Riches of Philpot, Part 7 (Part 1 of 2)
Gods tegenwoordigheid!
Wat een ernstige gevoelens worden in het gemoed gewekt onder het besef van Gods tegenwoordigheid! Hoe maakt de tegenwoordigheid van de Heere de nacht tot dag, alles wat krom is recht en elke ruwe plaats vlak! Hoe verdrijft ze alle somberheid, zwaarmoedigheid en moedeloosheid die over de ziel hangen! Hoe klaart ze elke moeilijkheid op — en als de schijnende zon verdrijft ze de dampen en het duister van de nacht. Als er één ding is dat meer dan alles begeerd moet worden, dan is het dat de tegenwoordigheid van de Heere meer in ons hart gevoeld wordt!
Als ik mij met sneeuwwater was
Van nature weet de mens niets van de reinheid en de volmaaktheid van God, en evenmin van de diepe zondigheid en verdorvenheid van het schepsel. Er ligt een sluier over het hart van de mens — een sluier van onwetendheid, misleiding, ongeloof en zelfbedrog over de aard van de zonde. Niemand kent uit levende bevinding haar afschuwelijke aard — haar vreselijke diepten — haar sluwheid — haar werkingen — haar bewegingen — haar verlangens en haar lusten. Niemand kent de hoogten waartoe ze stijgt en de diepten waarin ze wegzinkt.
Maar wanneer de Heere de Geest een mens werkelijk en levend in handen neemt en Zijn soevereine genadewerk aan de ziel waarlijk begint, dan opent Hij voor de verbaasde ogen van de zondaar iets van de ware aard van de zonde. Hij toont hem niet alleen de enorme, hoge, wijd uitgespreide takken van de zonde. Hij laat hem ook neerkijken om te zien hoe diep de zonde in zijn wezen wortelt. De zonde is geen toevalligheid — geen vlek die zo weggewassen kan worden — niets aan de oppervlakte, als een huidziekte die met een eenvoudige zalf genezen kan worden.
Hij toont hem dat de zonde in zijn merg en been zit. Hij toont hem dat deze diepgewortelde kwaal hem in bezit heeft genomen en dat hij tot in de kern van zijn hart een zondaar is. Elke gedachte, elk woord en elke handeling van heel zijn wezen is één massa van zonde, vuil en bezoedeling.
Probeert hij dan, zoals de meeste wakker geschudde zondaars proberen, zichzelf te zuiveren? Probeert hij zijn schuld te verlichten door een paar uiterlijke takken af te snoeien en zichzelf van ongerechtigheid schoon te wassen? Dan leert de Geest hem de betekenis van Jobs woorden: Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen (Job 9:30-31).
Zo brengt God hem ten slotte op dit punt: dat hij van top tot teen een zondaar is. Ja, dat hij de voornaamste van de zondaars is, dat elk kwaad in zijn hart woont en dat het zaad van elke misdaad in zijn gevallen natuur huist. Wordt een mens hier gebracht, dan is hij gekomen op de plaats waar de monden worden gestopt. Zijn eigen gerechtigheid is volkomen aan stukken gesneden en zijn hoop op zaligheid door zijn werken is hem helemaal ontnomen. Die vermolmde steunpilaren worden door de hand van de Geest onder de zinkende ziel weggesneden, zodat hij in zichzelf neerstort als één massa van verwarring en ondergang.
En totdat hij hier gebracht is, kan hij werkelijk niets weten van een zaligheid uit vrije genade. Hij weet niets van het overvloediger zijn van de genade dan de overvloed van de zonde, niets van Gods verkiezende liefde, niets van Christus’ plaatsvervanging en borgtocht, niets van Zijn verzoenend bloed, Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid en Zijn stervende liefde. Hij kan niets weten van de rijke voorzieningen van almachtige kracht en eeuwige barmhartigheid die in de volheid van Christus zijn neergelegd.
Hij heeft geen ogen om te zien, geen oren om te horen, geen hart om te voelen en geen armen om een hele Christus te omhelzen: een kostbare Christus, een Zaligmaker van de komende toorn. Hij heeft in de plaats van de zondaar gestaan en volkomen verzoening voor de zonde gedaan. Hij heeft de wet vervuld, een eeuwige gerechtigheid aangebracht en de goddeloze gerechtvaardigd!
De onophoudelijke strijd
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
Een van de dingen die de zielen van Gods gezin terneerdrukken is de onophoudelijke strijd die ze moeten voeren. Het is de strijd tussen het verlangen om onder Gods leiding te leven en het verlangen om te leven naar de loop van deze wereld. Met andere woorden: de strijd tussen natuur en genade, tussen de geest en het vlees, drukt de ziel steeds terneer naar de mate van de hevigheid van de worsteling.
Telkens opnieuw verslagen worden in al onze pogingen om het goede te doen — zoals we elk uur verslagen worden — moet dat de ziel niet terneerdrukken?
We ontdekken dat de vleselijkheid van ons hart voortdurend elk verlangen dwarsboomt dat in onze borst opkomt om hemels en geestelijk gezind te zijn, Gods Woord te genieten, Zijn tegenwoordigheid te voelen en tot Zijn eer en heerlijkheid te leven. En de vloed van vleselijkheid en bezoedeling drukt voortdurend elk geestelijk verlangen in het hart neer. Moet dat de ziel niet terneerdrukken die niets zozeer begeert als te leven onder het besef van Gods tegenwoordigheid en gunst?
En dat deze strijd voortdurend en onophoudelijk is, dat we er zo weinig rust van hebben, dat hij niet slechts nu en dan woedt maar min of meer — naar de diepte van de godvruchtige vreze — altijd in onze ziel gaande is: moet dat de arme ziel die erdoor getroffen wordt niet terneerdrukken? Mij drukt het in elk geval dag na dag terneer, en soms uur na uur, dat ik zo’n onophoudelijke en voortdurende strijd voel tussen wat in ons geestelijk, hemels en heilig is en wat in ons aards, vleselijk, zinnelijk en duivels is!
De Heere zendt tegenspoed met een bijzonder doel
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
De vele tegenspoeden die het volk van de Heere moet doormaken zijn een van de oorzaken waarom hun zielen terneergedrukt zijn. En de Heere bedoelt dat deze dingen hen terneerdrukken. Als de Heere tegenspoed zendt, bedoelt Hij dat die een bepaald werk doet. We zijn hoog — tegenspoed wordt gezonden om ons laag te brengen. We zijn hoogmoedig — tegenspoed is bedoeld om te vernederen. We zijn werelds — tegenspoed is bedoeld om deze wereldse geest uit ons te zuiveren. We zijn vleselijk — tegenspoed wordt gezonden om deze vleselijkheid te bedwingen.
We dwalen vaak van de Heere af op zijpaden — tegenspoed is bedoeld om ons te brengen op het enge en smalle pad dat naar de heerlijkheid leidt. Nu zendt de Heere tegenspoed met een bijzonder doel. Dit doel is de ziel terneer te drukken — zodat Hijzelf de eer heeft haar op te richten!
De grootste last en beproeving
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? (Psalm 42:6)
Een van de grootste lasten en beproevingen voor het kind van God — zo niet de grootste — is de dagelijkse, uurlijkse, minutieuze en ogenblikkelijke werking van de zonde. Het overspelige oog, het zwervende hart, de bezoedelde verbeelding, de voortdurende stroom van ongerechtigheid die elk woord en elke gedachte, elk gevoel en elk verlangen bezoedelt — dit is en moet een last voor de ziel zijn. Het is dat juist naar de mate waarin de vreze Gods leeft en werkt in het geweten van een mens.
En telkens wanneer de zonde de overhand over ons krijgt, al is het maar voor korte tijd, volgt de schuld even zeker als de schaduw de zon. (Ik spreek hier niet noodzakelijk over grove zonden of uiterlijke vallen. Want de zonde streeft er in een of andere vorm voortdurend naar binnen te heersen waar ze buiten niet heerst.) Maar ook waar de zonde de overhand niet krijgt, voelen zij wier geweten teder is in Gods vreze voortdurend de werkingen van hoogmoed — huichelarij — aanmatiging — zelfgerechtigheid — vleselijke begeerten — vuile lusten — wereldgezindheid. Ze voelen alles wat hatelijk en laag is in de ogen van een heilig God.
Merken we niet voortdurend hoe de verzoeking ondanks al onze wensen en alle voornemens die we daartegen maken ogenblikkelijk de brandbare stoffen in brand steekt die we in ons dragen? En wat een vreselijke vlam slaat er soms uit in onze vleselijke gezindheid? Deze dingen brengen, daar ben ik zeker van, schuld, schaamte en droefheid over elk geweten dat levend gemaakt is om God te vrezen. En naar de mate van de diepte en de werking van de godvruchtige vreze in de ziel van een mens zal de last van de zonde van tijd tot tijd op zijn geweten drukken.
Zo’n arm, blind, onwetend schepsel als ik
Wie zichzelf kent door goddelijk onderwijs en een glimp van de toekomstige zaligheid en heerlijkheid heeft gezien, zal vaak bij zichzelf redeneren: hoe zal zo’n arm, blind, onwetend schepsel als ik ooit het hemelse erfdeel binnengaan en de beloofde rust genieten? Ik ben omringd door zoveel vijanden — gedrukt of bedrogen door zoveel verzoekingen van de satan — belaagd door de werkingen van een verdorven natuur!
Om in de hemel te komen moeten we door moeilijkheden, onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden heen waden. We zullen belemmeringen, hindernissen en obstakels tegenkomen. En toch is voor de christen de genade overvloediger dan al de overvloed van de zonde en brengt ze hem veilig aan in de heerlijkheid!
Veel gepraat over godsdienst
Hoevelen verwarren de “gedaante van de godsdienst” met de kracht ervan! Hoevelen verwarren “leerstukken die in het hoofd zijn geleerd” met het onderwijs van de Geest in de ziel! Er wordt veel over godsdienst gepraat. Maar hoe weinigen weten iets van wat ware godsdienst is, van het geheim van levende godzaligheid, van het innerlijk onderwijs en de werkingen van de Geest aan het hart!
Velen spreken vlot genoeg over leerstukken en over de gezegende waarheden van het evangelie. Maar wat kunnen louter leerstukken mij baten, tenzij ze op mijn hart verzegeld zijn en met goddelijke kracht op mijn geweten worden toegepast? Zonder dit kunnen de grootste waarheden mij geen goed doen.
Maar wanneer de Heere ons laag brengt, ons in de smeltkroes zet en ons door de wateren sleept, dan toont Hij ons dat ware godsdienst en levende godzaligheid iets diepers is, iets geestelijkers en iets bovennatuurlijkers. Ze bestaat meer in het onderwijs van God de Heilige Geest en Zijn werking aan het hart dan we ooit hadden gedroomd voordat we aan de beproeving begonnen. We hadden misschien de helderste inzichten in de leer, en toch waren dit maar “vage voorstellingen die in het hoofd zweefden” voordat we in de smeltkroes kwamen.
Maar deze dingen worden nu in een ander licht gezien en op een geheel andere wijze gevoeld. Wat eerst slechts een leerstuk was, wordt nu een zekere waarheid. En wat eerst slechts een gezond gevoelen was, is nu verzegeld als een levende werkelijkheid in de bevinding.
Zo ontdoet de Heere ons, terwijl Hij ons in het stof brengt, van onze “louter verstandelijke, leerstellige godsdienst”. Hij begint voor ons hart de ware aard van levende godzaligheid te openen. Ze is iets dieper, iets geestelijker, iets krachtiger en iets bevindelijker dan alles wat we tot nu toe kenden. Ze bestaat in het onderwijs en de leiding van God de Heilige Geest in het geweten.
Zodra dit gevoeld wordt, ontdoet het een mens van alles wat hij in het vlees heeft geleerd en brengt het hem neer tot in het stof van de dood. En eenmaal daar gebracht, opent de gezegende Geest de waarheden van het evangelie op een manier die hij nooit eerder had gekend.
Velen kennen de waarheid naar de letter, maar hoe weinigen door het onderwijs en de werkingen van God de Heilige Geest in het hart! Ze hebben gezonde opvattingen over de weg van zaligheid, maar die is nooit met machtige kracht in hun ziel uitgewerkt. Ze hebben heldere hoofden, maar hun harten zijn niet gebroken tot berouw en godzalige droefheid. Hun verstand is goed onderwezen in de waarheden van het evangelie, maar die waarheden zijn niet meegedeeld door de zalving van den Heilige.
Totdat een mens de leegheid van een louter belijdenis inziet en zijn vrije wil weggestript en weggezuiverd ziet — totdat hij uit die lege godsdienst die zo algemeen gangbaar is wordt gebracht en tot nederigheid wordt gebroken aan de voetbank van goddelijke barmhartigheid — zal hij de kracht, de werkelijkheid, de zoetheid en de zaligheid van de overweldigende liefde van God niet voelen. Die liefde wordt in het evangelie getoond.
Totdat de ziel zo ontbloot is en het vat zo geleegd, kunnen deze dingen niet gekend worden. Ze is dan ook niet in staat de heerlijke rijkdommen van vrije genade te ontvangen. Totdat de slakken en het tin uit het hart verwijderd zijn, kan het zuivere metaal niet glanzen. Totdat dit kaf weggeblazen is, ligt de tarwe als een verwarde massa op de dorsvloer. De Heere zal daarom Zijn werk in het hart beproeven. Want Hij is een ijverig God en zal Zijn eer aan een ander niet geven. Hij behoudt Zich Zijn voorrecht van soevereine barmhartigheid en van ten volle zalig maken.
Dit heilige onderwijs
Alle kinderen van God worden vroeg of laat op dit punt in hun bevinding gebracht. Ze leren allemaal hun eigen zondigheid, onwetendheid en hulpeloosheid kennen. En wanneer hun ogen zo met ogenzalf zijn gezalfd om hun eigen ellende te ontdekken, openbaart dezelfde zalving van den Heilige hun wat Christus heeft gedaan om hen daarvan te redden!
Door dit heilige onderwijs leren ze hun eigen ongerechtigheid en Zijn verzoenend bloed. Ze leren hun ellende en de zaligheid en gelukzaligheid die in Hem zijn weggelegd! En wanneer deze twee uitersten elkaar ontmoeten in de levend gemaakte ziel, wordt ze in één en hetzelfde ogenblik gebracht om, terwijl ze zichzelf vernedert, de Heere van leven en heerlijkheid te verhogen. En terwijl ze zo wegzinkt in de diepte van schepselsellende, leert ze alleen in de Heere Jezus te roemen als haar alles in allen.
Wanneer het oog geestelijk is geopend
Wanneer het oog geestelijk is geopend om de heerlijkheid van Jezus te zien, volgt het Hem als een lijdende Middelaar naar Golgotha. Daar aanschouwt het Hem als een gekruisigde Jezus, als het Lam van God dat onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout draagt. En terwijl het kind van God door het geloof opziet naar het bloedende Lam, verlangt het naar een geestelijke openbaring en bevestiging van het geheimenis van het kruis aan zijn hart. En doordat deze stervende liefde in zijn ziel binnenkomt, kan hij begrijpen hoe breed, hoe lang, hoe hoog en hoe diep de liefde van Jezus werkelijk is!
Alleen de stervende liefde van Christus, geestelijk gevoeld en verwezenlijkt, kan de ziel van de wereld spenen en de dingen van tijd en zinnen in hun ware licht doen verschijnen: gestempeld met ijdelheid en kwelling des geestes. De stervende liefde van Christus, aan de ziel geopenbaard, is ook het enige dat ons Jezus kan doen liefhebben en Hem met een vast voornemen van het hart doet aanhangen. Niets dan de stervende liefde van Jezus kan ons bereid maken de wereld te verlaten en afstand te doen van de dingen van tijd en zinnen, zodat we voor eeuwig bij de Heere zullen zijn.
Wanneer de Heere Jezus in Zijn beminnelijke betrekkingen aan de ogen van het geestelijk verstand wordt voorgesteld, vloeit het geloof naar Hem uit, verankert de hoop zich in Hem en grijpt de liefde Hem stevig vast zoals Hij zo wordt geopenbaard. Zo worden vurige verlangens en innige begeerten in de ziel ontstoken om Hem bevindelijk in al deze betrekkingen te kennen en hun zoetheid en kracht innerlijk te verwezenlijken!
Elk ander voorwerp van begeerte en genegenheid vervaagde
Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen (Filippenzen 3:8)
God heeft door een geheim en krachtig werk in Paulus’ geweten niet alleen al zijn vleselijk vertrouwen neergeworpen. Hij heeft hem niet alleen geheel ontdaan van zijn natuurlijke godsdienst en hem de leegte getoond van elke hoop waarop hij zo teder had vertrouwd. Hij heeft ook aan zijn verstand een kostbare Zaligmaker geopenbaard en in zijn ziel bekendgemaakt. Zo trok Hij alle genegenheden van zijn hart uit en richtte ze geheel en alleen op Jezus.
Paulus zag toen met het oog van het geloof zo’n beminnelijkheid en kostbaarheid in Christus dat elk ander voorwerp van begeerte en genegenheid vervaagde. De doelen en bezigheden die hem eens zijn rijkste winst leken, kon hij nu niet meer met vreugde nastreven. Ze zonken geheel in zijn schatting en ijdelheid en leegte waren erop gestempeld. Hij achtte ze als volslagen schade om de uitnemendheid der kennis van Christus.
Heilig verlangen en intense begeerten
Opdat ik Hem kenne (Filippenzen 3:10)
Er kan geen ernstig verlangen zijn om Christus te kennen en geen heilig hijgen naar een geestelijke openbaring van Hem zolang het hart wereldse dingen najaagt. Maar wie geestelijk onderwezen is, hijgt soms van heilig verlangen en intense begeerte om Jezus te kennen. Hij verlangt dat Jezus zou neerdalen in Zijn hemelse kracht, in al Zijn zoetheid en geschiktheid, en Zijn intrek zou nemen in zijn ziel en haar zou vormen naar Zijn eigen beeld en gelijkenis.
God wil alle eer hebben!
Mijn eer zal Ik geen anderen geven (Jesaja 42:8)
God wil alle eer voor Zichzelf hebben! Maar u en ik zijn zulke lage ellendelingen dat we de Heere Zelf van Zijn eer zouden beroven als Hij ons niet anders leerde. Opende Hij ons de diepte van onze verdorvenheid niet en toonde Hij ons de verdorvenheid niet die in onze vleselijke gezindheid schuilt en werkt — bedekte Hij ons gezicht niet met schaamte — zette Hij ons niet in de smeltkroes om onze hoogmoed uit te branden — sleepte Hij ons niet door het water om onze huichelarij te verdrinken — maakte Hij ons niet nederig onder een dagelijks besef van onze broosheid en zwakheid: dan zouden we al gauw naast de Heere op dezelfde troon willen zitten en de heerlijkheid van de zaligheid met Hem willen delen!
Uw grootste zoetigheden
We merken vaak dat juist die tijden waarin Gods volk denkt dat het slecht met hen gaat, de tijden zijn waarin het in werkelijkheid goed met hen gaat. En omgekeerd: soms denken ze dat het goed met hen gaat, en dan gaat het in werkelijkheid slecht. Wanneer hun ziel bijvoorbeeld gebukt gaat onder moeite, lijkt het hun vaak dat het slecht met hen gaat. Gods hand lijkt tegen hen uitgegaan te zijn in moeite, droefheid en ellende.
Maar deze moeiten spenen hen van de wereld. Gingen hun hart en genegenheden uit naar afgoden, dan brengen deze moeiten hen daar middellijk van terug. Hieuwen ze gebroken bakken uit, dan slaan deze moeiten die aan stukken. Stelden ze afgoden op en bogen ze zich daarvoor in de binnenkamers van hun afgodenbeelden, dan slaan ellende en moeite die voor hun ogen aan stukken, nemen hun goden weg en laten hen geen toevlucht dan de Heere, de almachtige God.
Als u maar terugkijkt, zult u vaak zien dat uw grootste zoetigheden zijn voortgekomen uit uw grootste bitterheden en dat de grootste zegeningen zijn voortgevloeid uit de grootste ellende. Wat u op dat moment uw grootste verdriet leek, daarin zult u merken dat het helderste licht is opgegaan in de zwartste duisternis. De Heere heeft Zichzelf nooit zo kostbaar gemaakt als op het moment dat u het diepst gezonken was en zonder menselijke hulp, wijsheid of kracht. Zodat een kind van God dat denkt dat het er zeer slecht aan toe is, omdat het beladen is met droefheid, verzoekingen en ellende, er nooit zo goed aan toe is.
Zo’n verborgenheid
Ware godsdienst is zo’n verborgenheid. Als we denken dat het goed met ons gaat, gaat het vaak slecht. Als we denken dat het slecht met ons gaat, gaat het vaak goed. Als we denken dat we nu op een gemakkelijk, effen en comfortabel pad zijn gekomen, leidt het ons dan verkeerd. Zeggen we: het pad is zo ruw en ingewikkeld, we zijn zo verlegen en kunnen de weg zo weinig zien dat we vrezen helemaal van het spoor te zijn — dan is het juist de tijd dat de Heere ons op de rechte weg leidt!
Soms voelen we: we zijn zo zwart en bezoedeld, zulke vreselijke zondaars, zulke afschuwelijke schepselen dat de Heere niet naar ons kan kijken! Dat is juist het ogenblik waarop Hij ons hart kan toelachen! Als we denken dat we razendsnel vorderen in geestelijkheid en heiligheid, wonderlijke vorderingen maken in het goddelijk leven en bijna de top van “schepselsvolmaaktheid” bereiken, ontdekken we door een vreselijke innerlijke misstap dat we op het verkeerde pad zijn en door zelfgerechtigheid en farizeïsche hoogmoed zijn afgeleid.
Zo komen we ten slotte tot dit punt: we hebben geen eigen wijsheid om de weg te zien en geen kracht om in de weg te wandelen als hij gezien wordt. We moeten bij elke stap door de Heere Zelf geleid worden. En zo zinken we weg in schepselsnietigheid en schepselsleegte. We voelen in ons hart, onze lippen of ons leven niet meer verdienste waarom God ons zou zaligmaken dan er in de satan zelf is. En zo zinken we zo laag dat niemand dan God Zelf ons kan oprichten. En dit is juist de tijd waarop God gewoonlijk verschijnt en Zijn barmhartigheid, liefde en genade op de meest bijzondere wijze toont!
Nu is het door het bewandelen van dit beproevende pad dat we onze volkomen ondergang leren kennen en Gods zaligheid leren waarderen. De kracht van de zaligmakende waarheid wordt alleen gewaardeerd door hen die God zo onderwijst. Anderen zijn tevreden met “schaduwen”, maar zij die diep geoefend zijn in hun gemoed moeten “het wezen” hebben. Wie hun valse toevluchten vernietigd zien, hun leugenachtige hoop verbroken en duizend moeilijkheden en verlegenheden om zich heen, verlangen — wanneer de Heere de ogen opent en Zijn waarheid voor hen brengt — naar de kracht en de toepassing van die waarheid aan hun hart.
Niets bevredigt hen dan de zalving van de Geest en de dauw van Gods kracht en tegenwoordigheid die op hun ziel rust en erin gevoeld wordt. Ze kunnen zich niet langer tevredenstellen met de louter vorm. Ze kunnen niet langer voor hun zaligheid rusten op enkele voorstellingen en hun eeuwig alles niet langer laten hangen aan de goede mening van het schepsel. En zo leren ze door dit pijnlijke werk in hun ziel dat ze niet meer godsdienst hebben dan God in hen werkt. Ze leren dat ze alleen kunnen weten wat God hen leert en alleen kunnen hebben wat Hij hun meedeelt. En ze leren dat ze geheel en uitsluitend van Hem afhankelijk zijn om hen elk ogenblik van hun leven te leiden en te bewaren!
Wereldse mensen verachten hen inderdaad en louter belijders haten hen. De duivel kwelt hen en hun namen worden over het algemeen als kwaad verworpen. En de algemene naastenliefde, die van iedereen het beste denkt, heeft voor hen geen enkel goed woord! Dat ze zo’n verborgenheid zijn voor anderen is geen wonder, als ze zo’n verborgenheid zijn voor zichzelf. Hoe ze volharden kunnen ze niet zeggen. Maar ze merken dat ze zich niet kunnen bewegen tenzij God hen beweegt.
Hoe ze bidden is een verborgenheid, en toch voelen ze op tijden de geest van het gebed levend in hun boezem. Hoe hun zielen blijven pleiten en wachten op de Heere aan de voetbank van Zijn barmhartigheid is een verborgenheid, en toch kunnen ze niet ontkennen dat dit de bevinding van hun hart is. Zodat wanneer ze kijken naar de weg waarop de Heere hen van begin tot einde heeft geleid, het één onbegrijpelijke verborgenheid is!
Waarom God hen in Christus heeft uitverkoren is een verborgenheid. Waarom Hij hun zielen levend heeft gemaakt toen ze dood waren door de misdaden en de zonden is een verborgenheid. Waarom Hij een gevoel van berouw in hun hart heeft gewrocht is een verborgenheid. Waarom Hij hun een gevoel van Zijn liefde heeft gegeven is een verborgenheid. Waarom Hij hen heeft bewaard voor dwaling terwijl duizenden erin verstrikt zijn geraakt is een verborgenheid.
Waarom Hij hen dag aan dag en uur aan uur bewaart is een verborgenheid. Hij staat niet toe dat ze Zijn zaak te schande maken, Zijn waarheid verloochenen, Hem de rug toekeren of naar de wereld gaan. En toch ontdekken ze dat ze al deze dingen hebben en zijn — zodat de grootste verborgenheid van alles is dat ze zijn wat ze zijn!
Zo gaat het hun goed, omdat God ervoor zorgt dat het hun goed gaat. Hij beheert al hun zaken. Hij waakt over hen bij nacht en bij dag. Hij begiet hen voortdurend. Hij leidt en voert hen totdat Hij hen thuisbrengt in Zijn hemels koninkrijk!
Zonder levende godzaligheid
Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben (2 Timotheüs 3:5)
Niets is zo bedrieglijk als een gedaante van godzaligheid te hebben terwijl de kracht ervan wordt verloochend. Niets is zo misleidend als een “naam te hebben dat men leeft” terwijl de ziel dood is voor God. Als er één huichelachtig mens is die de man van God moet aanwijzen, dan is het hij die met een belijdenis zonder levende godzaligheid is. Hij heeft de “gedaante van de leerstellige waarheid in het oordeel”, maar heeft nooit “de kracht van die waarheid in zijn ziel” ervaren, die hem in het stof vernedert en hem opricht tot een geestelijke kennis van Jezus Christus.
Onze verloren, ondergegane staat
Mijn ziel kleeft U achteraan (Psalm 63:9)
Genade past alleen bij hen die volkomen schuldig en vuil zijn. Totdat we goddelijk verlicht worden om onze verloren, ondergegane staat te zien en geestelijk levend gemaakt worden om die te voelen, zijn we tevreden met de dingen van tijd en zinnen. Ons hart is in de wereld en onze genegenheden zijn gevestigd op de arme vergankelijke ijdelheden die snel voorbijgaan. En er is geen enkel geestelijk verlangen of hemels smachten in de ziel.
Innerlijke sieraden
Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken; Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God (1 Petrus 3:3-4)
O, wat een wijs onderricht geeft de apostel aan die vrouwen en dochters die godzaligheid belijden! En hoe waarschuwt hij hen ervoor zich te tooien als de dochters van Belial en de vrouwen van Kanaän te volgen in hun liefde voor opzichtige en modieuze kleding — terwijl ze de innerlijke sieraden van de Geest minachten, zoals vriendelijkheid, zachtheid, zachtmoedigheid en nederigheid! Maar hoeveel beter zijn deze innerlijke sieraden die de Geest van God in het hart legt! En hoeveel liefelijker zien ze er geestelijk getooid uit dan wanneer ze beladen waren met al de opschik waarmee de dochters van Belial zich tooien!
Een kostbare, zaligmakende bevinding
Een kostbare, zaligmakende bevinding komt voort uit het onderwijs van God in de ziel en het werk van de Heilige Geest aan het hart. Elke overtuiging van zonde die voortkomt uit de innerlijke overtuigende werkingen van de Geest is kostbaar, omdat ze het handwerk van God is. Elke zucht, elke roep, elke kreun, elke traan, elke eerlijke en nederige belijdenis voor God van wat we geweest zijn en zijn is kostbaar. Ze is door goddelijke kracht in de ziel gewrocht en het gevolg ervan is zaligheid.
Elke zoete openbaring van de Zoon van God aan de ziel is kostbaar. Dat geldt voor elke glimp, blik, straal of aanblik van Zijn heerlijke Persoon door het geloof — elk schijnen van het licht van Zijn aangezicht — elke toepassing van Zijn Woord met kracht — elke fluistering van Zijn hemelse liefde — elke trekking van Zijn goddelijke genade — elke toepassing van Zijn kostbare waarheid op het hart. Ze komt van God en leidt tot God. Ze is het werk van de Heilige Geest en bereidt de ziel voor op de eeuwigheid. Ze is een juweel van Gods eigen gave.
Zelfs de vernederingen die we onder de hand van God ervaren zijn kostbaar, omdat ze Zijn gave en werk zijn. Dat geldt voor het breken van een hard hart, het zacht worden van een onbuigzame geest en het smelten van de ziel onder de adem van de Heere. Het geldt ook voor het uitgaan van smeking, belijdenis en verlangen tot de God van al onze barmhartigheden om op ons te zien en ons te zegenen. Alles wat uit onszelf wegbrengt — tot de Heere trekt — de zonde hatelijk maakt — Jezus kostbaar maakt — de wereld onder onze voeten legt — ons de overwinning geeft over de zonde — ons speent van de liefde tot onszelf en de Heere Jezus kostbaar maakt: dat moet een kostbare bevinding worden genoemd!
Ze willen en kunnen het niet opgeven
De genade roept ons uit de wereld, uit de liefde tot haar en haar geest. Maar waar geen wedergeboortegenade is, kleeft de wereld zo vast aan het hart van mensen dat ze haar niet willen en niet kunnen opgeven. Ze rusten in de wereld en in de voldoening die ze geeft. Anderen worden verhard door het bedrog van de zonde. De satan spreidt zijn strikken voor hun voeten: een laaghartige lust, een gemeen plan, een hebzuchtig plan, een heimelijk plan dat hij heeft bedekt met een lokaas dat precies past bij hun gevallen natuur. Hij spreidt het voor hun voeten en ze raken verstrikt, overwonnen en verhard door het bedrog van de zonde!
O, bezoek mij
bezoek mij met Uw heil (Psalm 106:4)
Hoe wordt een mens gebracht en geleerd te willen “bezocht worden” met Gods zaligheid? Hij moet eerst iets van veroordeling kennen. Zaligheid past alleen bij de veroordeelden. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was — en daarom past zaligheid alleen bij de verlorenen. Een mens moet verloren zijn — volkomen verloren — voordat hij Gods zaligheid kan waarderen. En hoe raakt hij verloren? Doordat hij al zijn godsdienst verliest, al zijn gerechtigheid, al zijn kracht, al zijn vertrouwen, al zijn hoop en alles wat uit het vlees is. Hij verliest het doordat het hem wordt ontnomen en door de hand van God wordt weggestroopt.
Een mens die in deze staat van volslagen bedelarij en totaal bankroet wordt gebracht — om niets te zijn, niets te hebben en niets te weten — is de mens die in de nachtwaken, in zijn eenzame uren, bij zijn haard en soms bijna dag en nacht om de openbaring van Gods zaligheid aan zijn ziel roept en kermt. Hij smeekt, pleit, zoekt en bidt: bezoek mij met Uw heil!
Hij heeft een bezoek van God nodig! Hij wil dat God komt en bij hem woont — Zijn intrek neemt in zijn hart — Zich aan hem ontdekt — Zich openbaart en bekendmaakt — bij hem aanzit — met hem eet — met hem wandelt — en in hem woont als zijn God. En een levende ziel kan met niets minder tevreden zijn. Hij moet een bezoek hebben.
Het baat hem weinig in het Woord van God te lezen wat God aan Zijn heiligen van ouds deed. Hij wil iets voor zichzelf, iets dat zijn ziel goed zal doen. Hij wil iets dat hem zal opvrolijken, verkwikken, troosten, zegenen en baten, zijn lasten zal wegnemen en zijn ziel tot vrede zal brengen. En daarom wil hij een bezoek: dat de tegenwoordigheid en de kracht, de barmhartigheid en de liefde van God zijn ziel zouden bezoeken.
Het Woord in de handen van de Geest
Ware en zaligmakende godsdienst is het werk van de Heilige Geest die door het Woord op het hart werkt. Hij geeft ons geloof door de toepassing van het Woord, wekt hoop op door de kracht van het Woord en stort liefde uit door de waarheid van het Woord met kracht in de ziel te brengen. Het Woord heeft in de handen van de Geest een verlichtende kracht, een levendmakende invloed, een doordringende energie, een goddelijke kracht en een onoverwinnelijke macht die het in de binnenste diepten van de ziel brengt.
Deze bijzondere en onoverwinnelijke kracht onderscheidt het werk van de Geest van alle werk van het vlees. Het werk in hen die slechts een tijdlang geloven is oppervlakkig, ondiep en uiterlijk. Er is geen doordringen met goddelijke kracht, zodat de mens in de diepten van zijn hart verandert, vernieuwd wordt in de geest van zijn gemoed en een nieuw schepsel in Christus wordt.
Vrij van haar macht en invloed
En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken (Johannes 8:32)
Van nature zijn we in slavernij aan de wereld. Maar een zaligmakende kennis van de waarheid brengt vrijheid van de wereld en al haar verleidelijke bekoringen, haar ijdele aantrekkelijkheden, haar zinnelijke genoegens, haar knagende zorgen, haar zwoegen en haar angsten. Ze bevrijdt de ziel van het verstrikt, overwonnen en overladen worden door deze dingen alsof ze ons alles waren. We hebben nog met de wereld te maken. We moeten er dagelijks mee bezig zijn. Maar de waarheid zal u zoete vrijheid ervan geven.
U zult niet wandelen met de mensen van de wereld, het gezelschap van de wereld niet liefhebben en niet verstrikt raken in de liefde tot de wereld. Want de waarheid in haar zuiverheid en kracht, toegepast op uw hart, maakt u vrij van haar macht en invloed. Er is geen heilige vrijheid dan de vrijheid die voortkomt uit de gezegende invloed en werkingen van de Heilige Geest op het hart, die het Woord van God met kracht op de ziel toepast. Dit geeft ware vrijheid, brengt echte vrijheid in de ziel en bevrijdt haar van die slavernij waarin we zo vaak moeten wandelen.
Het is zwaar werk om ons vuil te laten verwijderen
van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezechiël 36:25)
Het is zwaar werk om ons vuil te laten verwijderen en het duurt vaak lang. Dat gebeurt misschien te midden van veel verzet en opstandigheid tegen zulke vernederende handelingen. Maar vroeg of laat zullen we ernaar smachten de voelbare tegenwoordigheid van de Heere in onze ziel te hebben. Dan zullen we voelen dat er, voordat we haar kunnen verwezenlijken, een plechtig berouw en een eerlijke belijdenis van zonde moet zijn. We moeten als arme schuldige zondaars, in ons eigen geweten veroordeeld, voor God neervallen.
We staan zolang we kunnen op onze eigen benen en rusten zolang we kunnen op iets in onszelf. Maar al dit zelfvertrouwen en alle zelfgerechtigheid moeten vroeg of laat neer en moeten wijken. Het kan jaren duren, met beproeving op beproeving, ellende na ellende en verzoeking na verzoeking. De Heere brengt ons ertoe plat voor Hem neer te vallen in het stof van zelfvernedering, zonder enige hoop dan in Hem.
Maar wanneer Hij het vuil van hoogmoed, zelfgerechtigheid, schepselskracht en alle andere kwaden heeft weggezuiverd en er niets in de ziel is overgebleven dan de as van het eigen ik, kunnen we plat voor God neervallen met onze mond in het stof. Dan zal Hij komen — zacht en zoet komen over alle heuvels en bergen van onze zonde en schande — en Zijn voelbare tegenwoordigheid aan onze zielen openbaren.
Uw geld
dat gij uws zelfs niet zijt (1 Korinthe 6:19)
Uw geld is niet van uzelf. U mag het niet zomaar uitgeven zoals u wilt, zonder weerhouden te worden door uw geweten, zonder beteugeld te worden door godzalige vreze en zonder uzelf af te vragen hoe ver u het goed besteedt. U moet zijn als een vrek die elke shilling bekijkt voordat hij ervan afscheid neemt. Zo moet elke shilling door een christen zorgvuldig en nauwkeurig bekeken worden: wordt hij besteed tot eer en heerlijkheid van God of niet?
Ik geef toe dat dit ons zeer strak lijkt te binden. Dat is misschien een reden waarom het volk van God meestal zo kort wordt gehouden dat het heel weinig losse middelen heeft om naar believen te besteden. Maar zelfs als we een redelijk inkomen hebben, of misschien meer dan een redelijk inkomen, kunnen we — als we onder goddelijke invloeden en evangelieverplichtingen staan — het geld niet hierheen en daarheen werpen om het vlees te behagen en te bevredigen. We kunnen er het lichaam niet mee tooien in dure kleding, voor onszelf of onze kinderen, en het huis niet mee versieren met nieuw en onnodig meubilair. Dat is niet de verplichting van de evangeliegenade.
Uw geld is niet van uzelf als u een christen bent. U bent slechts een rentmeester. Hebt u veel, dan bent u des te verantwoordelijker voor het juiste gebruik ervan. Hebt u weinig, dan bent u nog steeds rentmeester over dat weinige.
Een slavernij die te bitter is voor ons trotse hart om te dragen!
God’s presence!
What solemn feelings are produced in the mind under a sense of God’s presence! How the Lord’s presence turns night into day—makes every crooked thing straight—and every rough place plain! How it banishes all the gloom, melancholy, and despondency which hang over the soul! How it clears up every difficulty—and like the shining sun, it drives away the damps and darkness of the night. If there is one thing to be coveted more than another, it is that the Lord’s presence might be more felt in our hearts!
If I wash myself with snow
By nature, man knows nothing of the purity and perfection of God—or the deep sinfulness and corruption of the creature. There is a veil over man’s heart—a veil of ignorance—of delusion—of unbelief—of self-deception as regards the nature of sin. No man is vitally and experimentally acquainted with—its hideous nature—its awful depths—its subtlety—its workings—its movements—its cravings—its lustings—the heights to which it rises—the depths to which it sinks.
But when the Lord the Spirit takes a man really and vitally in hand—and He truly begins His sovereign work of grace upon the soul—He commences by opening up to the astonished eyes of the sinner, something of the real nature of sin. He not only shows him the huge, high, wide-spreading branches of sin—but bids him look down and see how deeply-rooted sin is in his very being—that sin is not an accident—a faint blot that may soon be washed out—a something on the surface, like a skin disease that may be healed by a simple ointment. He shows him that sin is seated in his very bones—that this deep-rooted malady has taken possession of him—that he is a sinner to his very heart’s core—that every thought, every word, every action of man’s whole being—is one mass of sin, filth, and pollution.
And if he attempts, as most awakened sinners do attempt—to purify himself—to ease his guilt by lopping off a few external branches—if he attempts to wash himself clean from iniquity, the Spirit will teach him the meaning of Job’s words, “If I wash myself with snow, and cleanse my hands with lye, yet You will plunge me in the ditch. My own clothes shall abhor me.” (Job 9:30, 31). Until at last God brings him to this spot—that he is a sinner throughout—yes, that he is the chief of sinners—that every evil lodges in his heart—and the seed of every crime dwells in his fallen nature. When a man is brought here, he is brought to the place of the stopping of mouths—his own righteousness is effectually cut to pieces—his hopes of salvation by his works are completely removed from under him. Those rotten props are cut away by the hand of the Spirit from the sinking soul, that he may fall into himself one mass of confusion and ruin.
And until he is brought here, he really can know nothing—of a free-grace salvation—of the superaboundings of grace over the aboundings of sin—of God’s electing love—of Christ’s substitution and suretyship—of His atoning blood—of His justifying righteousness—of His dying love. He can know nothing of the rich provisions of almighty power and eternal mercy that are lodged in the fullness of Christ. He has—no eyes to see—no ears to hear—no heart to feel—no arms to embrace a whole Christ—a precious Christ, a Savior from the wrath to come—who has stood in the sinner’s place and stead—made full atonement for sin—fulfilled the law—brought in everlasting righteousness—and justified the ungodly!
The unceasing conflict
“Why are you in despair, my soul? Why are you disturbed within me?” — Psalm 42:5
One thing that casts down the souls of God’s family is the unceasing conflict which they have to maintain—between those desires to live under God’s leading—and those desires to live after the course of this world. In other words, the conflict between nature and grace—between the spirit and the flesh—will always cast down the soul in proportion to the intensity of the struggle. To be baffled, as we are hourly baffled, in all our attempts to do good—to find the carnality of our hearts perpetually obstructing every desire that rises in our bosom to be heavenly-minded, spiritual, enjoy God’s word, feel His presence, and live to His honor and glory—thus to have the tide of carnality and pollution perpetually bearing down every spiritual desire in the heart—must not that cast down the soul which covets nothing so much as to live under a sense of God’s presence and favor?
And that this conflict should be a perpetual and unceasing one—that we should have so little respite from it—that it should not be merely now and then, but more or less, in proportion to the depth of godly fear—always be going on in our soul—must not this cast down the poor soul which is the subject of it? I am sure it cast me down day after day, and sometimes hour after hour—to feel such an unceasing and perpetual conflict between that in us which is spiritual, heavenly, and holy—and that in us which is earthly, carnal, sensual, and devilish!
The Lord sends afflictions for a special purpose
“Why are you in despair, my soul? Why are you disturbed within me?” — Psalm 42:5
The many afflictions that the Lord’s people have to pass through, is one cause of their souls being cast down. And the Lord intends these things to cast them down. The Lord in sending afflictions means them to do a certain work. We are high—afflictions are sent to bring us low. We are proud—afflictions are meant to humble. We are worldly—afflictions are meant to purge out of us this worldly spirit. We are carnal—afflictions are sent to subdue this carnality. We are often straying from the Lord into bypaths—afflictions are meant to bring us into the strait and narrow path that leads to glory. Now the Lord sends afflictions for a special purpose—and this special purpose is to cast down the soul—that He Himself may have the honor of raising it up!
The greatest burden & trial
“Why are you in despair, my soul? Why are you disturbed within me?” — Psalm 42:5
One of the greatest, if not the greatest burden and trial to the child of God, is the daily, hourly, minutely, momently workings of sin. The adulterous eye—the roving heart—the defiled imagination—the constant stream of iniquity polluting every word and thought, every feeling and desire—is and must be a burden to the soul—just in proportion as the fear of God lives and works in a man’s conscience. And whenever sin gets the mastery over us, though it be but for a short time, (I am not speaking here necessarily of gross sins, or of outward falls—for sin in some shape or other is perpetually striving to rule within where it does not rule without), guilt will as surely follow it as the shadow does the sun.
But even where sin does not get the mastery, those whose consciences are tender in God’s fear, continually feel the workings of pride, hypocrisy, presumption, self-righteousness, carnal desires, filthy lusts, worldly-mindedness—and of everything that is hateful and vile in the eyes of a holy God. Do we not continually find how, in spite of all our desires, and all the resolutions we make to the contrary, how instantaneously temptation sets fire to the combustible materials we carry within? And what a dreadful flame there is at times bursting forth in our carnal mind? These things, I am sure, will bring guilt, shame, and sorrow upon every conscience that is quickened to fear God. And just in proportion to the depth and working of godly fear in a man’s soul will be the burden of sin from time to time upon his conscience.
Such a poor, blind, ignorant creature as I
He who knows himself by divine teaching, and has had a glimpse of future bliss and glory, will often reason with himself, “How is such a poor, blind, ignorant creature as I—surrounded by so many enemies—oppressed or beguiled by so many of Satan’s temptations—beset by the workings of a depraved nature—how am I ever to enter the heavenly inheritance, and enjoy the promised rest?”
To get to heaven we must wade through difficulties, improbabilities, and impossibilities. We shall meet with hindrances, impediments, obstacles. And yet, for the Christian, grace superabounds over all the aboundings of sin, and lands him safe in glory!
A great deal of talk about religion
How many there are who are mistaking the ‘form of religion’ for the power of it—mistaking ‘doctrines learned in the head’ for the teachings of the Spirit in the soul! There is a great deal of talk about religion—but how few know anything of—what true religion is—the secret of vital godliness—the inward teachings and operations of the Spirit upon the heart! Many men speak fluently enough of doctrines, and of the blessed truths of the gospel. But what good can mere doctrines do for me—unless they are sealed on my heart, and applied with divine power to my conscience? Without this, the greatest truths can do me no good.
But when the Lord lays us low, puts us into the furnace, and drags us through the waters—He shows us that true religion, vital godliness, is something deeper, something more spiritual, something more supernatural, something that stands more in the teachings of God the Spirit and His operation on the heart, than ever we dreamt of before we entered upon the trial. We might have had the clearest views of doctrinal truth—and yet these were but ‘dim notions floating in the head,’ before we came into the furnace. But these things now are seen in a different light, and felt in a totally different manner. What before was but a doctrine—becomes now a most certain truth. And what before was but a sound sentiment—is now sealed as a living reality in experience.
As the Lord, then, brings us into the dust, He strips away our ‘mere notional, doctrinal religion.’ He begins to open up to our heart the real nature of vital godliness—that it is something deeper, something more spiritual, something more powerful, something more experimental than anything we have ever yet known—that it consists in the teachings and leadings of God the Spirit in the conscience. As soon as this is felt, it strips a man of everything he has learned in the flesh—and brings him down to the dust of death. And when brought there, the blessed Spirit opens up the truths of the gospel in a way he had never known before. Many people know the truth in the letter—but how few by the teachings and operations of God the Spirit in the heart! They have sound views of the way of salvation—but it has never been wrought out with a mighty power into their soul. They have clear heads—but their hearts are not broken into contrition and godly sorrow. Their minds are well-instructed in the truths of the gospel—but these truths have not been communicated by an unction from the Holy One.
Until a man is made to see the emptiness of a mere profession—to have his free-will stripped and purged away—and to be brought out of that empty religion so generally current—and is broken down into humility at the footstool of divine mercy—he will not feel the power, the reality, the sweetness, and the blessedness of the overwhelming love of God displayed in the gospel. Until the soul is thus stripped—until the vessel is thus emptied—these things cannot be known—nor is it in a condition to receive the glorious riches of free grace. Until the dross and tin is removed from the heart—the pure metal cannot shine. Until this chaff is blown away—the wheat lies heaped up in one confused mass on the threshing floor. The Lord, therefore, will test His work on the heart—for He is a jealous God, and He will not give His glory to another—but reserves to Himself, His prerogative of sovereign mercy, and of saving to the uttermost.
This sacred teaching
All God’s people are sooner or later brought to this point in their experience—they are all brought to know their own sinfulness, ignorance, and helplessness. And when their eyes are thus anointed with eye-salve to discover their own wretchedness, the same unction from the Holy One reveals to them what Christ has done to save them from it! They learn by this sacred teaching, their own iniquity—and His atoning blood; their misery—and the bliss and blessedness which is secured up in Him! And when these two extremes meet in the quickened soul, it is brought in one and the same moment—while it debases itself—to exalt the Lord of life and glory! And while it thus sinks down in the depth of creature wretchedness—it learns to glory in the Lord Jesus alone, as its all in all.
When the eye is spiritually opened
When the eye is spiritually opened to see the glory of Jesus, it follows Him as a suffering Mediator to Calvary—there to view Him as a crucified Jesus—as the Lamb of God bearing our sins in His own body on the tree. And as the child of God looks by faith to the bleeding Lamb, he desires to have a spiritual revelation and manifestation of the mystery of the cross to his heart. And by this dying love entering into his soul, he is able to understand how wide, how long, how high, and how deep the love of Jesus really is!
Only the dying love of Christ spiritually felt and realized, can wean the soul from the world, and make the things of time and sense to appear in their true light—as stamped with vanity and vexation of spirit. The dying love of Christ, also, revealed to the soul, is the only thing that can make us love Jesus, and cleave to Him with full purpose of heart. Nothing but the dying love of Jesus can make us willing to leave the world, and part with the things of time and sense, so that we may forever be with the Lord. As the Lord Jesus in His endearing relationships is presented to the eyes of the spiritual understanding, faith flows out towards, hope anchors in, and love clasps firm hold of Him as thus revealed—and thus ardent desires and fervent longings are kindled in the soul to know Him experimentally in all these relations—and inwardly realize their sweetness and power!
Every other object of desire & affection faded away
“I count all things to be loss for the excellency of the knowledge of Christ Jesus, my Lord, for whom I have suffered the loss of all things, and count them nothing but refuse, that I may gain Christ.” — Philippians 3:8
God, by a secret and powerful work in Paul’s conscience, not only—cast down all his fleshly confidence—stripped him entirely of his natural religion—showed him the emptiness of every hope in which he had so fondly trusted—but also, He manifested to his understanding, and revealed in his soul a precious Savior—and thus drew forth all the affections of his heart, fixing them wholly and solely upon Jesus. Paul then saw, by the eye of faith, such loveliness and preciousness in Christ, that every other object of desire and affection faded away—and those aims and pursuits which once seemed his richest gain, he could now rejoice in and pursue no longer—they utterly sank in his esteem—vanity and emptiness were stamped upon them—and he counted them as absolute loss for the excellency of the knowledge of Christ.
Holy longing & intense desires
“That I may know Him.” — Philippians 3:10
There can be no earnest desire to know Christ, nor any holy panting after a spiritual revelation of Him—while the heart is pursuing worldly objects. But he who is spiritually taught is at times panting with holy longing and intense desires to know Jesus—that He would come down in His heavenly power, in all His sweetness and suitability—and take up His abode in his soul, conforming it to His own image and likeness.
God will have all the glory!
“My glory will I not give to another.” — Isaiah 42:8
God will have all the glory to Himself! But you and I are such base wretches, that we would rob the Lord Himself of His glory—if He did not teach us otherwise. If He did not open up to us the depth of our corruption, and show us the depravity that lurks and works in our carnal minds—if He did not cover our faces with shame—if He did not put us in the furnace to burn out our pride—if He did not drag us through the water to drown our hypocrisy—if He did not humble us under a daily sense of our frailty and feebleness—we would soon want to sit down on the same throne with the Lord—and share the glory of salvation with Him!
Your greatest sweets
We often find that those very times when God’s people think they are faring ill—are the seasons when they are really faring well. And again, at other times, when they think they are faring well—then they are really faring ill. For instance, when their souls are bowed down with trouble—it often seems to them that they are faring ill. God’s hand appears gone out against them in trouble, sorrow, and affliction. These troubles wean them from the world. If their heart and affections were going out after idols—these troubles instrumentally bring them back. If they were hewing out broken cisterns—these troubles dash them all to pieces. If they were setting up, and bowing down to idols in the chambers of imagery—affliction and trouble smite them to pieces before their eyes—take away their gods—and leave them no refuge but the Lord God almighty.
If you can only look back, you will often see that your greatest sweets have sprung out of your greatest bitters, and the greatest blessings have flowed from the greatest miseries, and what at the time you thought your greatest sorrows—you will find that the brightest light has sprung up in the blackest darkness, and that the Lord never made Himself so precious as at the time when you were sunk lowest—so as to be without human help, wisdom, or strength. So that when a child of God thinks he is faring very ill, because burdened with sorrows, temptations, and afflictions—he is never faring so well.
Such a mystery
True religion is such a mystery. When we think we are faring well—we are often faring ill. When we think we are faring ill—we are often faring well. When we think that now we have got into an easy, smooth, and comfortable path—it is then leading us wrong. When we say, ‘The path is so rugged and intricate; we are so perplexed, and so little able to see the way that we fear we are out of the track altogether’—that is the very time when the Lord is leading us in the right way!
Sometimes we feel, ‘We are so black and polluted—such awful sinners—such horrible creatures—that the Lord cannot look on us!’ That is the very moment when He may smile into the heart! When we may think we are getting on at a rapid pace in spirituality and holiness, making wonderful advances in the divine life, and getting almost to the pinnacle of ‘creature perfection’—we discover through some terrible inward slip, that we are on the wrong path, and have been drawn aside by self-righteousness and pharisaical pride.
So that at last we seem brought to this point—to have no wisdom of our own to see the way—and to have no strength to walk in the way when seen—but that we must be guided every step by the Lord Himself. And thus we sink down into creature nothingness and creature emptiness, and feel no more merit in our heart, lip, or life, why God should save us, than there is in Satan himself. And thus we sink so low—that none but God Himself can lift us up. And this is the very time when God usually appears—and most singularly displays His mercy, love, and grace!
Now, it is by walking in this trying path that we learn our utter ruin—and learn to prize God’s salvation. The power of saving truth is only prized by those whom God is thus teaching. Others are satisfied with ‘shadows’—but those that are deeply exercised in their mind, must have the ‘substance.’ Those who have had their false refuges destroyed—their lying hopes broken—and a thousand difficulties and perplexities surrounding them—as the Lord opens the eyes, and brings His truth before them—want the power and application of this truth to their heart. Nothing suits or satisfies them but the unction of the Spirit—and the dew of God’s power and presence resting on and felt in their souls. They can no longer be satisfied with the mere form—no longer rest for salvation on a few notions—no longer hang their eternal all upon the good opinion of the creature.
And thus, by this painful work in their souls, they learn—that they have no more religion than God works in them—that they can only know what God teaches them—that they can only have what He communicates to them—and that they are wholly and solely dependent upon Him to guide and keep them every moment of their lives!
Worldly men indeed despise them—mere professors hate them—the devil harasses them—their names are generally cast out as evil—and universal charity, which has a good opinion of all, has not a single, good word for them! That they are such a mystery to others is no wonder, when they are such a mystery to themselves. How they hold on they cannot tell—but they find they cannot move unless God moves them. How they pray is a mystery—yet at times they feel the spirit of prayer alive in their bosoms. How their souls are kept pleading and waiting for the Lord at the footstool of His mercy is a mystery—yet they cannot deny that this is the experience of their hearts. So that when they come to look at the way in which the Lord has led them, from first to last—it is all an unfathomable mystery!
Why God should have chosen them in Christ is a mystery. Why He should have quickened their souls when “dead in trespasses and sins,” is a mystery. Why He should have wrought a sense of contrition in their hearts is a mystery. Why He should have given a sense of His love to them is a mystery. Why He should have preserved them from error, while thousands have been entangled in it, is a mystery. Why He should keep them day by day, and hour by hour—without allowing them to disgrace His cause, deny His truth, turn their back on Him, or go into the world, is a mystery. And yet they find that they have and are all these things—so that the greatest mystery of all is—that they are what they are!
Thus, do they fare well, because God takes care they shall fare well. He manages all their concerns—He watches over them by night and by day—He waters them continually—He guides and leads them until He brings them home to His heavenly kingdom!
Destitute of vital godliness
“Having a form of godliness, but denying the power.” — 2 Timothy 3:5
There is nothing so deceitful as having “a form of godliness,” while the “power” of it is denied—nothing so delusive as having a “name to live,” while the soul is dead before God. If there is one hypocritical character more than another, whom the man of God should point out—it is he who, with a profession, is destitute of vital godliness—he who has the ‘form of doctrinal truth in the judgment,’ but who never has experienced ‘the power of that truth in his soul’—humbling him in the dust, and raising him up to a spiritual knowledge of Jesus Christ.
Our lost, ruined state
“My soul stays close to You.” — Psalm 63:8
Grace only suits those who are altogether guilty and filthy. Until we are divinely enlightened to see, and spiritually quickened to feel our lost, ruined state, we are satisfied with the things of time and sense—our hearts are in the world—our affections are fixed on the poor perishing vanities that must quickly pass away—and there is not one spiritual longing or heavenly craving in the soul.
Inward ornaments
“Let your beauty be not just the outward adorning of braiding the hair, and of wearing jewels of gold, or of putting on fine clothing; but in the hidden person of the heart, in the incorruptible adornment of a gentle and quiet spirit, which is in the sight of God very precious.” — 1 Peter 3:3, 4
O what wise instruction does the Apostle give to those wives and daughters that profess godliness! And how he warns them against attiring themselves like the daughters of Belial, and following the women of Canaan in their love of gay and fashionable apparel—while they slight the inward adornings of the Spirit, such as kindness, gentleness, meekness, and humility! But how far better are these inward ornaments which the Spirit of God puts into the heart! And how much more lovely do they look thus spiritually attired than if loaded with all the finery that the daughters of Belial array themselves in!
A precious, saving experience
A precious, saving experience springs out of the teaching of God in the soul, and the work of the Holy Spirit upon the heart. Every conviction of sin that springs from the Spirit’s inward convincing operations is precious as being the handiwork of God. Every sigh, every cry, every groan, every tear, every honest, humble confession before God of what we have been and are, is precious—because it is wrought by a divine power in the soul and the result of it, is salvation. Every sweet manifestation of the Son of God to the soul—every glimpse, glance, gleam, or view of His glorious Person by faith—every shining in of the light of His countenance—every application of His Word with power—every whisper of His heavenly love—every drawing of His divine grace—every application of His precious truth to the heart is precious. It comes from God—it leads to God—it is the work of the Holy Spirit—it prepares the soul for eternity—it is a jewel of God’s own gift.
Even the humblings that we experience under the hand of God—the breaking down of a hard heart—the softening of an obdurate spirit, the melting of soul under the breath of the Lord—with the going forth of supplication, confession, and desire unto the God of all our mercies to look upon us and bless us—is precious, because it is His gift and work. Everything which—brings out of self—draws to the Lord—makes sin hateful—makes Jesus precious—puts the world under our feet—gives us the victory over sin—weans us from the love of self—and makes the Lord Jesus precious, should be called a precious experience!
They will not & cannot give it up
Grace calls us out of the world—out of the love and spirit of it. But where there is no regenerating grace, the world cleaves so fast to men’s hearts that they will not and cannot give it up—they rest in the world and the satisfaction that the world gives. Others are hardened through the deceitfulness of sin. Satan spreads his snares for their feet—some base lust—some vile scheme—some covetous plan—some secret plan which he has baited with a bait exactly suitable to their fallen nature—he spreads for their feet—they are entangled, overcome, and become hardened through the deceitfulness of sin!
O visit me
“O visit me with Your salvation.” — Psalm 106:4
How is a man brought and taught to want to be “visited with” God’s salvation? He must know something first of condemnation. Salvation only suits the condemned. “The Son of man came to seek and to save that which was lost,” and therefore salvation only suits the lost. A man must be lost—utterly lost—before he can prize God’s salvation. And how is he lost? By losing all his religion—losing all his righteousness—losing all his strength—losing all his confidence, losing all his hopes—losing all that is of the flesh—losing it by its being taken from him—and stripped away by the hand of God. A man who is brought into this state of utter beggary and complete bankruptcy—to be nothing—to have nothing—to know nothing—he is the man who in the midnight watches, in his lonely hours, by his fireside, and at times well-near night and day—is crying, groaning, begging, suing, seeking, and praying after the manifestation of God’s salvation to his soul—O visit me with Your salvation!
He needs a visit from God! He wants God to—come and dwell with him—take up His abode in his heart—discover Himself to him—manifest and reveal Himself—sit down with him—eat with him—walk with him—and dwell in Him as his God. And a living soul can be satisfied with nothing short of this. He must have a visit. It profits him little to read in the Word of God what God did to His saints of old. He wants something for himself—something that shall do his soul good. He wants something that shall cheer, refresh, comfort, bless and profit him—remove his burdens—and settle his soul into peace. And therefore he wants a visitation—that the presence and power, the mercy and love of God should visit his soul.
The Word, in the hands of the Spirit
True and saving religion is the work of the Holy Spirit operating upon the heart through the Word—giving us faith by the application of the Word—raising up hope by the power of the Word—shedding abroad love by bringing the truth of the Word with power into the soul. The Word, in the hands of the Spirit, has—an enlightening power—a quickening influence—a penetrating energy—a divine force—an invincible power—which carries it into the inmost depths of the soul. This special and invincible power distinguishes the work of the Spirit from all and every work of the flesh. The work in those who merely believe for a time is superficial, shallow, external—there is no penetration with divine power, so as to change the man in the depths of his heart, to renew him in the spirit of his mind, and make him a new creature in Christ.
Free from its power & influence
“And you shall know the truth, and the truth will make you free.” — John 8:32
We are by nature in bondage to the world. But a saving knowledge of the truth will bring a freedom from the world, and all its alluring charms—its vain attractions—its sensual pleasures—its carking cares—its toils and anxieties. It sets the soul free from being entangled in, overcome, and over-burdened by these things—as if they were our all. We still have to do with the world. We must be daily occupied with it. But the truth will give you sweet liberty from it. You will not—walk with the men of the world—love the company of the world—nor be entangled in the love of the world—because the truth in its purity and power applied to your heart, will make you free from its power and influence. There is no holy liberty but the freedom which springs from the blessed influence and operations of the Holy Spirit on the heart, applying the Word of God with power to the soul. This gives true freedom—brings into the soul real liberty—and relieves it from that bondage in which we have so often to walk.
It is hard work to have our filth removed
“From all your filthiness, and from all your idols, will I cleanse you.” — Ezekiel 36:25
It is hard work to have our filth removed, and often takes a long time to effect, and that, perhaps, amid much opposition and rebellion against such humbling dealings. But we shall be made, sooner or later, to pine after the Lord’s sensible presence in our soul, and then we shall feel, that before we can realize it, there must be a solemn repenting and honest confession of sin—and that we must fall down before God as poor guilty sinners, condemned in our own conscience. We stand as long as we can upon our own legs—we rest as long as we can upon something in self.
But all this self-dependence and self-righteousness, sooner or later, must come down—must give way—though it may take years to do it—with trial upon trial—affliction after affliction—and temptation after temptation. The Lord brings us to fall flat before Him in the dust of self-abasement, having no hope but in Him. But when He has purged away the filth of pride, self-righteousness, creature strength, with all other evils—and there is nothing left in the soul but the ashes of self—we can fall flat before God, putting our mouth in the dust. Then He will come—gently and sweetly come over all the hills and mountains of our sin and shame—and manifest His sensible presence to our souls.
Your money
“You are not your own.” — 1 Corinthians 6:19
Your money is not your own. You may not spend it just as you please—without check of conscience—without restraint of godly fear—without putting to yourself any inquiry how far you are spending it aright. You should be like a miser who looks at every shilling before he parts with it. So should every shilling be looked at, carefully and narrowly, by a Christian, whether it is spent for the honor and glory of God or not. I grant that this may seem to tie us up very closely, and that is one reason, perhaps, why the people of God are kept, for the most part, so tight in hand, that they have very little loose money to spend as they like. But even if we have a competency, or perhaps more than a competency, if we are under divine influences and gospel obligations, although we may have the money, we cannot throw it here and there to please and gratify the flesh—adorning the body with costly clothing, either for ourselves or our children—and decorating the house with new and unnecessary furniture. This is not the obligation of gospel grace. Your money is not your own, if you are a Christian. You are but a steward. If you have much, the more responsible you are for the right use of it. If you have little, still you are a steward for that little.
A slavery too galling for our proud heart to bear!