Maar als Hij Zich niet als zodanig aan onze ziel ontdekt en ons niet Zelf onderwijst door Zijn Geest en genade, als Hij ons niet persoonlijk aan Zijn voeten brengt om Zijn woord te horen en als wij Zijn juk niet op ons nemen om van Hem te leren zachtmoedig en nederig van hart te zijn: dan is Hij voor ons geen wijsheid als levende leden van Zijn mystieke lichaam. Dan trekken wij ook geen nut of zegen van wat Hij zo voor de gemeente van God is.
Zo is het met elk ander ambt dat Hij in de hemelse hoven bekleedt. Is Hij een Hogepriester over het huis van God? Dan trekken wij alleen persoonlijk voordeel van Zijn hogepriesterschap als de kracht van Zijn verzoenend bloed aan ons geweten bekend wordt gemaakt. Dat geldt ook voor onze gebeden, die door Zijn verdienstelijke voorbede aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte welriekend worden gemaakt en zo doordringen tot de oren van de Heere van de heirscharen.
Zo is het ook met Zijn koninklijk ambt. Tenzij Hij in ons regeert en heerst en Zijn zachte en vreedzame maar machtige scepter over onze harten zwaait, zijn wij slechts in naam Zijn onderdanen. Dan zijn wij volslagen vreemden voor de invloed van Zijn dringende liefde.
Elke belijdenis die niet voortkomt uit een ware, levende en bevindelijke kennis van de Heere van het leven en van de heerlijkheid, uit geloof in Hem en liefde tot Hem, is niet meer dan een ellendige misleiding. Voor wie erin leven en sterven eindigt zij in verderf en ondergang. Belijden wij dus de Heere Jezus te ontvangen als onze opgestane en verheerlijkte Profeet? Dan is het hoogst nodig te onderzoeken welke persoonlijke invloed dit geloof op ons hart en geweten heeft. Daar willen wij nu de aandacht van onze lezers op richten.
Wij hebben al aangetoond dat onze gezegende Heere, nu Hij het ambt van Profeet voor Zijn gemeente en volk bekleedt, hen onderwijst door Zijn Geest. Dat doet geen afbreuk aan Zijn profetisch ambt. Zo groot is de eenheid van het goddelijk Wezen dat de Personen in de gezegende Drie-eenheid weliswaar drie zijn, maar het werk van elk het werk van allen is en het werk van allen het werk van elk.
De apostel zegt het zo: En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt (1 Korinthe 12:4-6). Zo onderwijst de Vader (Johannes 6:45), onderwijst de Zoon (Johannes 16:25) en onderwijst de Heilige Geest (Johannes 14:26).
Hoewel in die zin elk van de Personen in de heerlijke Drie-eenheid de gemeente van God onderwijst, moeten wij bedenken dat Zij dat alleen doen omdat de genadige Heere de Middelaar is tussen God en mensen. Alleen doordat de Zoon van God de gemeente met Zijn eigen dierbare bloed heeft verlost, uit de doden is opgestaan, naar omhoog is gegaan en voor ons in de tegenwoordigheid van God is, wordt er goddelijk onderwijs gegeven aan de leden van Zijn mystieke lichaam. De gave van de Geest hing ervan af dat Jezus verheerlijkt werd (Johannes 7:39).
Nog steeds is Hij het dus Die vanuit de hemel spreekt (Hebreeën 12:25) tot de zielen van Zijn dierbare volk. Zijn woorden vallen, door de gezegende Geest toegepast, met kracht op hun hart en worden geest en leven voor hun bezwijkende zielen. Zo blijft het waar: Mijn schapen horen Mijn stem, hoewel de goede Herder in de hoogste zaligheid op de troon zit en Zijn lichamelijke aanwezigheid van de aarde is weggenomen.
Maar voordat wij persoonlijk kunnen ervaren hoe gezegend het is de Heere Zelf tot leraar te hebben, moeten wij diep gevoelen hoe onwetend wij zijn en hoe duister en ongelovig. Wij moeten gevoelen dat wij volslagen machteloos zijn om enige zaligmakende kennis te verwerven of voort te brengen, hetzij van Hem Zelf, hetzij van enige goddelijke waarheid die met Hem te maken heeft.
Die diepe en blijvende overtuiging van onze onwetendheid en onmacht is de eerste vrucht van het eerste bewegen van de gezegende Geest over het rauwe en wilde chaos van ons hart. Hij verlicht de ogen van ons verstand om te zien en maakt de ziel levend tot goddelijk leven om te voelen. Hij plant in het geweten de vreze van de Heere, die als begin van de wijsheid beeft bij deze ontdekking van onze verwoeste staat.
Maar het is zo belangrijk hier rechte paden te maken voor onze voeten, opdat wat kreupel is niet van de weg wordt afgebracht. Laten wij dit deel van ons onderwerp daarom wat duidelijker en nauwkeuriger bezien.
Een van de vier beloften van het nieuwe verbond is: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven (Hebreeën 8:10). Dit in het verstand geven en in het hart schrijven van Zijn wetten is de vervulling van de algemene belofte aan het gezin van de Heere, zoals de Heere Zelf die heeft uitgelegd: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn (Johannes 6:45).
Deel hebben aan goddelijk onderwijs is dus een zeker en gezegend bewijs een kind van God te zijn.
Maar nog steeds rijst de vraag: wat zijn de kenmerken en wat de uitwerkingen van dit goddelijk onderwijs? In een tijd als de onze, waarin velen rondlopen en de kennis toeneemt, is het gemakkelijk misleid te worden door louter natuurlijke en verstandelijke kennis van de letter van de waarheid. Dan houdt men het licht op het woord voor het levenslicht in de ziel.
Het verschil tussen beide is beter te voelen dan te beschrijven. U kunt licht niet uitleggen aan iemand die blind geboren is, noch het geluid van muziek aan een dove en stomme. Zo kunt u met louter woorden ook het diepe geheim van het goddelijk leven in het hart niet blootleggen. Wij maken er ook geen aanspraak op een onfeilbaar onderscheidingsvermogen te bezitten.
Want geen mens of engel kan huichelarij onderscheiden, het enige kwaad dat onzichtbaar rondgaat, behalve voor God alleen. — Milton.
Maar of wij het verschil tussen natuurlijk en geestelijk licht nu duidelijk kunnen onderscheiden of niet, en of wij het duidelijk kunnen beschrijven of niet: het feit blijft hetzelfde, het grote en allesbelangrijke feit. In de wedergeboren familie van God is een licht en een leven, een onderwijs en een kracht, een zalving en een kennis, een smaak en een hemelse zegen. Die kunnen nagebootst en vervalst worden, maar blijven onbereikbaar voor allen behalve de uitverkorenen van God.
Dit is de zalving die ons leert van alle dingen, die waarachtig is en geen leugen. Het is die bijzondere zalving van de Heilige, waardoor de heilige van God alle dingen weet. Enkele kenmerken en bewijzen van dit goddelijk onderwijs zullen wij proberen aan te wijzen. Daarbij beperken wij ons vooral tot de bijzondere invloed die het profetisch ambt van de opgestane Heere heeft op het genadewerk.
1. Overtuiging van zonde is duidelijk het eerste kenmerk en de eerste uitwerking van goddelijk onderwijs. En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde (Johannes 16:8). Wij zien die overtuiging bij hen die in hun hart doorstoken werden onder de preek van Petrus (Handelingen 2:37) en bij de gevangenbewaarder van Filippi.
Welke kennis van de zaligheid door het bloed van het Lam kan er immers zijn als schuld en veroordeling het hart nooit hebben omgeploegd en diepe wonden in het geweten hebben geslagen? Zoals Hart terecht zegt: Wat troost kan een Zaligmaker brengen aan hen die hun ellende nooit gevoeld hebben? Een zondaar is een heilig wezen, want de Heilige Geest heeft hem zo gemaakt.
Als wij lezen Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent, dan lezen wij ook: Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet (Psalm 94:12). Uit de wet onderwezen worden is dus een zegen. Dan leert men haar vloek en veroordeling kennen, haar schuld, vrees, toorn en slavernij.
Want het breekt de braakliggende grond van het hart open en voorkomt dat er tussen de doornen gezaaid wordt. Het opent diepe en brede voren om het zuivere zaad van het evangelie te ontvangen wanneer dat met kracht tot de ziel komt.
2. Het tweede kenmerk en de tweede uitwerking van dit goddelijk onderwijs is wat de Heere Zelf heeft gegeven: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij (Johannes 6:45). Tot Jezus komen voor vergeving en vrede, voor barmhartigheid en verlossing, voor onderwijs en onderrichting is dus het eigen kenmerk dat de Heere noemt van wie van God geleerd is.
En om ons te tonen dat dit een geestelijk komen is onder hemelse trekking, verklaarde Hij: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Door die verborgen trekkingen van de Vader komen wij tot Jezus. De ogen van ons verstand worden geestelijk verlicht om Zijn heerlijke Persoon te zien aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen.
Zo komen wij tot Hem als de Middelaar van het nieuwe verbond en tot het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. Op die heilige grond, bij den berg Sion, en de stad des levenden Gods, neemt de gezegende Geest de dingen van Christus en toont ze aan de ziel. Het geloof wordt opgewekt om te geloven wat zo voor ogen wordt gesteld. De hoop verankert zich erin als in goddelijke werkelijkheden binnen de voorhang.
En de liefde stroomt uit om de Persoon en het werk van de Zoon van God te omhelzen. Hij is vol genade en heerlijkheid, haar gehele zaligheid en haar gehele verlangen. Maar wij tonen nu de bijzondere betekenis die het profetisch ambt van Jezus heeft voor de bevinding van een kind van God. Daarom volgen wij dit verder in verband met het komen tot Jezus als de opgestane en verheerlijkte Profeet van de Allerhoogste. Als zodanig onderwijst Hij ons, zoals wij al hebben aangetoond, nu door Zijn Geest.
3. De gezegende Geest overtuigt ons dan, als noodzakelijke voorbereiding op Zijn eigen goddelijk onderwijs, van onze onwetendheid. Hij overtuigt ons van de sluier van ongeloof die van nature over ons hart ligt en van ons volstrekte onvermogen die weg te nemen. Als persoonlijke innerlijke bevinding is die duisternis zo groot dat men haar, zoals de duisternis in Egypte, kan tasten. Die onwetendheid is zo diep dat alle kennis of vermogen tot kennis volkomen verdwenen lijkt. Dat ongeloof is zo sterk en zo wanhopig dat het volslagen ongeneeslijk lijkt.
Toch breken midden in die diepe en dichte wolk van onwetendheid, duisternis en ongeloof van tijd tot tijd stralen en bundels licht door. Op dat moment lijken ze alleen de duisternis te tonen en dieper te maken. Maar in werkelijkheid zijn ze een leidend licht naar de troon van God en het Lam. Daar zit Jezus op de troon in heerlijkheid. Hij is er niet alleen als bemiddelende Hogepriester om te redden en niet alleen als verheven Koning om te regeren, maar als een zeer genadige Profeet om te onderwijzen.
Wij lezen: Doch zo wanneer het (dat is Israël) tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen (2 Korinthe 3:16). Zo komt er in de bevinding van de ziel, wanneer men de sluier dik en sterk over het hart voelt liggen, een zich wenden tot de Heere met gebed en smeking dat Hij hem wegneemt. En wanneer Hij dat als antwoord op het gebed wil doen, wordt in Zijn licht het licht gezien. Zijn waarheid druppelt met smaak en zoetheid in de ziel en het woord van Zijn genade bestuurt en regelt hart, lip en leven.
4. Wanneer dan de sluier van onwetendheid en ongeloof wordt weggenomen en het hart onder goddelijke werkingen wordt als was voor het zegel en klei voor de pottenbakker, ontstaat er een oprecht verlangen de zin en de wil van God te kennen. Wij willen die zin kennen en die wil doen. Jezus nu heeft als gezalfde Profeet van de Vader ons de zin en de wil van God geopenbaard.
In Zijn heilig voorbeeld, in Zijn zachtmoedig, nederig en toegewijd leven, in Zijn lijden en sterven en vooral in Zijn genadige woorden vol van het licht en de kracht van de Heilige Geest heeft Jezus de zin van God geopenbaard. Want wie Hem ziet, ziet de Vader, en wie Hem hoort, hoort de Vader.
Nu zegt de apostel: Maar wij hebben den zin van Christus (1 Korinthe 2:16) en elders: dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (Filippenzen 2:5). Maar die zin van Christus kan alleen in ons zijn door het onderwijs en de getuigenis van de gezegende Geest. want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Zo onderwezen en gezegend door de Geest worden wij geestelijk gezind, en dat is leven en vrede.
Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem (1 Korinthe 6:17). Zo ingedoopt in Zijn Geest is er eenheid en gemeenschap met Hem. De Heere ademt als het ware Zijn zin in de ziel, zodat zij ziet als met Zijn ogen en voelt als met Zijn hart. Zij haat wat Hij haat en heeft lief wat Hij liefheeft. Zij is warm voor Zijn waarheid, ijvert voor Zijn eer en is vurig voor Zijn heerlijkheid.
Zo is het ook met het van harte kennen en doen van de wil van God (Efeze 6:6). Dat kan alleen geleerd worden aan de voeten van Hem Die die wil met een volmaakt hart deed. Hij onderwierp Zich er geheel aan in de donkere hof en aan de vervloekte boom. Nu stelt Hij aan de rechterhand van de Vader Zijn volk in staat te doen wat die wil gebiedt, zich te onthouden van wat die wil verbiedt en te dragen wat die wil oplegt.
5. De bediening van het evangelie, voortvloeiend uit en verbonden met het profetisch ambt van de Heere Jezus, heeft hier eveneens een geestelijke uitwerking op de bevinding van de heiligen van God. Wij hebben eerder getoond dat Jezus, toen Hij naar omhoog ging, gaven voor mensen ontving. Die gaven stortte Hij uit door apostelen, profeten en anderen te zenden om van Zichzelf te getuigen.
Zo is elke dienaar van Christus, die Hij door Zijn Heilige Geest onderwijst en in het evangelieveld zendt om in Zijn dienst te arbeiden, een getuige van het tegenwoordige leven van Jezus. Hij is nog steeds Profeet voor Zijn gemeente en volk in de hemelse hoven.
Toen Jezus bij de poort van Damascus voor het eerst vanuit de hemel sprak tot Zijn uitverkoren vat Saulus, zei Hij: Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen (Handelingen 26:16). Tonen die woorden in welke Ik u nog zal verschijnen niet dat Paulus’ bediening in stand werd gehouden door nieuwe en voortdurende verschijningen en mededelingen van Jezus?
En verder: En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden (Handelingen 22:21). Hij is niet opgehouden en zal nooit ophouden arbeiders in Zijn oogst te zenden. Want Zijn eigen genadige belofte met betrekking tot de bediening van het evangelie is: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.
Wanneer Hij een van Zijn eigen dienaren toerust en zendt, getuigen zijn hele bevinding van begin tot eind en zijn kennis en inzicht daarvan. Ook zijn gaven en bekwaamheden en zijn succes en zegen tonen dat Jezus nog steeds in en door hem spreekt. Wat hij als zegen is voor enig lid van het levende gezin, is hij door de genade van God.
Zoals de beek meteen zou opdrogen als de bron ophield te vloeien of een andere loop kreeg, zo zouden de gaven van Zijn dienaren verwelken als Jezus de voortdurende toevoer van Zijn genade aan hen terugtrok. Hun bediening zou opdrogen en zij zouden worden als een zomerbeek die in de hitte verdwijnt (Job 6:17).
Ook de genadige hoorders van de bediening van het woord hebben deel aan de zegen die Jezus als de opgestane Profeet van Zijn gemeente neerzendt. Wordt de bediening van het woord leven en geest voor hun ziel? Komt het evangelie niet alleen in woorden maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid? Smelt het harde en stenen hart weg in berouw en liefde onder de stem van de Beminde Die door Zijn gezonden dienaar spreekt? Dan heeft de hoorder evenals de dienaar een bewijs dat Jezus nog leeft en leeft om te zegenen.
6. Wij zouden ook de voorschriften van het evangelie kunnen noemen die Jezus heeft gegeven, de verordeningen van Zijn huis die Hij heeft ingesteld en de hele loop van heilige gehoorzaamheid die Hij heeft geboden. Ook die zijn nauw verbonden met Zijn profetisch ambt. Maar wij zijn voornemens Hem met Gods hulp en zegen in een volgend artikel te bezien als Koning in Sion.
Dit deel van ons onderwerp komt gemakkelijker aan de orde bij de behandeling van Zijn koninklijk ambt. Daarom blijven wij er nu niet bij stilstaan. Wij konden deze punten niet helemaal onvermeld laten, maar onze beschikbare ruimte en de reeds genoemde reden beletten ons er verder op in te gaan.
7. Wij zouden ook als nauw verbonden met de bevinding van het profetisch ambt van Jezus kunnen noemen het innerlijk bezit en de praktische vertoning van die wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd (Jakobus 3:17).
Alles wat in een gelovige waar, eerlijk, rechtvaardig, rein, liefelijk en welluidend is (Filippenzen 4:8) vloeit voort uit zijn eenheid en gemeenschap met Jezus als opgestane Hoofd. Dat geldt voor al zijn voortreffelijkheid en deugd als heilige en voor al zijn lof in de gemeenten. Alles, alles is verbonden met het onderwijs dat Hij geeft en met de toevoer van genade die Hij schenkt.
Hoe volledig en hoe gezegend wordt dit hele goddelijke onderwijs samengevat in het gebed van Paulus voor de heiligen van God te Efeze!
Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. (Efeze 1:17-23.)
Met dit gebed, dat de Heere in de harten van onze lezers en in het onze moge vervullen, sluiten wij onze Overdenkingen over het profetisch ambt van Jezus af.


