Door een gevoelig besef van onze snoodheid en zondigheid, pijnlijk verzwaard door al deze omstandigheden, hebben wij dan misschien bijna wanhopig uitgeroepen: Kan God hier ooit wonen? Hoe zou de ziel die voor God leeft niet wegzinken in een diepe put? Zij leeft immers voortdurend tot Zijn eer en heerlijkheid of verlangt dat te doen. Zij wil wandelen in het licht van Zijn aangezicht. Maar nu staat alles in haar zo tegenover die vrede in het geloof, of is er zo ver van verwijderd, terwijl die vrede haar element en thuis is.
Of we zijn betrekkelijk vrij van persoonlijke beproevingen. Dan kunnen er toch zeer pijnlijke en bedrukkende omstandigheden voor ons gemoed zijn gekomen of op ons geweten drukken, die met anderen te maken hebben. Misschien is er een grove inconsequentie van een gemeentelid aan het licht gekomen. Of er is op een gemeentevergadering een droevig vertoon van toorn en driftigheid geweest. Of twee leden zijn het oneens geworden en een van hen of beiden hebben een bitter en onverzoenlijk gemoed laten zien.
Of afgezien van gemeentezorgen, die na persoonlijke ellende de zwaarste zijn, hebben wij in een plechtig ogenblik van gebed en overdenking misschien een geestelijk zicht gehad op de algemene toestand van de gemeenten van de waarheid. Wij zagen hen dan verscheurd door twist en verdeeldheid of diep weggezonken in dorheid en onvruchtbaarheid. Of, nog dichter bij huis en op een nog gevoeliger punt: er is een verschil gerezen tussen ons en een geliefde vriend.
Of wij hebben juist het tegenovergestelde ontmoet waar wij op medeleven en troost hoopten in een beproeving of verdrukking. Zo zijn wij gewond geraakt in het huis mijner liefhebbers en hebben wij door persoonlijke maar pijnlijke bevinding de betekenis geleerd van deze woorden: De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg (Micha 7:4).
Of als wij in de bediening van het Woord werkzaam zijn, zoals sommige van onze lezers, kunnen wij een tijd lang sterk ingesloten zijn geweest in de prediking van het woord van de waarheid. Wij kunnen veel duisternis van gemoed en gebondenheid van geest hebben gevoeld in het huis van gebed. Als wij hoorders zijn, kan er veel doodsheid zijn geweest onder het gepredikte woord.
Lange tijd is er misschien niets met kracht en smaak in de ziel gevallen, niet door het gebed en niet door de preek. En Satan kan daar groot voordeel uit hebben getrokken om het gemoed te kwellen en een sombere wolk over heel onze bevinding te werpen.
Onder deze en soortgelijke omstandigheden, die wij niet nader hoeven uit te werken, zinkt de ziel die de genade van God bezit soms zeer diep. Wij zijn te zeer geneigd om dingen af te meten aan onze eigen gevoelens. Zoals een donkere wolk voor de zon een somberheid over het hele gelaat van de natuur werpt, zo kijken wij om ons heen en gaan wij zeggen: Waar is er nog echte godsdienst, levende godzaligheid en gezegende gemeenschap met de Heere? Waar is die geestelijke gezindheid waarin en waarin alleen leven en vrede zijn? Waar en wat ben ik, en waar en wat zijn anderen?
Misschien denken wij met Job terug aan de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was. Dan zeggen wij: Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde (Job 29:2-4). O, dat de Heere nog eens wilde verschijnen, deze donkere wolken wilde wegnemen en in mijn ziel wilde schijnen, zodat ik mij in Hem zou verlustigen als al mijn zaligheid en al mijn begeren.
Wanneer de gelovige ziel zo diep wordt gebracht, haar zonden belijdt en geheel en alleen naar de Heere opziet, vindt er vaak een zoete en gezegende verandering plaats. Er breekt goddelijk licht en leven door. Geloof, hoop en liefde leven op. De goedheid en barmhartigheid van de Heere worden opnieuw gevoeld. Zijn tegenwoordigheid en glimlach worden genoten. Er is vrijheid, ruimte en een naar voren komen in gebed en lofprijzing. Er is een nieuw zicht op de Koning in Zijn schoonheid. Zijn genade en heerlijkheid worden ontdekt, Zijn liefde, bloed en gerechtigheid, Zijn lieflijkheid en geschiktheid.
Daarbij komt een voortdringen naar gemeenschap met een Heere Die zo genadig en toch zo heerlijk is. Het is een Zaligmaker Die zo verheven en toch zo medelijdend is. Het is een Hogepriester Die eens op aarde een bloedend offer was en nu in de hemel zo’n almachtige Voorspraak en Middelaar is.
Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? (Psalm 85:7), riep de gemeente van weleer. Deze genadige opwekking is het antwoord op die verlangende roep en op die ernstige bede. Zij wordt geademd uit een hart dat zijn koude en doodsheid voelt maar zichzelf niet kan doen herleven. Want zoals nooit iemand zijn ziel levend heeft gemaakt, zo houdt ook niemand haar levend.
Maar Hij heeft Zijn genadige belofte gegeven: want Ik leef, en gij zult leven. Wanneer Hij die belofte vervult en vernieuwde zegeningen neerzendt, dan is dat omdat Hij is opgevaren in de hoogte. Van Hem staat geschreven: Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God! (Psalm 68:19).
Dan keert de ziel terug naar de dagen van haar jeugd: hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren (Job 33:25). Dan worden deze woorden weer zoet verwerkelijkt: Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan. De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land (Hooglied 2:11-12).
Kan de ziel anders dan opstijgen als de Heere haar zo opheft? Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen (Psalm 102:11). Hij is haar Hoofd, haar Man, haar Alles. Als Hij fronst, moet zij dan niet zinken? Als Hij Zich terugtrekt, moet zij dan niet treuren? Als Hij lacht, moet zij dan niet verblijd zijn? Wat is godsdienst als er geen vereniging met Christus is? Als er vereniging met Christus is, zijn er zowel de vruchten als de gevoelens van die band van geestelijke gemeenschap.
Afwezigheid verbreekt de huwelijksband niet. Aanwezigheid schept haar ook niet, noch in de natuur noch in de genade. Toch treurt de verloofde ziel, zoals de liefhebbende vrouw die leeft en bemint, bij het vertrek van haar gehuwde Heere. En zij verheugt zich bij Zijn terugkeer.
Tegelijk met deze persoonlijke opleving van de ziel na een lange duisternis of een pijnlijke tijd van verzoeking en beproeving ontstaan er soms ook van buitenaf omstandigheden. Zij kunnen er ook een middel toe zijn. Zij zijn als een gunstige bries die de ziel voortstuwt wanneer zij haar zeilen voor de wind heeft uitgespreid. Iemand die wij lang hebben gekend en in de Heere liefhadden, wordt door de dood weggenomen maar maakt een gezegend einde.
Of er komt een opvallend bewijs van genade in iemand die ons door aardse banden nabij en dierbaar is. Een zoon, een dochter of een schoonzuster blijkt geheel onverwacht en bijna onverhoopt een vat van barmhartigheid te zijn. Dan wordt het hart vervuld met verwondering en bewondering.
Onder deze vertoningen van soevereine genade geeft het stenen hart toe en smelt het in berouw en liefde. Tranen van heilige vreugde stromen over de wangen. Zegeningen en lofprijzingen stijgen uit het hart op naar de God van al onze barmhartigheden. Dat geldt voor deze nieuwe openbaring van de lengte en breedte, diepte en hoogte van de verlossende liefde.
Als wij in de bediening van het Woord werkzaam zijn, slaat de Heere misschien opnieuw op zeer opvallende wijze Zijn hand aan het werk. Hij doet prediker en volk herleven. Hij geeft getuigenis aan het woord van Zijn genade door een merkbare verlossing te sturen voor een ziel in diepe nood. Hij bekleedt het woord met kracht om de doden levend te maken en de levenden te troosten. Hij laat het vallen als de dauw en neerdruipen als de regen op de zielen van het volk. Zo is er een samenvloeien van hart tot hart in het gezin van God.
Wij hebben vrij uitvoerig de verschillende oorzaken van zinken en stijgen genoemd, zoals die worden ervaren in de ziel van een heilige van God. Daarmee wilden wij de veranderingen tonen die er binnenin plaatsvinden, het eb en vloed en de licht- en schaduwzijden van het goddelijke leven. Mensen die dood zijn in een belijdenis, met harten van diamant en een voorhoofd van koper, verhard door hoogmoed en wereldsgezindheid en onder een masker van godsdienst, kunnen deze veranderingen belachelijk maken.
Zij kunnen ons bespotten dat wij zogenaamd stemmingen en gevoelens tot norm verheffen en twijfel en vrees koesteren. Wij zouden ons verlustigen in onze verdorvenheden en beneden onze voorrechten leven. Wij zouden over onze ellendige zelf zitten te piekeren, God onteren door ons ongeloof, onszelf vergoden en een Christus maken van onze bevinding.
Zulke bombastische woorden en een hele woordenschat aan soortgelijke vaste uitdrukkingen worden van honderd kansels even gemakkelijk afgeschoten. Ze hebben ongeveer even weinig echte uitwerking als de kanonnen van Portsmouth wanneer zij de koningin groeten als zij naar Osborne gaat. Juist de mannen die deze kanselkanonnen laden en afvuren weten met al hun lawaai en rook niet meer van de bevinding van een heilige van God dan de artilleristen van Portsmouth van wat de koningin met haar ministers in het paleis bespreekt.
Maar zij schieten zoals zij is geleerd, met de munitie die al voor hen is gemaakt en ingepakt en handzaam aan hun voeten ligt.
Wij stellen geen twijfel en vrees op een voetstuk en wij heiligverklaren de verdorvenheid niet. Wij harken geen asbelt door naar parels om in de kroon van Jezus te zetten. Wij zetten de wisselvalligheid van het schepsel niet in de plaats van of naast de onveranderlijkheid van de Zoon van God en Zijn volbrachte werk. Maar wij zeggen van en tot allen die uit onwetendheid of vijandschap een bevindelijke godsdienst bestrijden, op de kansel of daarbuiten: dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen (Psalm 55:20).
En als zij God niet vrezen, hebben zij niet het begin van de wijsheid en nog veel minder het einde. Zij zijn niet eens in de laagste klas van de school van Christus, laat staan leraren of meesters. Maar onwetendheid zal kletsen en vijandschap zal schelden. Het is onze wijsheid en barmhartigheid om op geen van beide te letten. Wij doen wat de wil van God is: weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen (1 Petrus 2:15).
Wie glimlacht er niet, die de ware gronden van de afscheiding kent, wanneer een jonge puseyitische geestelijke zijn universiteitsargumenten loslaat tegen de gevaarlijke zonde van het schisma? Intussen staat het pausdom op elke draad van zijn dichtgeknoopte soutanevest en op elke plooi van zijn lange jas gestempeld. Wie glimlacht er niet, die de vaste grondslag van de leer der genade kent, wanneer een zelfingenomen jongeman, vers van de Academie, denkt in één preek de rots waarop de gemeente is gebouwd omver te halen en de uitverkiezing in alle windstreken uiteen te slaan?
En mogen wij op dezelfde wijze niet glimlachen, of liever zuchten, wanneer mensen die het leven van God niet kennen en verstoken zijn van alle goddelijk onderwijs en genadige invloed hun scheldwoorden slingeren? Zij brengen hun ellendige, alledaagse argumenten in tegen de bevinding van de heiligen. Maar het is een ellendige strijd om zich in te laten.
Wie de heiligen aanraakt, raakt de oogappel van God aan. Laat liever onze tong nooit meer de naam van God noemen. Laat liever de pen voor altijd uit onze verlamde vingers vallen dan dat onze tong of vinger willens en wetens één woord spreekt of schrijft tegen het werk van God in de ziel van een heilige.


