Wij hebben getracht de eigen en onderscheidende aard van elk van die zegeningen toe te lichten naar het vermogen dat God ons gaf. Met deze laatste groep zijn wij nu bezig. De derde, de WEDERGEBOORTE, nam een deel van onze Overdenkingen in beslag in ons vorige stuk. Wij hebben haar toen nog niet geheel afgerond en zij ligt dus nog steeds voor ons.
Maar het is ons te binnen geschoten dat sommige lezers het misschien een gekunstelde uitleg vinden om Efeze 1:8-9 op de zegen van de wedergeboorte te betrekken. Anderen zijn wellicht van mening dat de apostel eerder de uitwendige verkondiging van het evangelie bedoelt dan de inwendige ontvangst ervan. Wij willen elk struikelblok uit het pad ruimen en ook de gedachte van de apostel duidelijk en helder openleggen.
Daarom leggen wij eerst uit waarom wij deze verzen hebben opgevat als de geestelijke zegen van de wedergeboorte. Dat is de inwendige openbaring van de wil van God, en niet het gepredikte evangelie, de uitwendige openbaring ervan. Dit gebeurt volgens ons het best door eerst de hele passage aan te halen en dan het verband na te gaan.
In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade, Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven (Efeze 1:7-9).
Het eerste wat opvalt is dat alle zegeningen die uit de val voortkomen hier in één samenhangende keten aan elkaar zijn geschakeld. De verlossing, de eerste van deze zegeningen, gaat voorop. Voordat de gemeente door bloed was verlost van de gevolgen van de val, werd er voor haar of aan haar op het gebied van de genade niets doeltreffends gedaan en kon dat ook niet. De vergeving van zonden en de rechtvaardiging door het bloed en de gerechtigheid van Christus is de volgende schakel. Zij volgt als het gezegende gevolg van de verlossing.
Is nu in deze samenhangende keten niet de wedergeboorte de volgende geestelijke zegen? Moeten de verlossing en de vergeving van zonde niet aan de ziel worden geopenbaard en bekend gemaakt? En hoe kan dat gebeuren voordat zij door wedergeboortegenade levend is gemaakt voor God? Zodra de apostel de woorden de vergeving der misdaden had uitgesproken, voegde hij eraan toe: naar den rijkdom Zijner genade, Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid.
De woorden „Met welke”, dat wil zeggen in de rijkdom van Zijn genade, „is Hij overvloedig geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid”, betekenen duidelijk de bijzondere vertoning van de wijsheid en voorzichtigheid van God. Hij maakt de verlossing en de vergeving van zonden persoonlijk aan de ziel bekend. Het gaat hier dus niet om de uitwendige verkondiging ervan door het gepredikte evangelie. Dit wordt bevestigd door wat onmiddellijk volgt: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil.
Het is waar dat dit ook gebeurt in de uitwendige verkondiging van het evangelie. Maar de woorden „ons”, „over ons” en „ons bekend gemaakt” wijzen op individuele en persoonlijke zegeningen, onderscheiden van de algemene verkondiging ervan door het gepredikte woord en daar verder boven uitgaand.
Wij verbinden dus de overvloed van Gods wijsheid en voorzichtigheid met het bekendmaken van de verborgenheid van Zijn wil, in de vertoning van die wijsheid en voorzichtigheid. Zo komen wij uit bij een bijzondere en persoonlijke openbaring van goddelijke waarheid aan de ziel. Omdat dit gebeurt in en door de wedergeboorte, hebben wij om die reden de woorden van de apostel uitgelegd als verwijzing naar die uitgelezen geestelijke zegen.
Maar wij willen dat men goed begrijpt wat wij bedoelen als wij deze zegen „wedergeboorte” noemen. Wij rekenen daartoe niet slechts het begin van het goddelijk leven. Wij rekenen daartoe het hele werk van God aan de ziel waardoor Hij ons bekend maakt de verborgenheid van Zijn wil en over ons overvloedig is in alle wijsheid en voorzichtigheid.
Hier hervatten wij dus onze uitleg. In ons vorige stuk maakten wij een onderscheid tussen „de wijsheid” van God en „de voorzichtigheid” van God. Het eerste woord pasten wij toe op Zijn meer gewone en algemene handelen en het tweede op Zijn meer bijzondere en eigen handelen met de zielen van Zijn volk.
Maar of dit handelen nu van gewone of van ongewone aard is, de uitkomst is dezelfde. In en door dit handelen maakt God aan de ziel de verborgenheid van Zijn wil bekend. Drie punten verdienen onze aandachtige overweging: wat deze wil is, waarom hij een verborgenheid wordt genoemd en hoe hij bekend wordt gemaakt.
1. Men zal opmerken dat de apostel spreekt over drie onderscheiden dingen in de gedachte van God. Zij bewegen zich echter allemaal in volmaakte overeenstemming en harmonie naar één bepaald doel. Allereerst is er Gods „wil”, ten tweede Zijn „welbehagen” en ten derde Zijn „voornemen in Zichzelven”. Zijn „wil” staat voorop omdat dit de meer algemene en omvattende uitdrukking is voor de gedachte van God. Zijn wil heeft het wijdste bereik. Hij oefent het hoogste gezag uit over alle dingen en alle personen in hemel en op aarde. Niets is te groot en niets te klein om aan Zijn soevereine heerschappij te ontsnappen.
Daarom lezen wij: En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij? (Daniël 4:35). Heerschappij en wil gaan samen, zoals bij Alexander de Grote, op wie de profeet duidt: Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen (Daniël 11:3).
De wil van God reikt dus verder dan het gebied van Zijn genade. Hij bereikt en beïnvloedt elke gebeurtenis. Het is daarom niet deze algemene wil van God die Hij bekend maakt aan de voorwerpen van Zijn wedergeboortegenade. Het is Zijn bijzondere wil, zoals die zich heeft getoond in de Persoon en het werk van Zijn dierbare Zoon en geopenbaard is in het evangelie. Maar men zal opmerken dat dit deel van Zijn wil zich in bijzondere overeenstemming beweegt met Zijn „welbehagen”, Zijn eudokia.
Het woord betekent in het Nieuwe Testament over het algemeen een voorwerp waarin God een bijzonder welgevallen heeft. Het komt daarom voor in die bijzondere uiting van Zijn goedkeuring die met hoorbare stem uit de hemel werd gegeven bij de doop van Jezus: En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! (Mattheüs 3:17). Zo ook zei de menigte van het hemelse heir bij de geboorte van Jezus, toen zij God loofden: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Lukas 2:14).
Zo ook onze Heere, toen Hij Zijn hemelse Vader dankte omdat Hij de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen voor de wijzen en verstandigen verborgen hield en aan kinderkens openbaarde: Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U (Mattheüs 11:26). De woorden die in onze vertaling „het welbehagen voor U” luiden, staan er letterlijk zo: „want zo is het een welbehagen geworden voor U”.
Zo ook: naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13), al het welbehagen Zijner goedigheid (2 Thessalonicenzen 1:11) en het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven (Lukas 12:32). Verder: zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven (1 Korinthe 1:21). Daar staat eigenlijk dat God een welbehagen had om te redden die geloven. Dan: wanneer het Gode behaagd heeft (Galaten 1:15) en Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19).
Onderzoekt men al deze plaatsen zorgvuldig, dan blijkt dat Gods „welbehagen” of wil in het bijzonder betrekking heeft op de openbaring van Zijn genade in het evangelie van Zijn dierbare Zoon. Het is dus dat deel van Gods wil waarin Hij een bijzonder behagen heeft. Heel Zijn wil heeft Zijn goedkeuring, want die twee zijn niet te scheiden. Maar dat deel van Zijn wil waardoor Hij de gave van Zijn dierbare Zoon heeft gewild, met alle weldaden en zegeningen die daaruit voortvloeien en met Zijn Persoon en werk verbonden zijn, is Gods eigen welbehagen en bijzondere vreugde.
En opdat dit „welbehagen” van Zijn wil zonder de schaduw van verandering zou vaststaan, is het bevestigd door een besluit in Zijn eigen onveranderlijke gedachte. Dit vaste „besluit” drukt de apostel uit in de woorden: hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven. Zo komen Gods wil, Gods welbehagen en Gods voornemen in Zichzelf alle samen en bewegen zij zich in harmonische overeenstemming. De soevereiniteit van Zijn wil, de goedkeuring van Zijn welbehagen en het besluit van Zijn voornemen vormen een drievoudig koord dat nooit zal breken.
2. Maar wat moeten wij verstaan onder „de verborgenheid van Zijn wil”? Het woord „verborgenheid” heeft in het Nieuwe Testament voornamelijk twee betekenissen. Ten eerste duidt het in het algemeen op die feiten, leerstellingen, beginselen enzovoort waarin wij, omdat ze alle menselijke kennis te boven gaan, door goddelijk onderwijs moeten worden ingewijd.
Ten tweede betekent het in het bijzonder het geheime voornemen van God zoals dat door het evangelie is geopenbaard en aan het licht gebracht. Het betekent niet wat wij vaak onder „geheimzinnig” verstaan, alsof het iets is dat in een ondoordringbare wolk is gehuld. Integendeel, het woord „verborgenheid” betekent een geheim dat, wanneer het is geopenbaard en aan het licht gebracht, niet langer geheimzinnig is maar duidelijk en helder wordt.
Het woord is ontleend aan de oude mysteriën waarbij mensen werden ingewijd met allerlei eigenaardige riten en plechtigheden. Er werden hun bepaalde overgeleverde geheimen bekendgemaakt die zij nooit mochten onthullen. Het evangelie was dus een verborgenheid of geheim, verborgen in de boezem van God. Het werd op het juiste moment aan het licht gebracht en bekendgemaakt aan de ingewijden, dat wil zeggen aan hen die door onderscheidende genade waren geroepen.
Wanneer de apostel zegt: Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus) (Efeze 3:3-4), dan bedoelt hij dus niet dat het evangelie iets duisters, geheimzinnigs en ondoorgrondelijks heeft. Hij bedoelt precies het tegenovergestelde. Er was een geheim voornemen in de gedachte van God dat in andere eeuwen niet aan de mensenkinderen bekend werd gemaakt zoals het nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest.
Wat was nu dit geheime voornemen van God, deze verborgenheid die door de Geest aan de heilige apostelen en profeten werd geopenbaard? Het was Namelijk dat de heidenen zijn medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie (Efeze 3:6).
Daarom voegt hij eraan toe: Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus (Efeze 3:8-9).
De verborgenheid van Gods wil, het welbehagen dat Hij in Zichzelf had voorgenomen, is dus dat Jood en heiden medeerfgenamen zouden zijn. Zij zouden tot hetzelfde mystieke lichaam van Christus behoren, de gemeente. En zij zouden gezamenlijk genieten van elke geestelijke zegen waarmee Hij haar gezegend heeft in de hemelse gewesten in Christus. In het evangelie wordt deze verborgenheid van Gods wil uitwendig geopenbaard. Maar wanneer dit dierbare evangelie door goddelijke kracht aan de ziel bekend wordt gemaakt, is er daarin een vertoon van de overvloed van Gods wijsheid en voorzichtigheid. Hij maakt namelijk deze verborgenheid van Zijn wil bekend door en dankzij wedergeboortegenade.
Maar de apostel gaat verder en toont meer in het bijzonder wat de verborgenheid van deze wil van God is: Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is; In Hem.
Toen de mens stond in zijn oorspronkelijke onschuld, en vooral toen de gemeente stond in al haar maagdelijke reinheid als de uitverkoren bruid van de Zoon van God, was er harmonie tussen hemel en aarde. Uitverkoren engelen boven en ongevallen mensen beneden waren van onderscheiden natuur. Maar zij waren één wat betreft de reinheid van de schepping en elk kon God aangenaam dienen naar zijn verstand en zijn kennis van Hem.
Toen God dus de grondslagen van de aarde legde, Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten (Job 38:7). Maar de val verbrak die band van harmonie. Gevallen mensen en heilige, ongevallen engelen konden elkaar niet langer ontmoeten op de grond van gehoorzaamheid en aanbidding. Engelen werden daarom Gods dienaren om Zijn bevelen tegen de mens uit te voeren, niet voor hem. Als eerste vrucht van dit werk werden zij aan de poorten van Eden geplaatst om met een vlammend zwaard de weg naar de boom des levens te bewaken.
Nu was het de wil van God, het welbehagen dat Hij in Zichzelf had voorgenomen, om dit gezin te herenigen. Maar op een andere wijze en op een andere grondslag. Hij wilde hen beide onder een gemeenschappelijk Hoofd plaatsen, namelijk Zijn dierbare Zoon. En dat niet eenvoudig als Zijn Zoon, maar als mens geworden.
Als Zoon van God en Zoon des mensen in één heerlijke Persoon, Immanuël, God met ons. Zo werd de gezegende Heere, door onze natuur in vereniging met Zijn eigen goddelijke Persoon op te nemen, niet alleen het Hoofd van het lichaam van de gemeente maar ook het Hoofd van de engelen. Zo bracht Hij verloste mensen en uitverkoren engelen samen in één gezin onder Zijn heerlijk en blijvend hoofdschap.
Daarom lezen wij: Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt (Efeze 3:15). Engelen zijn dus, hoewel niet verlost en niet verenigd met het Lam, evenzeer betrokken bij de menswording van de Zoon van God als wij. Want zij zijn samen in één gezin onder Zijn hoofdschap. Zij zijn eeuwig veilig gesteld in hun engelenstaat en kunnen nooit afvallen naar het voorbeeld van de afvallige engelen die hun eerste staat niet bewaarden.
Maar hier ligt de diepte en de zoetheid van de verborgenheid. De gemeente, hoewel gevallen, wordt door de kracht van Christus’ menswording, bloedvergieten en dood verheven tot een plaats die hoger is dan die van de uitverkoren engelen. En wat nog wonderbaarlijker is: een plaats die dichter bij de Heere van hemel en aarde ligt en Hem dierbaarder is dan de uitverkoren engelen ooit hadden of konden hebben.
Wij kunnen het zo toelichten, en dat zal ook laten zien hoe de Heere Jezus het Hoofd van de gemeente is en ook het Hoofd van de engelen. Neem het geval van het hoofd van een huisgezin. Hij is het hoofd van allen die tot het huis behoren: vrouw, kinderen en dienstboden.
Maar voor ieder is hij het op een andere manier en in een andere betrekking. Voor zijn vrouw is hij het hoofd: Want de man is het hoofd der vrouw (Efeze 5:23). Maar hij is ook haar man. Voor de kinderen is hij het hoofd als vader. Voor de dienstboden is hij het hoofd als meester.
Zo is de Heere Jezus het hoofd van het lichaam, de gemeente, maar Hij is ook haar Man. Dit is een veel nauwere, dierbaardere, zoetere en innigere betrekking dan engelen kunnen bezitten of genieten. Zij hebben dus geen vereniging en gemeenschap met de Heere zoals de gemeente die heeft. Zij zijn vervuld met alle geluk en heiligheid.
Zij beminnen, aanbidden en vereren. Zij bewonderen de veelvuldige wijsheid van God die door de gemeente aan hen bekend is gemaakt (Efeze 3:10). En graag en gewillig verrichten zij hun opgedragen taak wanneer zij worden uitgezonden als gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen (Hebreeën 1:14).
Maar de innigheid, de nabijheid, de liefdesomhelzing en de onderlinge hartsgemeenschap van man en vrouw zijn hun deel niet. De natuur van engelen is door de oorspronkelijke schepping hoger dan die van de mens. Maar door de heilige menselijkheid van Jezus is de menselijke natuur nu erboven verheven. De engelennatuur is niet, en kan nooit en zal nooit, in onmiddellijke en innige vereniging zijn met de Godheid. Maar de menselijke natuur is in de Persoon van Immanuël onverbrekelijk met haar verenigd.
Dit is de grote verborgenheid dat Christus en de gemeente één vlees zijn, zoals man en vrouw één vlees zijn. Daarom schrijft de apostel: Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen (Efeze 5:30-32). De engelen waren daarom, zoals Johannes ze zag, rondom den troon. Zij vormden de buitenste kring, maar niet in het midden van den troon, waar de vier dieren en de oudsten zijn: de binnenste kring.
Bij het avondmaal van de bruiloft des Lams zit de gemeente, Zijn vrouw, aan tafel als een bruid versierd voor haar man. De engelen kijken toe en wachten eerbiedig en bewonderend. Want afgunst en jaloezie hebben geen plaats in hun reine en heilige boezem. Maar zij zitten niet met de bruid aan tafel.
3. Het gebeurt in de bedeling van de volheid der tijden, dat wil zeggen wanneer de tijden vervuld zijn en het vastgestelde tijdstip aanbreekt, zal deze verborgenheid openlijk aan het licht komen. God zal dan zichtbaar samenbrengen onder één Hoofd en één hoofdschap alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is.
De verborgenheid is nog niet voleindigd (Openbaring 10:7). Er is nog een werk dat op de wielen staat en moet worden volbracht. Uitverkoren zielen moeten nog worden geroepen of thuisgebracht. De levende stenen moeten hier beneden nog worden gehouwen en gekapt, zoals de stenen van Salomo’s tempel, voordat de tempel in al haar heerlijkheid voltooid is.
Nu wordt in en door de wedergeboorte deze verborgenheid van Gods wil persoonlijk en bevindelijk bekend gemaakt. Daarin wordt de ziel als een van „de dingen op aarde” in Christus bijeenvergaderd. Haar wordt „de verborgenheid van Gods wil naar Zijn welbehagen” bekend gemaakt. Christus wordt aan de ziel bekend, geloofd, gehoopt en bemind. Vereniging en gemeenschap met Hem worden gevoeld en beleefd. Zo is er een vergadering van het verstand, de wil, het geweten en de genegenheden tot Hem. Zo wordt alles geheel in Hem gecentreerd.
Het verstand wordt verlicht en onderricht zodat het deze verborgenheid van Gods wil goedkeurt. De wil wordt gewonnen om in zoete harmonie mee te gaan met de wil van God zoals die zo geopenbaard is. Het geweten wordt levend gemaakt en, gereinigd door bloed, schoon en teer. De genegenheden worden ontstoken en uitgetrokken om de wonderbare verborgenheid van de liefde van God in Christus Jezus te omarmen.
De ziel die zo is onderwezen en geleid, ziet vooruit naar de heerlijke dag waarop de verborgenheid voltooid zal zijn. Dan zal de Heere Zelf komen en al Zijn heiligen met Hem. Hij zal Zijn bruid openlijk opeisen en tonen. En Hij zal alles wat in de hemel en op aarde is in Zichzelf bijeenbrengen in zichtbare openbaring. Zo zal Hij heerlijk regeren als Hoofd van alles.
Het is zeer opmerkelijk hoe de apostel steeds christelijke leer verbindt met christelijke bevinding. Zo brengt hij de leerstellige waarheid tot ons persoonlijke bezit en onze persoonlijke kennis van deze hemelse verborgenheden: In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil (Efeze 1:11).
„In Welken.” Merk op hoe de man Gods telkens weer stilstaat bij de vereniging met Christus als de grondslag en de fontein van alle geestelijke zegeningen. De apostel zegt: in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn. Letterlijk vertaald betekenen de woorden: „In Wie wij zijn aangewezen” of „door het lot gekozen en toebedeeld”. Zo vertaald hebben zij een iets ruimer bereik dan in onze vertaling.
Zij laten twee samenhangende betekenissen toe. Ten eerste: wij zijn aan Christus toebedeeld als Zijn erfdeel. Ten tweede: Hij is aan ons toebedeeld als het onze. Beide zijn schriftuurlijk. Beide rusten op dezelfde grondslag, Gods voorbeschikkende raadsbesluiten. En beide hangen innig samen met de bijzondere betrekking van de gemeente tot Christus als haar verbondshoofd.
1. Christus, in al Zijn heerlijke volheid, is het deel en erfdeel van Zijn volk: De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel (Klaagliederen 3:24). De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers (Psalm 16:5).
De Levieten hadden daarom geen erfdeel onder de andere stammen, als type van hen die priesters zijn voor God en geestelijke offers brengen die Hem aangenaam zijn door Jezus Christus: geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus (1 Petrus 2:5). Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israels, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft (Jozua 13:33).
Vloeit dit niet voort uit de bijzondere betrekking van de gemeente tot Christus? Is de man niet het beste deel van zijn vrouw? Voor een liefhebbende vrouw is haar man haar aardse alles. Zijn liefde en zijn goedkeurende glimlach, zijn tedere liefkozingen en liefdevolle omhelzingen. Zijn bescherming en gezelschap, zijn raad, waakzame zorg en altijd gereedstaande hulp.
En bovenal hijzelf, als het voorwerp van haar warmste liefde en haar eigen bezit voor het leven. Is dit niet een betere erfenis voor een toegewijde vrouw dan een paar vuile akkers die haar vader haar naliet? Of dan geld op een bank dat zij in één klap kan verliezen?
Zo’n openbare vereniging met de Zoon van God en zo’n bevindelijke gemeenschap die daaruit voortkomt, waardoor de ziel kan zeggen: Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, is inderdaad een erfenis. Dat wij de Heere Zelf tot ons erfdeel hebben, zodat wij kunnen zeggen: „Als ik Christus heb, heb ik alles wat ik wil, begeer en nodig heb.
Bezit ik Hem, dan bezit ik alle dingen. Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn stervende liefde, Zijn toereikende genade en toekomstige heerlijkheid: alles is van mij als mijn blijvend en eeuwig deel.” Kon God Zijn volk een groter deel geven, een gezegender erfenis dan dit?
Wat is alles wat de aarde kan geven vergeleken met zo’n erfenis? Zo verkrijgt in Hem de armste, laagste en zwakste gelovige een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis.
2. En zoals de gemeente een erfenis in Christus heeft verkregen, zo heeft Christus een erfenis in de gemeente verkregen: Jakob is het snoer Zijner erve (Deuteronomium 32:9). Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting, zei de Vader tot de Zoon.
Wij zullen echter nog gelegenheid hebben om dit punt uitvoeriger te behandelen wanneer wij bij vers 18 komen. Daarom blijven wij er nu niet langer bij stilstaan. Wij vestigen de aandacht van onze lezers liever op het voorbeschikkende voornemen van God. Daardoor was dit wederzijdse erfdeel van Christus door de gemeente en van de gemeente door Christus onherroepelijk vastgesteld.
In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil (Efeze 1:11). Het verkrijgen van dit erfdeel, of zoals wij liever vertalen „de toebedeling van het deel”, wordt hier door de apostel herleid tot de voorbeschikking van God. Wij kunnen vier dingen opmerken die over deze voorbeschikking en haar werking worden gezegd: Gods voornemen, Gods wil, Gods raad en Gods werk.
1. Zijn wil hebben wij al eerder aangewezen als de soevereine, hoogste bron en bestuurder van alle personen en gebeurtenissen in hemel en op aarde. Zoals die zich in Zijn dierbare Zoon openbaart, is zij de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God, die wij door goddelijk onderwijs en persoonlijke bevinding moeten beproeven (Romeinen 12:2). Daarom heet zij „Zijn eigen wil”, wat soevereiniteit en oppergezag inhoudt.
2. Maar er is „de raad” van deze wil. Daaronder kunnen wij de oneindige wijsheid van God verstaan, en wel zoals die zich in het bijzonder openbaart in het handelen van Zijn genade. Het is, als wij deze uitdrukking zonder oneerbiedigheid mogen gebruiken, geen ondoordachte, redeloze, willekeurige wil zoals bij aardse vorsten en onverantwoordelijke dwingelanden. Zij beweegt zich in overeenstemming met de meest volmaakte en oneindige wijsheid. In werkelijkheid en waarheid is er in de verschillende handelingen van Gods gedachte geen eerder of later, geen eerste of laatste.
Maar om het punt voor ons verstand duidelijker te maken, kunnen wij zeggen dat Gods raad aan Gods wil voorafging bij het ontwerpen en vaststellen van de huishouding van de genade. Hij beraadslaagde, om zo te zeggen, met Zijn oneindige wijsheid over het hele plan van genade voordat Zijn wil als een soevereine daad van Zijn gedachte uitging. En toen Zijn oneindige wijsheid de weg had bedacht, stelde Zijn soevereine wil die vast zonder de mogelijkheid van verandering.
Het is prachtig om te zien hoe Gods wijsheid betrokken is bij elke handeling van Zijn genade. In een zaak van zoveel moeilijkheid, waar elke volmaaktheid en elk kenmerk in harmonie moest worden gebracht bij de zaligheid van de gemeente, beraadslaagde Hij met de diepten van Zijn oneindige wijsheid. Maar nauwelijks had de oneindige wijsheid het plan vastgesteld, of Gods wil ging uit in soevereine goedkeuring ervan. Toen werd het Zijn vaste „voornemen”.
3. Het woord „voornemen” betekent vast besluit en dit is het onmiddellijke gevolg van Gods wil. De raad komt dus eerst om te ontwerpen. De wil kiest daarna wat de raad aanbeveelt. Het voornemen stelt vervolgens vast wat de wil goedkeurt. En het werk, ten slotte, brengt tot stand wat God zo voorbeschikt. Wij vinden het woord „voornemen” elders toegeschreven aan de vaste besluiten van God in de huishouding van de genade.
Zo lezen wij van hen die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28). Ook: Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere (Efeze 3:11). En ook: Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen (2 Timotheüs 1:9).
4. Hier wordt gezegd dat wij „voorbeschikt zijn naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil”. De vraag kan dus rijzen wat het onderscheid is tussen het voornemen van God en de voorbeschikking van God. Het verschil lijkt dit te zijn: de voorbeschikking gaat een stap verder dan het voornemen. Zij is de definitieve uitgesproken beslissing ervan. Laat ons dit toelichten met een blik op menselijk handelen.
Het eerste wat wij doen bij een moeilijkheid is bij onszelf te rade gaan hoe wij haar kunnen overwinnen. Zodra de weg zich aandient en goed is overwogen, keuren wij als volgende stap het zo bedachte plan goed. Dan volgt in ons gemoed een besluit om het te volgen. Dan een uiting van dit besluit met woorden uit onze mond of met onze hand geschreven, om het onherroepelijk vast te leggen. En ten slotte een daad om het geheel uit te voeren.
Zo is het ook in de grote huishouding van de genade. Er is Gods raad om te ontwerpen, Zijn wil om goed te keuren, Zijn voornemen om te besluiten, Zijn voorbeschikking om onveranderlijk vast te stellen en Zijn werk om uit te voeren. De voorbeschikking gaat dus verder dan het voornemen, omdat zij bepaalder is. Zo zwoer God: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Dit was voorbeschikking in de eed die aan Zijn dierbare Zoon werd gezworen.
Het schrijven van de namen van de uitverkorenen in het boek des levens was ook een voorbeschikkende daad. Het stelde vast wie er gered zouden worden en ook de weg waarlangs zij gered zouden worden. Daardoor gaat voorbeschikking een stap verder dan voornemen, als de bepaaldere uiting ervan in woord of daad. Ik kan in mijn eigen gedachte hebben besloten een vriend te helpen.
Dat kan ook een vast voornemen zijn, dat alleen nog tijd en gelegenheid mist. Maar zodra ik het hem eenmaal heb beloofd of een schriftelijke verbintenis ben aangegaan, staat het onherroepelijk vast. Zo gaat Gods voorbeschikking een stap verder dan Gods voornemen. Zij maakt dat voornemen, als de openlijke uiting van Zijn wil, onherroepelijk.
5. Dan volgt de uitvoering: Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil. De uitdrukking is ruim, want zij omvat „alle dingen”. Maar wij kunnen haar hier beperken tot de uitvoering van de voornemens van Zijn genade. In deze zin en op deze wijze werkt God alle dingen naar de raad van Zijn wil. „Hij werkt.” Hier komen wij weer bij hetzelfde punt: het werk van God aan de ziel waardoor Hij de verborgenheid van Zijn wil bekend maakt.
Zoals Gods wil alle personen en alle gebeurtenissen in hemel en op aarde omvat, zo heeft zij in het bijzonder te maken met de bedeling van Zijn genade. Hij Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, werkt in Zijn volk beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Maar omdat de uitwerking van dit werk in het volgende vers vollediger wordt uitgelegd, stellen wij de verdere overweging ervan uit tot ons volgende stuk.


