Misschien zijn het de volle straten van de enorme hoofdstad. Misschien zijn het de bedrijvige noordelijke steden waar de onvermoeibare reus van de stoom steeds zijn pekzwarte wolken uitbraakt en onophoudelijk zijn miljoen spindels rond laat draaien. Misschien is het de eenzame zeekust waar geen geluid het oor bereikt dan het murmelen van de golven tegen het kiezelstrand. Misschien is het het stille, afgelegen dorp waar wij verdwaald in schaduwrijke lanen kunnen rondlopen en nadenken alsof wij alleen waren te midden van de schepping. Waar onze voet ook treedt of ons oog ook rust: de wereld en niets dan de wereld ligt voor ons.
De mannen en vrouwen die wij overal ontmoeten lijken allemaal op elkaar. Dat geldt voor wie fladdert in de feestelijke kleren van rijkdom en mode en voor de zonen en dochters van de arbeid met armoede en zorg op elke trek van hun gezicht en op elke draad van hun kleding gestempeld. Zij komen aangedromd en verschillen op een miljoen punten, maar in dit ene zijn zij gelijk: zij leven evenzeer voor tijd, zinnen en eigen ik als de os die in het veld graast of de vogel die zijn nest in de struik maakt.
Voor zover wij uit hun woorden en daden kunnen oordelen, is God niet meer in al hun gedachten. Hij wordt door hen niet meer aangezien, gevreesd, bemind of aanbeden dan door de zwaluw die ‘s avonds in de bries de muggen najaagt of de vlinder die ‘s middags in de zon zijn vleugels boven een bloem in evenwicht houdt.
Nee, het is erger dan dat. Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee: al deze zijn bij de eerste schepping onder de voeten van de mens gesteld en toch blijven zij God verheerlijken. Zij tonen nog steeds de wonderen van Zijn scheppende hand. Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten. (Psalm 119:91)
Maar de mens, hun oorspronkelijke meester en hun eerste hoofd, heeft zijn natuur ver beneden de hunne vernederd en onteerd. Hij heeft haar bezoedeld tot in de diepste diepten van schande en schaamte. Hij heeft zichzelf en haar gestort in een walgelijke afgrond van verontreiniging en misdaad waarvoor de dierenwereld geen gelijke kent.
Luister naar die lijster op de hoogste tak van die trillende esp daar, die met zijn welluidende keel de ochtendzon begroet. Hij kent geen zonde en geen schaamte. Hij verheerlijkt de grote Maker van zijn bestaan en zingt zelfs nu een ochtendlied tot Zijn lof.
Maar kijk naar dat ellendige schepsel van een mens, helemaal opgezwollen van de jenever en besmeurd met vuil, dat de herberg uit waggelt. Hij kan niet spreken dan met een stem die hees is van vloeken en sterke drank. Of kijk naar die ellendige vrouw die, even verontreinigend als verontreinigd, de openbare straat onveilig maakt. Zeggen wij dat de lijster een edeler schepsel is dan deze zonen en dochters van de misdaad? Waarachtig, zelfs de pad die onder de struik in de tuin op de loer ligt is niet alleen een edeler wezen maar verheerlijkt God meer dan deze ellendige dronkaard en die ellendige prostituee.
De vogel van de lucht en het kruipend dier van de grond zijn wat God hen gemaakt heeft. In hen is geen zonde en voor hen is er geen hel. Geen godslastering heeft hun mond bezoedeld en geen misdaad heeft hun voeten bevlekt. Het oog van God haat hen niet en de hand van God zal hen niet slaan. Wanneer zij hun korte dag geleefd hebben, zullen zij voorbijgaan en niet meer zijn. Maar De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.
Toch gaan er onder deze kokende wereld van zonde en misdaad handelingen voort die goddelijk en hemels zijn. Zij zijn verborgen achter de sluier die tijd en zinnen over alle uiterlijke dingen werpen. Dag na dag plukken zij voorbestemde personen, uitverkoren mannen en vrouwen, uit deze zee van verwarring. Zij verlossen hen uit de macht van de duisternis en brengen hen over in het koninkrijk van de dierbare Zoon van God.
De Zoon van God heeft een koninkrijk dat Zijn Vader Hem gegeven heeft vóór de grondlegging van de wereld. Hij nam het in bezit toen Hij uit de doden opstond, naar de hemel opsteeg en ging zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte. Van deze tegenwoordige boze wereld is Satan de god en koning, want heel de eeuw dezer wereld is naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.
Maar Jezus, Koning Jezus, bestuurt intussen Zijn eigen koninkrijk van genade hier beneden. Als zodanig plukt Hij voortdurend uit het gebied van Satan de leden van Zijn mystieke lichaam, de voorwerpen van Zijn eeuwige liefde, de schapen van Zijn weide en het eigendom dat Hij met Zijn bloed verworven heeft.
Maar dit koninkrijk komt niet met waarneembaar vertoon, niet met uiterlijk gelaat. (Lukas 17:20) Het is een verborgen koninkrijk, een schat verborgen in een akker. De begunstigde onderdanen van dit koninkrijk, de deelgenoten van zijn genade en de erfgenamen van zijn heerlijkheid, worden net als hun eens lijdende maar nu verheerlijkte Heere veracht door een wereld waarvan zij het zout zijn. Zij worden gehaat door een wereld die hun rondtrekkende voeten niet waard is.


