Pearls from Philpot, Part 10 (Part 1 of 2)
Velen denken dat een predikant is vrijgesteld van de koudheid, doodsheid en dorheid die gewone christenen voelen. De huichelachtige blikken en woorden van veel dienaren van Satan versterken deze waan. Heiligheid is zo zeer op hun tong en in hun gezicht te vinden dat hun misleide hoorders wel moeten denken dat zij ook in hun hart is.
Maar helaas! Niets is gemakkelijker of gewoner dan een apostolisch gezicht met een Judashart.
De meeste schilderijen van het ‘Laatste Avondmaal’ die ik heb gezien tonen Judas met een woest gelaat. Hadden de schilders een heilig en zachtmoedig gezicht getekend dan hadden zij volgens mij een getrouwere gelijkenis gegeven.
Velen gaan op de kansel door voor engelen. Als de waarheid bekend was zou blijken dat zij thuis in hart, woord en leven duivels en beesten zijn.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid (Mattheüs 23:25 en 23:28).
Een kwijnend lichaam
(Brieven van J. C. Philpot)
(1 februari 1840, aan een stervende jongeman)
Mijn waarde vriend, een kwijnend lichaam is een zwaar kruis. Ziekte drukt vaak onze stemming neer, schokt onze zenuwen en werpt een schaduw over onze gedachten.
Maar het is goed om zo gespeend en losgemaakt te worden en geleidelijk bevrijd te raken van de sterke banden die ons aan de aarde binden. Ik ben eens vele maanden ziek geweest en velen dachten dat ik nooit zou herstellen. Ik vond het een zware beproeving maar geloof dat zij heilzaam was voor mijn ziel.
Moge de Heere uw hele ziekbed voor u opmaken en u vele getuigenissen geven van Zijn bijzondere gunst. En wanneer Hij het goed vindt uw aardse tent af te breken moge Hij u overbrengen naar dat gelukkige land waar de bewoner nooit zal zeggen: Ik ben ziek. Daar worden de tranen van alle aangezichten afgewist en vluchten droefheid en zuchten weg.
Moge de Heere uw verlangens spoedig vervullen en uw ziel bezoeken met blikken van liefde, stralen van ontferming en lichtstralen van tedere goedheid. Zo brengt Hij u door Zijn glimlach tot … nederigheid, berusting, geduld, dankbaarheid, boetvaardigheid, liefde en godzalige droefheid.
Uw toegenegen vriend in de banden van het evangelie, J. C. Philpot
Een beschilderde snuisterij
Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden (2 Korinthe 5:17).
Wat een wonderlijke omwenteling wordt bewerkt door goddelijk onderwijs en hemelse bezoekingen!
De ziel wordt gebracht om te leven in een nieuwe wereld en een nieuw element te ademen. Het oude gaat voorbij en zie, alles wordt nieuw.
Nieuwe verlangens, gevoelens, hoop, vrees en oefeningen ontstaan en de ziel wordt een nieuw schepsel. De wereld verschijnt in haar ware kleuren als een beschilderde snuisterij. Naarmate haar genoegens worden geschat naar hun ware waarde wordt ook haar goede mening weinig geacht en weinig begeerd.
Wat is deze arme ijdele wereld met al haar vergulde klei, haar bedrieglijke eer en achtenswaardigheid en haar zeepbelbekoringen — vergeleken met één glimlach van onze liefdevolle Zaligmaker?
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid (1 Johannes 2:17).
De godsdienst die ik zoek
Ik ben de moderne godsdienst helemaal beu: het is zo’n mengsel, zo’n allegaartje, zo’n compromis. Veel van deze godsdienst vind ik inderdaad in mijn eigen hart want zij past het vlees goed. Maar ik wil haar niet zo hebben en het grieft mij dat het zo is.
De godsdienst die ik zoek is die van de Heilige Geest.
Ik weet niets dan wat Hij mij leert.
Ik voel niets dan wat Hij in mij werkt.
Ik geloof niets dan wat Hij mij toont.
Ik treur alleen wanneer Hij mijn rotsachtige hart slaat.
Ik verheug mij alleen wanneer Hij de Zaligmaker openbaart.
Naar deze godsdienst ben ik op zoek hoewel ik er mijlenver vandaan ben. Maar geen andere kan mij bevredigen of tevreden stellen.
Wanneer de gezegende Geest niet in mij en met mij werkt, val ik terug in alle … duisternis, ongeloof, aardsgezindheid, luiheid, onverschilligheid, ontrouw en hulpeloosheid van mijn Adamsnatuur.
De ware godsdienst is een bovennatuurlijk en geheimzinnig iets.
Het zal weinig uitmaken als ik in mijn doodskist lig!
Wat maakt het werkelijk uit waar wij de weinige jaren van onze pelgrimstocht hier beneden doorbrengen? Het leven is kort, ijdel en vergankelijk. Of ik nu in gemak en rijkdom leef of in betrekkelijke armoede, het zal weinig uitmaken als ik in mijn doodskist lig!
Dit leven gaat snel voorbij en een eeuwige staat komt snel naderbij! Het zal enorm veel uitmaken of … onze godsdienst natuurlijk of geestelijk was, ons geloof menselijk of goddelijk en onze hoop een hemelse gave of een spinnenweb!
Maar onze blinde, dwaze harten zijn zo bezorgd om dingen die niet meer zijn dan een stofje van de weegschaal en zo weinig bekommerd om ons alles in allen.
Er is geen grotere erfenis dan een zoon of dochter van de Almachtige Heere te zijn. Een zaligmakend aandeel te hebben in … de uitverkiezende liefde van de Vader, het verlossende bloed van de Zoon en de heiligende werking van de Heilige Geest is een miljoen werelden waard! Zonder dit moeten wij eeuwig ellendig zijn en met dit eeuwig gelukkig.
God heeft voor Zijn kinderen een onschatbare erfenis weggelegd. Het is een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, buiten het bereik van verandering en verval (1 Petrus 1:4).
Een druppeltje zuiverheid te midden van onzuiverheid
Wat is het leven van God in de ziel geheimzinnig. Het lijkt een druppeltje zuiverheid te midden van onzuiverheid.
Wij zullen altijd merken dat de zonde onze ergste vijand is en het eigen ik onze grootste tegenstander. Wij hoeven niets te vrezen dan de zonde — niets anders kan ons werkelijk schaden. De Heere vergeeft in tedere barmhartigheid Zijn dwalende kinderen die ronddolen. Toch laat Hij hen allen diep voelen dat het inderdaad een kwaad en bittere zaak is tegen Hem te zondigen.
Als meneer Hoogmoed een wond aan het hoofd krijgt
Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid (Filippenzen 1:15).
Ik hoop dat ik mij kan verheugen als de Heere de arbeid van andere goede mannen zegent. Het is werkelijk een treurige geest wanneer predikanten jaloers op elkaar zijn en liever vitten en fouten bij elkaar zoeken dan te verlangen dat de zegen van God op hen en hun arbeid rust. O die ellendige geest van laster en nijd die anderen graag omlaag trekt om zelf als het ware wat hoger op hun lichamen te staan! Waar is dan nog … ware nederigheid van gemoed, eenvoud van geest, broederliefde of oog voor Gods eer als deze ellendige geest wordt gekoesterd?
Als meneer Hoogmoed een wond aan het hoofd krijgt zal dat niet erger worden door de genade van de nederigheid.
Onze grootste vijand
Ik ben banger voor mijzelf — mijn lusten en driften en mijn sterke en afschuwelijke verdorvenheden — dan voor wie ook ter wereld.
Het ZELF is en blijft onze grootste vijand. En al onze vijanden zouden zo zwak als water tegen ons zijn als wij zelf niet zulke snode ellendelingen waren. Het einde zal alles goedmaken!
Wat is het een wereld van zonde en droefheid!
Hoe alles ons eraan herinnert dat wij allen voorbijgaan!
Ik leef met u mee in uw beproevingen en verdrukkingen die zo velerlei, pijnlijk en talrijk zijn. Maar durf ik te wensen dat u vrij was van wat de alwijze, algenadige Heere u oplegt? Zou Hij ze niet in een oogwenk allemaal kunnen wegnemen?
Onze Vader vindt het in Zijn wijsheid en ontferming goed Zijn kinderen te kastijden en wij weten dat Hij dat niet zou doen als het niet voor het heil van hun ziel was. Wat kunnen wij dan zeggen? Wij kunnen de Heere alleen smeken dat Hij hen ondersteunt, troost en zegent.
In de smeltoven leren wij onze behoefte aan werkelijkheden kennen en ons eigen onvermogen en onmacht. De oven houdt ons ook voor ogen hoe kort het leven is en hoe ijdel alles hier beneden is.
Verdrukkingen worden gezonden om … ons van deze wereld te spenen, het leven zwaar en de dood begeerlijk te maken.
Ik weet maar al te goed dat het arme lafhartige vlees mopperig en ongeduldig is onder verdrukkingen en graag een gladder en gemakkelijker pad zou hebben. Maar wij kunnen onze eigen beproevingen en verdrukkingen niet kiezen. Alles is toebedeeld naar vast gewicht en vaste maat en de belofte is dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Waar wij ook gaan en waar wij ook zijn moeten wij verwachten dat er beproevingen komen. Maar het is onze wijsheid en ons geluk te berusten in wat wij niet kunnen veranderen en niet te mopperen of te morren onder de beproeving. Wij moeten haar aannemen als gezonden tot ons welzijn.
Wij hebben beproeving op beproeving en slag op slag nodig om onze ziel uit de vleselijkheid te brengen. Ongemerkt glijden wij af naar vleselijk gemak. Maar verdrukkingen en beproevingen van lichaam en geest wekken ons op tot enige ernst in het gebed, tonen ons de leegte en ijdelheid van aardse dingen en laten ons de geschiktheid en kostbaarheid van de Heere Jezus voelen.
Het pad waarop u zoveel jaren bent geleid is een veilige weg al is het een ruwe en rotsachtige weg. Het einde zal alles goedmaken!
Wij zijn niet meer jong
Gedenk, dat mijn leven een wind is (Job 7:7).
En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien (Job 9:25).
Mijn waarde vriend, wij zijn niet meer jong. Het leven glijdt als het ware onder onze voeten weg. Het is een armzalig leven om te leven voor de zonde, het eigen ik en de wereld — maar het is een gezegend leven om te leven voor de Heere.
Ik verwacht nooit vrij te zijn van beproeving, verzoeking, pijn en lijden van enige soort zolang ik in dit tranendal ben. Het zal mijn zegen zijn als deze dingen worden geheiligd tot het eeuwige heil van mijn ziel.
Ik kan mijn eigen pad niet kiezen en ik zou dat ook niet willen want ik ben er zeker van dat het een verkeerd pad zou zijn.
Ik verlang door de Heere Zelf te worden geleid op de weg van vrede, waarheid en gerechtigheid — om te wandelen in Zijn vreze, te leven tot Zijn lof en te sterven in de zoete bevinding van Zijn liefde.
Ik heb vele vijanden maar vrees er geen zozeer als mijzelf. O mocht ik bewaard worden voor alle kwaad en alle dwaling en doen wat welgevallig is in Gods ogen.
Onze dagen vliegen sneller voorbij dan een loper. Spoedig zal het voor ons geen tijd meer zijn en daarom — hoezeer zouden wij moeten verlangen te leven voor de Heere en niet voor het eigen ik!
Uw toegenegen vriend in de waarheid, J. C. Philpot, 20 juni 1861
De verdrukkingen van de goddelozen
Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest (Psalm 119:71).
Er is een groot verschil tussen de verdrukkingen van de godvruchtigen en die van de goddelozen.
Voor de godvruchtigen zijn verdrukkingen een zegen maar voor de goddelozen zijn zij een vloek.
Verdrukkingen verzachten het hart van de godvruchtigen maar verharden dat van de goddelozen.
Bij de godvruchtigen wekken verdrukkingen … de genade van het gebed op. Zij spenen het hart van de wereld en brengen ons tot het Woord van God. Zij doen ons ons einde overdenken en geven kracht en werkelijkheid aan de goddelijke dingen. Zij tonen ons de leegte van alle godsdienst van het schepsel en doen ons eenvoudiger en geloviger naar de gezegende Heere opzien. Zo voelen wij hoe geschikt Hij is voor elke nood en elk leed en dat vergeving, aanneming en vrede in Hem en alleen in Hem te vinden zijn.
Maar de verdrukkingen van de goddelozen brengen alleen … somberheid, zelfmedelijden en opstandigheid voort.
Als een klein kind in de armen van de eeuwige liefde
Wat zie ik veel mensen misleid en afgescheept met een ijdele schijn en hoe weinigen, predikanten of volk, schijnen iets te weten van de veranderende kracht van echte godsdienst en levende godzaligheid.
Wij verlangen in hart, geest en genegenheid meer van de wereld gescheiden te zijn, geestelijk gezind te zijn en meer te kennen van die heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.
En hoewel wij de zonde nog in ons vinden werken en soms even erg als altijd, is het ons verlangen dat haar macht wordt bedwongen en dat zij gereinigd wordt in haar schuld en vuil.
Wij hebben gezien wat de wereld voor ons kan doen en bevonden dat zij ons slechts kan verstrikken. Wij hebben gezien wat de zonde kan doen — namelijk een ogenblik behagen en daarna bijten als een adder.
En wij hebben ook iets gezien van de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid, de genade en heerlijkheid, de zaligheid en geschiktheid van de Zoon van God. Hij heeft ons hart en onze genegenheden gewonnen zodat Hij soms de Uitnemende boven tienduizend is en de geheel Beminnelijke.
Mocht u de zoetheid en gezegendheid ervaren van rustig te vertrouwen op de trouw van God en als een klein kind te liggen in de armen van de eeuwige liefde.
Uw zeer toegenegen vriend, J. C. Philpot
Het doel van God in al Zijn doen en handelen
Gezegend zijn die kastijdingen en die lessen die ons tot de voeten van Christus brengen en waardoor Hij kostbaar wordt voor de ziel.
Dit is het doel van God in al Zijn doen en handelen met Zijn volk: hen geheel van het eigen ik te ontdoen en te ledigen en Zijn dierbare Zoon gevoelig en bevindelijk hun Alles in allen te maken en te openbaren. In Hem en in Hem alleen kunnen wij rust of vrede vinden en vinden wij die ook.
De enige glimlach die het waard is
Al het ijdele applaus van de stervelingen en alles wat populariteit heet acht ik gering. Het laat een pijnlijke leegte achter en vaak een schuldig geweten. De zegen des HEEREN, die maakt rijk en al het andere is armoede, lompen en schande.
Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd (2 Korinthe 10:18). Gods glimlach en niet die van mensen is de enige glimlach die het waard is.
De uitnemende grootheid van Zijn kracht
Ik bid dat u gaat begrijpen wat de uitnemende grootheid Zijner kracht is aan ons die Hem geloven (Efeze 1:19).
Het werk van God aan de ziel is een werk van soevereine en almachtige kracht! Zie welke machtige kracht is uitgeoefend om ons van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God te brengen. Zie hoe alleen de uitgestrekte arm van de Almacht ons kon verlossen uit de macht van de duisternis en overbrengen in het eeuwige hemelse koninkrijk.
Bedenk de moeilijkheden die de genade moet overwinnen bij de ‘levendmaking’ van een dode ziel tot geestelijk leven. Zie de diepten van de val. Overweeg … de dood van de ziel in overtredingen en zonden en haar volslagen vervreemding van het leven van God. Overweeg de duisternis, blindheid en onwetendheid van het verstand, de verdraaidheid van de wil, de hardheid van het geweten en de verdorvenheid van de genegenheden!
Zie de verstoktheid, koppigheid en halsstarrigheid van de ziel, haar hoogmoed, ongeloof, ontrouw en eigengerechtigheid. Zie haar hartstochtelijke liefde tot de zonde, de gewoonte om haar te bedrijven en haar lange gevangenschap eronder. Overweeg haar sterke vooroordelen tegen alles wat godvruchtig en heilig is!
Overweeg de wanhopige, onverzoenlijke vijandschap van de vleselijke gezindheid tegen God Zelf — haar vaste en diepgewortelde liefde voor de wereld in al haar vormen en gedaanten. Bedenk ook dat al haar hoop, geluk en vooruitzichten verbonden zijn aan de dingen van tijd en zinnen!
O, wat een samengesteld geheel van moeilijkheden vormen al deze vijanden in hun hechte verbond, als een compact, goed bewapend en grondig getraind leger — tegen elke macht die hen uit hun stelling zou willen verdrijven!
Voeg daarbij alle macht, boosaardigheid en listige kunsten van Satan als de gewapende sterke man — die dag en nacht het paleis bewaakt en voor niemand wijkt dan voor de sterkere dan hij!
Overweeg ook de offers die vaak gebracht moeten worden door wie godzalig moet leven in Christus Jezus … de tederste banden die misschien verbroken moeten worden, de winstgevende vooruitzichten die opgegeven moeten worden, oude vrienden van wie afscheid genomen moet worden, familiebanden die losgelaten moeten worden, een positie in het leven die verloren gaat en schande en minachting die men over zichzelf afroept!
Zien wij dan een ziel die dood is in zonde met al deze moeilijkheden en hindernissen in hun ingewikkelde opstelling? Moeten wij dan niet zeggen dat het een machtige daad van kracht is die haar ondanks al deze schijnbaar onoverkomelijke belemmeringen daaruit optilt in een nieuw en geestelijk leven? Dit is zozeer de vrucht en het gevolg van almachtige kracht en van almachtige kracht alleen dat het in het Woord wordt genoemd … een nieuwe en hemelse geboorte, een nieuwe schepping, een opstanding — woorden die allemaal een uitoefening van goddelijke kracht inhouden die verschilt van en onafhankelijk is van elke inspanning van het schepsel.
Overweeg ook de machtige kracht van God in het ‘onderhouden’ van het goddelijke leven in onze ziel. Wij moeten zien en voelen … wat bergen van moeilijkheden en wat zeeën van verzoeking er zijn. Wat winden en stormen van dwaling, wat aanvallen en strikken van Satan en wat vloeden van snoodheid en goddeloosheid binnen en buiten ons!
Wat sterke lusten en driften, wat heimelijke misstappen en vallen, wat afvalligheid en afwijking van de levende God en wat lange tijden van duisternis, dorheid en dood. Wat tegenstand van het vlees tegen de enge en smalle weg, wat sluwe huichelaars, schijnvrienden en valse belijders — allen bezig onze stappen neer te halen of te verstrikken!
Bedenk ook wat een hulpeloosheid, onmacht en ellendig onvermogen er in onszelf is tot al het goede en wat een onstuimige neiging tot al het kwade.
Wij moeten ook nadenken over wat wij geweest zijn en nog zijn sinds wij beleden God te vrezen. Wanneer wij aan onszelf werden overgelaten hebben wij niets anders gedaan dan tegen God zondigen en Hem recht in Zijn gezicht tergen!
Zo lezen wij deze lange donkere lijst artikel voor artikel door en toch hebben wij de zoete overtuiging dat het leven van God in onze ziel is. Dan beseffen, geloven en voelen wij Gods alles overtreffende, overvloedige genade en prijzen wij God dat Hij dit goddelijke leven in onze ziel onderhoudt.
„waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest!” (Romeinen 5:20)
De ellendige droesem van het ZELF!
Aangenomen in den Geliefde (Efeze 1:6).
Wij zoeken voortdurend iets in het ZELF om onszelf aanvaardbaar te maken voor God. Wij zijn vaak droevig neergeslagen en ontmoedigd als wij in onszelf … die heiligheid, gehoorzaamheid, kalme onderwerping aan de wil van God, gemoedsrust, geestelijkheid en hemelsgezindheid niet kunnen vinden waarvan wij geloven dat zij in Zijn ogen aangenaam zijn!
Onze verkeerde buien, ons mopperende kribbige gemoed, onze opstandige gedachten, onze koudheid en dorheid, onze vervreemding van het goede en onze onstuimige neiging tot het kwade laten ons denken dat God ons ziet zoals wij onszelf zien. Dat geldt ook voor het dagelijkse gevoel dat wij niet beter worden maar eerder slechter!
En dit brengt grote duisternis van gemoed en gebondenheid van geest totdat wij onze aanneming in Christus uit het oog lijken te verliezen en wegzakken in de ellendige droesem van het ZELF — bijna bereid om met God te twisten omdat wij zo snood zijn en alleen maar slechter worden naarmate wij ouder worden!
Hoe meer wij in deze droesem van het ZELF wegzakken en hoe meer wij blijven kijken naar de verschrikkelijke tonelen van wrak en ondergang die ons hart dagelijks toont, des te verder raken wij van de genade van het evangelie. Dan verliezen wij steeds meer de enige grond van onze aanneming bij God uit het oog. Het is in den Geliefde dat wij aangenomen zijn — en niet vanwege enig … goed woord, goed werk, goede gedachte, goed hart of goede bedoeling van onszelf!
Als onze aanneming bij God van iets in onszelf afhing, zouden wij moeten geloven dat wij vandaag kinderen van God kunnen zijn en morgen kinderen van de duivel!
Wat moet ons dan behoeden voor het volledig wegzinken in wanhoop zonder hoop of hulp? Wel, de kennis van onze aanneming in den Geliefde, onafhankelijk van alles in ons — goed of slecht!
„En gij zijt in Hem volmaakt!” (Kolossenzen 2:10)
Ik ben vol verwarring!
„Ik ben vol verwarring!” (Job 10:15)
God is de grote Heerser, Bestuurder en Beheerser van alle dingen!
Wij mogen de velerlei gebeurtenissen die voortdurend in deze wereld plaatsvinden niet beschouwen als louter ‘toeval’ — een verwarde mengelmoes — alsof al die talloze omstandigheden als knikkers in een zak werden gegooid en er weer uit werden gestort zonder enige orde of schikking.
God is een God van orde.
In de natuurlijke wereld, de wereld van de schepping, is alles in orde.
In de geestelijke wereld, de wereld van de genade, is alles in orde.
En in de wereld van de voorzienigheid is ook alles orde.
Voor ons verstand lijkt het inderdaad vaak wanorde. Maar dat komt door onze onwetendheid en doordat wij het geheel niet zien als één bepaald vastgesteld plan.
Als u een wever aan een weefgetouw bezig zag en alleen de draden en naalden voortdurend op- en neer zag springen, dan zou u niets dan verwarring zien. U zou zich ook niet het geringste idee kunnen vormen van het patroon dat geweven werd. Maar als het geheel klaar was en de zijde van de rol werd genomen, dan zou u een patroon in prachtige orde zien en elke draad zou bijdragen aan één harmonisch ontwerp. Dit alles was vooraf bekend bij de kunstenaar die het patroon had ontworpen en elke schikking was in strikte afstemming erop getroffen.
Maar als dit waar is van Gods beschikkingen in de voorzienigheid, hoeveel te meer is het dan waar van Zijn heerlijke plannen in de genade. Elke … beproeving, verzoeking, verdrukking en droefheid is slechts het gevolg van een bepaald plan in Zijn eeuwige gedachten!
Toch lijkt ons zo vaak alles verwarring! Die verwarring zit niet zozeer in de dingen zelf als in ons verstand. Job riep in zijn benauwdheid: „Ik ben vol verwarring!” Toch kunnen wij in zijn geschiedenis lezen dat al zijn beproevingen werkten naar een vastgesteld einde. Zo is elke beproeving, droefheid, verzoeking of verdrukking die ooit op uw pad heeft gelegen of zal liggen door oneindige, onfeilbare wijsheid aangegeven!
Wordt zelfs de gewoonste weg niet volgens een vast plan aangelegd? En plaatst de landmeter, wanneer hij hem uitzet, niet elke mijlpaal op de juiste plaats?
Legt de Heere dan niet ook vooraf de weg aan waarop Zijn volk moet wandelen? En plaatst Hij niet hier een beproeving en daar een droefheid — een verdrukking bij deze bocht en een kruis op die hoek? Alles is vastgesteld in Zijn oneindige wijsheid om de reiziger veilig thuis te brengen in Sion!
Wat een ijdel speelgoed!
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid (1 Johannes 2:17).
Vergeleken met geestelijke en eeuwige zegeningen zien wij hoe ijdel en leeg alle aardse dingen zijn.
Wat een ijdel speelgoed!
Wat lege dromen!
Wat voorbijgaande schaduwen!
Wij verbazen ons over de dwaasheid van mensen die zulke ijdele vertoningen najagen en tijd, gezondheid, geld en het leven zelf besteden aan een jacht op niets dan ellende en verderf.
Wij geven weinig om de mening van mensen over wat goed of groot is. Wij geven veel om wat God met Zijn eigen goedkeuring heeft gestempeld, zoals … een teer geweten, een gebroken hart, een verslagen geest en een nederige gezindheid. Ook afscheiding van de wereld, onderwerping aan Zijn heilige wil, een zachtmoedig dragen van het kruis, gelijkvormigheid aan Christus’ lijdende beeld en een leven tot Gods eer hebben Zijn goedkeuring.
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid (1 Johannes 2:17).
Sterven
als stervenden, en ziet, wij leven (2 Korinthe 6:9).
Hoewel wij sterven en dagelijks sterven, zie toch dat wij leven. En in zekere zin leven wij meer naarmate wij meer sterven.
Hoe meer wij sterven aan het eigen ik, hoe meer wij sterven aan de zonde.
Hoe meer wij sterven aan hoogmoed en eigengerechtigheid, hoe meer wij sterven aan kracht van het schepsel.
Hoe meer wij sterven aan de zondige natuur, hoe meer wij leven voor de genade.
Dit loopt door het hele leven en de bevinding van een christen. De natuur moet sterven — opdat de genade leeft.
Het onkruid moet worden uitgetrokken opdat het gewas groeit.
Het vlees moet worden uitgehongerd opdat de geest wordt gevoed.
De oude mens moet worden afgelegd opdat de nieuwe mens wordt aangedaan.
Opdat de ziel voor God leeft moeten de werkingen des lichaams worden gedood.
Zo leven wij als wij sterven.
Hoe meer wij sterven aan onze eigen kracht, hoe meer wij leven in de kracht van Christus. Hoe meer wij sterven aan hoop op het schepsel, hoe meer wij leven tot goede hoop in genade.
Hoe meer wij sterven aan onze eigen gerechtigheid, hoe meer wij leven in de gerechtigheid van Christus.
Hoe meer wij sterven aan de wereld, hoe meer wij leven voor en tot de hemel.
Dit is het grote geheim: de christen sterft altijd — en leeft toch altijd. En hoe meer hij sterft, hoe meer hij leeft.
De dood van het vlees is het leven van de geest.
De dood van de zonde is het leven van de gerechtigheid.
De dood van het schepsel is het ware leven van God in de ziel.
„als stervenden, en ziet, wij leven” (2 Korinthe 6:9).
Als u thuis bent in de wereld
Many think that a minister is exempt from such coldness, deadness, and barrenness, as private Christians feel. And the hypocritical looks and words of many of Satan’s ministers favor this delusion. Holiness is so much on their tongues, and on their faces, that their deluded hearers necessarily conclude that it is in their hearts. But, alas! nothing is easier or more common, than an apostolic face and a Judas heart. Most pictures that I have seen of the “Last Supper” represent Judas with a ferocious countenance. Had painters drawn a holy, meek-looking face, I believe they would have given a truer resemblance. Many pass for angels in the pulpit, who if the truth were known, would be seen to be devils and beasts in heart, lip, and life at home.
“How terrible it will be for you teachers of religious law and you Pharisees. Hypocrites! You are so careful to clean the outside of the cup and the dish, but inside you are filthy—full of greed and self-indulgence! You try to look like upright people outwardly, but inside your hearts are filled with hypocrisy and lawlessness.” Matthew 23:25, 28
A languishing body
(Letters of J. C. Philpot)
(February 1, 1840, to a dying youth)
My dear friend, A languishing body is a heavy cross.
Sickness often . . . depresses our spirits, shatters our nerves, and casts a gloom over our minds.
But it is good thus to be weaned and detached, and gradually loosened from the strong ties that bind us to earth. I was ill once for many months, and many thought I would never recover. I found it a heavy trial, but I believe it was profitable to my soul. May the Lord make all your bed in your sickness, give you many testimonies of His special favor—and when He sees fit to take down your earthly tabernacle, remove you to that happy country where the inhabitant shall never say, “I am sick,” where tears are wiped away from all faces, and sorrow and sighing flee away. May the Lord speedily grant your desires, and visit your soul with looks of love, rays of mercy, and beams of tender kindness, so as to smile you into . . . humility, resignation, patience, gratitude, contrition, love, and godly sorrow.
Yours affectionately in the bonds of the gospel, J. C. Philpot
A painted bauble
“Therefore, if anyone is in Christ, he is a new creation; the old has gone, the new has come!” 2 Corinthians 5:17
What a wonderful revolution is effected by divine teaching and heavenly visitations! The soul is brought to live in a new world and breathe a new element. Old things pass away, and behold, all things become new. New desires, feelings, hopes, fears, and exercises arise, and the soul becomes a new creature. The world appears in its true colors, as a painted bauble, and as its pleasures are valued at their due worth, so its good opinion is little cared for or desired.
What is this poor vain world with all its gilded clay, deceptive honors and respectability, and soap-bubble charms—compared to one smile from our loving Savior?
“And this world is fading away, along with everything it craves.” 1 John 2:17
The religion which I want
I am quite sick of modern religion—it is such a mixture, such a medley, such a compromise. I find much, indeed, of this religion in my own heart, for it suits the flesh well—but I would not have it so, and grieve it should be so. The religion which I want is that of the Holy Spirit. I know nothing but what He teaches me. I feel nothing but what He works in me. I believe nothing but what He shows me. I only mourn when He smites my rocky heart. I only rejoice when He reveals the Savior. This religion I am seeking after, though miles and miles from it—but no other will satisfy or content me. When the blessed Spirit is not at work in me, and with me, I fall back into all the . . . darkness, unbelief, earthliness, idleness, carelessness, infidelity, and helplessness of my Adam nature.
True religion is a supernatural and mysterious thing.
It will matter little when I lie in my coffin!
What does it really matter where we spend the few years of our pilgrimage here below? Life is short, vain, and transitory; and if I live in comfort and wealth, or in comparative poverty, it will matter little when I lie in my coffin! This life is soon passing away, and an eternal state fast coming on! It will greatly matter whether . . . our religion was natural or spiritual, our faith human or divine, our hope a heavenly gift or a spider’s web! But our blind, foolish hearts are so concerned about things which are but the dust of the balance, and so little anxious about our all in all.
There is no greater inheritance than to be a son or daughter of the Lord Almighty. To have a saving interest in . . . the electing love of the Father, the redeeming blood of the Son, and the sanctifying operations of the Holy Spirit, is worth a million of worlds! Without such, we must be eternally miserable; and with it eternally happy.
“For God has reserved a priceless inheritance for His children. It is kept in heaven for you, pure and undefiled, beyond the reach of change and decay!” 1 Peter 1:4
A little drop of purity in the midst of impurity
How mysterious is the life of God in the soul. It seems like a little drop of purity in the midst of impurity.
We shall always find sin to be our worst enemy, and self our greatest foe. We need not fear anything but sin—nothing else can do us any real injury. Though the Lord in tender mercy forgives His erring wandering children, yet He makes them all deeply feel that indeed it is an evil and a bitter thing to sin against Him.
If Mr. Pride gets a wound in the head
“Some are preaching out of jealousy and rivalry. But others preach about Christ with pure motives.” Philip. 1:15
I hope I can rejoice in the Lord’s blessing the labors of other good men. It is indeed a sad spirit when ministers are jealous of each other, and would rather cavil and find fault with each other, instead of desiring that the blessing of God might rest upon them and their labors. Oh that miserable spirit of detraction and envy, which would gladly pull others down, that we might stand as it were, a little higher upon their bodies! Where is there any . . . true humility of mind, simplicity of spirit, brotherly love, or an eye to God’s glory, when this wretched spirit is indulged? If Mr. Pride gets a wound in the head, it will not be the worse for the grace of humility.
Our greatest enemy
I am more afraid of myself—my lusts and passions, and strong and horrible corruptions—than of anybody in the whole world.
SELF is and ever will be our greatest enemy. And all our enemies would be as weak as water against us, were we not such vile wretches in ourselves.
The end will make amends for all!
What a world it is of sin and sorrow!
How everything serves to remind us that we are all passing away!
I feel for you in your trials and afflictions, so various, painful, and multiplied. But dare I wish you free from what the all-wise, all-gracious Lord lays upon you? Could He not in a moment remove them all?
Our Father sees fit in His wisdom and mercy to afflict His children, and we know that He would not do so unless it were for the good of their soul. What can we say then? All we can do is to beg of the Lord that He would support, comfort, and bless them.
It is in the furnace that we learn our need of realities, and our own helplessness and inability. The furnace also brings to our mind the shortness of life, and how vain all things are here below. Affliction are sent to . . . wean from this world, make life burdensome, and death desirable.
I well know that the poor coward flesh is fretful and impatient under afflictions, and would gladly have a smoother, easier path.But we cannot choose our own trials, nor our own afflictions. All are appointed in fixed weight and measure; and the promise is that all things shall work together for good to those who love God. Wherever we go, and wherever we are, we must expect trials to arise. But it will be our wisdom and mercy to submit to what we cannot alter, and not fret or repine under the trial—but accept it as sent for our good.
We need trial upon trial, and stroke upon stroke to bring our soul out of carnality. We slip insensibly into carnal ease; but afflictions and trials of body and mind stir us up to some degree of earnestness in prayer, show us the emptiness and vanity of earthly things, make us feel the suitability and preciousness of the Lord Jesus.
The path in which you have been led so many years is a safe way, though a rough and rugged way. The end will make amends for all!
We are no longer young
“My life is but a breath.” Job 7:7
“My life passes more swiftly than a runner. It flees away, filled with tragedy.” Job 9:25
My dear friend, We are no longer young. Life is, as it were, slipping from under our feet. It is a poor life to live to sin, self, and the world—but it is a blessed life to live unto the Lord.
I never expect to be free from trial, temptation, pain, and suffering of one kind or another, while in this valley of tears. It will be my mercy if these things are sanctified to my soul’s eternal good. I cannot choose my own path, nor would I wish to do so, as I am sure it would be a wrong one. I desire to be led of the Lord Himself into the way of peace, and truth, and righteousness—to walk in His fear, live to His praise, and die in the sweet experience of His love.
I have many enemies, but fear none so much as myself. O may I be kept from all evil and all error, and do the things which are pleasing in God’s sight. Our days are hastening away swifter than a runner. Soon with us it will be time no longer, and therefore how we should desire to live to the Lord, and not to self!
Yours affectionately in the truth, J. C. Philpot, June 20, 1861
The afflictions of the ungodly
“It was good for me to be afflicted.” Ps. 119:71
There is a great difference between the afflictions of the godly, and the afflictions of the ungodly.
To the godly afflictions are a blessing; but to the ungodly afflictions are a curse. Afflictions soften the heart of the godly; but they harden the heart of the ungodly. In the case of the godly, afflictions . . . stir up the grace of prayer, wean the heart from the world, bring us to Word of God, make us consider our latter end, give power and reality to divine things, show us the emptiness of all creature religion, make us look more simply and believingly to the blessed Lord, to feel how suitable He is to every want and woe; and that in Him, and in Him alone, is pardon, acceptance, and peace. But the afflictions of the ungodly only produce . . . sullenness, self-pity, and rebellion.
Like a little child in the arms of eternal love
How I see men deluded and put off with a vain show, and how few there are, whether ministers or people, who seem to know anything of the transforming efficacy of real religion and vital godliness.
We desire to be more separated from the world in heart, spirit, and affection; to be spiritually minded, and to know more of that holiness without which no man shall see the Lord. And though we find sin still working in us, and sometimes as bad as ever, yet our desire is to have it subdued in its power, as well as purged away in its guilt and filth.
We have lived to see what the world can do for us—and found it can only entangle; and what sin can do—which is to please for a moment and then bite like an adder.
And we have seen also a little of the Person and work, blood and righteousness, grace and glory, blessedness and suitability of the Son of God; and He has won our heart and affections, so as at times to be the chief among ten thousand and the altogether lovely One.
May you experience the sweetness and blessedness of calmly relying on the faithfulness of God, and lying like a little child in the arms of eternal love. Yours very affectionately, J. C. Philpot
The end of God in all His doings and dealings
Blessed are those chastenings and those teachings which bring us to the feet of Christ, and by which He is made precious to the soul. This is the end of God in all His doings and dealings with His people—to strip and empty them wholly of self, and to manifest and make His dear Son feelingly and experimentally their All in all. In Him and in Him alone can we, do we, find either rest or peace.
The only smile worth having
All the vain applause of mortals, and all that is called popularity, I think little of. It leaves an aching void, and often a guilty conscience. The blessing of the Lord makes rich, and all else is poverty, rags, and shame. Not he who commends himself is approved, but whom the Lord commends. God’s smile, not man’s, is the only smile worth having.
The incredible greatness of His power
“I pray that you will begin to understand the incredible greatness of His power to us who believe Him.” Eph. 1:19
The work of God on the soul, is a work of sovereign and omnipotent power! See what a mighty power was put forth in turning us from darkness to light, and from the power of Satan unto God; and how it was the outstretched arm of Omnipotence alone, which could deliver us from the power of darkness and bring us into the eternal heavenly kingdom. Consider the difficulties which grace has to overcome, in the “quickening” of a dead soul into spiritual life. View the depths of the fall. Contemplate . . . the death of the soul in trespasses and sins, the thorough alienation from the life of God, the darkness, blindness, and ignorance of the understanding, the perverseness of the will, the hardness of the conscience, and the depravity of the affections!
View the soul’s . . . obduracy, stubbornness and obstinacy; its pride, unbelief, infidelity and self-righteousness; its passionate love to, habitual practice of, and long imprisonment to sin. Consider its strong prejudices against everything godly and holy!
Contemplate the desperate, implacable enmity of the carnal mind against God Himself—its firm and deep rooted love to the world, in all its varied shapes and forms—and remember also how all its hopes, happiness, and prospects are bound up in the things of time and sense! O what a complicated mass of difficulties, do all these foes form in their firm combination, like a compact, well armed, thoroughly trained army—against any power which would seek to dislodge them from their position! Add to this—all the power, malice, and deceitful arts of Satan, as the strong armed man—keeping the palace night and day, and yielding to none but the stronger than he! Consider, too, the sacrifices which must often be made by one who is to live godly in Christ Jesus . . . the tenderest ties, perhaps, to be broken; the lucrative prospects which have to be abandoned; old friends to be renounced; family connections to be given up; position in life to be lost; shame and contempt to be entailed on oneself! Viewing, then, a soul dead in sin, with all these difficulties and obstacles in their complicated array, must we not pronounce that to be a mighty act of power which, in spite of all these apparently invincible hindrances, lifts it up and out of them all, into a new and spiritual life? So fully and thoroughly is this fruit and effect of omnipotent power, and of omnipotent power alone, that it is spoken of in the word as . . . a new and heavenly birth; a new creation; a resurrection —all which terms imply a putting forth of a divine power, as distinct from and independent of any creature effort. Contemplate also, the mighty power of God in “maintaining” divine life in our soul. We have to see and feel . . . what mountains of difficulty, what seas of temptation, what winds and storms of error, what assaults and snares of Satan, what floods of vilenessand ungodliness within and without, what strong lusts and passions, what secret slips and falls, what backslidings and departures from the living God, what long seasons of darkness, barrenness, and death, what opposition of the flesh to the strait and narrow way, what crafty hypocrites, pretended friends, false professors —all striving to throw down or entangle our steps! Consider also, what helplessness, inability, and miserable impotency in ourselves to all that is good; and what headlong proneness to all that is evil.
We have also to ponder over what we have been and what we still are, since we professed to fear God—and how, when left to ourselves, we have done nothing but sin against and provoke God to His face!
And thus as read over article by article, this long dark catalogue, still to have a sweet persuasion that the life of God is in our soul —we realize, believe, and feel, and bless God for His surpassing, superabounding grace, in maintaining this divine life in our soul.
“Where sin abounded, grace did much more abound!” Rom. 5:20
The miserable dregs of self!
“Accepted in the Beloved.” Ephesians 1:6
We are ever looking for something in SELF to make ourselves acceptable to God. We are often sadly cast down and discouraged when we cannot find in ourselves . . . that holiness, that obedience, that calm submission to the will of God, that serenity of soul, that spirituality, that heavenly-mindedness, which we believe to be acceptable in His sight! Our crooked tempers, our fretful, peevish minds, our rebellious thoughts, our coldness and barrenness, our alienation from good, our headlong proneness to evil, with the daily feeling that we get no better, but rather worse—make us think that God views us just as we view ourselves!
And this brings on great darkness of mind and bondage of spirit, until we seem to lose sight of our acceptance in Christ, and get into the miserable dregs of self—almost ready to quarrel with God because we are so vile, and only get worse as we get older!
Now the more we get into these dregs of self, and the more we keep looking at the dreadful scenes of wreck and ruin which our heart presents to daily view—the farther do we get from the grace of the gospel—and the more do we lose sight of the only ground of our acceptance with God. It is “in the Beloved” that we are accepted—and not for any . . . good words, good works, good thoughts, good hearts, or good intentions of our own!
If our acceptance with God depended on anything in ourselves, we would have to believe we might be children of God today and children of the devil tomorrow!
What, then, is to keep us from sinking altogether into despair, without hope or help? Why, a knowledge of our acceptance “in the Beloved,” independent of everything in us—good or bad!
“And you are complete in Him!” Colossians 2:10
I am full of confusion!
“I am full of confusion!” Job 10:15
God is the great Ruler, Director, and Controller of all things! We must not look on the varied events that are ever taking place in this world, as a mere matter of ‘chance’—a confused medley—as though these multitudinous circumstances were all thrown like marbles into a bag, and thrown back out without any order or arrangement.
God is a God of order.
In the natural world, the world of creation—all is in order. In the spiritual world, the world of grace—all is in order. And in the providential world, the world of providence—all is order also. To our mind, indeed, all often seems disorder. But this arises from our ignorance, and from not seeing the whole as one definitely arranged plan.
If you were to see a weaver working at a loom, and saw nothing but the threads and needles jumping up in continual motion, you would see nothing but confusion. Nor could you form the slightest conception of the pattern which was being worked. But when the whole was completed, and the silk taken off the roller—then you would see a pattern arranged in beautiful order—every thread concurring to form one harmonious design. But all this was known beforehand by the artist who designed the pattern, and every arrangement was made in strict subserviency to it. But if this is the case as to Gods appointments in providence, how much more is it true of His glorious designs in grace. Every . . . trial, temptation, affliction, sorrow, are but the result of a definite plan in His eternal mind! Yet to us how often all seems confusion! This confusion is not so much in the things themselves—as in our mind. Job, when surrounded by trouble, cried out, “I am full of confusion!” Yet we can see in reading his history that all his trials were working toward an appointed end. So every trial, sorrow, temptation or affliction, which has ever lain, or ever will lie, in your path—has been marked out by infinite, unerring wisdom!
Is not the commonest road laid out according to a definite plan? And does not the surveyor, when he lays it out, put every mile-stone in its proper place? So, does not the Lord lay out beforehand the road in which His people should walk? And does He not put a trial here and a sorrow there—an affliction at this turning and a cross at that corner? All is definitely planned in His infinite wisdom, to bring the traveler safely home to Zion!
What vain toys!
“This world is fading away, along with everything it craves! But the man who does the will of God lives forever.” 1 John 2:17
Compared with spiritual and eternal blessings, we see how vain and empty are all earthly things. What vain toys!
What idle dreams!
What passing shadows!
We wonder at the folly of men in hunting after such vain shows—and spending time, health, money, and life itself, in a pursuit of nothing but misery and destruction! We care little for the opinion of men as to what is good or great—but much for what God has stamped His own approval upon, such as . . . a tender conscience, a broken heart, a contrite spirit, a humble mind, a separation from the world, a submission to His holy will, a meek endurance of the cross, a conformity to Christ’s suffering image, and a living to God’s glory.
“This world is fading away, along with everything it craves! But the man who does the will of God lives forever.” 1 John 2:17
Dying
“As dying, and, behold, we live!” 2 Corinthians 6:9
Though we die, and die daily, yet, behold, we live. And in a sense, the more we die, the more we live.
The more we die to self, the more we die to sin.
The more we die to pride and self-righteousness, the more we die to creature strength.
The more we die to sinful nature, the more we live to grace.
This runs all the way through the life and experience of a Christian.
Nature must die—that grace may live.
The weeds must be plucked up, that the crop may grow.
The flesh be starved, that the spirit may be fed.
The old man put off, that the new man may be put on.
The deeds of the body be mortified, that the soul may live unto God.
As then we die—we live.
The more we die to our own strength, the more we live to Christ’s strength. The more we die to creature hope, the more we live to a good hope through grace. The more we die to our own righteousness, the more we live to Christ’s righteousness. The more we die to the world, the more we live to and for heaven.
This is the grand mystery, that the Christian is always dying—yet always living. And the more he dies—the more he lives.
The death of the flesh, is the life of the spirit.
The death of sin, is the life of righteousness.
The death of the creature, is the very life of God in the soul.
“As dying, and, behold, we live.” 2 Corinthians 6:9