Wat een ernstige gevoelens worden in het gemoed gewekt onder het besef van Gods tegenwoordigheid! Hoe maakt de tegenwoordigheid van de Heere de nacht tot dag, alles wat krom is recht en elke ruwe plaats vlak! Hoe verdrijft ze alle somberheid, zwaarmoedigheid en moedeloosheid die over de ziel hangen! Hoe klaart ze elke moeilijkheid op — en als de schijnende zon verdrijft ze de dampen en het duister van de nacht. Als er één ding is dat meer dan alles begeerd moet worden, dan is het dat de tegenwoordigheid van de Heere meer in ons hart gevoeld wordt!
Als ik mij met sneeuwwater was
Van nature weet de mens niets van de reinheid en de volmaaktheid van God, en evenmin van de diepe zondigheid en verdorvenheid van het schepsel. Er ligt een sluier over het hart van de mens — een sluier van onwetendheid, misleiding, ongeloof en zelfbedrog over de aard van de zonde. Niemand kent uit levende bevinding haar afschuwelijke aard — haar vreselijke diepten — haar sluwheid — haar werkingen — haar bewegingen — haar verlangens en haar lusten. Niemand kent de hoogten waartoe ze stijgt en de diepten waarin ze wegzinkt.
Maar wanneer de Heere de Geest een mens werkelijk en levend in handen neemt en Zijn soevereine genadewerk aan de ziel waarlijk begint, dan opent Hij voor de verbaasde ogen van de zondaar iets van de ware aard van de zonde. Hij toont hem niet alleen de enorme, hoge, wijd uitgespreide takken van de zonde. Hij laat hem ook neerkijken om te zien hoe diep de zonde in zijn wezen wortelt. De zonde is geen toevalligheid — geen vlek die zo weggewassen kan worden — niets aan de oppervlakte, als een huidziekte die met een eenvoudige zalf genezen kan worden.
Hij toont hem dat de zonde in zijn merg en been zit. Hij toont hem dat deze diepgewortelde kwaal hem in bezit heeft genomen en dat hij tot in de kern van zijn hart een zondaar is. Elke gedachte, elk woord en elke handeling van heel zijn wezen is één massa van zonde, vuil en bezoedeling.
Probeert hij dan, zoals de meeste wakker geschudde zondaars proberen, zichzelf te zuiveren? Probeert hij zijn schuld te verlichten door een paar uiterlijke takken af te snoeien en zichzelf van ongerechtigheid schoon te wassen? Dan leert de Geest hem de betekenis van Jobs woorden: Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen (Job 9:30-31).
Zo brengt God hem ten slotte op dit punt: dat hij van top tot teen een zondaar is. Ja, dat hij de voornaamste van de zondaars is, dat elk kwaad in zijn hart woont en dat het zaad van elke misdaad in zijn gevallen natuur huist. Wordt een mens hier gebracht, dan is hij gekomen op de plaats waar de monden worden gestopt. Zijn eigen gerechtigheid is volkomen aan stukken gesneden en zijn hoop op zaligheid door zijn werken is hem helemaal ontnomen. Die vermolmde steunpilaren worden door de hand van de Geest onder de zinkende ziel weggesneden, zodat hij in zichzelf neerstort als één massa van verwarring en ondergang.
En totdat hij hier gebracht is, kan hij werkelijk niets weten van een zaligheid uit vrije genade. Hij weet niets van het overvloediger zijn van de genade dan de overvloed van de zonde, niets van Gods verkiezende liefde, niets van Christus’ plaatsvervanging en borgtocht, niets van Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid en Zijn stervende liefde. Hij kan niets weten van de rijke voorzieningen van almachtige kracht en eeuwige barmhartigheid die in de volheid van Christus zijn neergelegd.
Hij heeft geen ogen om te zien, geen oren om te horen, geen hart om te voelen en geen armen om een hele Christus te omhelzen: een kostbare Christus, een Zaligmaker van de komende toorn. Hij heeft in de plaats van de zondaar gestaan en volkomen verzoening voor de zonde gedaan. Hij heeft de wet vervuld, een eeuwige gerechtigheid aangebracht en de goddeloze gerechtvaardigd!
De onophoudelijke strijd
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
Een van de dingen die de zielen van Gods gezin terneerdrukken is de onophoudelijke strijd die ze moeten voeren. Het is de strijd tussen het verlangen om onder Gods leiding te leven en het verlangen om te leven naar de loop van deze wereld. Met andere woorden: de strijd tussen natuur en genade, tussen de geest en het vlees, drukt de ziel steeds terneer naar de mate van de hevigheid van de worsteling.
Telkens opnieuw verslagen worden in al onze pogingen om het goede te doen — zoals we elk uur verslagen worden — moet dat de ziel niet terneerdrukken?
We ontdekken dat de vleselijkheid van ons hart voortdurend elk verlangen dwarsboomt dat in onze borst opkomt om hemels en geestelijk gezind te zijn, Gods Woord te genieten, Zijn tegenwoordigheid te voelen en tot Zijn eer en heerlijkheid te leven. En de vloed van vleselijkheid en bezoedeling drukt voortdurend elk geestelijk verlangen in het hart neer. Moet dat de ziel niet terneerdrukken die niets zozeer begeert als te leven onder het besef van Gods tegenwoordigheid en gunst?
En dat deze strijd voortdurend en onophoudelijk is, dat we er zo weinig rust van hebben, dat hij niet slechts nu en dan woedt maar min of meer — naar de diepte van de godvruchtige vreze — altijd in onze ziel gaande is: moet dat de arme ziel die erdoor getroffen wordt niet terneerdrukken? Mij drukt het in elk geval dag na dag terneer, en soms uur na uur, dat ik zo’n onophoudelijke en voortdurende strijd voel tussen wat in ons geestelijk, hemels en heilig is en wat in ons aards, vleselijk, zinnelijk en duivels is!
De Heere zendt tegenspoed met een bijzonder doel
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
De vele tegenspoeden die het volk van de Heere moet doormaken zijn een van de oorzaken waarom hun zielen terneergedrukt zijn. En de Heere bedoelt dat deze dingen hen terneerdrukken. Als de Heere tegenspoed zendt, bedoelt Hij dat die een bepaald werk doet. We zijn hoog — tegenspoed wordt gezonden om ons laag te brengen. We zijn hoogmoedig — tegenspoed is bedoeld om te vernederen. We zijn werelds — tegenspoed is bedoeld om deze wereldse geest uit ons te zuiveren. We zijn vleselijk — tegenspoed wordt gezonden om deze vleselijkheid te bedwingen.
We dwalen vaak van de Heere af op zijpaden — tegenspoed is bedoeld om ons te brengen op het enge en smalle pad dat naar de heerlijkheid leidt. Nu zendt de Heere tegenspoed met een bijzonder doel. Dit doel is de ziel terneer te drukken — zodat Hijzelf de eer heeft haar op te richten!
De grootste last en beproeving
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
Een van de grootste lasten en beproevingen voor het kind van God — zo niet de grootste — is de dagelijkse, uurlijkse, minutieuze en ogenblikkelijke werking van de zonde. Het overspelige oog, het zwervende hart, de bezoedelde verbeelding, de voortdurende stroom van ongerechtigheid die elk woord en elke gedachte, elk gevoel en elk verlangen bezoedelt — dit is en moet een last voor de ziel zijn. Het is dat juist naar de mate waarin de vreze Gods leeft en werkt in het geweten van een mens.
En telkens wanneer de zonde de overhand over ons krijgt, al is het maar voor korte tijd, volgt de schuld even zeker als de schaduw de zon. (Ik spreek hier niet noodzakelijk over grove zonden of uiterlijke vallen. Want de zonde streeft er in een of andere vorm voortdurend naar binnen te heersen waar ze buiten niet heerst.) Maar ook waar de zonde de overhand niet krijgt, voelen zij wier geweten teder is in Gods vreze voortdurend de werkingen van hoogmoed — huichelarij — aanmatiging — zelfgerechtigheid — vleselijke begeerten — vuile lusten — wereldgezindheid. Ze voelen alles wat hatelijk en laag is in de ogen van een heilig God.
Merken we niet voortdurend hoe de verzoeking ondanks al onze wensen en alle voornemens die we daartegen maken ogenblikkelijk de brandbare stoffen in brand steekt die we in ons dragen? En wat een vreselijke vlam slaat er soms uit in onze vleselijke gezindheid? Deze dingen brengen, daar ben ik zeker van, schuld, schaamte en droefheid over elk geweten dat levend gemaakt is om God te vrezen. En naar de mate van de diepte en de werking van de godvruchtige vreze in de ziel van een mens zal de last van de zonde van tijd tot tijd op zijn geweten drukken.
Zo’n arm, blind, onwetend schepsel als ik
Wie zichzelf kent door goddelijk onderwijs en een glimp van de toekomstige zaligheid en heerlijkheid heeft gezien, zal vaak bij zichzelf redeneren: hoe zal zo’n arm, blind, onwetend schepsel als ik ooit het hemelse erfdeel binnengaan en de beloofde rust genieten? Ik ben omringd door zoveel vijanden — gedrukt of bedrogen door zoveel verzoekingen van de satan — belaagd door de werkingen van een verdorven natuur!
Om in de hemel te komen moeten we door moeilijkheden, onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden heen waden. We zullen belemmeringen, hindernissen en obstakels tegenkomen. En toch is voor de christen de genade overvloediger dan al de overvloed van de zonde en brengt ze hem veilig aan in de heerlijkheid!
Veel gepraat over godsdienst
Hoevelen verwarren de “gedaante van de godsdienst” met de kracht ervan! Hoevelen verwarren “leerstukken die in het hoofd zijn geleerd” met het onderwijs van de Geest in de ziel! Er wordt veel over godsdienst gepraat. Maar hoe weinigen weten iets van wat ware godsdienst is, van het geheim van levende godzaligheid, van het innerlijk onderwijs en de werkingen van de Geest aan het hart!
Velen spreken vlot genoeg over leerstukken en over de gezegende waarheden van het evangelie. Maar wat kunnen louter leerstukken mij baten, tenzij ze op mijn hart verzegeld zijn en met goddelijke kracht op mijn geweten worden toegepast? Zonder dit kunnen de grootste waarheden mij geen goed doen.
Maar wanneer de Heere ons laag brengt, ons in de smeltkroes zet en ons door de wateren sleept, dan toont Hij ons dat ware godsdienst en levende godzaligheid iets diepers is, iets geestelijkers en iets bovennatuurlijkers. Ze bestaat meer in het onderwijs van God de Heilige Geest en Zijn werking aan het hart dan we ooit hadden gedroomd voordat we aan de beproeving begonnen. We hadden misschien de helderste inzichten in de leer, en toch waren dit maar “vage voorstellingen die in het hoofd zweefden” voordat we in de smeltkroes kwamen.
Maar deze dingen worden nu in een ander licht gezien en op een geheel andere wijze gevoeld. Wat eerst slechts een leerstuk was, wordt nu een zekere waarheid. En wat eerst slechts een gezond gevoelen was, is nu verzegeld als een levende werkelijkheid in de bevinding.
Zo ontdoet de Heere ons, terwijl Hij ons in het stof brengt, van onze “louter verstandelijke, leerstellige godsdienst”. Hij begint voor ons hart de ware aard van levende godzaligheid te openen. Ze is iets dieper, iets geestelijker, iets krachtiger en iets bevindelijker dan alles wat we tot nu toe kenden. Ze bestaat in het onderwijs en de leiding van God de Heilige Geest in het geweten.
Zodra dit gevoeld wordt, ontdoet het een mens van alles wat hij in het vlees heeft geleerd en brengt het hem neer tot in het stof van de dood. En eenmaal daar gebracht, opent de gezegende Geest de waarheden van het evangelie op een manier die hij nooit eerder had gekend.
Velen kennen de waarheid naar de letter, maar hoe weinigen door het onderwijs en de werkingen van God de Heilige Geest in het hart! Ze hebben gezonde opvattingen over de weg van zaligheid, maar die is nooit met machtige kracht in hun ziel uitgewerkt. Ze hebben heldere hoofden, maar hun harten zijn niet gebroken tot berouw en godzalige droefheid. Hun verstand is goed onderwezen in de waarheden van het evangelie, maar die waarheden zijn niet meegedeeld door de zalving van den Heilige.
Totdat een mens de leegheid van een louter belijdenis inziet en zijn vrije wil weggestript en weggezuiverd ziet — totdat hij uit die lege godsdienst die zo algemeen gangbaar is wordt gebracht en tot nederigheid wordt gebroken aan de voetbank van goddelijke barmhartigheid — zal hij de kracht, de werkelijkheid, de zoetheid en de zaligheid van de overweldigende liefde van God niet voelen. Die liefde wordt in het evangelie getoond.
Totdat de ziel zo ontbloot is en het vat zo geleegd, kunnen deze dingen niet gekend worden. Ze is dan ook niet in staat de heerlijke rijkdommen van vrije genade te ontvangen. Totdat de slakken en het tin uit het hart verwijderd zijn, kan het zuivere metaal niet glanzen. Totdat dit kaf weggeblazen is, ligt de tarwe als een verwarde massa op de dorsvloer. De Heere zal daarom Zijn werk in het hart beproeven. Want Hij is een ijverig God en zal Zijn eer aan een ander niet geven. Hij behoudt Zich Zijn voorrecht van soevereine barmhartigheid en van ten volle zalig maken.
Dit heilige onderwijs
Alle kinderen van God worden vroeg of laat op dit punt in hun bevinding gebracht. Ze leren allemaal hun eigen zondigheid, onwetendheid en hulpeloosheid kennen. En wanneer hun ogen zo met ogenzalf zijn gezalfd om hun eigen ellende te ontdekken, openbaart dezelfde zalving van den Heilige hun wat Christus heeft gedaan om hen daarvan te redden!
Door dit heilige onderwijs leren ze hun eigen ongerechtigheid en Zijn verzoenend bloed. Ze leren hun ellende en de zaligheid en gelukzaligheid die in Hem zijn weggelegd! En wanneer deze twee uitersten elkaar ontmoeten in de levend gemaakte ziel, wordt ze in één en hetzelfde ogenblik gebracht om, terwijl ze zichzelf vernedert, de Heere van leven en heerlijkheid te verhogen. En terwijl ze zo wegzinkt in de diepte van schepselsellende, leert ze alleen in de Heere Jezus te roemen als haar alles in allen.
Wanneer het oog geestelijk is geopend
Wanneer het oog geestelijk is geopend om de heerlijkheid van Jezus te zien, volgt het Hem als een lijdende Middelaar naar Golgotha. Daar aanschouwt het Hem als een gekruisigde Jezus, als het Lam van God dat onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout draagt. En terwijl het kind van God door het geloof opziet naar het bloedende Lam, verlangt het naar een geestelijke openbaring en bevestiging van het geheimenis van het kruis aan zijn hart. En doordat deze stervende liefde in zijn ziel binnenkomt, kan hij begrijpen hoe breed, hoe lang, hoe hoog en hoe diep de liefde van Jezus werkelijk is!
Alleen de stervende liefde van Christus, geestelijk gevoeld en verwezenlijkt, kan de ziel van de wereld spenen en de dingen van tijd en zinnen in hun ware licht doen verschijnen: gestempeld met ijdelheid en kwelling des geestes. De stervende liefde van Christus, aan de ziel geopenbaard, is ook het enige dat ons Jezus kan doen liefhebben en Hem met een vast voornemen van het hart doet aanhangen. Niets dan de stervende liefde van Jezus kan ons bereid maken de wereld te verlaten en afstand te doen van de dingen van tijd en zinnen, zodat we voor eeuwig bij de Heere zullen zijn.
Wanneer de Heere Jezus in Zijn beminnelijke betrekkingen aan de ogen van het geestelijk verstand wordt voorgesteld, vloeit het geloof naar Hem uit, verankert de hoop zich in Hem en grijpt de liefde Hem stevig vast zoals Hij zo wordt geopenbaard. Zo worden vurige verlangens en innige begeerten in de ziel ontstoken om Hem bevindelijk in al deze betrekkingen te kennen en hun zoetheid en kracht innerlijk te verwezenlijken!
Elk ander voorwerp van begeerte en genegenheid vervaagde
Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen (Filippenzen 3:8)
God heeft door een geheim en krachtig werk in Paulus’ geweten niet alleen al zijn vleselijk vertrouwen neergeworpen. Hij heeft hem niet alleen geheel ontdaan van zijn natuurlijke godsdienst en hem de leegte getoond van elke hoop waarop hij zo teder had vertrouwd. Hij heeft ook aan zijn verstand een kostbare Zaligmaker geopenbaard en in zijn ziel bekendgemaakt. Zo trok Hij alle genegenheden van zijn hart uit en richtte ze geheel en alleen op Jezus.
Paulus zag toen met het oog van het geloof zo’n beminnelijkheid en kostbaarheid in Christus dat elk ander voorwerp van begeerte en genegenheid vervaagde. De doelen en bezigheden die hem eens zijn rijkste winst leken, kon hij nu niet meer met vreugde nastreven. Ze zonken geheel in zijn schatting en ijdelheid en leegte waren erop gestempeld. Hij achtte ze als volslagen schade om de uitnemendheid der kennis van Christus.
Heilig verlangen en intense begeerten
Opdat ik Hem kenne (Filippenzen 3:10)
Er kan geen ernstig verlangen zijn om Christus te kennen en geen heilig hijgen naar een geestelijke openbaring van Hem zolang het hart wereldse dingen najaagt. Maar wie geestelijk onderwezen is, hijgt soms van heilig verlangen en intense begeerte om Jezus te kennen. Hij verlangt dat Jezus zou neerdalen in Zijn hemelse kracht, in al Zijn zoetheid en geschiktheid, en Zijn intrek zou nemen in zijn ziel en haar zou vormen naar Zijn eigen beeld en gelijkenis.
God wil alle eer hebben!
Mijn eer zal Ik geen anderen geven (Jesaja 42:8)
God wil alle eer voor Zichzelf hebben! Maar u en ik zijn zulke lage ellendelingen dat we de Heere Zelf van Zijn eer zouden beroven als Hij ons niet anders leerde. Opende Hij ons de diepte van onze verdorvenheid niet en toonde Hij ons de verdorvenheid niet die in onze vleselijke gezindheid schuilt en werkt — bedekte Hij ons gezicht niet met schaamte — zette Hij ons niet in de smeltkroes om onze hoogmoed uit te branden — sleepte Hij ons niet door het water om onze huichelarij te verdrinken — maakte Hij ons niet nederig onder een dagelijks besef van onze broosheid en zwakheid: dan zouden we al gauw naast de Heere op dezelfde troon willen zitten en de heerlijkheid van de zaligheid met Hem willen delen!
Uw grootste zoetigheden
We merken vaak dat juist die tijden waarin Gods volk denkt dat het slecht met hen gaat, de tijden zijn waarin het in werkelijkheid goed met hen gaat. En omgekeerd: soms denken ze dat het goed met hen gaat, en dan gaat het in werkelijkheid slecht. Wanneer hun ziel bijvoorbeeld gebukt gaat onder moeite, lijkt het hun vaak dat het slecht met hen gaat. Gods hand lijkt tegen hen uitgegaan te zijn in moeite, droefheid en ellende.
Maar deze moeiten spenen hen van de wereld. Gingen hun hart en genegenheden uit naar afgoden, dan brengen deze moeiten hen daar middellijk van terug. Hieuwen ze gebroken bakken uit, dan slaan deze moeiten die aan stukken. Stelden ze afgoden op en bogen ze zich daarvoor in de binnenkamers van hun afgodenbeelden, dan slaan ellende en moeite die voor hun ogen aan stukken, nemen hun goden weg en laten hen geen toevlucht dan de Heere, de almachtige God.
Als u maar terugkijkt, zult u vaak zien dat uw grootste zoetigheden zijn voortgekomen uit uw grootste bitterheden en dat de grootste zegeningen zijn voortgevloeid uit de grootste ellende. Wat u op dat moment uw grootste verdriet leek, daarin zult u merken dat het helderste licht is opgegaan in de zwartste duisternis. De Heere heeft Zichzelf nooit zo kostbaar gemaakt als op het moment dat u het diepst gezonken was en zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht. Zodat een kind van God dat denkt dat het er zeer slecht aan toe is, omdat het beladen is met droefheid, verzoekingen en ellende, er nooit zo goed aan toe is.
Zo’n verborgenheid
Ware godsdienst is zo’n verborgenheid. Als we denken dat het goed met ons gaat, gaat het vaak slecht. Als we denken dat het slecht met ons gaat, gaat het vaak goed. Als we denken dat we nu op een gemakkelijk, effen en comfortabel pad zijn gekomen, leidt het ons dan verkeerd. Zeggen we: het pad is zo ruw en ingewikkeld, we zijn zo verlegen en kunnen de weg zo weinig zien dat we vrezen helemaal van het spoor te zijn — dan is het juist de tijd dat de Heere ons op de rechte weg leidt!
Soms voelen we: we zijn zo zwart en bezoedeld, zulke vreselijke zondaars, zulke afschuwelijke schepselen dat de Heere niet naar ons kan kijken! Dat is juist het ogenblik waarop Hij ons hart kan toelachen! Als we denken dat we razendsnel vorderen in geestelijkheid en heiligheid, wonderlijke vorderingen maken in het goddelijk leven en bijna de top van “schepselsvolmaaktheid” bereiken, ontdekken we door een vreselijke innerlijke misstap dat we op het verkeerde pad zijn en door zelfgerechtigheid en farizeïsche hoogmoed zijn afgeleid.
Zo komen we ten slotte tot dit punt: we hebben geen eigen wijsheid om de weg te zien en geen kracht om in de weg te wandelen als hij gezien wordt. We moeten bij elke stap door de Heere Zelf geleid worden. En zo zinken we weg in schepselsnietigheid en schepselsleegte. We voelen in ons hart, onze lippen of ons leven niet meer verdienste waarom God ons zou zaligmaken dan er in de satan zelf is. En zo zinken we zo laag dat niemand dan God Zelf ons kan oprichten. En dit is juist de tijd waarop God gewoonlijk verschijnt en Zijn barmhartigheid, liefde en genade op de meest bijzondere wijze toont!
Nu is het door het bewandelen van dit beproevende pad dat we onze volkomen ondergang leren kennen en Gods zaligheid leren waarderen. De kracht van de zaligmakende waarheid wordt alleen gewaardeerd door hen die God zo onderwijst. Anderen zijn tevreden met “schaduwen”, maar zij die diep geoefend zijn in hun gemoed moeten “het wezen” hebben. Wie hun valse toevluchten vernietigd zien, hun leugenachtige hoop verbroken en duizend moeilijkheden en verlegenheden om zich heen, verlangen — wanneer de Heere de ogen opent en Zijn waarheid voor hen brengt — naar de kracht en de toepassing van die waarheid aan hun hart.
Niets bevredigt hen dan de zalving van de Geest en de dauw van Gods kracht en tegenwoordigheid die op hun ziel rust en erin gevoeld wordt. Ze kunnen zich niet langer tevredenstellen met de louter vorm. Ze kunnen niet langer voor hun zaligheid rusten op enkele voorstellingen en hun eeuwig alles niet langer laten hangen aan de goede mening van het schepsel. En zo leren ze door dit pijnlijke werk in hun ziel dat ze niet meer godsdienst hebben dan God in hen werkt. Ze leren dat ze alleen kunnen weten wat God hen leert en alleen kunnen hebben wat Hij hun meedeelt. En ze leren dat ze geheel en uitsluitend van Hem afhankelijk zijn om hen elk ogenblik van hun leven te leiden en te bewaren!
Wereldse mensen verachten hen inderdaad en louter belijders haten hen. De duivel kwelt hen en hun namen worden over het algemeen als kwaad verworpen. En de algemene naastenliefde, die van iedereen het beste denkt, heeft voor hen geen enkel goed woord! Dat ze zo’n verborgenheid zijn voor anderen is geen wonder, als ze zo’n verborgenheid zijn voor zichzelf. Hoe ze volharden kunnen ze niet zeggen. Maar ze merken dat ze zich niet kunnen bewegen tenzij God hen beweegt.
Hoe ze bidden is een verborgenheid, en toch voelen ze op tijden de geest van het gebed levend in hun boezem. Hoe hun zielen blijven pleiten en wachten op de Heere aan de voetbank van Zijn barmhartigheid is een verborgenheid, en toch kunnen ze niet ontkennen dat dit de bevinding van hun hart is. Zodat wanneer ze kijken naar de weg waarop de Heere hen van begin tot einde heeft geleid, het één onbegrijpelijke verborgenheid is!
Waarom God hen in Christus heeft uitverkoren is een verborgenheid. Waarom Hij hun zielen levend heeft gemaakt toen ze dood waren door de misdaden en de zonden is een verborgenheid. Waarom Hij een gevoel van berouw in hun hart heeft gewrocht is een verborgenheid. Waarom Hij hun een gevoel van Zijn liefde heeft gegeven is een verborgenheid. Waarom Hij hen heeft bewaard voor dwaling terwijl duizenden erin verstrikt zijn geraakt is een verborgenheid.
Waarom Hij hen dag aan dag en uur aan uur bewaart is een verborgenheid. Hij staat niet toe dat ze Zijn zaak te schande maken, Zijn waarheid verloochenen, Hem de rug toekeren of naar de wereld gaan. En toch ontdekken ze dat ze al deze dingen hebben en zijn — zodat de grootste verborgenheid van alles is dat ze zijn wat ze zijn!
Zo gaat het hun goed, omdat God ervoor zorgt dat het hun goed gaat. Hij beheert al hun zaken. Hij waakt over hen bij nacht en bij dag. Hij begiet hen voortdurend. Hij leidt en voert hen totdat Hij hen thuisbrengt in Zijn hemels koninkrijk!
Zonder levende godzaligheid
Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben (2 Timotheüs 3:5)
Niets is zo bedrieglijk als een gedaante van godzaligheid te hebben terwijl de kracht ervan wordt verloochend. Niets is zo misleidend als een “naam te hebben dat men leeft” terwijl de ziel dood is voor God. Als er één huichelachtig mens is die de man van God moet aanwijzen, dan is het hij die met een belijdenis zonder levende godzaligheid is. Hij heeft de “gedaante van de leerstellige waarheid in het oordeel”, maar heeft nooit “de kracht van die waarheid in zijn ziel” ervaren, die hem in het stof vernedert en hem opricht tot een geestelijke kennis van Jezus Christus.
Onze verloren, ondergegane staat
Mijn ziel kleeft U achteraan (Psalm 63:9)
Genade past alleen bij hen die volkomen schuldig en vuil zijn. Totdat we goddelijk verlicht worden om onze verloren, ondergegane staat te zien en geestelijk levend gemaakt worden om die te voelen, zijn we tevreden met de dingen van tijd en zinnen. Ons hart is in de wereld en onze genegenheden zijn gevestigd op de arme vergankelijke ijdelheden die snel voorbijgaan. En er is geen enkel geestelijk verlangen of hemels smachten in de ziel.
Innerlijke sieraden
Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God (1 Petrus 3:3-4)
O, wat een wijs onderricht geeft de apostel aan die vrouwen en dochters die godzaligheid belijden! En hoe waarschuwt hij hen ervoor zich te tooien als de dochters van Belial en de vrouwen van Kanaän te volgen in hun liefde voor opzichtige en modieuze kleding — terwijl ze de innerlijke sieraden van de Geest minachten, zoals vriendelijkheid, zachtheid, zachtmoedigheid en nederigheid! Maar hoeveel beter zijn deze innerlijke sieraden die de Geest van God in het hart legt! En hoeveel liefelijker zien ze er geestelijk getooid uit dan wanneer ze beladen waren met al de opschik waarmee de dochters van Belial zich tooien!
Een kostbare, zaligmakende bevinding
Een kostbare, zaligmakende bevinding komt voort uit het onderwijs van God in de ziel en het werk van de Heilige Geest aan het hart. Elke overtuiging van zonde die voortkomt uit de innerlijke overtuigende werkingen van de Geest is kostbaar, omdat ze het handwerk van God is. Elke zucht, elke roep, elke kreun, elke traan, elke eerlijke en nederige belijdenis voor God van wat we geweest zijn en zijn is kostbaar. Ze is door goddelijke kracht in de ziel gewrocht en het gevolg ervan is zaligheid.
Elke zoete openbaring van de Zoon van God aan de ziel is kostbaar. Dat geldt voor elke glimp, blik, straal of aanblik van Zijn heerlijke Persoon door het geloof — elk schijnen van het licht van Zijn aangezicht — elke toepassing van Zijn Woord met kracht — elke fluistering van Zijn hemelse liefde — elke trekking van Zijn goddelijke genade — elke toepassing van Zijn kostbare waarheid op het hart. Ze komt van God en leidt tot God. Ze is het werk van de Heilige Geest en bereidt de ziel voor op de eeuwigheid. Ze is een juweel van Gods eigen gave.
Zelfs de vernederingen die we onder de hand van God ervaren zijn kostbaar, omdat ze Zijn gave en werk zijn. Dat geldt voor het breken van een hard hart, het zacht worden van een onbuigzame geest en het smelten van de ziel onder de adem van de Heere. Het geldt ook voor het uitgaan van smeking, belijdenis en verlangen tot de God van al onze barmhartigheden om op ons te zien en ons te zegenen. Alles wat uit onszelf wegbrengt — tot de Heere trekt — de zonde hatelijk maakt — Jezus kostbaar maakt — de wereld onder onze voeten legt — ons de overwinning geeft over de zonde — ons speent van de liefde tot onszelf en de Heere Jezus kostbaar maakt: dat moet een kostbare bevinding worden genoemd!
Ze willen en kunnen het niet opgeven
De genade roept ons uit de wereld, uit de liefde tot haar en haar geest. Maar waar geen wedergeboortegenade is, kleeft de wereld zo vast aan het hart van mensen dat ze haar niet willen en niet kunnen opgeven. Ze rusten in de wereld en in de voldoening die ze geeft. Anderen worden verhard door het bedrog van de zonde. De satan spreidt zijn strikken voor hun voeten: een laaghartige lust, een gemeen plan, een hebzuchtig plan, een heimelijk plan dat hij heeft bedekt met een lokaas dat precies past bij hun gevallen natuur. Hij spreidt het voor hun voeten en ze raken verstrikt, overwonnen en verhard door het bedrog van de zonde!
O, bezoek mij
bezoek mij met Uw heil (Psalm 106:4)
Hoe wordt een mens gebracht en geleerd te willen “bezocht worden” met Gods zaligheid? Hij moet eerst iets van veroordeling kennen. Zaligheid past alleen bij de veroordeelden. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was — en daarom past zaligheid alleen bij de verlorenen. Een mens moet verloren zijn — volkomen verloren — voordat hij Gods zaligheid kan waarderen. En hoe raakt hij verloren? Doordat hij al zijn godsdienst verliest, al zijn gerechtigheid, al zijn kracht, al zijn vertrouwen, al zijn hoop en alles wat uit het vlees is. Hij verliest het doordat het hem wordt ontnomen en door de hand van God wordt weggestroopt.
Een mens die in deze staat van volslagen bedelarij en totaal bankroet wordt gebracht — om niets te zijn, niets te hebben en niets te weten — is de mens die in de nachtwaken, in zijn eenzame uren, bij zijn haard en soms bijna dag en nacht om de openbaring van Gods zaligheid aan zijn ziel roept en kermt. Hij smeekt, pleit, zoekt en bidt: bezoek mij met Uw heil!
Hij heeft een bezoek van God nodig! Hij wil dat God komt en bij hem woont — Zijn intrek neemt in zijn hart — Zich aan hem ontdekt — Zich openbaart en bekendmaakt — bij hem aanzit — met hem eet — met hem wandelt — en in hem woont als zijn God. En een levende ziel kan met niets minder tevreden zijn. Hij moet een bezoek hebben.
Het baat hem weinig in het Woord van God te lezen wat God aan Zijn heiligen van ouds deed. Hij wil iets voor zichzelf, iets dat zijn ziel goed zal doen. Hij wil iets dat hem zal opvrolijken, verkwikken, troosten, zegenen en baten, zijn lasten zal wegnemen en zijn ziel tot vrede zal brengen. En daarom wil hij een bezoek: dat de tegenwoordigheid en de kracht, de barmhartigheid en de liefde van God zijn ziel zouden bezoeken.
Het Woord in de handen van de Geest
Ware en zaligmakende godsdienst is het werk van de Heilige Geest die door het Woord op het hart werkt. Hij geeft ons geloof door de toepassing van het Woord, wekt hoop op door de kracht van het Woord en stort liefde uit door de waarheid van het Woord met kracht in de ziel te brengen. Het Woord heeft in de handen van de Geest een verlichtende kracht, een levendmakende invloed, een doordringende energie, een goddelijke kracht en een onoverwinnelijke macht die het in de binnenste diepten van de ziel brengt.
Deze bijzondere en onoverwinnelijke kracht onderscheidt het werk van de Geest van alle werk van het vlees. Het werk in hen die slechts een tijdlang geloven is oppervlakkig, ondiep en uiterlijk. Er is geen doordringen met goddelijke kracht, zodat de mens in de diepten van zijn hart verandert, vernieuwd wordt in de geest van zijn gemoed en een nieuw schepsel in Christus wordt.
Vrij van haar macht en invloed
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken (Johannes 8:32)
Van nature zijn we in slavernij aan de wereld. Maar een zaligmakende kennis van de waarheid brengt vrijheid van de wereld en al haar verleidelijke bekoringen, haar ijdele aantrekkelijkheden, haar zinnelijke genoegens, haar knagende zorgen, haar zwoegen en haar angsten. Ze bevrijdt de ziel van het verstrikt, overwonnen en overladen worden door deze dingen alsof ze ons alles waren. We hebben nog met de wereld te maken. We moeten er dagelijks mee bezig zijn. Maar de waarheid zal u zoete vrijheid ervan geven.
U zult niet wandelen met de mensen van de wereld, het gezelschap van de wereld niet liefhebben en niet verstrikt raken in de liefde tot de wereld. Want de waarheid in haar zuiverheid en kracht, toegepast op uw hart, maakt u vrij van haar macht en invloed. Er is geen heilige vrijheid dan de vrijheid die voortkomt uit de gezegende invloed en werkingen van de Heilige Geest op het hart, die het Woord van God met kracht op de ziel toepast. Dit geeft ware vrijheid, brengt echte vrijheid in de ziel en bevrijdt haar van die slavernij waarin we zo vaak moeten wandelen.
Het is zwaar werk om ons vuil te laten verwijderen
van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezechiël 36:25)
Het is zwaar werk om ons vuil te laten verwijderen en het duurt vaak lang. Dat gebeurt misschien te midden van veel verzet en opstandigheid tegen zulke vernederende handelingen. Maar vroeg of laat zullen we ernaar smachten de voelbare tegenwoordigheid van de Heere in onze ziel te hebben. Dan zullen we voelen dat er, voordat we haar kunnen verwezenlijken, een plechtig berouw en een eerlijke belijdenis van zonde moet zijn. We moeten als arme schuldige zondaars, in ons eigen geweten veroordeeld, voor God neervallen.
We staan zolang we kunnen op onze eigen benen en rusten zolang we kunnen op iets in onszelf. Maar al dit zelfvertrouwen en alle zelfgerechtigheid moeten vroeg of laat neer en moeten wijken. Het kan jaren duren, met beproeving op beproeving, ellende na ellende en verzoeking na verzoeking. De Heere brengt ons ertoe plat voor Hem neer te vallen in het stof van zelfvernedering, zonder enige hoop dan in Hem.
Maar wanneer Hij het vuil van hoogmoed, zelfgerechtigheid, schepselskracht en alle andere kwaden heeft weggezuiverd en er niets in de ziel is overgebleven dan de as van het eigen ik, kunnen we plat voor God neervallen met onze mond in het stof. Dan zal Hij komen — zacht en zoet komen over alle heuvels en bergen van onze zonde en schande — en Zijn voelbare tegenwoordigheid aan onze zielen openbaren.
Uw geld
dat gij uws zelfs niet zijt (1 Korinthe 6:19)
Uw geld is niet van uzelf. U mag het niet zomaar uitgeven zoals u wilt, zonder weerhouden te worden door uw geweten, zonder beteugeld te worden door godzalige vreze en zonder uzelf af te vragen hoe ver u het goed besteedt. U moet zijn als een vrek die elke shilling bekijkt voordat hij ervan afscheid neemt. Zo moet elke shilling door een christen zorgvuldig en nauwkeurig bekeken worden: wordt hij besteed tot eer en heerlijkheid van God of niet?
Ik geef toe dat dit ons zeer strak lijkt te binden. Dat is misschien een reden waarom het volk van God meestal zo kort wordt gehouden dat het heel weinig losse middelen heeft om naar believen te besteden. Maar zelfs als we een redelijk inkomen hebben, of misschien meer dan een redelijk inkomen, kunnen we — als we onder goddelijke invloeden en evangelieverplichtingen staan — het geld niet hierheen en daarheen werpen om het vlees te behagen en te bevredigen. We kunnen er het lichaam niet mee tooien in dure kleding, voor onszelf of onze kinderen, en het huis niet mee versieren met nieuw en onnodig meubilair. Dat is niet de verplichting van de evangeliegenade.
Uw geld is niet van uzelf als u een christen bent. U bent slechts een rentmeester. Hebt u veel, dan bent u des te verantwoordelijker voor het juiste gebruik ervan. Hebt u weinig, dan bent u nog steeds rentmeester over dat weinige.
Een slavernij die te bitter is voor ons trotse hart om te dragen!


