Waren dit geen voorbeelden van bewaard worden door de kracht van God? Ik kon niet sterven voordat God Zijn voornemens van uitverkiezende genade en barmhartigheid aan mijn ziel had geopenbaard.
Maar de uitverkorenen worden ook door de machtige kracht van God bewaard NADAT ze door genade geroepen zijn. Ze zijn immers in de holte van Zijn hand en worden bewaard als Zijn oogappel.
Ik zal niet zeggen dat ze voor alle zonden bewaard worden. Wel zeg ik dat ze bewaard worden voor verdoemende zonden. Ze worden vooral voor drie dingen bewaard . . . voor de heerschappij van de zonde, voor vermetele en definitieve aanmatiging en voor blijvende en verdoemelijke dwaling.
Ze worden nooit zo in de zonden en kwaden van dit tegenwoordige leven verdronken dat ze erin verzwolgen worden. Het is immers onmogelijk dat ze ooit verloren gaan!
Daarom worden ze bewaard in uren van verzoeking. Ze worden bewaakt door alle macht van de Almacht en beschut door de onophoudelijke zorg en waakzaamheid van Hem Die niet sluimeren, noch slapen zal.
Ziet u niet, als u terugkijkt over een lange reeks van jaren, hoe de hand van God met u is geweest? Hoe Hij u heeft ondersteund, u door menige storm heeft gebracht en u onder krachtige verzoekingen heeft bewaard? Hoe zachtjes Hij u soms voorttrok of soms tegenhield?
En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. (Johannes 10:28)
Nadat God ons uitverkoren heeft, baart Hij ons door Zijn woord, schenkt Hij ons de wedergeboorte door een goddelijke invloed en maakt Hij ons tot nieuwe schepselen door de kracht en invloed van de Heilige Geest.
Alle dingen!
met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij (Hebreeën 2:7-8)
Zie de soevereine oppermacht van Jezus!
Er kunnen omstandigheden in uw aardse lot zijn die op dit moment bijzonder zwaar zijn. U kijkt om u heen en vraagt zich af hoe deze of die omstandigheid zal aflopen. Op dit moment ziet het er erg donker uit. Wolken en nevels hangen erboven en u vreest dat die wolken niet als regenbuien op uw hoofd zullen losbarsten maar als bliksemflits en donderslag!
Maar alle dingen zijn onder de voeten van Christus onderworpen! Wat u vreest kan niet gebeuren zonder Zijn soevereine wil en het kan ook niet verder komen zonder Zijn opperste beschikking. Wees dan stil. Hij zal niet toelaten dat u schade lijdt. Die norse voorzienigheid zal alleen Zijn soevereine voornemens uitvoeren en ze zal behoren tot die alle dingen die volgens Zijn belofte medewerken ten goede.
Geen enkele van onze beproevingen overkomt ons bij toeval! Ze zijn allemaal naar gewicht en maat toegemeten en allemaal bedoeld om een bepaald doel te bereiken. En hoe pijnlijk ze op dit moment ook zijn, ze zijn toch bedoeld voor uw bestwil.
Wanneer de beproeving u overkomt, wat zou het een hulp voor u zijn als u haar zo kon zien: “Deze beproeving is gezonden tot mijn bestwil. Ze komt niet uit het stof voort. De Heere Zelf is er de opperste beschikker van. Ze is zeer pijnlijk om te dragen, maar laat mij geloven dat Hij mij deze bijzondere beproeving heeft toegewezen, samen met elke andere omstandigheid. Hij zal daarin Zijn eigen wil volbrengen en de beproeving wegnemen of mij geduld onder haar geven en onderwerping eraan.”
Misschien wordt u door ziekte getroffen. Het is niet toevallig dat deze of gene ziekte uw lichaam bezoekt en dat de Heere het goed vindt uw hoofd, hart of borst te treffen, uw lever, hand of voet of enig ander deel van uw lichaam. Alle dingen zijn onder Hem onderworpen en Hij heeft ziekte en kwaal niet uitgezonderd! Wat u ook lijdt aan lichamelijke ziekte, Hij beschikt en regelt het tot uw bestwil. Berust in Zijn heilige en almachtige wil.
Al uw verdrukkingen zijn onder de voeten van Jezus gesteld! Soms denkt u misschien hoe hard u behandeld wordt. Misschien treurt u onder sterfgevallen in uw gezin en rouwt u om het verlies van uw “huisschatten”: een geliefde man, vrouw of kind. Maar och, kon u maar bedenken dat al uw verdrukkingen, welke het ook zijn, onder de voeten van Jezus gesteld zijn. Zo kan er als het ware niet één van onder Zijn voeten kruipen dan met Zijn toestemming. En als uitgescholden honden kruipen ze op een bevel van Zijn lippen er weer onder!
Laten we dan deze waarheid vasthouden, want er hangt zoveel van onze troost van af.
Zonder vlek of rimpel of enige andere smet!
Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Efeze 5:25, 27)
Wat zijn wijzelf in onze eigen ogen? Vol vlekken, rimpels en smetten! En wat zien we elke dag in onszelf dan zonde, vuil en dwaasheid? Welk kwaad is er in de wereld dat niet in ons en in ons hart is? Het is waar dat anderen ons hart niet kunnen lezen. Maar wij lezen het wel, ja, we zijn het elke dag, en soms de hele dag, aan het lezen. En wat lezen we daar? Net als de boekrol van Ezechiël is het beschreven voor en achter. En we mogen er wel aan toevoegen, als we goed lezen wat er geschreven staat, dat we alle reden hebben om te zeggen dat het vol staat met klaagliederen, en zuchting, en wee (Ezechiël 2:10).
Want ik ben ervan overtuigd dat er niets is wat we daar elke dag en elk uur zien dat ons niet met schaamte en beschaming over ons gezicht zou bedekken. Het zou ons doen blozen om onze ogen voor God op te heffen of bijna om in de tegenwoordigheid van onze medemens te verschijnen!
Maar noch anderen noch wijzelf zien nu wat de gemeente eens zal zijn en wat ze altijd was in de ogen van Jezus! Hij kon door alle zonden en smarten van deze tussentijd heen kijken en Zijn oog vestigen op de bruiloftsdag. Dat is de dag waarop Hij haar voor verzamelde engelen, in de voorhoven van de hemel en in de gewesten van eeuwige zaligheid Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk.
O, wat een dag zal dat zijn wanneer de Zoon van God Zijn verloofde bruid openlijk zal huwen! Dan zal in de hemel gehoord worden als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst. Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid. (Openbaring 19:6-7)
Gebeten door de tand van deze slang
Niemand heeft ooit de diepten van de val gepeild.
De kinderen van God hebben inderdaad ontdekkingen van het kwaad van de zonde. En ze krijgen soms zulke beelden van de wanhopige goddeloosheid en de vreselijke verdorvenheid van de menselijke natuur dat ze als vervuld lijken met onuitsprekelijke afgrijzen over de afschuwelijke omvang van het bederf dat in hun vleselijke gezindheid werkt.
Maar niemand heeft ooit gezien, zoals niemand in deze tijdelijke staat ooit kan zien, wat de zonde in haar volle omvang is en zoals ze hierna in de diepten van de hel ontwikkeld zal worden.
Uit eigen ervaring zien we inderdaad iets van haar begin, maar we kunnen ons weinig voorstellen van haar voortgang en nog minder van haar einde. De zonde heeft immers dit eigenaardige kenmerk dat ze zich steeds verder uitbreidt totdat ze alles wat ze aanraakt in volslagen ondergang meesleept.
In dit opzicht kunnen we haar vergelijken met de giftand van een slang. Er zijn slangen met zo’n dodelijk gif, zoals de Cobra de Capello of brilslang, dat het binnendringen van de kleinste hoeveelheid gif uit hun giftand in enkele uren alle vloeistoffen van het lichaam in een massa van bederf verandert. Een mens kan het ene uur in perfecte gezondheid verkeren en het volgende uur, gebeten door de tand van deze slang, een walgelijke massa van verrotting en bederf zijn. Zo is de zonde.
De binnenkomst van de zonde in de natuur van Adam bij de val was als het binnendringen van gif uit de tand van een dodelijke slang in het menselijk lichaam. Het drong meteen door in zijn ziel en lichaam en vervulde beide met dood en bederf.
Of, om een meer schriftuurlijk beeld te gebruiken, de zonde kan vergeleken worden met de ziekte van melaatsheid. Die begon gewoonlijk met een witte blaar of een gezwel in het vel, nauwelijks waarneembaar. Toch breidde ze zich steeds verder uit totdat ze elk lid omsloot en heel het lichaam een massa van rottend, afschuwelijk bederf werd.
Of de zonde kan vergeleken worden met kanker. Die begint misschien met een klein knobbeltje dat een lichte jeuk veroorzaakt, maar voedt zich verder op het deel dat ze aantast totdat de patiënt uitgeput van pijn en lijden sterft.
Als de zonde nu . . . deze giftand, deze zich uitbreidende melaatsheid en deze walgelijke kanker is, en als haar verwoestende kracht zo groot is dat ze lichaam en ziel samen in de hel zal vernietigen tenzij ze wordt tegengehouden en genezen, dan moet het geneesmiddel even groot zijn als de kwaal, als er al een geneesmiddel is. Als er dus . . . een genezing is voor de zonde, een middel tegen de val en een verlossing van den toekomenden toorn, dan moet die minstens zo volkomen en volledig zijn als de ondergang die de zonde ons heeft bezorgd.
Wie een oppervlakkig, vluchtig inzicht en gevoel van de zonde heeft, zal een even oppervlakkig en vluchtig inzicht hebben in de verzoening die voor de zonde is gedaan. Het kermen van Christus zal nooit in zijn oren klinken als het smartelijke kermen van een worstelende Heere. Het lijden van Christus zal nooit voor zijn ziel ontsloten worden als de smarten van Immanuël, God met ons. De dood van Christus zal hij nooit zien als het bloedvergieten van de geliefde Zoon van God. Zolang hij zo’n oppervlakkig, vluchtig inzicht in de kwaal heeft, zal zijn inzicht in het geneesmiddel even oppervlakkig en vluchtig zijn.
Zoals we neergeleid worden in een geestelijke kennis van onszelf en van de zonde, zo worden we opgeleid tot een genadige kennis van de Heere Jezus Christus.
Doordat Jezus alle straffen van onze zonde heeft geleden, verlost Hij ons uit de laagste hel en verheft Hij ons tot de hoogste hemel. Hij geeft arme aardwormen de kracht om boven de hemelen uit te stijgen en voor eeuwig te leven in de tegenwoordigheid van Hem Die een verterend vuur is!
En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mattheüs 1:21)
Als een onkruid op een mesthoop!
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden. (Spreuken 8:13)
Ons hart is wanhopig hoogmoedig.
Als er één zonde is die God meer haat dan een andere en waartegen Hij Zich meer verzet, dan is het de zonde van de hoogmoed.
Als een onkruid op een mesthoop groeit de hoogmoed weelderiger in sommige gronden, vooral als ze goed bemest is door . . . rang, rijkdom, lof, vleierij, onze eigen onwetendheid en de onwetendheid van anderen.
We hebben allemaal de hoogmoed geërfd van onze gevallen voorvader Adam, die haar van Satan had, die “koning over alle kinderen van de hoogmoed” is.
Wie denkt het minste hoogmoed te hebben en zichzelf met wonderlijke zelfbewondering als de nederigste van de stervelingen beschouwt, heeft misschien meer hoogmoed dan wie haar voelt en belijdt. Ze is misschien alleen dieper verborgen in de donkere schuilhoeken van hun vleselijke gezindheid.
Omdat God dan alle harten ziet en elke beweging van hoogmoed kent, of wij haar nu zien of niet, is Zijn doel ons te vernederen!
Als ik terugkijk op mijn leven en al mijn zonden, al mijn dwaasheden, al mijn misstappen en al mijn vallen zie, getuigt mijn geweten van de vele dingen die ik gedacht, gezegd en gedaan heb en die . . . mijn ziel bedroeven, mij mijn hoofd doen buigen voor God, mijn mond in het stof doen leggen en mij mijn zonden aan Hem doen belijden.
Als ik mijn eigen overmatige zondigheid afzet tegen . . . Gods grootheid, Gods majesteit, Gods heiligheid en Gods reinheid . . . val ik nederig en zachtmoedig voor Hem neer, leg ik mijn mond in het stof en erken ik dat ik snood ben.
hoewel ik stof en as ben (Abraham)
Zie, ik ben te gering (Job)
Wee mij, want ik verga (Jesaja)
want ik ben een zondig mens (Petrus)
Hij alleen kan mij redden
Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. (Psalm 25:15)
Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want ‘s mensen heil is ijdelheid. (Psalm 60:13)
Met wat een machtige God hebben wij te maken!
En wat zou bij onze toestand passen dan een machtige God?
Hebben wij geen machtige zonden?
Hebben wij geen machtige beproevingen?
Hebben wij geen machtige verzoekingen?
Hebben wij geen machtige vijanden en machtige vrezen?
En wie moet ons uit dit hele machtige leger verlossen, behalve de machtige God? Een kleine God (als ik deze uitdrukking mag gebruiken) is niet genoeg voor het volk van God. Ze hebben een machtige God nodig, omdat ze in omstandigheden verkeren waarin niemand dan een machtige God voor hen kan optreden.
Het is ook de moeite waard op te merken dat de Heere Zijn volk er opzettelijk in brengt in omstandigheden waarin ze als het ware gebruik kunnen maken van Zijn almachtige kracht. Zo leren ze uit levende persoonlijke bevinding dat Hij een machtig God is, niet louter in leer en theorie, maar een machtig God voor hen persoonlijk en in het bijzonder.
Immers, als u . . . uw machtige zonden, uw machtige beproevingen, uw machtige verzoekingen en uw machtige vrezen niet voelbaar en bevindelijk kende, zou u geen machtige God nodig hebben.
O, hoe brengt dit de sterkte van God en de zwakheid van de mens samen! Hoe verenigt het arme, hulpeloze schepselen met de Majesteit van de hemel! Hoe draagt het aan zwakke, waardeloze wormen de kracht zelf van de almachtige Jehova over!
Dit besef van . . . onze zwakheid en Zijn kracht, onze ellende en Zijn barmhartigheid, onze ondergang en Zijn herstel, het overvloeien van onze zonde en het meer dan overvloeien van Zijn genade: dit gevoelsmatige besef van deze tegengestelde maar harmonieuze dingen brengt ons tot persoonlijke, bevindelijke omgang met God. En in deze persoonlijke omgang met God bestaat het leven van alle godsdienst.
Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. (Psalm 34:18)
De Heere ranselt Zijn kinderen soms naar huis!
als getuchtigd, en niet gedood (2 Korinthe 6:9)
De Heere vindt het niet goed om dezelfde tuchtigingen aan al Zijn volk op te leggen. Hij heeft roeden van verschillende grootte en verschillende soort, al wordt elke roede als een roede gevoeld wanneer God haar op de rug brengt.
De Heere tuchtigt met de ene hand en ondersteunt met de andere. In uw geestelijke bevinding bent u misschien onder vele tuchtigende slagen doorgegaan. Toen ze op u vielen, leken ze als een doodvonnis van Gods lippen te komen. U vreesde dat uw ziekte in de dood zou eindigen. Onder uw verlies voelde u alsof u nooit meer uw hoofd zou kunnen opheffen. U dacht dat uw verliezen in de voorzienigheid uw aardse ondergang zouden blijken. Uw verdrukkingen in het gezin leken zo zwaar dat ze in de grond ongeneeslijk waren.
Dit waren allemaal dodelijke slagen. Maar hoewel u getuchtigd werd, werd u niet gedood. U verloor daardoor geen goddelijk leven. Wel verloor u veel dat het vlees behaagde, veel dat het schepsel bevredigde, veel dat er goed uitzag voor dagen van voorspoed maar de storm niet zou doorstaan.
Maar u verloor niets wat tot uw waarachtig welzijn was.
Als u de lichamelijke gezondheid verloor, kreeg u geestelijke gezondheid.
Als u een dierbare man of een dierbaar kind verloor, vulde God de leegte in uw hart door Christus dierbaarder te maken.
Als u moeilijkheden in uw gezin had, maakte de Heere het goed door meer openbaringen van Zijn liefde en genade te geven.
Uw verliezen in de voorzienigheid zelf waren tot uw bestwil, want God maakte ze goed of wat u in de voorzienigheid verloor, verdubbelde Hij in genade.
Zo bent u, hoewel getuchtigd, niet gedood!
Heeft iets van wat u overkomen is het leven van God in uw ziel gedoofd of uitgeblust?
Nu het schuim en het tin meer gescheiden werden, heeft het goud niet helderder geschenen? Hebt u de geestelijke dingen niet steviger vastgehouden? Wanneer God Zijn volk tuchtigt, is het niet om hen te doden. Het is . . . opdat ze Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Het is om hun hangende genaden te doen herleven. Het is om hen oprechter, rechtschapener en tederder in hun geweten te maken en meer afgezonderd van de wereld. Het is om hen meer Zijn eer te laten zoeken, een meer enkelvoudig oog te laten hebben voor Zijn lof en meer een leven van geloof te laten leven.
Hier ligt de zaligheid: wanneer God Zijn volk tuchtigt, is het niet tot hun schade maar tot hun nut. Het is niet tot hun verderf maar tot hun zaligheid. Het is niet om hen met de onvriendelijkheid van een vijand te behandelen maar met de liefde van een vriend!
Kijk naar de verdrukkingen, tuchtigingen en grievende smarten waar u doorheen bent gegaan. Zijn ze . . . vrienden voor u geweest of vijanden? Middelen om u te helpen of hindernissen? Ladders waarlangs u naar de hemel bent geklommen of treden waarlangs u in de hel bent afgedaald? Middelen om u dichter bij Christus te brengen of middelen om u meer in de wereld mee te voeren?
Als u iets kent van Gods tuchtiging, zult u zeggen: “Elke slag heeft mij dichter bij God gebracht! Hij heeft mij naar huis geranseld!” Zoals een vader zijn spijbelende jongen uit een troep andere kinderen grijpt en hem naar huis ranselt, zo ranselt de Heere Zijn kinderen soms naar huis! Elke slag die op hun rug valt, brengt hen een stap dichter bij hun huis in de woningen boven!
U weet uit eigen bevinding dat Gods tuchtigingen u niet gedood hebben. Ze zijn veeleer middelen geweest om het werk van genade in uw hart te doen herleven en levend te houden!
als getuchtigd, en niet gedood (2 Korinthe 6:9)
Hij kan praten als een engel en leven als een duivel.
Er is “een kennis van de dingen van God” die een mens kan bezitten zonder persoonlijke bevinding van de nieuwe geboorte, zonder enige goddelijke werking aan zijn ziel en zonder enig deel aan de genade van God.
Door het lezen van de Schriften en het horen prediken van het evangelie komen velen tot een vleselijke, verstandelijke, dorre hoofdkennis van de waarheid. Wat betreft enige bevindelijke, levende, zaligmakende kennismaking ermee bevinden ze zich nog in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.
Een mens kan de kennis van een apostel hebben en de wereldgezindheid van een Demas.
Hij kan helder zijn in het hoofd en verrot in het hart.
Hij kan praten als een engel en leven als een duivel.
Hij kan al de verborgenheden en al de wetenschap verstaan en toch niets zijn dan een huichelaar en een bedrieger.
In onze dagen komen zulke mensen in overvloed voor in de kerken.
Maar daarvan onderscheiden, zo verschillend als hemel en hel, is er een zeer gezegende “geestelijke kennis” van de dingen van God waarmee het volk van God begunstigd wordt.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. (Lukas 24:45)
Deze afgodenmakende, afgodenliefhebbende wereld
Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt. (Exodus 19:4)
Het beeld hier is dat Hij Zijn volk uit Egypte wegrukt zoals een arend haar jongen zou wegrukken uit de handen van wie haar nest plundert, en hen wegvoert en omhoog draagt op haar uitgespreide vleugels.
Verlossing . . . van afgoderij, van onderdrukking, van een staat van vernedering en diepe slavernij is de leidende gedachte van het uitleiden van Zijn volk uit Egypte.
Zo draagt de Heere ons geestelijk uit een veel ergere Egypte, door Zijn almachtige kracht. Heeft Hij u enige verlossing gegeven van de wereld en haar geest en u door de kracht van Zijn genade tot Zichzelf gebracht? Heeft Hij u uit de zonde omhooggedragen . . . uit haar openlijke bedrijf, haar heimelijke praktijk en haar innerlijke toegeeflijkheid, en de liefde en de macht ervan in zekere mate gebroken?
Heeft Hij u niet alleen uit de grovere ongerechtigheden van Egypte gedragen maar ook uit haar meer verfijnde en aanvaardbare zonden, zoals . . . afgoderij met schepselen, godsdienstige lippendienst, eigengerechtigheid en God bespotten door bijgeloof, overlevering en ijdele ceremoniën?
Heeft Hij u, als op vleugelen der arenden, uit alle afgoden van Egypte gedragen? Egypte was immers een land vol afgoderij en daarom een passend zinnebeeld van deze afgodenmakende, afgodenliefhebbende wereld.
Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn (Leviticus 26:13)
Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Farao’s hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft! (Exodus 18:10)
Volleerde acteurs
“De kansel heeft zijn volleerde acteurs, net als de schouwburg!”
Hij heeft mij een beker van diepe smart te drinken gegeven
Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. (Klaagliederen 3:15)
Het volk van de Heere heeft vele harde lessen te leren in de “school van Christus”. Ieder moet een dagelijks kruis dragen en wordt onder zijn gewicht belast en neergedrukt. Dit dagelijkse kruis kan verschillen en verschilt ook van persoon tot persoon. Maar elk kind van God heeft zijn eigen kruis, dat door een onoverwinnelijke hand op zijn schouders is gelegd en dat hij grotendeels tot in het graf moet dragen.
Zo worden sommigen van Gods volk in hun lichaam getroffen vanaf het moment dat de Heere Zijn genadewerk in hun hart begint. Of, als ze van ziekte verschoond blijven, zijn ze overspannen van zenuwen, neerslachtig van geest en neergedrukt door loomheid en slapte, die vaak moeilijker te dragen zijn dan ziekte zelf.
Sommigen zijn verbonden aan goddeloze partners en ondervinden bij elke stap tegenstand en vervolging.
Anderen hebben niets dan moeite in hun gezin, hetzij door de inval van de dood in hun kring, hetzij door wat soms erger is dan de dood: schande, schaamte en goddeloosheid.
Weer anderen hebben weinig anders dan een aaneengesloten reeks van verliezen en tegenslagen in hun omstandigheden, golf na golf die over hun hoofd rolt.
O, aanschouw de familie van God die huiswaarts zwoegt . . . sommigen slepen een gekweld lichaam mee, anderen een gewonde geest, weer anderen dragen op hun schouders stervende kinderen, en nog anderen hebben nauwelijks een lap aan hun lijf of een korst in hun hand. Ze zijn voetzeer en bevreesd van hart, beven voor een ritselend blad en hebben een diepe rivier te doorwaden en een woedende vijand in het zicht.
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. De Heere HEERE is mijn Sterkte (Habakuk 3:17-19)
Als we er geheel aan overgelaten werden!
Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke (1 Korinthe 10:13)
Er is geen enkele zonde die ooit door een mens bedreven is die niet diep verborgen ligt in de schuilhoeken van onze gevallen natuur! Maar deze zonden komen niet in beweging totdat de verzoeking ze tevoorschijn haalt.
De verzoeking is voor de verdorvenheden van het hart wat vuur is voor stoppels. De zonde ligt rustig in onze vleselijke gezindheid totdat de verzoeking haar in brand komt steken.
De verzoeking is voor onze verdorven natuur wat de vonk is voor buskruit. Hebt u deze droevige waarheid niet ondervonden: hoe gemakkelijk de verdorvenheden van ons ellendige hart door de verzoeking in brand worden gestoken en uitbarsten in allerlei vermetele en vreselijke ongerechtigheid?
In de verzoeking leren we wat de zonde is . . . haar vreselijke aard en haar verzwaarde karakter, haar angstaanjagende werkingen en haar waanzinnige, wanhopige opstanden tegen God. We leren ook wat we zijn of zouden zijn als we er geheel aan overgelaten werden!
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt (Mattheüs 26:41)
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)
Romantische dromen van genot en aardse vreugde?
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. (Hebreeën 12:27)
De mens zoekt altijd geluk in de een of andere vorm in de dingen van deze wereld. Hij ziet en voelt niet dat geluk buiten God onmogelijk is en dat het zoeken ervan in “het schepsel” zonde op zonde stapelen is. Maar kijk naar deze vergeefse poging in een aantal gevallen.
Kijk naar mensen die jong zijn in het leven. Wat een romantische vooruitzichten dansen er voor hun ogen! “Wat een dromen van liefde en een huis bij bloemrijke beken!” Maar wat een ruwe schok krijgen deze dromen van aards geluk doorgaans te verwerken! Dit geldt voor de meesten, zo niet allen, die hun hoop op geluk bouwen op het schepsel. Maar het geldt in het bijzonder voor de familie van God. Hoe jaloers is Hij op al zulke plannen van aardse zaligheid, en hoe verbrijzelt Hij ze vroeg of laat allemaal door Zijn machtige hand!
Kijk bijvoorbeeld naar gezondheid, dat onmisbare element van alle aardse gelukzaligheid! Wat een ruwe schok hebben velen van de dierbare familie van God in hun aardse tabernakel ondervonden, zelfs in hun jonge jaren, door een ongeluk of ziekte, zodat alle aards geluk bijna bedorven werd voordat de wedloop van het leven begonnen was!
Kijk weer naar het huwelijksgeluk, die “bestendige bron van huiselijke zoetheid”: hoe bitter een druppel valt er vaak uit de handen van God in die honingzoete beker! Waarom zucht die rouwende weduwe? Waarom zwelt haar hart en loopt haar oog over? Wat betekent die brandende druppel op haar wang?
Hoeveel bloeiende dochters zijn niet voor de ogen van een moeder weggekwijnd aan tering! Hoeveel flinke, sterke zonen zijn niet neergemaaid door een ongeluk of door een plotselinge ziekte weggevoerd naar het koude graf, in de volle kracht en het volle vooruitzicht van het leven!
Maar afgezien van deze elementen van verbrijzeld en gebroken schepselgeluk, wat een teleurstelling, wat een ergernis, wat een verdriet en zorg vinden we in alles waar we de hand aan slaan! Zelfs met ongebroken gezondheid en huis, met vrouw en kind die niet door de koude hand van de dood zijn aangeraakt, is er in de eigen boezem van een mens genoeg zonde en ellende om zijn hart met voortdurend verdriet te vullen!
Zo mislukken, wijs en barmhartig, al onze pogingen om aards geluk te grijpen en lopen ze op niets uit.
Kind van genade, murmureer niet tegen de hand van de Heere die uw dromen van schepselgeluk heeft gebroken. God bedoelt niet dat u uw hemel hier op aarde zou hebben, noch dat u zou leven naar de mode van deze wereld. Het is een vriendelijke hand, hoewel een ruwe. Ze verwoest al uw plannen van schepselgeluk en breekt uw lichaam met ziekte in stukken. Ze verdort al uw vooruitzichten op rijkdom, roem, aanzien en eerzucht en giet bittere gal in elke honingzoete beker.
Waarom breekt de Heere al uw aardse plannen van menselijk geluk? Waarom verdort Hij al . . . uw vooruitzichten, uw plannen van eerzucht en van succes in het leven en uw romantische dromen van genot en aardse vreugde?
Opdat ze allemaal uit de genegenheden van uw hart verwijderd worden en Hij u een geluk geeft dat voor eeuwig en altijd zal duren!
Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. (Hebreeën 12:28)
De liefde der waarheid
degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden (2 Thessalonicenzen 2:10)
Er is een aannemen van de waarheid en een aannemen van de liefde der waarheid. Deze twee dingen verschillen sterk.
De waarheid aannemen maakt niet noodzakelijk zalig, want velen die de waarheid aannemen, nemen nooit de liefde der waarheid aan.
Duizenden belijders nemen de waarheid in hun oordeel aan en nemen het heilsplan als hun geloofsbelijdenis aan, maar worden daardoor niet gered en niet geheiligd. Maar de liefde der waarheid aannemen doordat Jezus zoet en dierbaar wordt voor de ziel, is de zaligheid zelf ontvangen.
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petrus 2:7)
Deze “boelen” van ons
Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven (Hosea 2:4)
Hier wordt ontsloten wat we van nature zijn, waarop onze vleselijke gezindheid altijd gericht is en wat we doen of in staat zijn te doen, tenzij we worden teruggehouden door de waakzame voorzienigheid en de onophoudelijke genade en goedheid van de Heere.
Deze “boelen” van ons zijn onze oude zonden en vroegere lusten die nog steeds om bevrediging smeken. Daarnaar kijkt de vleselijke gezindheid soms terug en zegt: “Waar zijn mijn boelen die mij mijn eten en drinken gaven? Waar zijn die vroegere genoegens die mijn snode hartstochten zo behaagden en mijn lage begeerten zo bevredigden?”
Deze boelen zijn dus . . . de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens. Als ze niet door soevereine genade bedwongen worden, werken ze nog steeds in onze verdorven natuur en proberen ze hun vroegere heerschappij terug te winnen.
Maar de Heere komt meestal barmhartig tussenbeide en laat Zijn kinderen gewoonlijk niet doen wat ze graag zouden doen of zijn wat ze graag zouden zijn. Hij zegt: Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden (Hosea 2:5).
De Heere belet in Zijn voorzienigheid of in Zijn genade onze vleselijke gezindheid om haar snode begeerten uit te voeren. Hij versperrt onze weg met doornen. Daaronder mogen we geestelijk verstaan: steken van het geweten, prikkels van wroeging en pijnen van berouw. Het zijn zoveel doornige en met doornstruiken begroeide heggen die de weg van de overtreding afsluiten. Zo verhinderen ze dat onze vleselijke gezindheid uitbreekt in haar oude paden en deze vroegere boelen nagaat om haar goddeloze verbond met hen te hernieuwen.
Nu er door de genade van God een doornheg is opgericht, is onze ziel niet in staat door deze sterke omheining heen te breken. Op het moment dat ze erdoorheen of erover wil komen, biedt elk deel ervan een prikkende doornstruik of een scherpe en sterke doorn die ons geweten verwondt en doorboort.
Wat een oneindige barmhartigheid en wat een overtreffende genade worden hierdoor geopenbaard! Als ons geweten niet zo teder gemaakt was dat het de prikkende doornstruik voelt, kunnen we nauwelijks zeggen wat het vreselijke gevolg zou zijn of in wat voor een ellendige afgrond van zonde en overtreding onze ziel zou vallen.
Maar deze scheurende doornen werken wroeging van de ziel voor God uit. Want ze ondervindt wat de Heere zegt: zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden. Dan komt er in haar gemoed een verlangen naar zuiverder genoegens en heiliger vreugde dan haar overspelige boelen haar konden geven. Zo ontstaat een verandering in haar gevoelens, een omwenteling in haar verlangens: dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu. Het beeld is dat van een overspelige vrouw die de onschuldige genoegens van haar eerste huwelijksliefde afzet tegen de ellendige toestand waarin ze door gemene verleiders gebracht was.
Zo zet de ziel geestelijk haar vroegere genieten van de tegenwoordigheid en kracht van de Heere af tegen haar huidige toestand van duisternis en verlatenheid. “Waar”, zou ze zeggen, “zijn mijn vroegere genoegens, mijn eerste vreugden en de zoetheid die ik in vervlogen dagen had in het kennen, dienen en aanbidden van de Heere? Ach! Hij was in die dagen een vriendelijke en liefhebbende Man voor mij. Ik zal tot Hem terugkeren als Hij mij dat genadig wil toestaan. Het was immers beter met mij toen ik in het licht van Zijn aangezicht kon wandelen dan sinds ik mijn boelen heb gezocht en niets oogst dan schuld, dood en verdoemenis.”
In deze stormen
Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. (Spreuken 10:25)
Juist de stormen waar de gelovige doorheen gaat, zullen hem alleen maar sterken om Christus vaster vast te grijpen.
Zoals dezelfde wind die de boom met ondiepe wortels omblaast de boom met diepe wortels alleen maar vaster laat staan, zo vestigen dezelfde stormen die de oppervlakkige belijder ontwortelen de ware gelovige alleen maar vaster in Christus.
Hoewel deze stormen enkele van zijn bladeren kunnen afschudden of enkele rotte takken aan het einde van de tak kunnen afbreken, ontwortelen ze het geloof van de gelovige niet maar versterken ze het juist.
In deze stormen leert hij . . . meer van zijn eigen zwakheid en van Christus’ sterkte. Hij leert meer van zijn eigen ellende en van Christus’ barmhartigheid, meer van zijn eigen zondigheid en van de meer dan overvloedige genade. Hij leert meer van zijn eigen armoede en van Christus’ rijkdom, meer van de hel die hij verdiend heeft en van zijn eigen recht op de hemel.
In deze stormen zet dezelfde gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, het voort. Hij graveert het beeld van Christus in diepere tekens op zijn hart en leert hem steeds meer bevindelijk de waarheid zoals ze in Jezus is.
Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. (Psalm 57:2)


