe snel kan Hij deze zoete en hemelse genade geven! Hoe kan Hij in een ogenblik olie op de woelige golven gieten! Hoe kan Hij die koppige hardnekkigheid en opstandigheid waarvan het hart vol is aan stukken breken en onderwerping aan Zijn wil geven! Hoe kan Hij de trotse geest vernederen en buigen, het hart vervullen met nederigheid en liefde, ons in staat stellen de roede te kussen en neer te vallen voor Zijn beschikkingen — hoe zwaar ze voor het vlees ook zijn!
Voldoening?
Hebben we de wereld niet beproefd? Hoeveel jaren hebben we ons niet ingespannen om onze vleselijke eetlust te verzadigen met het stof en vuil dat de wereld ons aanbood? Maar hebben we er ooit degelijke voldoening uit geoogst? Hebben we niet getracht onszelf te bevredigen met de genoegens van de zonde? En lieten die ooit iets anders achter dan pijn en droefheid?
Hebben we niet getracht onszelf te bevredigen met een gedaante van godzaligheid, de naam dat we leven, een zelfgerechtige godsdienst? En ontbrak er niet altijd iets? Hebben we niet getracht onszelf te bevredigen met “leerstukken die in het oordeel zweven” en toch geen voldoening geoogst? Want er was altijd een knagende leegte. De schuld was niet weggenomen. De zonde was niet vergeven. Christus was niet geopenbaard. De liefde van God was niet uitgestort. De zaligheid was niet bekend.
We hebben gevonden dat er in niets voldoening was. Alles was leeg. Alles is ijdelheid en kwelling des geestes — behalve de goedheid van God voor onze ziel. Maar wanneer de Heere Zijn keus heeft laten vallen op een vat van barmhartigheid en hem, ter uitvoering van die keus, van de wereld afsnijdt, laat Hij hem door het innerlijk onderwijs en het trekken van Zijn Geest tot Zichzelf naderen. Dan toont Hij hem iets van de schoonheid en heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Dat stelt hem tevreden. En er is geen voldoening totdat dat bekend is gemaakt.
En waarmee moeten wij tevreden zijn? Met een louter verstandelijk begrip van de waarheid van het evangelie? Daarin is geen voldoening. Met onze bevinding? Als we ernaar kijken, zijn er zoveel gebreken en tekortkomingen, zoveel bijzonderheden en zoveel dingen die ons doen wankelen dat we daarmee niet volkomen tevreden kunnen zijn. Kunnen we de mening van mensen over ons nemen? O, denken we, ze kunnen zich allemaal vergissen. Kunnen we onze eigen mening over onszelf nemen? Dat is erger dan de mening van anderen, want wie op zijn hart vertrouwt, die is een zot.
Waarmee dan wel? Met de goedheid die in de Persoon van Christus geopenbaard is. Wat een genade en barmhartigheid, wat een gunst en liefde worden geopenbaard in de Persoon van Jezus! En wanneer we zien en voelen hoe goed en vriendelijk, hoe genadig, welgezind en barmhartig Hij is — dan geeft dat voldoening. In Hem is een gerechtigheid en een verzoenend bloed om te voldoen aan alle eisen van de wet en aan alle verlangens van een schuldig geweten. Er is een kracht die voldoening geeft, een liefde die voldoening geeft en een zaligheid die voldoening geeft. En niets anders dan dit zal bevredigen.
De eerste stap in het goddelijk leven
Zij zullen komen met geween (Jeremia 31:9)
Overal waar God een genadewerk in de ziel begint, neemt Hij het stenen hart weg en geeft Hij het hart van vlees. Berouw, ware berouw, is de eerste stap in het goddelijk leven. Ware godsdienst begint met een bedroefd hart en weenende ogen. Overal waar een geestelijke overtuiging van zonde is, zal er boetvaardig leed en godzalige droefheid daarover zijn.
En juist door deze godzalige droefheid — deze verbrokenheid van hart — dit berouw van geest — dit boetvaardig leed — worden de ware overtuigingen die door de gezegende Geest gewerkt zijn onderscheiden van die louter natuurlijke overtuigingen. Onder die laatste is het hart zo hard als staal en zo vol van opstand als de satan zelf.
In dit gebroken hart — omgeploegd door de ploeg van overtuigingen — slaat het zaad van het woord wortel. En hoe dieper meestal de overtuigingen zijn en hoe scherper het leed en de droefheid over de zonde, des te dieper zal het woord van genade wortel schieten in de ziel.
Het geweten van de christen
onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten (Hebreeën 10:22)
Christus woont in het geweten van de christen. Hij maakt het geweten teder in Zijn vreze. Wanneer Hij het van het kwaad van de zonde heeft overtuigd, reinigt en zuivert Hij het van schuld en vuil en van dode werken, om den levende God te dienen. Hij beweegt zich erin en werkt erop. Hij openbaart het Zijn kostbaar bloed, gebiedt het zich te openen om Zijn woord te ontvangen en gebiedt het zich te sluiten voor alle dwaling.
Hij laat het bewegen in overeenstemming met Zijn geboden. Hij maakt het zacht tot berouw en godzalige droefheid over de zonde. Hij heelt het wanneer het gewond is, verbindt het wanneer het gebroken is en troost het wanneer het terneergeslagen is. Hij sust het wanneer het als een huilend kind in Zijn armen of op Zijn schoot zou liggen wenen. Zo maakt Hij het geweten teder en past Hij Zijn kostbaar bloed toe om schuld en vuil ervan weg te nemen. Zo maakt Hij het zacht en gelijkvormig aan Zijn eigen lijdend beeld.
Ze waren buiten zinnen!
Mensen beschuldigen degenen die de leer van de genade belijden vaak van dweepzucht, van fanatisme, van het omhelzen van wilde leerstellingen en van het zich laten meeslepen door denkbeeldige waanideeën. Maar de echte fanatici en dwepers zijn zij die ervan dromen tegelijk de zonde en God te dienen. Zij verwachten de hemel als beloning voor hun werken, terwijl al die werken kwaad zijn.
En wat ware nuchterheid van geest en kalme beheerstheid van oordeel betreft: ik geloof dat niemand zo nuchter is als de echte deelgenoten van de genade. Voordat het licht van Gods onderwijs hun verstand verlichtte en voordat de genade van God door haar wedergeboorte bezit nam van hun harten, waren ze buiten zinnen! Er was geen echt gezond verstand in hen. Want als krankzinnigen waren ze dolgedreven op hun eigen verderf!
Ze brachten hun leven door in waanzinnige hoop en in wilde en fantastische dromen van geluk. Voortdurend strekten ze hun handen uit om te grijpen wat altijd buiten hun bereik bleef. Als waanzinnigen lachten en weenden ze om beurten, dansten ze en zongen ze aan de rand van een afgrond of op het dek van een zinkend schip.
Maar toen de genade kwam om hun verstand te verlichten, hun ziel te herscheppen en dat werk te beginnen dat hen voor de eeuwigheid moest bekwamen en toebereiden, werden ze nuchter. Ze werden wakker uit die staat van dronkenschap waarin ze hun vroegere leven hadden doorgebracht. Ze werden ontnuchterd van die dronkenschap, om het zo te zeggen, waarin ze grote teugen van bedwelmend genot hadden gedronken. En ze werden voor het eerst moreel en geestelijk nuchter.
Hoe anders had het met ons kunnen zijn!
Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9)
Dit is bedoeld tot onze bemoediging: om ons geloof en onze hoop te versterken en ons nuchter en waakzaam te houden. Hoe anders had het met ons kunnen zijn! Hoe rechtvaardig zou God zijn geweest als Zijn gedachten over ons geen gedachten des vredes waren geweest maar gedachten van kwaad. En o, waar hadden we zelfs nu kunnen zijn als God ons tot toorn had gesteld? Zelfs nu hadden we in plaats van in het huis van gebed onze ogen kunnen opslaan in de hel, in pijniging.
Zo ziet een kind van God wat een genade het is dat God hem niet heeft neergehouwen zoals hij verdiende toen hij een openlijke vijand was en dagelijks de lijst van zijn zonden uitbreidde. Het is een genade dat Hij hem niet heeft overgelaten aan volslagen onboetvaardigheid, ongeloof en zorgeloosheid!
Sommige van de meest beminnelijke mensen
Sommige van de meest beminnelijke mensen ter wereld hebben helemaal geen genade.
Dag aan dag
Het lijkt alsof we dag aan dag opnieuw onderwezen moeten worden in onze eigen zondigheid, zwakheid en hulpeloosheid — en dat niemand dan Jezus ons werkelijk goed kan doen. Ware godsdienst is niet als een kunst of wetenschap die, eenmaal geleerd, voor altijd geleerd is. Het is iets dat we voortdurend vergeten — en voortdurend opnieuw leren.
Mensenwegen en Gods wegen
De wegen van de mens en de wegen van God verschillen in bijna elk opzicht. De wegen van de mens zijn haastig gepland en meestal gebrekkig uitgevoerd. Gods wegen zijn ontworpen met oneindige wijsheid en uitgevoerd met oneindige kracht.
Het doel van de mens is de verheffing van het eigen ik in een of andere vorm. Genot of gewin, van welke aard ook, is de drijfveer van al zijn handelen. Het doel van God is Zijn eigen eeuwige heerlijkheid.
Als de mens op een bepaald doel is gericht, springt hij er haastig op af en kan hij de geringste hindernis niet verdragen. God brengt Zijn eigen eeuwige raadsbesluiten langzaam tot stand, in het aangezicht van elke hindernis en ondanks alle tegenstand of tegenspraak van aarde of hel. Wat de mens wil is dingen snel tot een einde brengen: nauwelijks heeft hij het zaad gestrooid of hij wil de oogst al binnenhalen. Gods plannen worden over een reeks van jaren uitgevoerd. En zoals ze met oneindige wijsheid zijn gepland, zo worden ze verwezenlijkt door een opeenvolging van ogenschijnlijk tegenstrijdige gebeurtenissen.
Een volslagen verdorven oude mens
den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding (Efeze 4:22)
O, wat is de lust in elke vorm en gedaante bedrieglijk! Of ze nu van het vlees is of van de ogen — of een begeren naar geld — wereldse voordelen — voorspoedige omstandigheden — vooruitkomen in het leven — het goed doen voor onszelf of ons gezin: in welke gedaante ze zich ook toont (ze heeft inderdaad duizend gedaanten) — hoe bedrieglijk is ze! Hoe geleidelijk voert ze ons, als ze wordt toegegeven, tot alles wat verdorven is.
Hoe verblindt ze de ogen, verhardt ze het geweten, verdraait ze het oordeel, verstrikt ze de genegenheden, trekt ze de voeten af van het enge en smalle pad en verstikt ze het leven van God in de ziel! Zo gaat het totdat men nauwelijks weet wat men is of waar men is. Men weet alleen dat men vol verwarring zit en belast is met schuld, vrees en slavernij.
Hoe bedrieglijk is de lust ook doordat ze steeds belooft wat ze nooit kan nakomen! Hoe belooft ze geluk en genot als we haar maar toegeven en bevredigen. Ze schildert allerlei aangename plaatjes en bekoorlijke vooruitzichten om onze gedachten te verstrikken en onze genegenheden te lokken! Maar wat geeft de lust ons uiteindelijk als er naar wordt geluisterd en gehoorzaamd? Helaas! We merken dat we maaien wat we zaaien. Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien.
En deze lusten zijn niet weinig of klein, want onze oude mens zit er vol van. Er is geen hartstocht, geen neiging, geen begeerte, geen verlangen naar enig aards of zinnelijk genot. Er is geen zonde die ooit in woord of daad bij man of vrouw is uitgebroken die niet diep in onze oude mens zetelt. Want hij is naar onze bedrieglijke lusten, naar hun maat en in verhouding tot hen.
U hoeft u er dus niet over te verbazen dat bedrieglijke lusten zich voortdurend in uw boezem roeren. Of u nu oud bent of jong, man of vrouw, rijk of arm, geleerd of ongeleerd, moreel opgevoed of immoreel grootgebracht — ze zijn er altijd. Ze zijn met u geboren. Ze zijn uw familie-erfenis en alles wat u in strikte zin uw eigendom kunt noemen.
U hoeft zich er dus niet over te verbazen als de laagste gedachten en de gemeenste ideeën een toevlucht, een rustplaats en een nest vinden in uw verdorven boezem. Ik zeg dit niet om u aan te moedigen te koesteren wat uw plaag en kwelling zou moeten zijn. Ik zeg het als een woord dat misschien past voor sommigen die diep worstelen omdat ze zulke monsterlijke zonden in zichzelf vinden en denken dat hun geval ongewoon of uitzonderlijk is.
Als de “oude mens” verdorven is naar de bedrieglijke lusten, als hij ongeneeslijk verdorven is en nooit anders kan zijn dan een volslagen verdorven oude mens — hoeft u zich dan te verbazen dat hij voortdurend zijn ware karakter toont? Hij laat zijn lelijke gezicht zien en is voor u een voortdurend verdriet, een plaag en een kwelling. Deze “oude mens” is de grootste plaag die een kind van God heeft of kan hebben!
Al onze beproevingen, tegenspoeden, sterfgevallen en droefheden zijn niet te vergelijken met de moeite, droefheid en angst die veroorzaakt zijn door het beramen, het bedenken en het werken van deze goddeloze oude mens. Hij werkt in de verschillende bedrieglijke lusten waarmee hij ons op verschillende tijden, min of meer, van het pad van heiligheid en gehoorzaamheid heeft afgetrokken naar enkele van zijn kromme wegen.
Het is een genade voor u als de aanwezigheid van deze verdorven oude mens uw verdriet is, zijn verzoekingen uw beproeving en zijn bewegingen en werkingen uw smart en uw last. Hij zal u nooit werkelijk kwaad doen zolang hij uw plaag en kwelling is. Dood hem, bind hem, zet uw voet op hem, houd hem klein en knevel zijn mond wanneer hij zijn godslasteringen wil uiten en bedrieglijke lusten wil opwekken.
Hij moet worden afgelegd. Hij moet niet worden gekoesterd of toegegeven. Hij moet niet in de beste stoel worden gezet en met het beste voedsel gevoerd. Hij moet niet dicht bij de haard warm worden gehouden, fraai worden gekleed of tot huisdier van het hele huis worden gemaakt!
Vijf bijzondere punten in verband met de zonde
Er zijn vijf bijzondere punten in verband met de zonde waarvan we alle verlossing nodig hebben. Dit zijn: de schuld van de zonde — het vuil van de zonde — de macht van de zonde — de liefde tot de zonde — de praktijk van de zonde. Van de schuld van de zonde moeten we verlost worden door de toepassing van het verzoenend bloed op het geweten. Van het vuil van de zonde moeten we gewassen worden door de heiligmakende werkingen en invloeden van de Geest.
De macht van de zonde moet in ons gebroken worden door de kracht van Christus’ opstanding. De liefde tot de zonde moet overwonnen worden door de liefde van God die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort. De praktijk van de zonde moet vernietigd en afgebroken worden door de vreze Gods die diep in de ziel is geplant.
We kunnen nooit begrijpen wat verlossing is
Zonder kennis van de staat van de mens door natuur en praktijk, zonder een levende bevinding van de staat van ondergang, ellende en rampzaligheid waartoe de zonde ons persoonlijk heeft gebracht, kunnen we nooit begrijpen wat verlossing is, noch in de leer, noch in de bevinding.
U kunt uzelf in vijf minuten meer kwaad doen
U kunt uzelf in vijf minuten meer kwaad doen dan al uw vijanden in vijftig jaar. Eén onvoorzichtig woord, één onbezonnen stap, één verkeerde handeling kan u verminkt en gewond neerleggen!
Een strik, een bespotting en een misleiding
Leer is goed en gezonde leer is het zeer fundament van geloof, hoop en liefde. Maar de leer die niet leidt tot heiligheid van hart en leven is een strik, een bespotting en een misleiding.
Boezemafgoden
van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezechiël 36:25)
We zouden ons ernstig vergissen als we denken dat afgoderij beperkt blijft tot het oprichten van en zich buigen voor afgoden die door mensenhanden zijn gemaakt en zoals de heidenen ze vereren. Er zijn hartafgoden en boezemafgoden. Hoewel ze niet van hout of steen zijn gemaakt, zijn ze voor God, Die het hart doorzoekt, evenzeer afgoden als we hun de heimelijke aanbidding van toewijding en genegenheid brengen en onszelf er heimelijk mee ontvlammen. Het is dan alsof we onze knie bogen voor een beeld gemaakt met mensenvingers.
Een moederzonde
Ongeloof is een moederzonde — een broedzonde. Het blijft niet alleen in het hart maar baart duizenden zonden die allemaal opschieten uit zijn vruchtbare schoot — als de fabelachtige zeemonsters. We zien in de woestijn hoe in al hun reizen de schreeuwende zonde van het volk Israël ongeloof was.
Het was de ouder van al hun mopperen, morren en opstandigheid. Het lag aan de wortel van alles wat zij deden dat God mishaagde. Het baarde al hun afgoderij en al hun andere zonden en sloot uiteindelijk allen buiten het beloofde land behalve Kaleb en Jozua. Hun lijken vielen in de woestijn door ongeloof.
Enkele leerstukken geloven
In onze tijd denken velen dat ware godsdienst bestaat in het geloven van enkele leerstukken en het overnemen van enkele vaste uitdrukkingen, zonder enige levende werking van de Heilige Geest op het hart.
Het Woord lezen onder goddelijke invloed
Nooit is de Bijbel misschien meer gelezen — en nooit misschien minder begrepen, minder gevoeld, minder geproefd, minder behandeld, minder genoten en bovenal minder in praktijk gebracht — dan in onze tijd. Maar als het lezen van het Woord onder goddelijke invloed al zo gezegend is, hoeveel te meer dan wanneer de Heilige Geest het op het hart toepast. Dat is het geval wanneer er een zoet openbreken van het woord van waarheid is in een genadige belofte, of de toepassing van een gedeelte dat van Jezus spreekt, of dat enige bemoediging biedt aan ons loom geloof.
Hij zal Zich weer keren
Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen (Micha 7:19)
Dit zich weer keren houdt in dat Hij zich voor een tijd heeft afgekeerd en ons de rug heeft toegekeerd. Hij heeft Zich teruggetrokken vanwege de wrede en liefdeloze wijze waarop we Hem hebben verwaarloosd en Hem laaghartig en schandelijk hebben behandeld. We zijn goddeloos en moedwillig van Hem afgedwaald. In de vreselijke afgoderij van onze snode harten hebben we voor onszelf bakken uitgehouwen die geen water houden en Hem verlaten, de Fontein van levend water.
Maar Hij keert Zich weer. Hij heeft behagen in barmhartigheid. Hij kan het niet verdragen te zien dat Zijn volk bedroefd is, treurt, zucht en schreit onder hun zonden vanwege Zijn afwezigheid. En daarom keert Hij Zich weer — bewogen en verzacht door Zijn eigen barmhartigheid en bewogen door de genade van Zijn eigen hart. Zo keerde de Heere Zich tot Petrus om hem een blik te geven die zijn hart brak, deed smelten en verzachtte tot berouw en liefde.
Voor een klein ogenblik kan Hij Zijn aangezicht voor Zijn volk verbergen, als vertoornd en misnoegd over hun zonden en afvalligheden. Maar in de openbaring van Zijn oneindige, soevereine en overvloedige genade zal Hij Zich weer keren om hun nog één blik van liefde te geven. Hij geeft hun nog één ontdekking van de vrijheid van Zijn genade, nog één doorbreken van het licht van Zijn aangezicht, nog één verzachtende aanraking van Zijn genadige hand en nog één fluistering van Zijn vredesprekende stem.
Keerde Hij Zich niet zo weer, dan zou ons hart steeds harder en kouder worden. Of de zonde zou steeds sterker worden totdat ze de volle heerschappij had. Of moedeloosheid en wanhoop zouden intreden en ons zonder hoop laten.
Gasten en vreemdelingen
hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebreeën 11:13)
Ware godsdienst is geen belastende, pijnlijke, zwaarmoedige, vermoeiende, zware taak, zoals velen denken. Ze heeft inderdaad haar beproevingen, verzoekingen, ellenden, snijdende smarten en neerdrukkende droefheden. Maar ze heeft ook haar zoetheid, haar vrede, haar verrukkingen en haar genietingen. En het is de zoetheid die we voelen, het genot dat we hebben en het zich verlustigen in de dingen van God die ons aanmoedigen om vol te houden en voort te trekken door de woestijn.
Het is niet alles slavernij, noch benauwdheid van gemoed, noch hartzeer, noch verlegenheid van de ziel wat de erfgenamen van de belofte voelen. Er zijn teugjes en smaken, druppels en kruimels en ogenblikkelijke genietingen — zo niet lang of duurzaam, dan toch zoet wanneer ze komen, zoet zolang ze duren en zoet in de herinnering wanneer ze voorbij zijn. De Heere geeft wat aanmoedigt, versterkt, troost en verblijdt. Hij stelt ons in staat te zien dat er in Hem die schoonheid, zaligheid en heerlijkheid is die we hebben geproefd, gevoeld en betast en waarvoor we geen duizend werelden zouden willen ruilen!
Dit nu is wat zij zochten in hun verlangen naar een hemels vaderland. Ze wilden iets hemels — iets dat naar God smaakte, naar God geurde, naar God rook en door God gegeven was. Ze wilden een hemelse godsdienst, een geestelijk geloof, een genadige hoop en een liefde uitgestort in het hart door de Heilige Geest — iets dat uit de hemel kwam en naar de hemel leidde.
Ze wilden iets dat hemelse gevoelens gaf, hemelse gewaarwordingen, hemelse verrukkingen en hemelse vreugden. Daardoor werd het hart gezuiverd van de liefde tot zonde, vleselijkheid en wereldsgezindheid, doordat het iets zoeters had om te proeven, iets beters om lief te hebben en iets heiligers om te genieten.
Het zijn deze hemelse bezoeken, deze neerdruppelingen van de gunst, goedheid en barmhartigheid van God, die de ziel levend houden in haar vele doodsheden. Ze verzoeten haar te midden van haar vele bitterheden en houden haar overeind in haar vele wegzinkingen. Een vleselijke gezindheid heeft geen smaak voor hemelse dingen, geen zoet behagen in het Woord van God, geen behagen in de Heere Jezus en geen behagen in verborgen overdenking.
Er moet een hemels element in de ziel zijn om hemelse dingen te begrijpen, te verwezenlijken, te genieten en er behagen in te hebben. De Heilige Geest moet in ons een nieuw hart hebben gewrocht en een nieuwe natuur, in staat hemelse werkelijkheden te begrijpen, te genieten en er behagen in te hebben. Want ze bevatten iets dat zoet en kostbaar is voor de ziel.
Onze godsdienstige werken
Alle werken die een mens kan doen voordat hij de genade van God bevindelijk kent zijn dode werken. Hij kan hard en lang werken en door zijn inspanningen buiten adem raken. Maar wanneer hij alles heeft gedaan wat hij in eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid kan doen, is het alleen maar een dood werk. Zijn gebeden zijn dode gebeden, zijn diensten dode diensten, zijn lezingen dode lezingen en zijn plichten dode plichten. Zo zijn al zijn handelingen in de naam van God en, naar hij denkt, tot eer van God slechts dode werken.
Nu, naarmate geestelijk licht en leven aan onze ziel worden meegedeeld, raakt ons geweten beladen met dode werken en worden ze dubbel zwaar. Want er zal in deze dode werken altijd niet alleen aangeboren onvolkomenheid zijn maar ook werkelijke zonde die zich ermee vermengt. Zo zijn onze werken, onze beste werken — wat ik onze godsdienstige werken zou kunnen noemen — niet alleen in zichzelf dood.
Ze zijn ook zo bezoedeld door de donkere en troebele stroom van zonde die er steeds overheen en doorheen loopt dat ze het geweten met schuld bevlekken. Het geweten moet dus niet alleen een zware last dragen, maar een schuldige last.
Al deze misstappen en vallen
Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen (Hebreeën 9:14)
Hoevelen van het dierbare gezin van God worden bijna al hun dagen door een schuldig geweten gekweld. En over het algemeen voelen ze, naarmate hun geweten tederder is, de last van schuld te meer. Ze voelen die voor het afvallen — het dwalende oog — de zwervende geest — het dwaze hart — de onverschilligheid — de koelheid — de opstandigheid — de ondankbaarheid — de wereldsgezindheid — de vleselijkheid — het ongeloof — de trouweloosheid — de hoogmoed — de zelfzucht. Al deze misstappen en vallen herinnert elk treurend hart zich en elk schuldig geweten getuigt ertegen.
Waar het geweten teder en levend is in Gods vreze, wordt schuld zeer snel opgelopen. En eenmaal opgelopen ligt ze als een last die niet kan worden afgeworpen, want ze blijft liggen totdat ze wordt weggenomen. Deze voortdurend opnieuw opgelopen schuld veroorzaakt zoveel neerslachtigheid bij het gezin van God. Ze beproeft hun gemoed en drukt hen neer.
Ze mogen met de uiterste tederheid en zorgvuldigheid wandelen. Toch voelen ze hun geweten als een kwaad geweten waaronder ze treuren en zuchten, beladen als ze zijn. Dat komt door de verwikkelingen die de strikken van de zonde en de satan veroorzaken, door de werkingen van verdorvenheid in hun vleselijke gezindheid en door het voortdurende opwellen van een hart dat arglistig is meer dan enig ding en dodelijk.
Totdat ze een toepassing van het verzoenend bloed krijgen, een openbaring van Gods vergevende liefde en een zoet besef van verzoening door het volbrachte werk van de Zoon van God dat bevindelijk innerlijk wordt genoten, krijgt hun geweten geen echte rust of vrede. Omdat Hij een eeuwige verlossing voor ons heeft verkregen, zal Zijn bloed nooit zijn kracht verliezen. Het zal het geweten steeds reinigen totdat Hij al Zijn vrijgekochte heiligen smetteloos voor de aanwezigheid van Zijn heerlijkheid stelt met overgrote vreugde!
Een tedere, genadige, nederige en godvruchtige geest
Het bezit van een tedere, genadige, nederige en godvruchtige geest onderscheidt de ware kinderen van God zo bijzonder. Die zachtmoedige en nederige geest van Christus in hen trekt ons hart tot hen in bewondering en genegenheid. Hij wekt en verstevigt een liefde en eenheid die niet te verklaren is en toch een van de hechtste, sterkste banden is die ziel aan ziel kunnen knopen. En zien we niet bij de meeste anderen een wereldse, vleselijke, zelfzuchtige, trotse, onvernederde geest?
Een farizeïsche, zelfgerechtige geest
Er zijn mensen die door hun natuurlijk temperament, hun algemene strengheid van leven en gedrag, het ontbreken van krachtige verzoekingen en doordat ze door verschillende beperkingen beschermd zijn voor het plegen van openlijk kwaad, heimelijk doordrenkt zijn van een sterke geest van zelfgerechtigheid.
Deze mensen, die bewaard zijn gebleven voor de verdorvenheden van de wereld en de openlijke zonden van het vlees, tonen in hun godsdienstige belijdenis vaak een farizeïsche, zelfgerechtige geest. Die is gevaarlijk en bejegent de zaligheid uit genade met verachting.
Wat een vreselijke ontploffing zou er zijn!
Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. (Jakobus 1:14-15)
Wat vindt de verzoeking nu in mijn boezem aan dan alles wat geschikt is voor haar aard? Ik ben een hoop brandbaar materiaal. Ik heb in mijn natuur alles levend voor de zonde, ja, in zichzelf niets dan zonde. De verzoeking is de vonk aan het buskruit. De verzoeking is de fakkel aan de droge schoof. De verzoeking is de overspeler van middernacht die in innige omhelzing treedt met de kwaden van mijn hart, en door hun overspelige vereniging wordt de zonde verwekt, ontvangen en voortgebracht.
Ik spreek alleen over de natuurlijke neiging van de verzoeking zoals ze de kwaden van ons hart ontmoet. Ik zeg niet dat een kind van God ermee instemt, eraan toegeeft of erdoor wordt overwonnen. Maar hij wordt verzocht, wat meer zijn ellende dan zijn zonde is. De verzoeking zou geen uitwerking of invloed hebben als ik niet iets in mijn boezem had waarvoor de verzoeking volkomen geschikt was.
Had ik geen hoogmoed — geen ongeloof — geen trouweloosheid — geen hebzucht — geen lust — geen aanmatiging — geen moedeloosheid: dan zou verzoeking tot al deze dingen — tot hoogmoed — tot ongeloof — tot trouweloosheid — tot hebzucht — tot lust — tot aanmatiging — tot wanhoop — geen invloed op mijn geest kunnen hebben. Ze zou de naam verzoeking niet verdienen. Maar mijn natuur is een massa brandbaar materiaal, klaar om bij de zwakste vonk af te gaan wanneer verzoeking komt. Tenzij God ingrijpt, komen de vonk en het buskruit samen. En wat een vreselijke ontploffing zou er dan zijn, tenzij de buien van de hemel het kruit nat maken en de ramp voorkomen!
Er kan ware genade in het hart zijn
Er kan ware genade in het hart zijn — echt geloof, echte hoop en echte liefde — zelfs waar veel onwetendheid in het verstand is. Ik twijfel er niet aan dat er nu veel mensen zijn wier oordeel uiterst zwak is en wier gemoed over veel punten onvoldoende onderwezen is. Toch bezitten zij de vreze Gods en geloven zij in Zijn dierbare Zoon.
Gevoelde hulpeloosheid en volslagen ondergang
We moeten daadwerkelijk ontdaan worden van al onze eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid, opdat Christus bevindelijk en gevoelsmatig ons alles in allen is. Maar o, wat een ontkleding hebben we nodig om de lompen van zelfgerechtigheid die zo nauw aan ons kleven weg te trekken! Wat een zwaar werk om ons uit te putten van al onze eigen kracht en leeg te maken van onze eigen wijsheid! Wat een ontdekking na ontdekking van ons ellendig en rampzalig onvermogen is nodig om ons te brengen op die plaats van gevoelde hulpeloosheid en volslagen ondergang waarin Christus ons alles in allen wordt.
Een paradox en een schijnbare tegenstrijdigheid
Een christen is een paradox en een schijnbare tegenstrijdigheid, zowel voor zichzelf als voor anderen. Op het ene moment is niemand ernstiger, ijveriger, actiever, vuriger en meer gericht op elk goed woord en werk. Op een ander moment is hij zo lui, onverschillig, koud, levenloos en dood alsof hij geen greintje genade of vonk van geestelijk gevoel had.
Soms is hij zo waakzaam als een schildwacht tegenover een oprukkende vijand. Op een ander moment valt hij in slaap in de schildwachthut, overmand door vermoeidheid en loomheid. Soms is hij zo vervuld met de Geest van het gebed alsof hij de hemel met geweld zou innemen. Dan weer lijkt hij nauwelijks een ademtocht van gebed in zijn ziel te hebben.
Soms verfoeit en verafschuwt hij zichzelf in stof en as als uitermate snood, de allerergste en gemeenste van alle zondaars. Dan weer is hij opgeblazen door een gevoel van zijn eigen belangrijkheid alsof er geen heilige was als hij. Of, als hij predikant is, alsof er geen predikant was als hij in gaven, bekwaamheden en nut.
Soms zijn zijn genegenheden zo gericht op de dingen boven dat het lijkt alsof hij naar niets verlangt dan naar de tegenwoordigheid, liefde, gunst en heerlijkheid van God. Dan weer is zijn hart zo koud als ijs en zo dood als een steen. Soms drukken de dingen van de eeuwigheid zo zwaar en toch zo warm op zijn borst dat het lijkt alsof niets anders een gedachte waard is. Dan komen de zorgen en angsten van dit tegenwoordige leven in troepen binnen om zijn gemoed in beslag te nemen en hem tot de uiteinden van de aarde mee te voeren. Zo is de christen een tegenstrijdigheid voor zichzelf.
We moeten strijden
De dagelijkse bevinding van de christen is er een van strijd. We moeten strijden tegen de zonden die ons voortdurend belagen — de strikken en verzoekingen die elk ogenblik voor onze voeten worden gelegd — de dagelijkse, onophoudelijke invloed van een goddeloze wereld — juist die dingen waar ons vleselijk hart het meest van houdt — de werkingen en redeneringen van …


