Nu wij de eerste drie van deze zegeningen hebben onderzocht, zal de vierde en laatste onze aandacht vragen. Wij wensen van harte dat wij haar konden openen in een mate die past bij haar uitnemende genade, heerlijkheid en zaligheid. Daaraan moeten wij echter wel wanhopen. Afgezien van ons eigen onvermogen is er misschien in de hele omvang van de brieven van Paulus nauwelijks een gedeelte dat meer is zwanger van levende en heerlijke waarheid, verhevener van taal en subliemer in kracht en schoonheid van uitdrukking.
4. Bij het ontvouwen van de betekenis en de kracht van deze laatste zegen vragen twee hoofdpunten met hun verschillende vertakkingen vooral onze aandacht. 1, ten eerste wat de apostel bedoelt wanneer hij bidt dat wij zouden weten welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven. 2, de maat en de maatstaf van die kracht, zoals zij blijkt en wordt geschonken in en door de opstanding, de verhoging en de verheerlijking van de Heere Jezus Christus.
i. Het eerste punt dat wij bij het ontvouwen van deze bijzondere zegen moeten overwegen, is dus een geestelijke en bevindelijke kennis van de uitnemende grootheid van de kracht van God aan hen die geloven. De kracht waarvan hier sprake is, is duidelijk de kracht van God zoals Hij haar aanwendt in Zijn goddelijke werk aan de ziel. Voor de duidelijkheid kunnen wij die verdelen in drie onderscheiden delen.
1. De kracht die wordt aangewend om het werk van de genade in het hart mee te delen.
2. De kracht die vervolgens wordt aangewend om het werk van de genade in het hart te onderhouden.
3. De kracht die ten slotte wordt aangewend om het werk van de genade in het hart te voltooien en te voleinden.
Kracht kan op twee manieren worden aangetoond en gemeten.
1. Door de moeilijkheden die zij ontmoet en overwint.
2. Door de resultaten en uitwerkingen die zij voortbrengt.
Neem deze beide bewijzen en maten van kracht zoals zij zich in het werk van de genade tonen.
1. Zie eerst de moeilijkheden die de genade, om zo te zeggen, moet overwinnen bij het levend maken van een dode ziel tot geestelijk leven. Zie de diepte van de val. Zie de dood van de ziel in overtredingen en zonden. Zie haar volledige vervreemding van het leven van God door de duisternis, de blindheid en de onwetendheid van het verstand, de verkeerdheid van de wil, de hardheid van het geweten en de verdorvenheid van de genegenheden. Zie haar hardnekkigheid, stijfkoppigheid en weerspannigheid. Zie haar hoogmoed, ongeloof, ontrouw en eigengerechtigheid. Zie haar hartstochtelijke liefde voor de zonde, het gewoontematig bedrijven ervan en het lange gewend zijn eraan.
Bedenk haar sterke vooroordelen tegen alles wat godvruchtig en heilig is. Bedenk de wanhopige, onverzoenlijke vijandschap van de vleselijke gezindheid tegen God Zelf en haar vaste, diepgewortelde liefde voor de wereld in al haar verschillende vormen en gedaanten. Bedenk ook hoe al haar hoop, geluk en toekomstverwachting verbonden zijn met de dingen van tijd en zinnen.
O, wat een ingewikkelde massa van moeilijkheden vormen al deze vijanden in hun hechte verbond! Zij zijn als een samengebald, goed bewapend en volleerd leger tegen elke macht die hen uit hun stelling wil verdrijven. Voeg daarbij alle macht, boosaardigheid en listen van Satan, de sterke gewapende man die dag en nacht het paleis bewaakt en voor niemand wijkt dan voor Degene Die sterker is dan hij.
Denk ook aan de offers die vaak gebracht moeten worden door iemand die godzalig wil leven in Christus Jezus. De teerste banden moeten misschien worden verbroken. Voordelige of gunstige vooruitzichten moeten worden opgegeven. Oude vrienden moeten vaarwel worden gezegd en familiebanden worden prijsgegeven. De positie in het leven gaat verloren en vaak komen er schande en minachting over de eigen familie en over jezelf.
Niet allen worden zo omringd door de bijzondere moeilijkheden die wij zojuist noemden. Maar weinigen zijn er geheel vrij van en hij die ze zo beschrijft, had er persoonlijk veel ervaring mee toen hij voor het eerst zijn aangezicht naar Sion keerde.
Als wij dan een ziel zien die dood is in zonde, met al deze moeilijkheden en hindernissen in hun ingewikkelde opstelling, moeten wij dan niet zeggen dat het een machtige daad van kracht is die haar ondanks al deze ogenschijnlijk onoverwinnelijke belemmeringen daaruit en daarboven optilt in een nieuw en geestelijk leven? Dat leven is even verschillend van alles wat natuurlijk is als Christus van Belial.
Dit is zozeer de vrucht en uitwerking van almachtige kracht, en van almachtige kracht alleen, dat het in het Woord wordt genoemd een goddelijk baren (Jakobus 1:18; 1 Petrus 1:3), een nieuwe en hemelse geboorte (Johannes 3:3-5), een nieuwe schepping (2 Korinthe 5:17) en een opstanding (Johannes 5:25; Efeze 2:1). Al deze uitdrukkingen houden in dat er een goddelijke kracht wordt aangewend die verschilt van en onafhankelijk is van elke medewerking van het schepsel.
Zeg dan zelf of het werk van God aan de ziel, in de eerste toepassing ervan, wel of niet een werk is van soevereine en almachtige kracht. De apostel noemt het de uitnemende grootheid Zijner kracht. Niet slechts kracht, maar de grootheid Zijner kracht, en niet alleen grootheid, maar de uitnemende grootheid.
Het woord uitnemend betekent in de grondtekst letterlijk “daarbovenuit werpend”. Het beeld is dat van mensen die in onderlinge wedijver een gewicht werpen, zoals bij atletiekwedstrijden, en dat de kracht van de overwinnaar blijkt doordat hij het verder werpt dan alle anderen. Zo is het werk van de genade in de ziel. Het overtreft en overstijgt elk ander werk van God, behalve dat wat straks onze aandacht zal krijgen.
Maar kracht wordt, zoals wij hebben gezegd, ook gemeten aan haar vruchten en uitwerkingen. Als wij naar een grote Egyptische piramide kijken die naar de hemel wijst, of naar een van de enorme stenen die bij Stonehenge nog rechtop staan, of naar de buizen van de Menai-buisbrug, honderd voet boven de waterlijn, dan zien wij meteen wat een wonderlijke prestatie van menselijke kracht en vaardigheid het was om zulke zware massa’s op hun huidige plaats neer te zetten en vast te zetten.
Zo moeten wij ook in de genade niet alleen de moeilijkheden bekijken die moesten worden overwonnen. Wij moeten ook zien hoe over die moeilijkheden is gezegevierd en wat het resultaat is. Want als er niets zichtbaars is bereikt, overtuigt een overzicht van alleen de moeilijkheden ons slechts van de zwakheid van de kracht die zonder succes tegen die moeilijkheden is aangewend en erdoor is overwonnen.
De kracht die God aanwendt bij het levend maken van onze zielen tot goddelijk leven kunnen wij dus onder twee gezichtspunten bekijken: 1, de moeilijkheden die zij in ons eigen bijzondere geval moest overwinnen; en 2, hoe de genade ze overwon en erover zegevierde in onze eigen persoonlijke bevinding. Want dat is wat de apostel bad dat wij zouden weten, omdat de ware godsdienst zo’n persoonlijke zaak is.
Maar hoe kunnen wij het een of het ander weten, anders dan door eerst ernstig terug te zien op wat wij waren als gevallen, hulpeloze zondaren en hoe wij ook in de voorzienigheid waren gesteld voordat wij tot goddelijk leven levend werden gemaakt? En dan te beseffen wat wij onder de eerste levendmakingen en onderwijzingen van de gezegende Geest te zien, te kennen, te geloven en te voelen kregen en hoe wij werden bewogen en geleid om te handelen naar de kracht die in ons werkte?
Zo zullen wij duidelijker zien welk een machtige kracht is aangewend om ons uit de duisternis tot het licht te brengen en van de macht van Satan tot God. Wij zullen ook zien hoe het alleen de uitgestrekte arm van de Almacht was die ons kon verlossen uit de macht van de duisternis en overzetten in het koninkrijk van Gods dierbare Zoon.
2. Evenzo moeten wij als vrucht van de Geest van wijsheid en openbaring de machtige kracht van God leren kennen in het HANDHAVEN van het goddelijke leven in onze ziel nadat het is meegedeeld. Wij moeten zien en voelen met welke bergen van moeilijkheid, zeeën van verzoeking, winden en stormen van dwaling en aanvallen en valstrikken van Satan wij hebben moeten worstelen. En de laatste zijn gevaarlijker dan de eerste.
Wij moeten zien met welke vloeden van laagheid en goddeloosheid zonder en binnen ons, met welke sterke begeerten en hartstochten, met welke heimelijke misstappen en vallen, afvalligheden en afwijkingen van de levende God wij hebben moeten worstelen. Met welke lange tijden van duisternis, dorheid en dood. Met welke tegenstand van het vlees tegen de enge en smalle weg. Met welke listige schijnheiligen, gewaande vrienden maar werkelijke vijanden, valse belijders en dwalende karakters, die allen onze voeten proberen te doen struikelen of in een strik te vangen.
Wij moeten zien met wat voor een hulpeloosheid, onmacht en ellendig onvermogen tot al het goede in onszelf, en met wat voor een onstuimige neiging tot al het kwade wij hebben te maken. Al deze dingen moeten wij ernstig de revue laten passeren.
Wij moeten ook overpeinzen wat wij zijn geweest en nog zijn sinds wij God gingen vrezen. Wij moeten overdenken hoe wij, wanneer wij aan onszelf werden overgelaten, van begin tot eind niets anders hebben gedaan dan tegen Hem zondigen en Hem recht in het gezicht tergen. En toch is het goddelijke leven in ons nog steeds in stand gehouden.
Terwijl wij deze lange donkere lijst in onze handen houden en artikel voor artikel doorlezen, toch een zoete overtuiging te hebben dat het leven van God in onze ziel is en dat wij, omdat Jezus leeft, ook zullen leven: dit te beseffen, te geloven en te voelen en God te zegenen voor Zijn uitnemende, overvloedige genade, is te kennen de uitnemende grootheid Zijner kracht aan ons die geloven in het handhaven van het goddelijke leven nadat het eerst was meegedeeld. Zo geldt: waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Romeinen 5:20)!
3. En dan vooruit te zien in de gegronde hoop dat Hij, Die het goede werk is begonnen dat Hij door Zijn genade in ons heeft gewrocht, het ook zal voortzetten en VOLTOOIEN, ondanks alles wat ons nog te wachten staat zonder en binnen ons. Dat Hij zal voleinden wat ons aangaat en het werk van Zijn eigen handen niet zal verlaten. Dat Hij het gebed van de behoeftigen nog altijd zal aanzien en hun gebed niet zal versmaden.
Dat Hij in ons al het welbehagen van Zijn wil en het werk van het geloof met kracht zal werken. Dat Hij ons om Zijns eigen naams wil nooit zal begeven noch verlaten, maar ons door Zijn eigen kracht zal bewaren tot de zaligheid.
Deze gezegende hoop voor de toekomst, met alles wat daarin is begrepen en waarbij wij nu niet kunnen stilstaan, vormt een ander deel van wat in zoete en persoonlijke bevinding gekend moet worden als de machtige kracht van God aan ons die geloven.
ii. Maar het punt waarop wij in het bijzonder de aandacht willen vestigen, is wat wij hebben genoemd de NORM en de MAAT van deze kracht. De apostel stelt die zo vast: En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1:19-21).
Hoewel deze waarheden door de wonderlijke pen van deze man van God prachtig worden uitgebreid en toegelicht tot het einde van het hoofdstuk, kunnen wij ze onder twee hoofden rangschikken. Die twee zijn 1, de Opstanding; 2, de Verhoging van Christus. Deze opstanding en deze verhoging worden gesteld als de norm en maat van de kracht van God die is aangewend om het leven van God in de ziel mee te delen, te handhaven en te voltooien.
De Heilige Geest wil ons door de pen van de apostel op de juiste wijze laten verstaan en beseffen hoe uitnemend groot het werk van de genade in het hart is. Daarom houdt Hij ons een maatstaf voor om het aan te toetsen. Deze maatstaf is niets minder dan de machtige kracht die God aanwendde toen Hij Christus uit de doden opwekte en Hem verhief aan Zijn rechterhand.
Dit laatste was het allergrootste werk dat God ooit heeft gewrocht. Het werk van God in de ziel is het op een na grootste. Beide werken zijn met elkaar verbonden. Daarom willen wij, als wij de aard en de openbaring van de kracht van God in de opstanding van Christus hebben geopend, proberen te laten zien hoe zij op elkaar betrekking hebben.
Wij willen eerst de aandacht vestigen op de bijzondere taal van de apostel wanneer hij spreekt over de kracht die in de OPSTANDING van Christus werd aangewend: En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel (Efeze 1:19-20).
Let op de uitdrukking naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus. In de kanttekening van de Engelse vertaling staat: de sterkte van Zijn macht. Dat is letterlijker en dichter bij de grondtekst dan de weergave in de tekst. Maar zelfs dit geeft niet de volle betekenis en bijzondere kracht van het Grieks weer.
Wij kunnen dat vertalen met: naar de werkzame energie van de overwinnende sterkte van Zijn kracht, die Hij krachtdadig in Christus heeft gewrocht. Er is eerst Zijn kracht als algemene uitdrukking voor de macht van God. Dan de overwinnende sterkte van Zijn kracht, in staat om elke moeilijkheid en tegenstand te overwinnen. En dan de werkzame energie ervan zoals zij werkelijk en krachtdadig wordt aangewend om het werk te volbrengen.*
* De opmerkingen van bisschop Pearson in zijn beroemde werk over de Geloofsbelijdenis over deze woorden zijn zo ter zake dat wij het niet kunnen laten ze aan te halen. Nadat hij de woorden van de grondtekst heeft aangehaald, maakt hij daarover de volgende opmerking.
“Daar schiet onze vertaling ver bij tekort en ik betwijfel of onze taal er ooit bij in de buurt kan komen. Want ten eerste zijn er hier twee woorden om de macht van God en de geldigheid en kracht ervan uit te drukken, maar dat is niet genoeg. Daarom wordt aan elk van beide een toevoeging van twee woorden gegeven om de uitnemende grootheid van deze macht en kracht uit te drukken, maar ook dat is nog niet genoeg. Daarom komt er nog een toevoeging bij elke toevoeging om de uitnemendheid en werkzaamheid van die grootheid te tonen.
“En dat alles is nog als het ware vlak en dof, totdat het wordt verlevendigd met een werkwoord in de daad. Dit alles heeft Hij in werking gesteld, dit alles heeft Hij in Christus verwezenlijkt toen Hij Hem uit de doden opwekte.”
Het is nu zeer duidelijk dat de Heilige Geest zo’n verbazingwekkend en bijna ongeëvenaard krachtige taal niet zou hebben gebruikt om het te beschrijven, als het opwekken van Christus uit de doden geen werk was van uitnemende en buitengewone kracht. Daarom dringt zich meteen deze vraag op: waarom was de opstanding van Christus zo’n bijzondere daad van almachtige kracht?
Was het levend maken van Zijn dode lichaam, hoewel ongetwijfeld een wonder van almacht, toch een wonder van zo’n verbazingwekkende omvang dat de uiterste kracht van de menselijke taal tekortschiet om het naar behoren uit te drukken? Zijn er niet verscheidene gevallen van opstanding uit de doden, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament? Heeft God niet op de gebeden van zowel Elia als Elisa de doden tot leven gewekt (1 Koningen 17:21-22; 2 Koningen 4:34-35)? Heeft de Heere Zelf niet Lazarus en de zoon van de weduwe te Naïn opgewekt? Waarom wordt dan de opstanding van Christus hier genoemd als een daad van zo’n wonderbare en uitnemende kracht?
Deze vraag zullen wij naar ons beste vermogen proberen te beantwoorden. Zij raakt aan waarheden van de diepste aard en het grootste belang.
Bedenk dan dat de opstanding van Christus de hoeksteen en het vaste fundament is van het geloof van Gods uitverkorenen en dat al onze hoop voor de eeuwigheid erop rust. Ons geloof, als het echt en zaligmakend is, gelooft in Christus als de Zoon van God. Maar het was door Zijn opstanding uit de doden dat Hij krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God (Romeinen 1:4). Het woord betekent letterlijk: bepaald aangewezen.
De apostel redeneert daarom met de grootste overtuigingskracht: indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof; zo zijt gij nog in uw zonden; Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn (1 Korinthe 15:14-18).
De voornaamste kracht van de opstanding van Christus ligt dus hierin dat God door Hem uit de doden op te wekken Zijn bevestigend zegel gaf, op de meest openlijke en zichtbare wijze, dat Jezus was wat Hij Zelf had verklaard te zijn: de Zoon van God. En dat Hij het werk had voltooid dat de Vader Hem te doen had gegeven. Dit bevestigende zegel van God op Zijn Zoonschap maakt de opstanding van Christus tot het fundament van ons allerheiligst geloof.
Maar dit beantwoordt de vraag die voor ons ligt nog niet: waarom was de opstanding van Christus een daad van zo’n bijzondere sterkte en kracht? Wij moeten dus laten zien hoe Zijn opstanding niet alleen een bewijs was van Zijn goddelijk Zoonschap en van de waarheid van Zijn zending. Wij moeten ook laten zien hoe zij verschilde van die kleinere voorbeelden van opstanding, zoals wij ze misschien kunnen noemen, waarnaar wij hebben verwezen. Die waren allemaal vertoningen van almachtige kracht, maar zij droegen niet de bijzondere kenmerken die op de opstanding van Christus waren gedrukt. Deze kenmerkende eigenschappen willen wij nu dus onderzoeken.
Overweeg dan de bijzondere omstandigheden die het sterven en het begraven van de Heere Jezus vergezelden. Zulke omstandigheden vergezelden het sterven en begraven van Lazarus niet. De opstanding van Lazarus was slechts een eenvoudige, gewone opstanding, zoals zijn sterven slechts een eenvoudig, gewoon sterven was.
Maar de Heere Jezus stierf als een noodzakelijk deel van Zijn offerande en slachtoffer. Er zijn twee dingen nodig om een offerande te vormen: 1, bloedstorting en 2, dood. Als er geen bloed wordt vergoten, is het geen offerande. Want de ziel van het vlees is in het bloed en het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen (Leviticus 17:11), en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving (Hebreeën 9:22). Onze gezegende Heere vergoot daarom Zijn dierbaar bloed aan het kruis uit Zijn gewonde, bloedende handen en voeten en zijde.
Maar de dood van het slachtoffer was nodig om de offerande te voltooien, zoals wij door alle offers van de wet van Levi heen zien. Wij lezen dan ook dat Christus gestorven is voor onze zonden (1 Korinthe 15:3). Hij is als wij nog zondaars waren voor ons gestorven (Romeinen 5:8). Hij is gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8). Hij is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven (Romeinen 5:6).
Al deze getuigenissen van de Heilige Schrift bewijzen dat de dood van Christus een noodzakelijk en wezenlijk deel was van de offerande die Hij aan God bracht toen Hij de zonde wegnam door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:26). En dat Hij Zichzelf voor ons overgaf tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk (Efeze 5:2).
Zoals Zijn dood dus geen gewone of alledaagse dood was, zo was Zijn opstanding geen gewone of alledaagse opstanding. Zij kwam overeen met Zijn dood en stond in een nauwkeurige verhouding daartoe. Alleen als wij Christus’ dood met Christus’ opstanding verbinden en samenbrengen hoe en waarom Hij stierf en hoe en waarom Hij weer opstond, kunnen wij enige maat nemen van de kracht die in Zijn opstanding uit de doden is aangewend.
Maar om onze gedachten hierover nog wat verder te helpen, overweeg de volgende omstandigheden van Christus’ dood en opstanding in hun onderlinge overeenstemming.
1. Overweeg eerst wat Petrus de smarten des doods noemt, die God ontbonden heeft toen Hij Hem uit de doden opwekte (Handelingen 2:24). Het woord dat met smarten is vertaald, betekent eigenlijk de weeën van een vrouw in barensnood. Het lijkt dus te verwijzen naar de barensnood van Christus’ ziel aan het kruis (Jesaja 53:11), toen de weeën des doods Hem omringden en de weeën van de hel (of, zoals het ook kan worden vertaald, de banden van het graf) Hem omringden (Psalm 18:5-6).
Deze doodsweeën kwamen, zoals die van een vrouw in barensnood, geleidelijk over Hem. Vier of vijf dagen voor Zijn dood zei Hij: Nu is Mijn ziel ontroerd (Johannes 12:27). Maar vooral in de nacht waarin Hij werd verraden, bij Zijn eerste binnengaan in de sombere hof, begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Toen zei Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe (Mattheüs 26:37-38).
Deze weeën, als van iemand in barensnood, bleven toenemen tot wij van Hem lezen: in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen (Lukas 22:44). Maar vooral aan het kruis bereikten deze weeën des doods hun hoogtepunt. Want dat was het toneel van zowel strijd als overwinning.
Toen grepen de smarten des doods, alles wat de dood inhoudt voor lichaam en ziel, van zowel de eerste als de tweede dood, de gezegende Verlosser het volledigst aan. De toorn van God, de vloek van de wet en het verbergen van het aangezicht van Zijn Vader kwamen allemaal in één verschrikkelijke storm over Hem en waren tot den dood toe. Hij zou eronder zijn gestorven als Zijn Godheid Zijn lijdende mensheid niet had ondersteund.
Maar toen het werk was voleindigd dat Hem te doen was gegeven en er volle genoegdoening was gedaan aan elke eis die aan de Borg kon worden gesteld, ontbond God de smarten des doods. De gerechtigheid was bevredigd, de wet vervuld, de volkomen verzoening voor de zonde aangebracht en elke volmaaktheid en eigenschap van God volkomen in harmonie gebracht en verheerlijkt. Zijn Vader deed het licht van Zijn aangezicht over Hem opgaan en toen hoefde Hij alleen nog te sterven om de offerande te voltooien. Maar totdat God de smarten des doods had ontbonden door Zijn verzoening voor de zonde aan te nemen, kon Hij niet sterven.
Sommige schrijvers, en zelfs predikers, hebben zeer onbezonnen gesproken over de zonden die Christus door toerekening droeg. Volgens hen deden die Hem in Zijn graf zinken, alsof Hij onder hun last stierf en deze in het graf achterliet toen Hij opstond. Nee! De zonde was volkomen weggedaan voordat Jezus Zijn heilig hoofd boog en de geest gaf. Anders had Hij nooit kunnen zeggen: Het is volbracht.
Als Hij onder de last van de toegerekende zonde was gestorven, was Hij gestorven onder de vloek en de toorn van God. Dan had Hij niet tot de stervende moordenaar kunnen zeggen: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. En niet tot Zijn hemelse Vader: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.
Maar het Hebreeuwse woord in Psalm 18:5, waarnaar Petrus verwijst en dat is vertaald als weeën (of smarten) des doods, betekent ook, zoals de Septuaginta het weergeeft, de banden des doods. In het graf van Christus waren geen weeën des doods meer, want die waren voorbij en verdwenen. Maar er waren wel banden. Die banden moesten door de kracht van God worden ontbonden. Want zoals de Heere stierf, waren de banden die Hem in de dood vasthielden van een sterkte die overeenkwam met en evenredig was aan de aard en de omstandigheden van Zijn dood.
De opstanding van Christus kan alleen goed worden gemeten aan Zijn dood. Zoals Zijn dood zodanig was dat niemand dan Hij Zelf zo kon of zou sterven, zo was Zijn opstanding zodanig dat niemand dan Hij zo kon worden opgewekt. Dezelfde omstandigheden die de dood van Christus op een oneindige afstand van alle andere sterfgevallen plaatsen, plaatsen de opstanding van Christus op een oneindige afstand van alle andere opstandingen.
Als wij dan lage, flauwe en zwakke gedachten hebben over het lijden en sterven van Christus als openbaring van Zijn genade, zullen wij evenzeer lage, flauwe en zwakke gedachten hebben over de kracht van Zijn opstanding als openbaring van Zijn heerlijkheid. Het spijt ons dit te zeggen, maar mogen wij niet terecht vragen of dit niet één reden is waarom de opstanding van Christus nauwelijks nog ter sprake komt in de bediening van onze tijd? Zij is toch de grote grondslag van al ons geloof en onze hoop. Zij vormde het hoofdonderwerp van elke preek die in Handelingen is opgetekend. En Paulus stelt haar hier voor met een kracht en sterkte van taal zonder weerga.
Wij willen hierbij niet lang stilstaan, maar kunnen niet nalaten erbij te voegen dat dit niet de prediking en de bevinding van Paulus was.
Paulus kon zeggen dat hij alles voor vuilnis achtte, niet alleen om Christus te winnen en in Hem gevonden te worden, maar ook opdat hij Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende (Filippenzen 3:10).
2. Overweeg ook de smaad, de schande en de oneer waaronder de Heere Jezus stierf. Wij lezen dat Hij het kruis heeft verdragen, en schande veracht (Hebreeën 12:2). Hoewel Hij in Zichzelf de heerlijke Zoon van God was en bij Zijn vernedering geen straal van Zijn eeuwige en wezenlijke heerlijkheid verloor, hoewel die er alleen voor de ogen van de mensen door was bedekt, zonk Hij toch in het graf onder de zwaarste last van smaad en schande die ooit op het hoofd van een mens is gelegd.
Hij zei daarom tot Zijn hemelse Vader: Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande (Psalm 69:20). Want ook dit was een deel van het lijden aan het kruis.
Wij moeten Zijn schande immers meten aan Zijn heerlijkheid. Voor een bedelaar is het geen schande om in lompen gekleed te gaan. Maar neem een prins, de erfgenaam van een machtige troon, gekleed in lompen en bedekt met ongedierte. Zo erging het de ongelukkige dauphin, de oudste zoon van Lodewijk XVI en Marie Antoinette, toen hij tijdens de Terreur in de Temple te Parijs gevangen zat. Dat zou, hoewel niet in werkelijkheid (want hij had het niet zelf veroorzaakt maar het werd hem door wrede vijanden aangedaan), voor het uiterlijke oog de diepste schande zijn.
Voor de twee misdadigers was het niet de schande maar het lijden en de dood aan het kruis waaronder zij in pijn kronkelden. Maar voor de heerlijke Zoon van deze Vader in waarheid en liefde was het kruis het toneel van zo’n schande als niemand dan Hij kon kennen, en van zo’n lijden als niemand dan Hij kon voelen.
Verlaten door bijna al Zijn discipelen, bespot en versmaad door Zijn onverzoenlijke vijanden en voor een tijd verlaten door Zijn God, onze zonden dragend in Zijn eigen lichaam op het hout en voor ons tot een vloek gemaakt, dronk Hij de beker van Gods toorn tegen de zonde tot op de bodem leeg, opdat niet één druppel van die verschrikkelijke toorn op ons zou vallen. Was er ooit een smart als Zijn smart?
En dat Hij, Die het Afschijnsel van de heerlijkheid van Zijn Vader en het uitgedrukte Beeld van Zijn Persoon was, een dood zou sterven die van alle doden de smadelijkste was, die alleen slaven en misdadigers werd aangedaan: was er ooit een schande als Zijn schande?
Gezegende Heere, U verborg Uw aangezicht niet voor schande en bespuwing (Jesaja 50:6), opdat schande en eeuwige verachting niet ons terecht verdiende deel zouden zijn. En nu bent U gekleed met heerlijkheid en eer als het verschuldigde loon voor al Uw schande hier beneden.
3. Overweeg ook de omstandigheden waaronder de Heere Jezus stierf toen Hij een vloek voor ons werd gemaakt. Wij hebben al laten zien dat Hij de zonde had weggedaan door Zijn bloedstorting voordat Hij stierf. En dat Hij, om de offerande te voltooien, Zijn leven neerlegde als een vrijwillige gave (want niemand nam het van Hem, Hij legde het uit Zichzelf neer) (Johannes 10:17-18).
Hoewel de dierbare Verlosser de zonde krachtdadig had weggedaan voordat Hij de geest gaf en onder de goedkeurende glimlach van Zijn Vader en Zijn God stierf, stierf Hij aan het kruis toch een dood waaraan God Zelf een vloek had verbonden. Zo spreekt de apostel: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt (Galaten 3:13).
Voor het oog van de mens zonk Hij daarom onder een vloek in het graf. Daarin bestond veel van de triomf van Zijn wrede vijanden. Door Hem te laten kruisigen hadden zij Hem, lichaam en ziel, gebracht onder de vloek die in de wet is uitgesproken over allen die zo’n dood stierven.
En omdat God Hem niet verloste en Hij Zelf niet van het kruis afkwam, zoals zij half verwachtten of vreesden dat Hij zou doen, werden zij verhard in de overtuiging dat zij goed hadden gedaan Hem te kruisigen en dat God Zelf de zaak in hun voordeel had beslist. Hier was dus nog een sterke band die Hem in de dood vasthield en die alleen de kracht van God kon ontbinden.
4. Wij moeten ook bedenken dat onze genadige Heere door Zijn lijden, bloedstorting en dood niet alleen een volkomen verzoening voor de zonde heeft aangebracht. Hij heeft ook elke eis van de wet vervuld en Zijn volk van al hun ongerechtigheden gewassen in de fontein van Zijn dierbaar bloed. En Hij heeft een volmaakte en eeuwige gerechtigheid tot hun rechtvaardiging gewrocht en ingebracht. Hij heeft ook door de dood teniet gedaan dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel (Hebreeën 2:14).
Over de overheden en machten heeft de genadige Heere door de dood aan het kruis getriomfeerd. De apostel zegt: de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd (Kolossenzen 2:15).
Het is een weinig overwogen punt, hoewel van groot belang, dat de Heere Jezus als het ware persoonlijk moest worstelen met de overste van de macht van de lucht en hem moest overwinnen. Hij moest Satan van zijn gestolen troon werpen, zijn werken vernietigen en zijn koninkrijk omverwerpen. En dit niet door een daad van almachtige kracht maar door een daad van de laagste zwakheid, want Hij is gekruisigd door zwakheid (2 Korinthe 13:4).
Volgens onze eenvoudige opvatting zouden wij kunnen denken dat er slechts een daad van almachtige kracht nodig was om Satan omver te werpen. Maar dat was Gods weg niet. De koning over alle kinderen van de hoogmoed moest in de diepten van de oneindige wijsheid worden onttroond door een daad van de diepste nederigheid, van de zachtmoedigste en gewilligste gehoorzaamheid en van het intensiefste lijden van Gods eigen beminde Zoon. Hij stond in de plaats van hen over wie Satan en de dood door de zonde hadden getriomfeerd.
Wij lezen: Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Johannes 3:8; het woord verbreken betekent letterlijk losmaken of ontbinden). Hij kwam dus niet alleen om alles te ontbinden en ongedaan te maken wat Satan had vastgemaakt en gedaan. Hij kwam om als het ware het hele terrein te doorlopen, vanaf de eerste intrede van zonde en dood, en door een weg van heilige en verdienstelijke gehoorzaamheid het wrak en de ruïne te herstellen die de eerste aanstichter van alle ongehoorzaamheid had veroorzaakt. Als laatste slag kwam Hij om de ongehoorzame en opstandige vorst van de duisternis zelf te vernietigen en neer te halen.
Om op deze verschillende punten verder in te gaan, zou te veel van onze ruimte vragen. Maar zij moeten allemaal in overweging worden genomen wanneer wij kijken naar het werk dat aan het kruis is volbracht door het lijden, de bloedstorting en de dood van de Heere van leven en heerlijkheid. Zo brengen wij de omstandigheden van Zijn dood en de kracht van Zijn opstanding bij elkaar.
Deze gedachten kunnen ons nu helpen zien welke kracht nodig was om Christus uit de doden op te wekken. Mensen misverstaan vaak wat kracht is wanneer God haar aanwendt. Zij besluiten dat Hij, omdat Hij almachtig in kracht is, het ene net zo gemakkelijk kan doen als het andere. Maar zij zien niet dat oneindige kracht in God slechts een van Zijn heerlijke volmaaktheden is. Hij is ook oneindig in heiligheid, in rechtvaardigheid, in wijsheid, in kennis, enzovoort.
De vraag is daarom niet wat God kan doen, maar wat God wil doen. Zijn kracht moet dus in overweging worden genomen, niet Zijn absolute kracht, maar Zijn kracht zoals zij zich beweegt in harmonie met al Zijn andere heerlijke volmaaktheden. Er is dus wat wij Gods morele kracht kunnen noemen, dat wil zeggen Zijn kracht zoals zij werkt met en in overeenstemming met al Zijn andere volmaaktheden, naast Zijn almachtige kracht.
Christus uit de doden opwekken was nu de daad van Gods morele kracht en ook van Zijn almachtige kracht. Dat hebben wij laten zien in het geval van Lazarus. Om Lazarus op te wekken was alleen almachtige kracht nodig. Er waren bij de dood van Lazarus geen omstandigheden die een beroep deden op de diepten van de oneindige gerechtigheid, de oneindige heiligheid en de oneindige wijsheid, evenals de oneindige genade, barmhartigheid en liefde.
De dood van Lazarus verschilde even wezenlijk van de dood van Christus als Lazarus zelf, een gevallen zondaar, verschilde van de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Zo verschilde ook de opstanding van Christus van de opstanding van Lazarus als de eniggeboren Zoon van God verschilt van een worm van de aarde.
5. Overweeg ook dat God door Christus uit de doden op te wekken tegelijkertijd en door dezelfde daad elk lid van Zijn mystieke lichaam opwekte. In de genade is het zoals in de natuur: toen het Hoofd opstond, stond het lichaam op. Wij lezen daarom dat God ons levend gemaakt heeft met Christus en ons mede opgewekt heeft (Efeze 2:5-6). Wij worden ook met Christus opgewekt genoemd (Kolossenzen 3:1).
Christus uit de doden opwekken was dus niet alleen Hem opwekken als individu maar als het Hoofd van de gemeente. Op hetzelfde ogenblik en door dezelfde daad werden alle ontelbare miljoenen levend gemaakt die Hem zullen zien zoals Hij is op de grote dag en deel zullen hebben aan Zijn heerlijkheid. Wat een daad van kracht was dit, niet alleen van oneindige kracht maar van kracht in harmonie en samenhang met oneindige barmhartigheid, wijsheid, liefde en genade, om Hoofd en leden tegelijk op te wekken! Wat een opstanding was hier! Wat een zeker onderpand en wat een eersteling van de opstanding van de heiligen op de laatste dag, en tegelijk de verdienstelijke oorzaak en gezegende voorloper ervan!
Zie de dode lichamen van alle uitverkorenen van God. Aanschouw het slapende stof van apostelen, profeten, martelaren en heiligen. Aanschouw de hele vergadering van de gemeente van de eerstgeborenen, wier namen in de hemel geschreven zijn, rustend in het stille graf. Verander het tafereel. Sta door het geloof, zoals Ezechiël in een visioen stond, in het dal vol dorre beenderen. Zie hen allen op hun voeten staan, een gans zeer groot heir.
Aanschouw dit machtige leger en zie hen allen opgewekt in heerlijkheid en onsterfelijkheid op de opstandingsmorgen. En bedenk dan dat deze ontelbare menigte in feite en mystiek is opgewekt uit de doden bij de opstanding van Christus. Kunt u nu zien waarom alle kracht van taal de apostel ontbrak om de kracht uit te drukken die God aanwendde toen Hij Christus uit de doden opwekte?
6. Overweeg ook dat de opstanding van Christus het zekere onderpand en de verdienstelijke oorzaak was van de wedergeboorte van de gemeente. Het hele lichaam van de uitverkorenen werd levend gemaakt met Christus en ook met Hem opgewekt. Dat wil zeggen: mystiek levend gemaakt, zoals zij mystiek werden opgewekt. Levend gemaakt in een mystieke wedergeboorte van de ziel, en opgewekt in een mystieke wedergeboorte van het lichaam.
Hoe wonderlijk is dit! Elke ziel die in de tijd tot goddelijk leven wordt levend gemaakt, is dat doordat zij mystiek levend werd gemaakt als lid van Christus toen Hij uit de doden werd opgewekt. Zie nu het hele lichaam van de uitverkorenen als dood in zonde. Zie hen daarna één voor één levend gemaakt, in hun ontelbare menigte, gedurende de hele tijdsduur. Bedenk de kracht die bij de wedergeboorte van elk individu is aangewend.
Neem dan het levend maken van het dode lichaam van Christus in ogenschouw, vóór de opstanding, en het hele lichaam van de uitverkorenen dat mystiek met Hem levend werd gemaakt. Ziet u hier geen daad van oneindige kracht, en kracht in harmonie met liefde en genade? Waar zijn de ogen van uw geloof, als u dit niet ziet? Waar is uw bewonderende liefde, als u deze daad van liefde voor de gemeente, in vereniging met haar Verbondshoofd, niet aanbidt? Was dat niet een machtige daad van kracht en liefde, die op één ogenblik en door één en dezelfde daad miljoenen zielen mystiek levend maakte die voor altijd zullen leven in de tegenwoordigheid van God?
7. En ten slotte overweeg de opstanding van Christus in verband met Zijn verhoging. Zie Hem als mens in Zijn graf. Zie Hem als mens aan de rechterhand van de Vader, op Zijn Middelaarstroon van genade en heerlijkheid. En meet, als u kunt, door het geloof de afstand tussen het dode lichaam van Jezus in het graf en wat datzelfde lichaam nu is in de volle glans van Zijn tegenwoordige heerlijkheid.
Maar dit gezegende onderwerp moet een volgend stuk beslaan. Wij hoopten en beloofden half dat wij het hoofdstuk met het jaar zouden afsluiten. Maar de grootheid en het belang van het onderwerp hebben verhinderd dat wij zowel onze wens als ons voornemen konden verwezenlijken. Wij willen onnodige wijdlopigheid niet rechtvaardigen. Maar wanneer wij een onderwerp ter hand nemen, doen wij dat meestal onder twee voorwaarden: 1, dat wij het begrijpen, of althans denken te begrijpen; 2, dat wij het volledig recht doen.
Nu kunnen wij zo’n hoofdstuk als Efeze 1 niet recht doen in een paar korte, haastige stukken, geschreven, zoals sommigen zeggen dat zij doen, in een treincoupé en meestal op treinsnelheid. Zulke diepe onderwerpen vragen veel nadenken en onderzoek, veel vergelijking met de Schriften en de analogie van het geloof, en dus zeer zorgvuldig schrijven en evenredige ruimte. Wij moeten daarom ofwel haastig heen gaan over de grote en wezenlijke waarheden die nog te overwegen zijn, ofwel de overweging ervan uitstellen tot het komende jaar.
En als wij het goed beoordelen, zullen onze geestelijke lezers zeggen: ga door met uw verklaring, ook al dwingt het u in een nieuw deel en een ander jaar door te dringen. Haast u niet over de verhoging van onze genadige Heere heen. God heeft Hem in onze harten verhoogd en wij horen graag dat Hij met tong en pen wordt verhoogd. De Heere help u Hem steeds meer te verhogen. En u kunt een nieuw jaar niet beter beginnen dan door Hem op te heffen Die wij zo innig liefhebben. Hierop zeggen wij: wel, het zij zo. Amen.


