Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Afgoderij: de geschiedenis van een afgod, haar opkomst, heerschappij en voortgang

Afgoderij zit diep in het menselijk hart en bestaat ook nu, al is de vorm veranderd. Philpot laat zien hoe alles wat de plaats van God inneemt een afgod wordt, en dringt aan op eerlijk zelfonderzoek.

Afgoderij is een zonde die zeer diep in het menselijk hart is geworteld. Wij hoeven niet ver te zoeken om daarvan de meest overtuigende bewijzen te vinden. Dat getuigt de ervaring van elke eeuw en van elk werelddeel. Maar wij vinden het bewijs ook waar wij het het minst zouden verwachten: de heersende zonde van een volk dat de grootst mogelijke bewijzen had gekregen van de goddeloosheid en dwaasheid ervan. Dat volk had de sterkste getuigenissen van het bestaan, de grootheid en de macht van God.

Het verbaast ons soms bij het lezen van de geschiedenis van Gods oude volk, zoals die in de geïnspireerde bladzijden is opgetekend. Na zulke wonderbaarlijke en herhaalde openbaringen van Zijn tegenwoordigheid, heerlijkheid en majesteit bleven zij zich telkens weer buigen voor stokken en stenen. Zij hadden alle plagen van Egypte gezien en waren door een uitdrukkelijk wonder door de Rode Zee getrokken. Zij leefden dagelijks van het manna dat uit de hemel viel en van het water dat uit de rots stroomde. Zij hoefden overdag alleen maar omhoog te kijken om de wolkkolom te zien en ‘s nachts de vuurkolom, die de aanwezigheid van Jehova in hun midden toonden.

Toch vielen zij neer voor een gouden kalf, omdat Mozes talmde om van de berg af te komen. Zij zeiden: Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben (Exodus 32:4). Dat vervult ons inderdaad met verbazing.

Deze zonde brak telkens weer bij hen uit, door hun hele geschiedenis heen tot de Babylonische ballingschap. Zij deden dat ondanks alle waarschuwingen van hun profeten, alle verschrikkelijke oordelen van God en al hun herhaalde gevangenschappen. En zij deden het ondanks hun herhaalde verlossingen, die veel eerder dit kwaad hadden kunnen genezen. Als er al ander bewijs ontbrak, toont dit dat het een ziekte is die diep ingeworteld zit in de hele gesteldheid van de gevallen mens.

Als dat zo is, en tenzij de menselijke natuur is veranderd, waarvoor noch de Schrift noch de ervaring enig bewijs geeft, dan moet de ziekte nu even sterk in het hart van de mens zitten als ooit. Zit zij er, dan moet zij zich ook tonen. Een ziekte die tot de aard van de mens behoort kan immers niet in de ziel zijn zonder zich te vertonen, evenmin als er ziekte in het lichaam kan zijn zonder zichtbare verschijnselen.

Het is waar dat de ziekte niet precies in dezelfde vorm uitbreekt. Het is waar dat men nu geen gouden kalveren meer aanbidt, of het kalf in elk geval niet, als het goud maar wel wordt aangebeden. Ook vereren protestanten geen beelden van hout, koper of steen. Maar het is buiten alle tegenspraak waar dat rang, bezit, mode, eer en de mening van de wereld nu evenzeer worden vergood als Baäl en Moloch eens in Judea en Juggernaut nu op de vlakten van Hindostan. Dat geldt ook voor alles wat de lust van het vlees, de lust van de ogen en de grootsheid van het leven voedt. Het wordt nu evenzeer vergood.

Maar wat is afgoderij? Om die vraag te beantwoorden stellen wij een andere vraag. Wat is een afgod? Is dit niet de kern van wat het woord uitdrukt? Een afgod neemt in onze waardering en genegenheid, in onze gedachten, woorden en wegen, in ons vertrouwen en onze afhankelijkheid, in onze aanbidding en toewijding de plaats in die alleen aan God toekomt. Alles wat voor ons is wat alleen de Heere zou moeten zijn, dat is voor ons een afgod.

Het is waar dat deze afgoden bijna even sterk verschillen als de eigen neigingen van verschillende mensen. Maar zoals in oude en nieuwe tijden de grovere afgoden van hout en steen onnoemelijk talrijk waren en zijn in aantal, soort, vorm en grootte, zo is het ook met die innerlijke afgoden waarvan de uiterlijke slechts symbolen en afbeeldingen zijn.

Niets is te laag of te dierlijk geweest, te groot of te klein, te edel of te gemeen, of de mens heeft het aanbeden. Dat gold alles van de zon die in haar glans wandelt tot een slang, een aap, een ui of een stuk lap. Deze bedoelde afbeeldingen van het Goddelijke waren slechts de uiterlijke symbolen van wat de mens innerlijk aanbad. Want de innerlijke afgod ging vooraf aan de uiterlijke en de vingers sneden slechts uit wat de verbeelding eerder had bedacht. De grove stoffelijke afgod is dus slechts een symbool van het innerlijk van de mens. Dat geldt voor een Apollo, ‘het standbeeld dat de wereld betovert’, evenzeer als voor een Afrikaanse fetisj.

In dat innerlijk zijn bepaalde gevoelens en neigingen aanwezig, evenals overgeleverde herinneringen. De zonde heeft die verdraaid en verlaagd maar niet uitgeblust. Zo zijn er het besef van een goddelijke Schepper, de vrees voor Zijn toorn en rechtvaardigheid en een vaag geloof in een toestand van geluk of ellende na de dood. Daarbij komt de verantwoording aan Hem voor onze daden en de plicht tot godsdienstige aanbidding. Uit deze natuurlijke godsdienst in de mens, een overblijfsel van de val, sproot het eerste denkbeeld van afgoderij. Want toen de oorspronkelijke kennis van God verloren was, zocht het verstand van de mens een vervanging, en die vervanging is een afgod. Dit woord duidt, evenals het verwante woord ‘beeld’, een gestalte of figuur aan, een afbeelding of gelijkenis van God.

Hiertegen is daarom het tweede gebod van de Decaloog gericht. Toen dit denkbeeld, God af te beelden door een zichtbaar beeld, eenmaal was gevestigd door de gezamenlijke kracht van verdorven verstand en geweten, zocht de verlaagde mens spoedig kanalen voor zijn lusten en driften. Daarin kon de godsdienst die lusten en driften dan wijden. Zo werd het duivelse denkbeeld bedacht en uitgevoerd om van de ZONDE een god te maken. Bloedvergieten, wellust, diefstal en elke andere misdaad werden feitelijk tot goden gemaakt met namen als Mars, Venus en Mercurius. Daarop volgde de afschuwelijke conclusie dat deze goden meer geëerd werden naarmate er meer zonde werd bedreven.

Moeten wij ons verbazen over de afschuwelijke verlaging van de heidense wereld en de volledige ondergang van de zedelijke beginselen door de aanbidding van afgoden? Of over Gods rechtvaardige afkeer en toorn tegen afgoderij? Maar bij dit deel van het onderwerp hoeven wij niet lang stil te staan. Er is een andere vorm van afgoderij die veel dichter bij huis ligt. Dat is niet de afgoderij van een oude heiden of een hedendaagse hindoe, maar die van een christen.

Afgoderij is de eigenlijke adem van de vleselijke gezindheid. De Schrift spreekt van den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding (Efeze 4:22). Alles waarnaar hij verlangt en dorst, waardoor hij voldaan wordt of waarmee hij bezig is, dat is zijn afgod. Voor zover een christen onder de invloed staat van deze vleselijke gezindheid, deze oude mens, dit boze hart van ongeloof, deze gevallen Adamsnatuur en dit lichaam van zonde en dood, buigt hij zich neer voor de afgod die in de kamers van het beeldenwerk is opgericht. Al deze uitdrukkingen zijn Schriftwoorden voor één en dezelfde zaak.

Er is een oud Latijns spreekwoord dat liefde en hoest twee dingen zijn die onmogelijk te verbergen zijn. Zo kan een afgod weliswaar even zorgvuldig in het hart verborgen zijn als de terafim van Laban in het zadeltuig van de kameel of het efod en het gegoten beeld in het huis van Micha (Richteren 18:14). Toch wordt hij ontdekt aan de liefde die men hem toont. Dat gaat even zeker als de onderdrukte hoest van de longpatiënt niet kan ontsnappen aan het oor van de arts.

Als wij maar eerlijk tegenover onszelf willen zijn, hoeven wij ook niet ver te gaan om ieder onze eigen afgod te vinden. Wij zien dan wat hij is, hoe diep hij ligt, welke aanbidding hij ontvangt, welke eer hij geniet en welke genegenheid hij helemaal opeist. Laat ik mijzelf vragen: Wat heb ik het meest lief? Weet ik daarop nauwelijks een antwoord, laat ik mijzelf dan een andere vraag stellen. Waaraan denk ik het meest? In welke richting vloeien mijn gedachten gewoonlijk als ik ze niet beteugel? Want gedachten stromen naar de afgod zoals water naar de laagste plek in een veld.

Gaan de gedachten voortdurend naar de boerderij, de winkel, de zaak of de belegging, naar de man, de vrouw of het kind, dan is dat de afgod. Hetzelfde geldt voor alles wat de lust of de hoogmoed voedt, de wereldsgezindheid of de hebzucht, de eigenwaan of de zelfbewondering.

Zo’n afgod trekt als een magneet de gedachten van de geest naar zich toe.

Uw afgod hoeft niet de mijne te zijn en de mijne niet de uwe. En toch kunnen wij beiden afgodendienaars zijn. U kunt mijn afgod verachten of zelfs haten en zich verbazen hoe ik zo dwaas of zo zondig kan zijn dat ik hem aan mijn borst druk. En ik kan mij verbazen hoe een deelgenoot van de genade zo inconsequent kan zijn dat hij zo’n dwaze afgod als de uwe liefheeft. U kunt mij veroordelen en ik u. En het woord van Gods genade en het oordeel van een levend geweten veroordelen ons beiden.

O, hoe velerlei en hoe talrijk zijn die afgoden! De ene mens kan een verfijnde smaak en een gevormde geest bezitten. Boeken, geleerdheid, letterkunde, talen en algemene kennis zijn dan zijn afgod. Muziek, zang en instrumentaal, kan de afgod van een tweede zijn. Die klinkt hem zo zoet in de oren en de melodieuze tonen van stem of instrument wekken zulke innerlijke gevoelens van genot dat muziek in al zijn gedachten is. Uren brengt hij door met het voortbrengen van die harmonische klanken, die vergaan zodra ze worden uitgesproken. Schilderkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst en de schone kunsten in het algemeen kunnen de Baäl zijn, de overheersende hartstocht van een derde.

Poëzie met haar gloeiende gedachten, brandende woorden, hartstochtelijke uitingen, levendige beelden, melodieuze cadans en aanhoudende stroom van alles wat schoon is in taal en uitdrukking kan de vreugde van een vierde zijn. Wetenschap, wiskundig of werktuigkundig, kan de ijverige najaging van een vijfde zijn. Dit zijn de hoogste vluchten van de menselijke geest. Dit zijn niet de lage afgoden van het dronken feestmaal, de platte grap of het vrolijke avondmaal. Het is ook niet die minder verlagende maar verslappende afgod van slaap en luiheid, alsof de hoogste genietingen van het leven die van de zwijnen in het hok waren.

Een afgod moet men niet bewonderen om zijn schoonheid of verfoeien om zijn lelijkheid. Men moet hem haten omdat hij een afgod is. U mensen uit de middenstand, die kunst en wetenschap, taal en geleerdheid verguist zoals u de kroeg en het balveld verguist, kunt toch een afgod hebben. Uw tuin, uw prachtige rozen, uw verbena’s en fuchsia’s, die alle zorg en aandacht vragen van een baby op de arm, kunnen uw afgod zijn. Of uw mooie kinderen, die zo worden bewonderd als zij over straat lopen.

Of uw nieuwe huis met al het nieuwe meubilair. Of uw zoon die het zo goed doet in zaken, of uw dochter die zo gerieflijk is getrouwd. Of uw lieve man die zo algemeen wordt gerespecteerd en het nu zo goed doet op de boerderij. Of uw eigen nog dierbaardere ZELF, dat zoveel voeding, kleding en aandacht nodig heeft. Wie zal de duizenden afgoden tellen die die gedachten tot zich trekken en die genegenheden opeisen die alleen de Heere toekomen?

Misschien wordt u niet ontdekt. Uw afgod kan zo verborgen of zo eigenaardig zijn dat al onze pogingen om hem aan te raken u en hem ongedeerd hebben gelaten. Zult u dan concluderen dat u er geen hebt? Zoek dieper en kijk nauwkeuriger. Hij ligt niet te diep voor het oog van God en is niet te verborgen voor de ogen van een tedere conscientie, gezalfd met goddelijke oogzalf. Verborgen liefde is de diepste van alle liefde. Verborgen ziekten zijn de ongeneeslijkste van alle ziekten. Doorzoek elke plooi van uw hart totdat u hem vindt.

Misschien is hij niet zo groot en niet zo lelijk als die van uw buurman. Maar een afgod blijft een afgod en een beeld blijft een beeld, of het nu zo klein is dat het in de jaszak kan worden gedragen of zo groot als een reusachtig standbeeld.

Elk mens heeft zijn afgod, maar niet ieder mens ziet hem. Weinigen zuchten eronder.

De afgod die mij het dierbaarst is,
wat die ook mag wezen,
help mij hem uit mijn hart te rukken
en U alleen te aanbidden.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!