Wat bent u een raadsel!
Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt (Romeinen 7:21)
Bent u zichzelf niet vaak een raadsel?
Het ene moment warm — het volgende koud!
Het ene uur verlaagt u uzelf — het volgende uur verhoogt u uzelf!
Vandaag hebt u de wereld lief, bent er vol van en tot over uw oren in haar ondergedompeld — morgen roept, kermt en zucht u om een zoete openbaring van de liefde van God!
Neergebogen tot niets, bedekt met schaamte en verwarring, ligt u op uw knieën voordat u uw kamer verlaat — en vol hoogmoed en eigendunk voordat u beneden bent!
In de afzondering veracht u de wereld en wilt u alles opgeven voor één smaak van de liefde van Jezus — en in de zaken probeert u haar met beide handen vast te grijpen!
Wat bent u een raadsel!
Geraakt door liefde — en gestoken door haat!
Een beetje wijsheid bezittend — en een heleboel dwaasheid!
Aards gezind — en toch met de genegenheid in de hemel!
Voorwaarts dringend — en achterblijvend!
Vol luiheid — en toch het koninkrijk met geweld innemend!
En zo leidt de Geest ons door een werking die wij wel kunnen voelen maar niet naar behoren kunnen beschrijven. Hij leidt ons in het geheim van de twee naturen die in dezelfde boezem voortdurend tegen elkaar worstelen en strijden. Zo kan de ene mens niet meer van een andere verschillen dan dezelfde mens van zichzelf.
Maar dit is het geheim van het koninkrijk van de hemelen: onze vleselijke gezindheid ondergaat geen enkele verandering en voert voortdurend oorlog tegen de genade. Hoe dieper wij wegzinken in zelfverlaging onder het besef van onze verdorvenheid, hoe hoger wij stijgen in de kennis van Christus. En hoe zwarter wij in eigen ogen zijn, hoe lieflijker Jezus ons verschijnt.
Wat een domkoppen!
Jezus vroeg hun: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende? (Mattheüs 15:16)
Wat hebben wij dag na dag lessen nodig om iets goed te leren, en hoe gaat het meestal gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. O … wat een trage leerlingen! Wat een dwaze, vergeetachtige leerlingen! Wat een onwetenden! Wat een domkoppen! Wat een koppige leerlingen!
Zeker, geen enkele leerling op school, oud of jong, zou zo weinig kunnen leren van natuurlijke dingen als wij van geestelijke dingen geleerd lijken te hebben. En dat na … zoveel jaren onderwijs en zoveel gelezen hoofdstukken, zoveel gehoorde preken en opgezonden gebeden en zoveel praten over godsdienst.
Hoe klein, hoe zwak is de groei vergeleken bij alles wat wij hebben gelezen, gehoord en besproken!
Maar het is een genade dat de Heere zaligt wie Hij zaligen wil — en dat wij zalig worden door vrije genade, en door vrije genade alleen!
Neem mij aan zoals ik ben, met al mijn zonde en schaamte
Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof. (Jeremia 17:14)
Hier is deze zonde! Red mij ervan!
Hier is deze strik! Breek hem in stukken!
Hier is deze lust! Heere, bedwing hem!
Hier is deze verzoeking! Verlos mij eruit!
Hier is mijn hoogmoedige hart! Heere, verneder het!
Hier is mijn ongelovige hart! Neem het weg en geef mij geloof; geef mij onderwerping aan Uw gedachten en Uw wil.
Neem mij aan zoals ik ben, met al mijn zonde en schaamte, en werk in mij alles wat U welgevallig is.
Niets dan een enorme kluit stof
Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kolossenzen 3:2)
Alles op aarde is, gezien door de ogen van de Majesteit van de hemel, laag en armzalig.
De aarde is tenslotte niets dan een enorme kluit stof. Als zodanig is zij in de ogen van haar Maker even onbeduidend als het kleine stofje van de weegschaal of de druppel van de emmer.
Wat zijn dan … haar hoogste doelen, haar verhevenste streven, haar grootste ondernemingen en haar edelste bezigheden in de ogen van Hem Die in de eeuwigheid woont? Zijn zij niet laag en waardeloos?
Ijdelheid is gestempeld op alles wat de aarde bereikt.
Alle aardse bezigheden en grote prestaties … rijkdom, rang, geleerdheid, macht of genot … eindigen in de dood!
De adem van Gods ongenoegen werpt alles wat rijk en machtig, hoog en trots is, spoedig neer in het graf.
Maar dat krachtdadige werk van genade in het hart roept de uitverkoren vaten van barmhartigheid weg uit … die lage, kruipende bezigheden, dat aardse speelgoed en die gemene, zinnelijke lusten waarin andere mensen tegelijk hun geluk en hun ondergang zoeken. Door dat werk worden zij uit de macht der duisternis getrokken en overgezet in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde.
Hoe kunnen zij ontkomen?
Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren (1 Samuël 2:9)
De Heere ziet Zijn arme, verstrooide pelgrims reizen door een dal van tranen. Zij trekken door een woeste, huilende wildernis en gaan een pad dat aan alle kanten vol lokaas, vallen en strikken ligt.
Hoe kunnen zij ontkomen?
Wel, de Heere bewaart hun voeten. Hij draagt hen door elke ruwe plek, zoals een liefdevolle ouder een klein kind draagt. Als zij dreigen te vallen, legt Hij genadig Zijn eeuwige armen onder hen. En als zij wankelen en struikelen en hun voeten bijna wegglijden, houdt Hij hen barmhartig overeind, zodat zij helemaal niet vallen.
Maar denkt u dat Hij voor verschillende voeten niet verschillende wegen heeft? De God van de schepping heeft geen twee bloemen en geen twee bladeren aan een boom gelijk gemaakt. Zou Hij dan al Zijn volk precies hetzelfde pad laten bewandelen? Nee. Wij hebben … elk ons eigen pad, elk onze eigen moeiten, elk onze eigen beproevingen en elk onze eigen bijzondere vallen en strikken voor onze voeten.
En de wijsheid van de alwijze God blijkt hieruit dat Zijn ogen overal zijn en de voetstappen van elke pelgrim volgen. Hij stemt Zijn geneesmiddelen af op ieders eigen geval en nood. Hij verschijnt voor hen wanneer niemand anders hun goed zou kunnen doen.
Hij waakt zo teder over hen alsof de ogen van Zijn liefde op één enkel mens gericht waren. Hij let zo zorgvuldig op ieders gangen alsof alle krachten van de Godheid op die ene persoon waren gericht om hem voor kwaad te behoeden!
God zal in al uw behoeften voorzien
Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus (Filippenzen 4:19)
Zolang wij niet in de diepten van armoede zijn gebracht, zullen wij de rijkdom van Christus nooit kennen of waarderen.
Als u dus een kind van God bent, een arme en nooddruftige ziel, een verzochte en beproefde gelovige in Christus, dan zal God in al uw behoeften voorzien.
Zij kunnen heel groot zijn.
Soms lijkt het u misschien alsof er op heel de aarde nooit zo’n ellendeling als u is geweest. Het lijkt dan alsof er nooit een kind van God in uw toestand kan zijn … zo donker, zo dom, zo blind en onwetend, zo hoogmoedig en werelds, zo aanmatigend en huichelachtig. U valt zo voortdurend af naar afgoden en doet zo voortdurend dingen waarvan u weet dat zij in Gods ogen hatelijk zijn.
Maar wat uw nood ook is — hij ligt niet buiten het bereik van de goddelijke voorziening! En hoe dieper uw nood, hoe meer Jezus wordt verheerlijkt door erin te voorzien.
Zeg dus niet dat … uw geval te erg is, uw behoeften te veel, uw verlegenheid te groot en uw verzoekingen te sterk.
Geen geval kan te erg zijn!
Geen verzoeking kan te machtig zijn!
Geen zonde kan te zwart zijn!
Geen verlegenheid kan te moeilijk zijn!
Geen toestand waarin de ziel kan geraken ligt buiten het bereik van de almachtige en barmhartige liefde die brandt in de borst van de Verlosser!
Dat meelevende, barmhartige, gevoelige, tedere en medelijdende hart
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden (Hebreeën 4:15)
Het kind van God, geestelijk onderwezen en overtuigd, is zich diep bewust van zijn zwakheden. Ja, hij is omringd met zwakheden. Hij is niets anders dan zwakheden.
Daarom past de grote Hogepriester zo goed bij hem, Die met zijn zwakheden kan medelijden hebben. Als beladen zondaar komt hij tot Hem. In het diepst van zijn nood neemt hij bij Hem zijn toevlucht. En aan Zijn voeten valt hij neer, overweldigd door het besef van zijn hulpeloosheid, zonde, ellende en schuld.
Als wij op onze eigen gedachten waren aangewezen, zouden wij van nature denken dat Jezus te heilig is om met medelijden neer te zien op een vuile, schuldige ellendeling als wij.
Zeker, zeker zal Hij ons van Zijn voeten wegstoten. Zeker, zeker kunnen Zijn heilige ogen niet kijken naar ons in ons … bloed, onze schuld, onze vuilheid en armzaligheid, onze ellende en schaamte.
Zeker, zeker kan Hij … geen enkele hartsgedachte, geen enkel ogenblik medeleven schenken en geen vonkje liefde voelen voor wie zo geheel anders zijn dan Hij.
Zo zouden natuur, zintuigen en verstand redeneren: “Ik moet heilig zijn — volmaakt heilig — wil Jezus mij liefhebben. Ik moet rein zijn — volmaakt rein, vlekkeloos en zonder zonde — wil Jezus aan mij denken. Maar ik ben een zondige, schuldige, bezoedelde ellendeling. Ik ben omringd met zwakheden. Mijn hart is een kooi van onreine vogels. Ik ben bevlekt en verontreinigd met duizend ongerechtigheden. Dat ik toch een erfdeel in Hem zou hebben, of dat Hij enige liefde of ontferming voor mij zou hebben — daartegen komen natuur, zinnen, verstand en menselijke godsdienst in al haar vormen in opstand.”
Het is alsof Jezus Zich in het bijzonder richt tot het arme, beladen kind van God dat zijn zwakheden voelt. Het kan niet roemen op eigen wijsheid, kracht, gerechtigheid en standvastigheid — het is louter zwakheid en hulpeloosheid. Het lijkt alsof Hij Zich wil richten tot het geval van zo’n hulpeloze ellendeling en een zoete heilbalsem in zijn bloedende geweten wil gieten.
Wij, de kinderen van God, kennen elk onze eigen plaag en onze eigen smart. Wij dragen dag aan dag een lichaam van zonde en dood met ons mee dat ons doet klagen, zuchten en kermen. Wij weten pijnlijk wat het is omringd te zijn met zwakheden. Wij komen tot Zijn voeten als mensen die niets zijn en niets hebben dan zonde en wee.
Voor ons geldt: wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden — maar Eén Die in Zijn boezem dat … meelevende, barmhartige, gevoelige, tedere en medelijdende hart draagt.
Wat buigt u zich neder, mijn ziel?
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. (Psalm 42:12)
Vergeet u, o ziel, dat de weg naar de hemel een zeer smal en eng pad is — te smal om uw zonden erin met u mee te dragen?
God acht het goed dat u neergebogen bent.
U werd zeer hoogmoedig, o ziel.
De wereld had uw hart gegrepen.
U zocht grote dingen voor uzelf.
U dwaalde in het geheim weg van de Heere.
U werd te veel verheven in het ZELF.
De Heere heeft u deze beproevingen en moeilijkheden gezonden en deze verzoekingen over u laten komen om u van uw valse gerustheid af te brengen.
Er is dus reden om God zelfs te loven omdat u neergebogen bent en zo onrustig.
Wat gaan er delen van Gods Woord voor u open die u nooit eerder met enig gevoel hebt gelezen.
Wat geeft het u medeleven en gemeenschap met de beproefde en bedroefde kinderen van God.
Hoe maakt het u los van dode belijders en scheidt het u van hen af.
Hoe brengt het u met hart en genegenheid weg uit de wereld die in het boze ligt. En hoe houdt het uw gedachten telkens weer bezig met de ernstige zaken van de eeuwigheid — in plaats van dat u een prooi bent van elke ijdele gedachte en voorstelling en op een zee van ijdelheid en dwaasheid heen en weer wordt geslingerd.
Maar bovenal: wanneer er een zoet antwoord van de Heere komt en de kracht van de goddelijke dingen innerlijk wordt gevoeld, zodat wij op God kunnen hopen en Zijn gezegende naam kunnen prijzen — dan zien wij het nut van neergebogen te zijn en zo herhaaldelijk en voortdurend onrustig gemaakt te worden.
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. (Psalm 42:12)
Een schat in aarden vaten
Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten (2 Korinthe 4:7)
Wees niet verbaasd als u merkt dat u in uzelf slechts een aarden vat bent — als u diep en dagelijks wordt overtuigd van uw broze lichaam.
Wees niet verbaasd … als uw lemen huis vaak wankelt, als ziekte soms uw sterfelijke tent aantast, als in uw vlees niets goeds woont, als uw ziel vaak aan het stof kleeft en als u een zoet besef van Gods goedheid en liefde niet kunt vasthouden.
Wees niet verbaasd of geschrokken … over de verdorvenheden van uw bedorven natuur, over de diepte van de zonde in uw vleselijke gezindheid en over de gruwelijke dingen die zich verschuilen en werken in uw bedrieglijke en uiterst boze hart.
Bedenk dat het Gods wil is dat deze hemelse schat, die u rijk maakt voor de eeuwigheid, in een aarden vat wordt geborgen.
Wij moeten steeds onze eigen aangeboren zwakheid voelen — en dat wij zonder Christus niets kunnen doen — om met nederigheid te worden bekleed. Zo voelen wij onszelf de voornaamste van de zondaren en kleiner dan de kleinste van alle heiligen.
Zo leren wij de hoogten, breedten, lengten en diepten van de liefde van Christus op prijs te stellen, Die Zich zo diep heeft vernederd om ons zo hoog te verheffen!
Alle beproevingen, alle verzoekingen, alle ontblotingen, alle ledigingen
De beproevingen en verdrukkingen zelf en de zware verzoekingen waardoor Gods gezin heen moet, maken Christus uiteindelijk dierbaar voor hen. En reken erop: als u een kind van God bent, zult u vroeg of laat op uw reis door deze wildernis merken dat u Jezus nodig hebt als Degene Die volkomenlijk kan zalig maken.
Er zullen zulke dingen in uw hart zijn en zulke gevoelens in uw gemoed — en de verzoekingen die u ontmoet zullen zo zijn — dat niets minder dan een Zaligmaker Die volkomenlijk kan zalig maken u kan redden uit uw wanhopige toestand en uw gevoelde omstandigheden als volkomen verloren en hulpeloos.
Dit is een groot punt om te bereiken. Alle beproevingen, alle verzoekingen, alle ontblotingen en alle ledigingen die hier niet op uitlopen, zijn waardeloos — want zij leiden de ziel van God af.
Maar de overtuigingen, de beproevingen, de verzoekingen, de ontblotingen en de ledigingen die ons tot dit punt brengen, hebben een gezegend gevolg. Dit punt is dat wij niets hebben en niets kunnen doen, maar dat de Heere alleen alles moet doen. Zij maken Jezus uiteindelijk heel nabij en dierbaar voor ons.
Geen vrees!
Er is geen vreze Gods voor hun ogen (Romeinen 3:18)
Zij die alle reden hebben om te vrezen voor hun eeuwige staat voor God, hebben meestal helemaal geen vrees. Zij zijn gerust en vrij van twijfel en angst.
De diepten van de menselijke huichelarij, de vreselijke lengten waartoe belijdenis kan gaan, het bedrog van het vleselijke hart, de strikken die voor onoplettende voeten zijn gespannen en het vreselijke gevaar om aan het eind bedrogen uit te komen — deze vallen en valkuilen zijn voor hen die dood zijn in de zonde geen reden tot bezorgdheid.
Zolang zij hun natuurlijke geweten kunnen sussen en iets kunnen doen om een voorbijgaande overtuiging te bedaren, zijn zij blij bedrogen te worden!
God vindt het niet goed hun rust te verstoren. Hij heeft geen barmhartig voornemen met hen. Zij zijn geen onderdanen van Zijn koninkrijk en geen voorwerpen van Zijn liefde.
Hij laat hen daarom vleselijk gerust, als in een droom — waaruit zij pas op de dag van het oordeel zullen ontwaken.
Deze moeilijkheden …
van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezechiël 36:25)
Wanneer er geen kruisen, verzoekingen of beproevingen zijn, gaat een mens zeker uit naar afgoden en hangt hij hun aan.
Het maakt niet uit welke bevinding hij heeft gehad. Als hij niet langer geplaagd en beproefd wordt, zal hij zijn huisgoden opstellen in de binnenkamers van zijn hart.
Winst of genot, zelfverwennerij of zelfbevrediging zullen in de een of andere vorm zeker zijn gedachten in beslag nemen en zijn hart stelen.
Niets is te gering of te onbeduidend om een afgod te worden. Alles waarover wij liever nadenken dan over God, alles wat wij meer begeren dan Hem, wordt een afgod en een bron van zonde. Hetzelfde geldt voor alles wat ons meer interesseert en meer behaagt, onze wakende uren meer bezighoudt of voortdurender in onze gedachten is.
Niet de grootte van de afgod maakt afgodendienst, maar zijn bestaan als voorwerp van aanbidding. Ik heb sommige ‘Birmese afgoden’ gezien die nauwelijks groter waren dan mijn hand, en sommige ‘Egyptische afgoden’ die vele tonnen wogen. Maar beide waren evenzeer afgoden — en het verschil in grootte had er niets mee te maken.
Zo is ook geestelijk een afgod niet te meten aan zijn grootte of aan zijn relatieve belangrijkheid of onbelangrijkheid. Een bloem kan voor de ene mens evenzeer een afgod zijn als een kist vol goud voor een ander.
Als u uw hart gadeslaat, ziet u de hele dag afgoden opkomen en ondergaan, bijna zo dicht als de sterren in de nacht.
Maar God zendt … beproevingen, moeilijkheden, verzoekingen, aanvechtingen, verliezen en verdrukkingen om deze afgoden neer te halen — of liever om onze harten van hen los te trekken.
Deze moeilijkheden … trekken ons uit vleselijk gemak, doen ons roepen om genade, halen alle rotte steunpilaren neer, jagen ons uit valse schuilplaatsen en ontdoen ons van ijdele hoop en bedrieglijke verwachtingen.
Afgoderij!
Zij vertellen hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen (1 Thessalonicenzen 1:9)
Niets is zo klein of zo onbeduidend dat het soms geen afgod kan zijn.
Wat is een afgod? Iets wat mijn vleselijke gezindheid liefheeft.
Hoe kan ik weten of mijn vleselijke gezindheid het liefheeft? Wanneer wij eraan denken en er veel plezier aan beleven. Wij vertroetelen het, hebben het lief en strelen het, spelen en dartelen ermee zoals een moeder met haar baby.
Zie hoe zij het kleintje neemt en ernaar kijkt. Haar ogen zijn erop gevestigd — zij is er dol op omdat zij het liefheeft. Zo kunnen wij een afgod herkennen als wij ons eigen hart onderzoeken — aan datgene waar onze verbeelding, begeerten en heimelijke gedachten naar uitgaan.
In plaats van geestelijk gezind te zijn en zijn hart en genegenheid in de hemel te hebben, heeft hij iets in zijn gedachten waar zijn hart naar uitgaat — iets of ander dat zijn genegenheid in beslag neemt.
Het kind van God heeft al deze kwade neigingen, meer of minder, in zich werkzaam. Er is afgoderij in het hart van elk mens. Hoe diep is deze afgoderij in het hart van een mens geworteld! Hoe sluipt zij zijn ziel binnen! Waaraan hij ook toegeeft — hoe kruipt het over hem heen, totdat het zoveel macht krijgt dat het meester wordt.
Een mens kent zichzelf niet als hij niet weet hoeveel macht deze afgoderij over hem heeft.
Niemand dan God kan de mens dat doen weten. En wanneer de Heere hem verlost, keert hij zich tot God en zegt: “Wat ben ik een snode ellendeling geweest! Wat een monster, dat ik deze afgoden achternaliep en dit en dat liefhad. Een ellendeling — een monster van ongerechtigheid, de snoodste ellendeling die ooit over Gods aarde kroop — omdat mijn goddeloze hart naar deze afgoden uitging!”
Wanneer de ziel wordt neergebracht tot een besef van haar snoodheid en afschuwelijkheid en van Gods geduld en lankmoedigheid, keert zij zich van de afgoden tot God om de enige levende en waarachtige God te dienen, Die de afgodendienaar vergeeft.
Door de innerlijke strijd, de heimelijke werkingen
Door de innerlijke strijd, de heimelijke werkingen, de geheimzinnige veranderingen en de steeds wisselende oefeningen van zijn ziel wordt de ware christen gevestigd in een diepe bevinding van … zijn eigen dwaasheid en Gods wijsheid — zijn eigen zwakheid en de kracht van Christus — zijn eigen zondigheid en de goedheid van de Heere — zijn eigen afvalligheid en het herstel door de Geest — zijn eigen snode ondankbaarheid en het geduld van Jehova — het overvloedig toenemen van de zonde en het nog overvloediger toenemen van de genade.
Zo wordt hij dagelijks meer en meer bevestigd in … de ijdelheid van het schepsel — de volstrekte hulpeloosheid van de mens — de bedrieglijkheid en huichelachtigheid van het menselijk hart — de soevereiniteit van de onderscheidende genade — het geringe aantal door de hemel onderwezen predikanten — het kleine aantal levende zielen — en de grote zeldzaamheid van ware godsdienst.
Wonden, striemen en etterbuilen
het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht (Jesaja 1:5-6)
Elke gedachte, elk woord en elke daad is door de zonde bezoedeld.
Elk vermogen van de geest is bedorven.
De wil kiest het kwade.
De genegenheden kleven aan aardse dingen.
Het geheugen houdt als een gebroken zeef het slechte vast en laat het goede vallen.
Het oordeel spreekt als een omgekochte of dronken rechter onzinnige of verkeerde vonnissen uit.
Het geweten ligt als een opiumgebruiker te slapen, bedwelmd in verdoofde stilte.
Als al deze ‘hoofdvermogens van de geest’ zo dronken en wanordelijk zijn — is het dan te verwonderen dat de lichaamsleden een goddeloze, opstandige bende zijn?
Lusten roepen om bevrediging.
Ongeloof en ongelovigheid morren.
Boze buien grommen en mompelen.
Elke slechte hartstocht strijdt hard om de overhand.
O, de boosheden van het menselijk hart! Losgelaten hebben zij de aarde met ellende en de hel met slachtoffers gevuld. Zij overstroomden de wereld met de zondvloed, verbrandden Sodom en Gomorra met vuur uit de hemel en maken de wereld rijp voor de laatste vuurzee!
Elke zonde die … deze mooie aarde tot een ‘hel op aarde’ heeft gemaakt, de lucht met gekerm heeft gevuld en de grond met bloed heeft doordrenkt, woont in uw hart en het mijne!
Nu, wanneer dit door de Geest van God aan het geweten wordt ontsloten, voelen wij ons inderdaad de zondigste en ellendigste van alle mensen — de meest schuldige, bezoedelde en snode van allen. Maar juist dit — en niets anders dan dit — hakt onze ‘vleselijke gerechtigheid, wijsheid en kracht’ in stukken, doodt onze bedrieglijke hoop en legt ons neer aan de voetbank van de barmhartigheid. Wij hebben dan niet één goede gedachte, één goed woord of één goede daad om een toornende Rechter te verzoenen.
Dit brengt de ziel tot het punt dat zij, als zij behouden wordt, alleen behouden kan worden door de vrije genade, de soevereine barmhartigheid en de tedere ontferming van de almachtige God.
De dwaler in de wildernis
Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden (Psalm 107:4)
De ware christen merkt dat deze wereld een wildernis is.
Er is geen verandering in de wereld zelf.
De verandering zit in het hart van de mens.
De dwaler in de wildernis meent dat zij veranderd is — een andere wereld dan hij tot nu toe kende. Zijn vrienden en zijn eigen gezin, het werk waarmee hij dagelijks bezig is, het streven van de mensen in het algemeen: alles lijkt hem anders dan voorheen.
Ook hun zorgen en angsten, hun hoop en vooruitzichten, hun vermaak en genoegens en wat ik ‘het algemene rumoer en gewoel van het leven’ zou willen noemen, lijken hem anders. Een tijd lang kan hij misschien nauwelijks zeggen of de verandering in hen is of in hemzelf.
Maar dit is het overheersende en voornaamste gevoel in zijn gemoed: tot zijn verbazing bevindt hij zich als een zwerver in een wereld die voor hem geheel van aanzien is veranderd. De mooie, schone wereld waarin al zijn geluk en heel zijn thuis lag, is voor hem een troosteloze wildernis geworden.
De zonde is in haar overtuiging op zijn geweten vastgezet. De Heilige Geest heeft de sluier van ongeloof en onwetendheid van zijn hart weggenomen. Nu ziet hij de wereld in een geheel ander licht — en in plaats van een paradijs is zij een wildernis geworden, want de zonde, de verschrikkelijke zonde, heeft al haar schoonheid en geluk bedorven.
Het is niet omdat de wereld zelf veranderd is dat de christen haar als een wildernis ervaart — maar omdat hijzelf veranderd is.
Er is niets in deze wereld wat de ware christen werkelijk kan bevredigen of verzadigen. Wat eens voor hem een gelukkige en vrolijke wereld was, is nu een dorre wildernis geworden.
Het toneel van zijn vroegere … streven en genoegens, gewoonten en vreugden, vooruitzichten, hoop en verwachtingen van winst of geluk is nu veranderd in een dorre, woeste vlakte.
Misschien kan hij niet zeggen hoe of waarom de verandering heeft plaatsgevonden, maar hij voelt haar — hij voelt haar diep. Hij kan proberen zijn verdriet van zich af te schudden en een beetje vrolijk en gelukkig te zijn zoals voorheen. Maar als hij een beetje ingebeelde verlichting vindt, komen al zijn schuldige pijnen met nieuwe kracht en toegenomen hevigheid terug.
God wil de wereld voor elk van Zijn kinderen tot een wildernis maken, zodat hij er zijn geluk niet in vindt, maar een vreemdeling en pelgrim op aarde is.
Verzoeking
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen (2 Petrus 2:9)
Weinigen gaan oprecht en geestelijk tot de Heere en roepen uit het hart om verlost te worden van de macht van een verzoeking — totdat zij zo zwaar op hun geweten drukt en als zo’n last op hun ziel ligt dat niemand dan God haar kan wegnemen.
Maar soms voelen wij de last van een verzoeking werkelijk. Ons vlees mag haar liefhebben, maar onze geest haat haar. Onze vleselijke gezindheid mag eraan blijven kleven, maar ons geweten bloedt eronder. Wij gaan er geestelijk van walgen en van onszelf om haar.
Dan kunnen wij in oprechtheid van ziel en eerlijkheid van hart tot de Heere gaan en Hem smeken ons ervan te verlossen. Ik geloof dat de Heere die verzoeking dan vroeg of laat geheel zal wegnemen, door Zijn voorzienigheid of door Zijn genade. Of Hij zal haar kracht zo verzwakken dat zij niet meer is wat zij was — namelijk onze voeten trekkend naar paden van duisternis en kwaad.
Er is echter een toestand waarover de profeet spreekt: Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden (Hosea 10:2). Het is de vleselijke, weifelende gezindheid die Jakobus beschrijft: Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.
Zolang wij daarin verkeren, blijven wij naar de verzoeking hunkeren. Wij werpen er verlangende, talmende zijdelingse blikken op en rollen haar als een zoet brokje onder onze tong. Ons geweten mag ertegen getuigen, maar wij willen niet dat zij wordt weggenomen. Dan is er … geen hartelijke roep, geen zucht en geen geestelijk ademhalen van onze ziel dat God haar van ons wegneemt.
Maar wanneer wij als in de tegenwoordigheid van een hartenonderzoekende God het kwaad leren haten waartoe wij verzocht worden, en tot Hem roepen dat Hij — tot Zijn eer en tot heil van onze ziel — de verzoeking wegneemt of haar kracht afstompt en dooft, dan zal de Heere vroeg of laat het roepen horen van hen die zuchten om verlost te worden van verzoekingen die hen zo machtig tot in het stof neerdrukken.
Het leven verbeuzelen als een idioot of een gek
Wanneer iemand geestelijk wedergeboren wordt, ziet hij op hetzelfde ogenblik … God en zichzelf — gerechtigheid en schuld — macht en hulpeloosheid — een heilige wet en een verbroken gebod — eeuwigheid en tijd — de reinheid van de Schepper en de vuilheid van het schepsel. Hij ziet die dingen niet louter zoals zij in de Bijbel verkondigd worden, maar als in hemzelf geopenbaarde, persoonlijke werkelijkheden. Zij houden al zijn geluk of al zijn ellende in tijd en eeuwigheid in. Zo is het voor hem alsof hem een nieuw bestaan is meegedeeld en alsof hij voor het eerst had ontdekt dat er een God is!
Het is alsof hij al zijn dagen had geslapen en nu ontwaakt was — slapend boven op een mast, met de woedende golven eronder — alsof heel zijn vroegere leven een droom was en die droom nu voorbij is. Hij heeft … vlinders gejaagd, zeepbellen geblazen, naar witvisjes gevist, madeliefjes geplukt, kaartenhuizen gebouwd en zijn leven verbeuzeld als een idioot of een gek.
Misschien was hij verstrikt geweest in een godsdienstige belijdenis — gevorderd tot het ambt van diaken of zelfs een kansel beklommen. Hij had geleerd te praten over Christus, de uitverkiezing en de genade en zijn mond te vullen met de taal van Sion.
Maar wat wist hij daarvan uit bevinding? Niets, absoluut niets!
Onwetend van zijn eigen onwetendheid (van alle soorten onwetendheid de ergste) meende hij rijk te zijn en verrijkt met goederen en niets nodig te hebben — en hij wist niet dat hij ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt was.
Die sluwe duivel!
Wat een vijand van onze eigen vrede is onze eigen geest! Hoe zal ik hem noemen? Vaak is hij een helse geest. Waarom? Omdat hij het merkteken van Satan draagt.
De hoogmoed van onze geest, de aanmatiging van onze geest, de huichelarij van onze geest en de intense zelfzucht van onze geest zijn vaak voor ons verborgen.
Deze sluwe duivel, het ZELF, kan zulke maskers dragen en zulke gedaanten aannemen!
Deze slang, het ZELF, kan zo kruipen en glijden, zich zo draaien en wenden en zich onder zulke valse schijn verbergen dat hij vaak voor onszelf verborgen blijft.
Wie is de grootste vijand die wij moeten vrezen? Wij hebben allen onze vijanden. Maar wie is onze grootste vijand?
Degene die u in uw eigen boezem draagt — uw dagelijkse, uurlijkse en onwrikbare metgezel, die zich in bijna elke gedachte van uw hart verstrengelt — die u … soms opblaast met hoogmoed, soms ontsteekt met lust, soms doet opzwellen met aanmatiging en soms werkt onder een voorgewende nederigheid en vleselijke heiligheid.
God is vastbesloten de trots van de menselijke glorie te bevlekken. Hij zal nooit toelaten dat het ZELF (dat slechts een ander woord is voor het schepsel) de overwinningskroon draagt. Het moet gekruisigd, verloochend en gedood worden.


