Pearls from Philpot, Volume 5 (Part 1 of 2)
Hij kan kruipen als een slang en brullen als een leeuw!
opdat de satan over ons geen voordeel krijge; Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend. (2 Korinthe 2:10-11)
Satan weet heel goed hoe hij moet verlokken en hoe hij moet aanvallen. Hij kan immers kruipen als een slang en brullen als een leeuw! Hij heeft strikken waarmee hij verstrikt en vurige pijlen waarmee hij doorboort.
De meeste mensen worden door hem naar zijn wil gemakkelijk gevangen weggevoerd en zonder de minste moeite verstrikt in de vallen die hij voor hun voeten legt. Ze zijn immers even bereid om gevangen te worden als hij om te vangen! Waarom zou Satan als een leeuw tegen hen moeten brullen als hij zich om hen heen kan winden en hen kan bijten als een slang?
Als u wilt zien wat zonde werkelijk is
De zondigende engelen uit de hemel werpen, Adam uit het paradijs verbannen, de oude wereld door een zondvloed vernietigen, Sodom en Gomorra met vuur uit de hemel verbranden: deze voorbeelden van Gods mishagen aan de zonde waren niet genoeg om Zijn veroordeling ervan uit te drukken. Daarom zou Hij een andere weg nemen om haar openbaar te maken.
En wat was dat?
Door Zijn eigen Zoon uit Zijn schoot te zenden en Hem als offer voor de zonde aan het hout op Golgotha te offeren, zou Hij openbaar maken hoe Hij de zonde verfoeide en hoe Zijn rechtvaardig karakter haar voor eeuwig moet veroordelen.
Zie hier de liefde van God voor de arme, schuldige mens, doordat Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Zie ook de haat van God tegen de zonde, doordat Hij haar veroordeelde in de dood van Jezus.
Het is bijna alsof God zei: “Als u wilt zien wat zonde werkelijk is, kunt u dat niet zien in de diepten van de hel. Ik zal u de zonde in nog zwartere kleuren tonen. U zult haar zien in het lijden van Mijn dierbare Zoon, in Zijn kwellingen van lichaam en ziel en in wat Hij als een heilig, onschuldig Lam onder Mijn toorn doorstond toen Hij erin toestemde de plaats van de zondaar in te nemen.”
Wat een wonderbare wijsheid, wat een diepten van liefde, wat een schatten van barmhartigheid en wat een hoogten van genade werden zo geopenbaard en aan het licht gebracht in Gods meedogenloze veroordeling van de zonde en toch in Zijn volkomen en vrije vergeving van de zondaar!
Hebt u ooit door het geloof de lijdende Zoon van God gezien in de hof en aan het kruis? Hebt u ooit de toorn van God, die u toekwam, zien vallen op het hoofd van de Godmens en een bloedende, worstelende Immanuël aanschouwd? Dan hebt u in de diepten van uw geweten gezien en gevoeld wat een vreselijk iets de zonde is. Dan ziet het gebroken hart van het kind van God op naar Hem, Dien zij doorstoken hebben, en rouwt en treurt het bitter om Hem, als om een gestorven eerstgeboren zoon.
Onder dit gezicht voelt hij wat een vreselijk iets de zonde is.
“Ach”, zegt hij, “heeft God Zijn dierbare Zoon geslagen? Heeft Jezus, de lieveling van God, al deze lijden en smarten doorstaan om mijn ziel te redden van de bodemloze put? O, kan ik de zonde ooit genoeg haten? Kan ik ooit genoeg treuren en rouwen over haar? Kan mijn stenen hart ooit genoeg smelten tot berouw, wanneer ik door het geloof de doodsangsten zie en het kermen hoor van het lijdende, bloedende Lam van God?”
Christenen haten hun zonden. Ze haten dat zondige, dat vreselijk zondige vlees van hen dat hen zo vaak en zo voortdurend in de zonde heeft laten vallen. Zo vellen ze samen met God het oordeel over heel hun vlees, over al zijn handelen en werken, over al zijn gedachten, woorden en daden. Ze haten het als de vruchtbare moeder van die zonde die Christus gekruisigd heeft en hen kwelt en plaagt.
De hardhartige, koelbloedige belijder met een wijs hoofd
We zijn omringd door strikken.
Op elk ogenblik liggen er verzoekingen uitgespreid op ons pad.
Deze strikken en verzoekingen sluiten zo goed aan bij de lusten van ons vlees dat we er zeker in zouden vallen en erdoor overwonnen zouden worden, als de tegenhoudende voorzienigheid of de bewarende genade van God er niet was. De christen ziet dit en de christen voelt dit.
De hardhartige, koelbloedige belijder met een wijs hoofd ziet geen strikken. Hij raakt erin verstrikt en valt erdoor. Omdat hij zijn zonden niet berouwt en ze niet verlaat, lijdt hij volslagen schipbreuk wat het geloof betreft.
Het kind van God . . . ziet de strik, voelt de verzoeking, kent het kwaad van zijn hart en is zich bewust dat hij zal struikelen en vallen als God hem niet ondersteunt.
Zoals een kind dat zich gebrand heeft het vuur vreest, zo vreest hij de gevolgen van een ogenblik aan zichzelf overgelaten te worden. En des te banger is hij dat hij zal vallen.
Hoe wijder zijn ogen geopend worden om . . . de reinheid van God, de gelukzaligheid van Christus, de kracht van het verzoenende bloed en de schoonheid van de heiligheid te zien, des te meer ziet hij ook het kwaad van de zonde en de vreselijke gevolgen van erin verstrikt te raken. En niet alleen dat, maar ook zijn eigen hulpeloosheid en zwakheid en onvermogen om in eigen kracht tegen de verzoeking stand te houden.
Al deze gevoelens verenigen zich tot een ernstiger roep: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn!
Een stal, een keet, een heg, elk onopgesmukt hoekje
Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. (Ezechiël 11:16)
Elke plaats waar de Heere Zich openbaart, is een heiligdom voor een kind van God.
Jezus is nu ons heiligdom, want Hij is “de ware plaats van aanbidding die door de Heere is gebouwd en niet door mensenhanden”. We zien de kracht en heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.
Elke plaats is een heiligdom waar God Zich in kracht en heerlijkheid aan de ziel openbaart. Mozes was ongetwijfeld vaak langs het braambos gelopen dat op de Horeb groeide. Het was maar een gewoon braambos, door niets te onderscheiden van de andere struiken in het struikgewas.
Maar bij één plechtige gelegenheid stond het helemaal in een vuurvlam, want de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden ervan. En hoewel het met vuur brandde, werd het niet verteerd. Omdat God in het braambos was, was de grond eromheen heilig en kreeg Mozes het bevel zijn schoenen van zijn voeten te doen.
Was dit dan geen heiligdom voor Mozes? Dat was het zeker, want een heilig God was daar! Zo wordt overal waar God Zich openbaart een heiligdom voor een gelovige ziel.
We hebben geen plaatsen nodig die door de ceremoniën van mensen heilig zijn gemaakt, maar plaatsen die heilig zijn gemaakt door de tegenwoordigheid van God!
Dan kan een stal, een keet, een heg of een onopgesmukt hoekje een heiligdom zijn, en is het dat ook, wanneer God uw hart vervult met Zijn heilige tegenwoordigheid en elk heilig gevoel en elke genadige genegenheid in uw ziel doet opkomen.
Arme, ellendige, armzalige werken van een bezoedelde worm!
Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. (Jesaja 64:6)
Eens dachten we de hemel te kunnen verdienen door onze eigen gerechtigheid. We hielden ons nauwgezet aan onze godsdienstige plichten en zochten door deze en vele andere middelen onszelf aan te bevelen bij God en Hem te bewegen ons de hemel te schenken voor onze oprechte pogingen om Zijn geboden te onderhouden.
Met deze godsdienstige prestaties meenden we zeker een ladder te kunnen maken waarlangs we naar de hemel konden klimmen. Dit was onze toren van Babel, waarvan de top tot de hemel moest reiken en waarlangs we dachten de sterren te beklimmen.
Maar dezelfde Heere Die de verdere bouw van de toren van Babel stillegde door hun spraak te verwarren en hen over de hele aarde te verstrooien, begon ook onze spraak te verwarren. Zo konden we niet meer bidden, praten of roemen zoals eerst. Hij begon heel onze godsdienst te verstrooien als het kaf van de dorsvloer. Onze monden werden gestopt, we werden schuldig voor God en onze steen en mortel werden een hoop verwarring!
Toen het de Heere behaagde onze ziel door het geloof Zijn wezen, majesteit, grootheid, heiligheid en reinheid te ontdekken, kregen we daarmee een overeenkomstig besef van onze vuilheid en dwaasheid. Toen begonnen we te zien dat al onze door het schepsel gemaakte godsdienst en natuurlijke vroomheid, die we eens als winst hadden gerekend, slechts verlies was.
Onze godsdienstige plichten en gebruiken bleken niet vóór ons maar tegen ons te zijn. In plaats van als zoveel daden van gerechtigheid voor ons te pleiten voor God, waren ze zo bezoedeld en verontreinigd door de zonde die er voortdurend mee vermengd was dat onze gebeden alleen al genoeg waren om ons in de hel te doen zinken. Dat zou zo zijn, ook al hadden we geen andere ongerechtigheden te verantwoorden in hart, mond of leven.
Maar toen we door het geloof de Persoon, het werk, de liefde en de genade van de Heere Jezus Christus zagen, begonnen we duidelijker te zien met wat voor godsdienstig speelgoed we ons zo lang hadden vermaakt. Wat veel erger is: we hadden daarmee God bespot.
We hadden in het geheim . . . Jezus en Zijn lijden, Jezus en Zijn dood, Jezus en Zijn gerechtigheid veracht en de arme, ellendige, armzalige werken van een bezoedelde worm in de plaats gesteld van het voleindigde werk van de Zoon van God.
Louter speelgoed en snuisterijen
Ware godsdienst moet bij ons alles of niets zijn. In de godsdienst is onverschilligheid de ondergang en verwaarlozing het verderf.
Van alle verliezen is het verlies van de ziel het enige dat volkomen onherstelbaar en onvergoedbaar is. U kunt bezit verliezen, maar u kunt het geheel of een deel ervan terugkrijgen. U kunt uw gezondheid verliezen, maar u kunt weer meer lichaamskracht krijgen dan vóór uw ziekte. U kunt vrienden verliezen, maar u kunt nieuwe krijgen, en wel oprechtere en waardevollere dan wie u verloren hebt. Maar als u uw ziel verliest, wat moet dat verlies dan goedmaken?
Voelt u ooit wat een geweldige inzet de hemel of de hel is? Hebt u ooit gevoeld dat de hemel winnen betekent alles te winnen wat de ziel eeuwig gelukkig kan maken, en dat de hemel verliezen niet alleen betekent de eeuwige zaligheid te verliezen maar ook neer te zinken in . . . peilloos, eeuwig, onuitsprekelijk wee?
Het is dit gelovige zicht en dit indringende besef van de eeuwige dingen. Het is dit gewichtige, soms overweldigende gevoel dat ze een onsterfelijke ziel in hun boezem dragen. Dit doet de kinderen van God de dingen van tijd en zintuigen vaak zien als . . . louter speelgoed en snuisterijen, beuzelarijen lichter dan ijdelheid en bezigheden zo leeg als lucht. Het geeft hun te voelen dat de dingen van de eeuwigheid de enige hechte, blijvende werkelijkheden zijn.
Hemelse dauw
mijn rede vloeie als een dauw (Deuteronomium 32:2)
De dauw valt onmerkbaar. Niemand kan hem zien vallen. Toch zijn de gevolgen ervan ’s morgens zichtbaar. Zo is het met de zegen van God op Zijn Woord. Die dringt zonder geluid in het hart door en daalt diep in het geweten zonder dat er iets zichtbaars gebeurt. Zoals de dauw de poriën van de aarde opent en de grond verfrist na de hitte van een brandende dag, zodat het gewas zijn hangende kop weer opricht, zo gaat het met de zegen van God die op de ziel rust.
Hemelse dauw komt onmerkbaar, valt stil en wordt vooral zichtbaar door zijn werking: ze verzacht, opent en dringt door en doet in het verborgen elke genade van de Geest haar hangende hoofd opheffen.
Telkens als het de Heere behaagd heeft onze ziel te zegenen, bij het horen, bij het lezen of in de stille overdenking, waren dit dan niet enkele van de gevolgen? Stil, rustig en onmerkbaar, maar toch met een duidelijke indruk . . . die het hart verzacht als het hard is, het verfrist als het droog is en het doet smelten als het onbuigzaam is. In het verborgen houdt ze de ziel levend, zodat ze niet verdort door de brandende zon van de verzoeking en niet sterft aan gebrek aan genade.
Zo geve u dan God van de dauw des hemels (Genesis 27:28)
Opkomend uit de woestijn
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hooglied 8:5)
Opkomen uit de woestijn is opkomen uit ONSZELF, want wijzelf zijn de woestijn. Het is ons woestijnhart dat de wereld voor ons maakt tot wat ze is . . . Het zijn onze eigen dorre gemoedstoestanden en onze eigen verwarde geest. Het zijn onze eigen onwaardigheid en onmacht en ons eigen gebrek aan geestelijke vruchtbaarheid. Het zijn onze eigen beproevingen, verzoekingen en oefeningen en ons eigen hongeren en dorsten naar gerechtigheid.
Kortom, wat er in onze eigen boezem omgaat maakt de wereld voor ons tot een troosteloze woestenij.
Vleselijke mensen vinden de wereld geen woestijn. Voor hen is ze een Eden! Of ze doen in elk geval hun best haar dat te laten zijn. Ze zoeken al hun genot erin en bouwen al hun geluk erop. Ze dromen niet van enige andere oogst van vreugde en verrukking dan die in deze “gelukkige vallei” kan worden terugbetaald, waar jeugd, gezondheid en opgewektheid steeds nieuwe tonelen van bevrediging bedenken.
Maar het kind van genade, geoefend door duizend moeilijkheden, doorgaand door vele tijdelijke en geestelijke smarten en innerlijk bedroefd over zijn eigen gebrek aan hemelse vruchtbaarheid, vindt de woestijn in zichzelf.
Toch komt hij eruit op en dat doet hij door met gelovige ogen omhoog te zien naar Hem Die hem er als enige uit kan brengen.
Hij komt op uit zijn eigen gerechtigheid en schuilt onder de gerechtigheid van Christus.
Hij komt op uit zijn eigen kracht en vertrouwt op de kracht van Christus.
Hij komt op uit zijn eigen wijsheid en hangt aan de wijsheid van Jezus.
Hij komt op uit zijn eigen aangevochten, beproefde, verwarde en radeloze toestand om rust en vrede te vinden in het voleindigde werk van de Zoon van God.
Zo komt hij op uit de woestijn van het eigen ik, niet werkelijk maar bevindelijk. Elk verlangen van zijn ziel om verlost te worden van het walgelijke woestijnuitzicht dat hij heeft van de zonde en van zichzelf als zondaar is een opkomen uit de woestijn. Dat geldt ook voor elk streven naar Jezus, elke verlangende blik, ernstige zucht, jammerende roep of zwoegende kreun.
Dat hij zijn rug keert naar een goddeloze wereld en haar genoegens, eer, trots en eerzucht afzweert, is ook een opkomen uit de woestijn. Hetzelfde geldt voor het zoeken van gemeenschap met Jezus als zijn hoogste vreugde en voor het achten van alle dingen als schade en drek om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, zijn Heere, zoals die door de kracht van God aan zijn ziel is geopenbaard.
Wanneer we het levenloze lijk aanschouwen
Van de wieg tot de kist zijn verdrukking en verdriet het toegewezen deel van de mens. Hij komt de wereld binnen met een jammerende kreet en verlaat haar vaak met een pijnlijke zucht! Terecht wordt deze aarde een “tranendal” genoemd, want ze is nat van tranen in de kindertijd, de jeugd, de volwassenheid en de ouderdom. In elk land en in elk klimaat vallen overal tonelen van ellende en jammer in het oog, nog afgezien van die diepere zorgen en hartverscheurende smarten die voor alle waarneming verborgen blijven. Zo mogen we van het leven van de mens wel zeggen dat het, net als de boekrol van Ezechiël, vol staat met klaagliederen, en zuchting, en wee.
Maar dit is nog niet alles. Het tafereel eindigt hier niet!
We zien tot aan de dood, maar we zien niet voorbij de dood.
Iemand zonder Christus zien sterven is als op een afstand staan en een man van een hoge klif zien vallen: we zien hem vallen, maar we zien de klap op de rotsen beneden niet.
Zo zien we iemand sterven die niet gered is, maar als we naar het levenloze lichaam kijken, zien we niet hoe zijn ziel met een machtige klap neerstort op de rots van Gods eeuwige gerechtigheid! Als zijn tijdelijke beproevingen ten einde komen, beginnen zijn eeuwige smarten pas! Na weken of maanden van ziekte en pijn mag het bleke, koude gelaat in kalme rust onder het deksel van de kist liggen, terwijl de ziel net een eeuwigheid van wee binnengaat!
Maar is alles dan zo donker en somber, zowel in het leven als in de dood? Is de hemel altijd met een zwart gewelf behangen? Zijn er geen lichtstralen en geen stralen van blijdschap die door deze donkere wolken van verdrukking, ellende en wee schijnen die over het menselijk geslacht zijn uitgespreid?
Ja! Er is één punt in dit donkere tafereel waaruit stralen van licht en glans van heerlijkheid schijnen! God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9).
Daar, aan de andere kant, is mijn eenzame ziel
Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? (Mattheüs 16:26)
Hier is mijn weegschaal van winst en verlies.
Ik heb een ziel die gered of verloren zal worden.
Wat zal ik dan geven in ruil voor mijn ziel?
Wat baat het mij als ik de hele wereld win en mijn ziel verlies?
Deze diepe overtuiging van een ziel die gered of verloren zal worden, ligt aan de wortel van heel onze godsdienst.
Hier, aan de ene kant, is de WERELD met al . . . haar voordelen en genoegens, haar bekoringen en glimlachen, haar innemende manieren, haar gemakken en haar weelde en eer. Die te verwerven is de grote strijd van het menselijk leven.
Daar, aan de andere kant, is mijn eenzame ZIEL, die na de dood voor eeuwig en altijd zal leven, wanneer de wereld met al haar genoegens en voordelen zal zinken onder de toorn van de Almachtige.
En deze dierbare ziel van mij, mijn eigen zelf, mijn enige zelf, mijn alles, moet verloren gaan of gered worden.
Zelfs uw eigen familieleden vinden u bijna krankzinnig
Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet (Johannes 14:17)
De wereld, dat wil zeggen de wereld die dood is in de zonde en de wereld die dood is in de belijdenis, mensen zonder het leven en de kracht van God, moet iets hebben wat ze kan zien. En omdat hemelse dingen alleen met hemelse ogen gezien kunnen worden, kunnen ze de onzichtbare dingen niet ontvangen.
Dit verklaart waarom een godsdienst die zich met een zekere schoonheid en grootsheid aan het natuurlijke oog voordoet altijd door de wereld wordt aanvaard, terwijl een . . . geestelijke, innerlijke, hartelijke en bevindelijke godsdienst altijd wordt verworpen.
De wereld kan een godsdienst aanvaarden die bestaat uit . . . vormen, riten en ceremoniën.
Dat zijn dingen die men ziet.
Prachtige gebouwen, gebrandschilderde ramen, galmende orgels, welluidende koren, de praal en vertoning van een aards priesterdom en een heel apparaat van godsdienstige plechtigheid hebben iets bij zich wat het natuurlijke oog kan zien en bewonderen. De wereld aanvaardt al deze uiterlijke godsdienst omdat ze past bij de natuurlijke geest en begrijpelijk is voor het redenerend vermogen.
Maar de . . . stille, innerlijke, bevindelijke, goddelijke godsdienst, die geen aantrekkelijkheid biedt voor het uiterlijke oog maar door een goddelijk werk in het hart gewrocht wordt, kan de wereld niet ontvangen. Ze biedt niets waarop het natuurlijke oog met genoegen kan rusten en is niet geschikt om hun algemene idee te bevredigen van wat godsdienst is of zou moeten zijn.
Verwonder u dus niet dat werelds gezinde belijders een godsdienst verachten die door de kracht van God in de ziel gewrocht is. Wees niet verbaasd als zelfs uw eigen familieleden u bijna krankzinnig vinden wanneer u spreekt over de vertroostingen van de Geest of over de onderwijzing van God in uw ziel. Ze kunnen deze dingen niet ontvangen, want ze hebben er geen bevinding van. Omdat deze dingen volkomen tegen de vleselijke gezindheid ingaan, verwerpen ze ze met vijandschap en hoon.
Maak rechte paden voor uw voeten.
En maakt rechte paden voor uw voeten (Hebreeën 12:13)
We leven te midden van een verkeerd geslacht, belijdend en onbekeerd, waarvan we de wegen maar al te gemakkelijk leren. Aan alle kanten worden we belaagd door verzoekingen . . . om af te buigen naar een kromme weg, om onze hoogmoed te voeden, onze lusten te botvieren en onze hebzucht te bevredigen.
Soms worden we verblind en verleid door de god van deze wereld, soms verhard door het bedrog van de zonde. Hier worden we misleid door het voorbeeld en daar betoverd door de vleierij van een vriend of kameraad. Het ene moment zijn we verward en onzeker in ons oordeel over goed en kwaad, het andere moment raken we, half weerstaand en half toegevend, verstrikt in een strik van de boze. Wat een strijd hebben sommigen van ons gehad om rechte paden voor onze voeten te maken, en wat een pijn en verdriet dat we ooit kromme hebben gemaakt.
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. (Psalm 73:2)
Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. (Psalm 94:18)
En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. (Psalm 40:3)
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)
Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. (Spreuken 4:11)
Heb niets met hen te maken.
Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. (Psalm 106:35-36)
De vleselijke belijders van onze dagen zien niets verkeerds, niets misplaatst en niets onsamenhangends in hun gedrag of geest, ook al zijn ze verzonken in . . . wereldgezindheid, vleselijkheid of hebzucht.
Maar waar goddelijk leven is, waar de gezegende Geest het hart beweegt met Zijn heilige werkingen en verborgen invloeden, daar zal licht zijn om te zien en een geweten om te voelen wat . . . verkeerd, zondig, onsamenhangend en ongepast is.
Het is maar al te duidelijk dat we ons niet met de belijders van onze dagen kunnen vermengen zonder in enige mate hun geest in te drinken en min of meer door hun voorbeeld beïnvloed te worden.
We kunnen nauwelijks ontkomen aan de invloed van mensen met wie we veel en vaak in aanraking komen. Als ze dood zijn, verlammen ze ons vaak met hun lijkachtige kilte. Als ze lichtzinnig en oppervlakkig zijn, verstrikken ze ons vaak in hun vleselijke lichtzinnigheid. Als ze werelds gezind en hebzuchtig zijn, kunnen ze ons een schuilplaats en een excuus bieden voor onze eigen wereldgezindheid en hebzucht.
Heb een afschuw van die losse belijdenis, van die bereidwillige instemming met alles wat de . . . hoogmoed, wereldgezindheid, hebzucht en lusten van onze verdorven natuur voedt. Die stempelt onze tijd met enkele van zijn gevaarlijkste en verschrikkelijkste kenmerken.
Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen. (2 Timotheüs 3:5)
Het smerigste vuil onder de schoonste mantel
Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)
Er zijn weinig christenen die niet ooit het EIGEN IK als hun grootste vijand hebben gevonden. De hoogmoed, het ongeloof, de hardheid en de onboetvaardigheid van het eigen hart zullen altijd iemands grootste last zijn en zullen altijd zijn gevreesdste vijand blijken. Dat geldt ook voor het bedrog, de huichelarij en de goddeloosheid van de eigen gevallen natuur en voor de lusten en hartstochten, het vuil en de dwaasheid van de eigen vleselijke gezindheid!
Vijanden zullen we van buitenaf hebben en soms voelen we hun bittere uitspraken en wrede woorden en daden scherp. Maar geen vijand kan ons zo schaden als wijzelf! In vijf minuten kan een mens zichzelf meer werkelijk kwaad doen dan al zijn vijanden samen hem in vijftig jaar zouden kunnen aandoen!
Voor uzelf kunt u de verraderlijkste vijand en de grootste tegenstander zijn!
In al zijn vormen is het EIGEN IK in zijn diepste geest nog steeds een . . . bedrieglijk, sluw, rusteloos, hoogmoedig en ongeduldig schepsel. Het verbergt zijn ware karakter op duizend manieren en verhult zijn verwoestende plannen met ontelbare listen.
We hoeven maar naar de belijdende kerk te kijken om . . . de hoogste hoogmoed onder de diepste nederigheid te vinden, de grootste onwetendheid onder de ijdelste eigenwaan, het gemeenste verraad onder de warmste belijdenis, de laagste zinnelijkheid onder de meest hemelse vroomheid en het smerigste vuil onder de schoonste mantel.
Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)
Vertrouwdheid met heilige dingen
Zo hebt dan acht op uzelven (Handelingen 20:28)
Dit was Paulus’ openbare waarschuwing aan de oudsten van de gemeente te Efeze. Het was Paulus’ persoonlijke waarschuwing aan zijn vriend en leerling, zijn geliefde zoon Timotheüs. Hebben niet allen die in de naam van de Heere schrijven of spreken dezelfde waarschuwing nodig?
Vertrouwdheid met heilige dingen heeft van nature de neiging het geweten te verharden, waar de genade het niet zacht en teder maakt.
Mensen kunnen preken en bidden totdat beide een louter mechanische gewoonte worden. Ze kunnen over Christus en Zijn lijden praten totdat ze er even weinig door geraakt worden als een tragische acteur op het toneel door de smarten die hij uitbeeldt.
Met recht laat de Heilige Geest deze waarschuwing als met bazuingeluid klinken in de oren van de dienaren van Christus: Zo hebt dan acht op uzelven!
Hoogmoed, eigenwaan en zelfverheffing
Hoogmoed, eigenwaan en zelfverheffing zijn zowel de grootste verzoekingen als de voornaamste hardnekkige zonden van wie in de gemeente enige openbare positie bekleedt.
Waar deze zonden dus niet door de Geest gedood en door Zijn genade bedwongen worden, zijn zij niet de nederigste mensen, zoals ze zouden moeten zijn, maar op zeldzame uitzonderingen na de hoogmoedigste.
Als we voortdurend onze misstappen, valpartijen en grievende afvalligheden indachtig waren en daarbij een gelovig zicht hadden op de heiligheid en reinheid van God, op het lijden en de smarten van Zijn dierbare Zoon en op wat het Hem gekost heeft ons uit de laagste hel te verlossen, dan zouden we met nederigheid bekleed zijn. Ja, dat moeten we dan zijn. Onder gevoelens van diepe zelfvernedering zouden we de laagste plaats innemen in de familie van God, als de voornaamste van de zondaren en als den allerminste van al de heiligen.
Dit zou het gevoel van elk kind van God moeten zijn.
Zolang deze hoogmoed niet in zekere mate gekruisigd is, zolang we haar niet haten en onszelf er niet om haten, zal de eer van God niet ons hoofddoel zijn.
Wat? Zal Hij ons alle zonden vergeven?
Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. (1 Johannes 1:9)
Wat? Zal Hij ons alle zonden vergeven?
Elke zonde die we bedreven hebben?
Zondigen we niet met elke ademtocht die we halen?
Is niet elke lustvolle begeerte zonde? En is niet elke hoogmoedige gedachte zonde? En is niet elke goddeloze inbeelding zonde? En is niet elk onvriendelijk vermoeden zonde? Elke daad van ongeloof zonde? En elke werking van een verdorven natuur zonde?
We bedreven zonde toen we aan de borst van onze moeder zogen! We bedreven zonde zodra we een woord konden stamelen. En naarmate we in lichaam groeiden, groeiden we in zondigheid.
Zal Hij . . . zonden van gedachte, van blik en van daad vergeven? Zonden van nalatigheid en zonden van overtreding? Zonden in de zuigelingentijd, in de kinderjaren, in de jeugd en in de ouderdom?
Zal Hij . . . alle lage lusten vergeven en alle vuile werkingen en snode daden? Alle hoogmoed, alle huichelarij en alle hebzucht? Alle nijd, haat en boosheid en alle overvloeiingen van innerlijke ongerechtigheid?
het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Johannes 1:7)
Deze heilige zalving
Doch gij hebt de zalving van den Heilige (1 Johannes 2:20)
Overal waar de zalving van de Heilige het hart van een mens raakt, verspreidt ze zich en breidt ze haar werkingen uit. Zo deelt ze goddelijke gaven en genaden mee waar ze ook komt. Ze . . . schenkt en wekt geloof, geeft bekering en godzalige droefheid, werkt verborgen zelfverachting en afscheiding van de wereld, trekt de genegenheden omhoog en maakt dat de zonde gehaat wordt en Jezus en Zijn zaligheid bemind worden.
Overal waar de zalving van de Heilige Geest het hart van een mens raakt, verspreidt ze zich door heel zijn ziel en maakt ze hem geheel tot een nieuw schepsel. Ze . . . geeft nieuwe beweegredenen, deelt nieuwe gevoelens mee, verruimt en doet het hart smelten, vergeestelijkt de genegenheden en trekt ze omhoog.
Zonder deze heilige zalving . . . is al onze godsdienst een zeepbel, al onze belijdenis een leugen en zullen al onze verwachtingen eindigen in wanhoop.
O, wat een barmhartigheid om één druppel van deze hemelse zalving te hebben! Om één hemels gevoel te genieten! Om de geringste maat van de liefde van Christus, uitgestort in het hart, te proeven! Wat een onuitsprekelijke barmhartigheid om één aanraking, één glimp, één blik, één mededeling te hebben uit de volheid van Hem Die alles in allen vervult!
Door deze zalving van de Heilige worden de kinderen van God ondersteund onder . . . verdrukkingen, verlegenheden en smarten.
Door deze zalving van de Heilige zien ze de hand van God . . . in elke tuchtiging, in elke beschikking van de voorzienigheid, in elke beproeving, in elk verdriet en in elke last.
Door deze zalving van de Heilige kunnen ze de tuchtiging met zachtmoedigheid dragen, hun mond in het stof leggen en zich vernederen onder de machtige hand van God.
Elk goed woord, elk goed werk, elke genadige gedachte, elk heilig verlangen en elk geestelijk gevoel danken we aan dit ene: de zalving van de Heilige.
Doch gij hebt de zalving van den Heilige (1 Johannes 2:20)
Wat maakt de kinderen van God zo vreemd?
Aan Gods uitverkorenen, aan de vreemdelingen in de wereld (1 Petrus 1:1)
Vreemdelingen!
Wat maakt de kinderen van God zo vreemd?
De genade van God die hen uit deze ellendige wereld roept. Ieder mens die de genade van God in zijn boezem draagt, is ten opzichte van de wereld noodzakelijk een vreemdeling in het hart, evenals in belijdenis en leven.
Zoals Abraham een vreemdeling was in het land Kanaän, Jozef een vreemdeling in het paleis van Farao, Mozes een vreemdeling in het land Egypte en Daniël een vreemdeling aan het hof van Babel, zo is elk kind van God door genade afgezonderd om een vreemdeling te zijn in deze goddeloze wereld.
Als we er inderdaad uit het midden van hen moeten gaan en ons moeten afscheiden, dan moet de wereld voor ons een even vreemde plaats zijn. Want we zijn vreemdelingen voor . . . haar opvattingen en gedachten, haar verlangens, haar vooruitzichten en haar verwachtingen, in onze dagelijkse wandel en in onze spraak, in onze gezindheid en in onze geest, in ons oordeel en in onze genegenheden.
We zullen vreemdelingen zijn voor . . . het gezelschap van de wereld, haar stelregels, haar mode en haar geest.
en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebreeën 11:13)
Door Zijn striemen zijn wij genezen
De zonde heeft ons door en door ziek gemaakt en ons bloed zelf vergiftigd.
De zonde heeft ons verstand ziek gemaakt, zodat het de waarheid niet kan ontvangen.
De zonde heeft ons geweten ziek gemaakt, zodat het dof en zwaar is en recht en onrecht niet meer onderscheidt.
De zonde heeft onze verbeelding ziek gemaakt en haar bezoedeld met elke ijdele, dwaze en wellustige fantasie.
De zonde heeft ons geheugen ziek gemaakt, zodat het snel is in het vasthouden van wat slecht is en traag in het vasthouden van wat goed is.
De zonde heeft onze genegenheden ziek gemaakt en ze afgebogen van alles wat hemels en heilig is en vastgezet op alles wat aards en gemeen is.
Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. (Jesaja 53:5)
Wurg en verstik het!
Het heeft u bedorven, o Israel! want in Mij is uw hulp. (Hosea 13:9)
Is dit geen waarachtige beschuldiging? Stemt uw geweten ermee in als met een gegronde aanklacht? Bent u niet willens en wetens, met open ogen, in een of andere zonde gelopen die, zonder Gods barmhartigheid en ondersteunende hand, uw zekere ondergang zou zijn geweest? Hebt u niet aan de rand van een diepe put gestaan waarin nog één stap u had doen storten?
Naarmate u het kwaad van uw hart beseft, ziet u wat een wonder het is dat de genade in uw boezem in leven wordt gehouden! U ziet uzelf aan alle kanten omringd door wat haar onvermijdelijk zou verwoesten, als de machtige kracht van God er niet was!
U kijkt terug en verbaast zich over hoe het leven van God in uw ziel zovele jaren bewaard is gebleven. Soms was u in zulke vleselijkheid verzonken. U voelde zo’n leegte van alle goed en zo’n neiging tot alle kwaad dat u zich afvraagt hoe u niet verzwolgen, overwonnen en meegesleurd bent in de put van het verderf!
David zei: Ik ben velen als een wonder geweest. Maar u kunt zeggen: “Ik ben mijzelf een wonder!” De wereld, de duivel en uw eigen boze hart hebben jarenlang allemaal geprobeerd het kostbare leven van God in uw ziel te vernietigen, allemaal hun handen uitstrekkend om het te wurgen en te verstikken!
En toch heeft Hij in Zijn verborgen wijsheid, onuitsprekelijke genade en tedere barmhartigheid het heilige beginsel in uw ziel levend gehouden.
O, het geheim van de verlossende liefde!
O, de zaligheid van de bewarende genade! We zijn ondersteund en behouden en in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid!
HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald. (Psalm 30:4)
Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele. (Psalm 66:9)
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)
Zij zullen nooit verloren gaan!
Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. (1 Petrus 1:4-5)
De uitverkorenen worden in Christus bewaard VOORDAT ze door genade geroepen worden. Ze worden door de kracht van God behoed voor ondergang in hun onwedergeboren staat.
Bent u niet bijna wonderbaarlijk bewaard te midden van gevaren en ontkomen terwijl anderen naast u omkwamen, of als het ware opgericht van de rand van de ondergang en van de grens van het graf?
He can crawl like a serpent, and he can roar like a lion!
“So that Satan will not outsmart us. For we are very familiar with his evil schemes.” — 2 Cor. 2:11
Satan well knows both how to allure and how to attack; for he can crawl like a serpent, and he can roar like a lion! He has snares whereby he entangles, and fiery darts whereby he impales.
Most men are easily led captive by him at his will, ensnared without the least difficulty in the traps that he lays for their feet; for they are as ready to be caught as he is to catch them! Why would Satan need to roar against them as a lion, if he can wind himself around them and bite them as a serpent?
If you want to see what sin really is
To cast the sinning angels out of heaven; to banish Adam from Paradise; to destroy the old world by a flood; to burn Sodom and Gomorrah with fire from heaven— these examples of God’s displeasure against sin were not sufficient to express His condemnation of it. He would therefore take another way of making it manifest.
And what was this?
By sending His own Son out of His bosom, and offering Him as a sacrifice for sin upon the tree at Calvary, He would make it manifest how He abhorred sin, and how His righteous character must forever condemn it.
See here the love of God to poor guilty man in not sparing His own Son; and yet the hatred of God against sin, in condemning it in the death of Jesus.
It is almost as if God said, “If you want to see what sin really is, you cannot see it in the depths of hell. I will show you sin in blacker colors still— you shall see it in the sufferings of My dear Son; in His agonies of body and soul; and in what He as a holy, innocent Lamb endured under My wrath, when He consented to take the sinner’s place.”
What wondrous wisdom, what depths of love, what treasures of mercy, what heights of grace were thus revealed and brought to light in God’s unsparing condemnation of sin, and yet in His full and free pardon of the sinner!
If you have ever had a view by faith of the suffering Son of God in the garden and upon the cross; if you have ever seen the wrath of God due to you, falling upon the head of the God-Man; and viewed a bleeding, agonizing Immanuel; then you have seen and felt in the depths of your conscience what a dreadful thing sin is. Then the broken-hearted child of God looks unto Him whom he has pierced, and mourns and grieves bitterly for Him, as for a firstborn son who has died.
Under this sight he feels what a dreadful thing sin is.
“Oh,” he says, “did God afflict His dear Son? Did Jesus, the darling of God, endure all these sufferings and sorrows to save my soul from the bottomless pit?
O, can I ever hate sin enough? Can I ever grieve and mourn over it enough? Can my stony heart ever be dissolved into contrition enough, when by faith I see the agonies, and hear the groans of the suffering, bleeding Lamb of God?”
Christians hate their sins. They hate that sinful, that dreadfully sinful flesh of theirs which has so often, which has so continually, betrayed them into sin.
And thus they join with God in passing condemnation upon the whole of their flesh; upon all its actings and workings; upon all its thoughts and words and deeds; and hate it as the prolific parent of that sin which crucified Christ, and torments and plagues them.
The hard-hearted, cold-blooded, wise-headed professor
We are surrounded with snares.
Temptations lie spread every moment in our path.
These snares and these temptations are so suitable to the lusts of our flesh, that we would certainly fall into them, and be overcome by them, but for the restraining providence or the preserving grace of God.
The Christian sees this; the Christian feels this.
The hard-hearted, cold-blooded, wise-headed professor sees no snares. He is entangled in them, he falls by them, and not repenting of his sins or forsaking them, he makes utter shipwreck concerning the faith.
The child of God . . . sees the snare, feels the temptation, knows the evil of his heart, and is conscious that if God does not hold him up, he shall stumble and fall.
As then a burnt child dreads the fire, so he dreads the consequence of being left for a moment to himself; and the more is he afraid that he shall fall.
If his eyes are more widely opened to see . . . the purity of God, the blessedness of Christ, the efficacy of atoning blood, and the beauties of holiness, the more also does he see the evil of sin, the dreadful consequences of being entangled therein. And not only so, but his own helplessness and weakness and inability to stand against temptation in his own strength.
And all these feelings combine to raise up a more earnest cry, “Hold me up, and I shall be safe!”
A stable, a hovel, a hedge, any unadorned corner
This is what the Sovereign Lord says: “Although I sent them far away among the nations and scattered them among the countries, yet I will be to them as a little sanctuary in the countries where they have gone.” — Ezekiel 11:16
Every place in which the Lord manifests Himself, is a sanctuary to a child of God.
Jesus is now our sanctuary, for He is “the true place of worship that was built by the Lord and not by human hands.” We see the power and glory of God, in the face of Jesus Christ.
Every place is a sanctuary, where God manifests Himself in power and glory to the soul. Moses, doubtless, had often passed by the bush which grew in Horeb; it was but a common thorn bush, in no way distinguished from the other bushes of the thicket. But on one solemn occasion it was all “in a flame of fire,” for “the angel of the Lord appeared unto him in a flame of fire” out of the midst; and though it burned with fire, it was not consumed. God being in the bush, the ground round about was holy, and Moses was bidden to take off his shoes from his feet. Was not this a sanctuary to Moses? It was, for a holy God was there! Thus wherever God manifests Himself, that becomes a sanctuary to a believing soul.
We don’t need places made holy by the ceremonies of man; but places made holy by the presence of God!
Then a stable, a hovel, a hedge, any unadorned corner may be, and is a sanctuary, when God fills your heart with His sacred presence, and causes every holy feeling and gracious affection to spring up in your soul.
Poor, miserable, paltry works of a polluted worm!
“We are all infected and impure with sin. When we proudly display our righteous deeds, we find they are but filthy rags. Like autumn leaves, we wither and fall. And our sins, like the wind, sweep us away.” — Isaiah 64:6
We once thought that we could gain heaven by our own righteousness. We strictly attended to our religious duties, and sought by these and various other means to recommend ourselves to the favor of God, and induce Him to reward us with heaven for our sincere attempts to obey His commandments.
And by these religious performances we thought we would surely be able to make a ladder whereby we could climb up to heaven. This was our tower of Babel, whose top was to reach unto heaven, and by mounting which, we thought to scale the stars.
But the same Lord who stopped the further building of the tower of Babel, by confounding their speech and scattering them abroad on the face of the earth; began to confound our speech, so that we could not pray, or talk, or boast as before; and to scatter all our religion like the chaff of the threshing floor. Our mouths were stopped; we became guilty before God; and our bricks and mortar became a pile of confusion!
When, then, the Lord was pleased to discover to our souls by faith, His being, majesty, greatness, holiness, and purity; and thus gave us a corresponding sense of our filthiness and folly; then all our creature religion and natural piety which we once counted as gain, we began to see was but loss; that our very religious duties and observances, so far from being for us, were actually against us; and instead of pleading for us before God as so many deeds of righteousness, were so polluted and defiled by sin perpetually mixed with them, that our very prayers were enough to sink us into hell, had we no other iniquities to answer for in heart, lip or life.
But when we had a view by faith of the Person, work, love, and grace of the Lord Jesus Christ, then we began more plainly and clearly to see, with what religious toys we had been so long amusing ourselves, and what is far worse, mocking God by them.
We had been secretly despising . . .
Jesus and His sufferings, Jesus and His death, Jesus and His righteousness, and setting up the poor, miserable, paltry works of a polluted worm in the place of the finished work of the Son of God.
Mere toys and baubles
True religion must be everything or nothing with us.
In religion, indifference is ruin; neglect is destruction.
Of all losses, the loss of the soul is the only one that is utterly irreparable and irremediable. You may lose property, but you may recover the whole or a portion of it; you may lose health, but you may be restored to a larger measure of bodily strength than before your illness; you may lose friends, but you may obtain new ones, and those more sincere and valuable than any whom you have lost. But if you lose your soul, what is to make up for that loss?
Do you ever feel what a tremendous stake heaven or hell is? Have you ever felt that to gain heaven is to gain everything that can make the soul eternally happy; and to lose heaven is not only to lose eternal bliss, but to sink down into . . . unfathomable, everlasting, unutterable woe?
It is this believing sight and pressing sense of eternal things; it is this weighty, at times overpowering, feeling that they carry in their bosom an immortal soul, which often makes the children of God view the things of time and sense as . . . mere toys and baubles, trifles lighter than vanity, and pursuits empty as air, and gives them to feel that the things of eternity are the only solid, enduring realities.
Heavenly dew
“My words descend like dew.” — Deuteronomy 32:2
The dew falls imperceptibly. No man can see it fall.
Yet its effects are visible in the morning. So it is with the blessing of God upon His Word. It penetrates the heart without noise; it sinks deep into the conscience without anything visible going on. And as the dew opens the pores of the earth and refreshes the ground after the heat of a burning day, making vegetation lift up its drooping head, so it is with the blessing of God resting upon the soul.
Heavenly dew comes imperceptibly, falls quietly, and is manifested chiefly by its effects, as softening, opening, penetrating, and secretly causing every grace of the Spirit to lift up its drooping head.
Whenever the Lord may have been pleased to bless our souls, either in hearing, in reading, or in private meditation, have not these been some of the effects? Silent, quiet, imperceptible, yet producing an evident impression . . . softening the heart when hard, refreshing it when dry, melting it when obdurate, secretly keeping the soul alive, so that it is neither withers up by the burning sun of temptation, nor dies for lack of grace.
“May God give you the dew of heaven.” — Genesis 27:28
Coming up from the wilderness
“Who is this coming up from the wilderness, leaning upon her Beloved?” — Song of Solomon 8:5
To come up from the wilderness, is to come up out of OURSELVES; for we are ourselves the wilderness.
It is our wilderness heart that makes the world what it is to us . . . our own barren frames; our own bewildered minds; our own worthlessness and inability; our own lack of spiritual fruitfulness; our own trials, temptations, and exercises; our own hungering and thirsting after righteousness.
In a word, it is what passes in our own bosom that makes the world to us a dreary desert.
Carnal people find the world no wilderness. It is an Eden to them! Or at least they try hard to make it so.
They seek all their pleasure from, and build all their happiness upon it. Nor do they dream of any other harvest of joy and delight, but what may be repaid in this ‘happy valley’, where youth, health, and good spirits are ever imagining new scenes of gratification.
But the child of grace, exercised with a thousand difficulties, passing through many temporal and spiritual sorrows, and inwardly grieved with his own lack of heavenly fruitfulness, finds the wilderness within.
But he still comes up out of it, and this he does by looking upward with believing eyes to Him who alone can bring him out.
He comes up out of his own righteousness, and shelters himself under Christ’s righteousness.
He comes up out of his own strength, and trusts to Christ’s strength.
He comes up out of his own wisdom, and hangs upon Jesus’ wisdom.
He comes up out of his own tempted, tried, bewildered, and perplexed condition, to find rest and peace in the finished work of the Son of God.
And thus he comes up out of the wilderness of self, not actually, but experimentally. Every desire of his soul to be delivered from his ‘wilderness sickening sight’ that he has of sin and of himself as a sinner. Every aspiration after Jesus, every longing look, earnest sigh, piteous cry, or laboring groan, all are a coming up from the wilderness.
His turning his back upon an ungodly world; renouncing its pleasures, its honors, its pride, and its ambition; seeking communion with Jesus as his chief delight; and accounting all things but loss and rubbish for the excellency of the knowledge of Jesus his Lord as revealed to his soul by the power of God; this, also, is coming up from the wilderness.
When we gaze upon the lifeless corpse
From the cradle to the coffin, affliction and sorrow are the appointed lot of man. He comes into the world with a wailing cry, and he often leaves it with an agonizing groan! Rightly is this earth called “a valley of tears,” for it is wet with them in infancy, youth, manhood, and old age. In every land, in every climate, scenes of misery and wretchedness everywhere meet the eye, besides those deeper griefs and heart-rending sorrows which lie concealed from all observation. So that we may well say of the life of man that, like Ezekiel’s scroll, it is “written with lamentations, and mourning and woe.”
But this is not all. The scene does not end here!
We see up to death, but we do not see beyond death.
To see a man die without Christ is like standing at a distance, and seeing a man fall from a lofty cliff—we see him fall, but we do not see the crash on the rocks below.
So we see an unsaved man die, but when we gaze upon the lifeless corpse, we do not see how his soul falls with a mighty crash upon the rock of God’s eternal justice! When his temporal trials come to a close, his eternal sorrows only begin! After weeks or months of sickness and pain, the pale, cold face may lie in calm repose under the coffin lid; when the soul is only just entering upon an eternity of woe!
But is it all thus dark and gloomy both in life and death?
Is heaven always hung with a canopy of black? Are there no beams of light, no rays of gladness, that shine through these dark clouds of affliction, misery, and woe that are spread over the human race?
Yes! there is one point in this dark scene out of which beams of light and rays of glory shine! “God did not appoint us to suffer wrath, but to receive salvation through our Lord Jesus Christ.” 1 Thessalonians 5:9
There, on the other side, is my solitary soul
“For what is a man profited, if he shall gains the whole world, and loses his own soul? Or what can a man give in exchange for his soul?” — Mt. 16:26
Here is my scale of profit and loss.
I have a soul to be saved or lost.
What then shall I give in exchange for my soul?
What am I profited if I gain the whole world and lose my soul?
This deep conviction of a soul to be saved or lost lies at the root of all our religion.
Here, on one side, is the WORLD and all . . . its profits its pleasures, its charms, its smiles, its winning ways, its comforts, its luxuries, its honors, to gain which is the grand struggle of human life.
There, on the other side, is my solitary SOUL, to live after death, forever and ever, when the world and all its pleasures and profits will sink under the wrath of the Almighty.
And this dear soul of mine, my very self, my only self, my all, must be lost or saved.
Even your own relatives think you are almost insane
“The Spirit of truth. The world cannot receive Him, because it neither sees Him nor knows Him.” — John 14:17
The world—that is, the world dead in sin, and the world dead in profession—men destitute of the life and power of God—must have something that it can see. And, as heavenly things can only be seen by heavenly eyes, they cannot receive the things which are invisible.
Now this explains why a religion that presents itself with a degree of beauty and grandeur to the natural eye will always be received by the world; while a . . . spiritual, internal, heartfelt and experimental religion will always be rejected.
The world can receive a religion that consists of . . . forms, rites, and ceremonies.
These are things seen.
Beautiful buildings, painted windows, pealing organs, melodious choirs, the pomp and parade of an earthly priesthood, and a whole apparatus of ‘religious ceremony’, carry with them something that the natural eye can see and admire. The world receives all this ‘external religion’ because it is suitable to the natural mind and intelligible to the reasoning faculties.
But the . . . quiet, inward, experimental, divine religion, which presents no attractions to the outward eye, but is wrought in the heart by a divine operation—the world cannot receive this—because it presents nothing that the natural eye can rest upon with pleasure, or is adapted to gratify their general idea of what religion is or should be.
Do not marvel, then, that worldly professors despise a religion wrought in the soul by the power of God. Do not be surprised if even your own relatives think you are almost insane, when you speak of the consolations of the Spirit, or of the teachings of God in your soul. They cannot receive these things, for they have no experience of them; and being such as are altogether opposed to the carnal mind, they reject them with enmity and scorn.
Make straight paths for your feet.
“Make straight paths for your feet.” — Hebrews 12:13
Surrounded as we are with a crooked generation, professing and profane, whose ways we are but too apt to learn; beset on every hand by temptations . . . to turn aside into some crooked path, to feed our pride, to indulge our lusts, to gratify our covetousness; blinded and seduced sometimes by the god of this world; hardened at other times by the deceitfulness of sin; here misled by the example, and there bewitched by the flattery of some friend or companion; at one time confused and bewildered in our judgment of right and wrong; at another time entangled, half resisting, half complying, in some snare of the wicked one; what a struggle have some of us had to make straight paths for our feet; and what pain and grief that we should ever have made crooked ones.
“But as for me, my feet had almost slipped; I had nearly lost my foothold.” — Psalm 73:2
When I said, “My foot is slipping,” Your love, O Lord, supported me. — Psalm 94:18
“He lifted me out of the slimy pit, out of the mud and mire; He set my feet on a rock and gave me a firm place to stand.” — Psalm 40:2
“Hold me up, and I shall be safe!” — Psalm 119:117
“I guide you in the way of wisdom and lead you along straight paths.” — Proverbs 4:11
Have nothing to do with them.
“They mingled among the pagans and adopted their evil customs. They worshiped their idols, and this led to their downfall.” — Ps. 106:35-36
The ‘carnal professors’ of the day see nothing wrong, nothing amiss, nothing inconsistent in their conduct or spirit, though they are sunk in . . . worldliness, carnality, or covetousness. But where there is divine life, where the blessed Spirit moves upon the heart with His sacred operations and secret influences, there will be light to see, and a conscience to feel, what is . . . wrong, sinful, inconsistent, and improper.
It its but too evident that we cannot be mixed up with the professors of the day without drinking, in some measure, into their spirit and being more or less influenced by their example.
We can scarcely escape the influence of those with whom we come much and frequently into contact.
If they are dead, they will often benumb us with their corpse-like coldness. If they are light and trifling, they will often entangle us in their carnal levity. If they are worldly and covetous, they may afford us a shelter and an excuse for our own worldliness and covetousness.
Abhor that loose profession, that ready compliance with everything which feeds the . . . pride, worldliness, covetousness, and lusts of our depraved nature, which so stamps the present day with some of its most perilous and dreadful characters.
“Having a form of godliness but denying its power. Have nothing to do with them.” — 2 Timothy 3:5
The foulest filth under the cleanest cloak
“Take heed unto yourselves!” — Acts 20:28
There are few Christians who have not ever found SELF to be their greatest enemy. The pride, unbelief, hardness, and impenitence of a man’s own heart; the deceitfulness, hypocrisy, and wickedness of his own fallen nature; the lusts and passions, filth and folly of his own carnal mind; will not only ever be his greatest burden, but will ever prove his most dreaded foe!
Enemies we shall have from outside, and we may at times keenly feel their bitter speeches and cruel words and actions. But no enemy can injure us like ourselves! In five minutes a man may do himself more real harm, than all his enemies united could do to injure him in fifty years!
To yourself you can be the most insidious enemy and the greatest foe!
In all its forms, SELF in its inmost spirit is still a . . . deceitful, subtle, restless, proud, and impatient creature; masking its real character in a thousand ways, and concealing its destructive designs by countless devices.
We have but to look on the professing church to find . . . the highest pride under the lowest humility, the greatest ignorance under the vainest self-conceit, the basest treachery under the warmest profession, the vilest sensuality under the most heavenly piety, and the foulest filth under the cleanest cloak.
“Take heed unto yourselves!” — Acts 20:28
Familiarity with sacred things
“Take heed unto yourselves!” — Acts 20:28
This was Paul’s public warning to the elders of the church at Ephesus. It was Paul’s private warning to his friend and disciple, his beloved son, Timothy. And do not all who write or speak in the name of the Lord need the same warning?
Familiarity with sacred things has a natural tendency to harden the conscience, where grace does not soften and make it tender.
Men may preach and pray until both become a mere mechanical habit; and they may talk about Christ and His sufferings until they feel as little touched by them as a ‘tragic actor’ on the stage, of the sorrows which he impersonates.
Well, then, may the Holy Spirit sound this note of warning, as with trumpet voice, in the ears of the servants of Christ. “Take heed unto yourselves!”
Pride, self-conceit, and self-exaltation
Pride, self-conceit, and self-exaltation, are both the chief temptations, and the main besetting sins, of those who occupy any public position in the church.
Therefore, where these sins are not mortified by the Spirit, and subdued by His grace; instead of being, as they should be, the humblest of men; they are, with rare exceptions, the proudest.
Did we bear in constant remembrance our slips, falls, and grievous backslidings; and had we, with all this, a believing sight of the holiness and purity of God, of the sufferings and sorrows of His dear Son, and what it cost Him to redeem us from the lowest hell; we would be, we must be clothed with humility; and would, under feelings of the deepest self-abasement, take the lowest place among the family of God, as the chief of sinners, and less than the least of all the saints.
This should be the feeling of every child of God.
Until this pride is in some measure crucified, until we hate it, and hate ourselves for it, the glory of God will not be our main object.
What? Will He forgive us all sins?
“He is faithful and just to forgive us our sins, and to cleanse us from all unrighteousness.” — 1 John 1:9
What? Will He forgive us all sins?
Every sin that we have committed?
Do we not sin with every breath that we draw?
Is not every lustful desire sin?
And is not every proud thought sin?
And is not every wicked imagination sin?
And is not every unkind suspicion sin?
Every act of unbelief sin?
And every working of a depraved nature sin?
We committed sin when we sucked our mother’s breast! We committed sin as soon as we were able to stammer out a word. And as we grew in body, we grew in sinfulness.
Will He forgive . . . sins of thought, sins of look, sins of action, sins of omission, sins of commission, sins in infancy, sins in childhood, sins in youth, sins in old age?
Will He forgive . . . all the base lusts, all the filthy workings, all the vile actions, all the pride, all the hypocrisy, all the covetousness, all the envy, hatred, and malice, all the aboundings of inward iniquity?
“The blood of Jesus cleanses us from all sin.” — 1 John 1:7
This sacred anointing
“But you have an anointing from the Holy One.” — 1 John 2:20
Wherever the anointing of the Holy One touches a man’s heart it spreads itself, widening and extending its operations. It thus communicates divine gifts and graces wherever it comes. It . . . bestows and draws out faith, gives repentance and godly sorrow, causes secret self-loathing, and separation from the world, draws the affections upwards, makes sin hated, and Jesus and His salvation loved.
Wherever the anointing of the Holy Spirit touches a man’s heart it diffuses itself through his whole soul, and makes him wholly a new creature. It . . . gives new motives, communicates new feelings, enlarges and melts the heart, and spiritualizes and draws the affections upwards.
Without this sacred anointing . . . all our religion is a bubble, all our profession a lie, and all our hopes will end in despair.
O what a mercy to have one drop of this heavenly anointing! To enjoy one heavenly feeling! To taste the least measure of Christ’s love shed abroad in the heart! What an unspeakable mercy to have one touch, one glimpse, one glance, one communication out of the fullness of Him who fills all in all!
By this anointing from the Holy One, the children of God are supported under . . . afflictions, perplexities, and sorrows.
By this anointing from the Holy One, they see the hand of God . . . in every chastisement, in every providence, in every trial, in every grief, and in every burden.
By this anointing from the Holy One they can bear chastisement with meekness; and put their mouth in the dust, humbling themselves under the mighty hand of God.
Every good word, every good work, every gracious thought, every holy desire, every spiritual feeling do we owe to this one thing: the anointing of the Holy One.
“But you have an anointing from the Holy One.” — 1 John 2:20
What makes the children of God so strange?
“To God’s elect, strangers in the world.” — 1 Peter 1:1
Strangers!
What makes the children of God so strange?
The grace of God which calls them out of this wretched world. Every man who carries the grace of God in his bosom is necessarily, as regards the world, a stranger in heart, as well as in profession, and life.
As Abraham was a stranger in the land of Canaan; as Joseph was a stranger in the palace of Pharaoh; as Moses was a stranger in the land of Egypt; as Daniel was a stranger in the court of Babylon; so every child of God is separated by grace, to be a stranger in this ungodly world.
And if indeed we are to come out from it and to be separate, the world must be as much a strange place to us; for we are strangers to . . . its views, its thoughts, its desires, its prospects, its anticipations, in our daily walk, in our speech, in our mind, in our spirit, in our judgment, in our affections.
We will be strangers from . . . the world’s company, the world’s maxims, the world’s fashions, the world’s spirit.
“They confessed that they were strangers and pilgrims on the earth.” — Hebrews 11:13
By His wounds we are healed
Sin has thoroughly diseased us, and poisoned our very blood.
Sin has diseased our understanding, so as to disable it from receiving the truth.
Sin has diseased our conscience, so as to make it dull and heavy, and undiscerning of right and wrong.
Sin has diseased our imagination, polluting it with every idle, foolish, and licentious fancy.
Sin has diseased our memory, making it swift to retain what is evil, slow to retain what is good.
Sin has diseased our affections, perverting them from all that is heavenly and holy, and fixing them on all that is earthly and vile.
“But He was pierced for our transgressions, He was crushed for our iniquities; the punishment that brought us peace was upon Him, and by His wounds we are healed.” — Isaiah 53:5
Strangle and suffocate it!
“O Israel, you have destroyed yourself! But in Me is your help.” — Hosea 13:9
Is not this a true charge? Does not your conscience agree with it, as a well founded accusation? Have you not willingly with your eyes open, run into some sin, which, but for God’s mercy and upholding hand, would have proved your certain destruction? Have you not stood upon the very brink of some deep pit, down into which one more step would have plunged you?
As you realize the evils of your heart, you see what a marvel it is, that grace is kept alive in your bosom!
You see yourself surrounded on every side with that which would inevitably destroy it—but for the mighty power of God!
You look back and wonder how the life of God in your soul has been preserved so many years. Sometimes you have been sunk into such carnality. You have felt such emptiness of all good, and such proneness to all evil, that you wonder how you have not been swallowed up, overcome, and carried away into the pit of destruction!
David said, “I am as a wonder to many.” But you can say, “I am a wonder to myself!” The world, the devil, and your own evil heart, have been for years all aiming to destroy the precious life of God in your soul—all stretching out their hands to strangle and suffocate it!
And yet, in His mysterious wisdom, unspeakable grace, and tender compassion, He has kept the holy principle alive in your soul.
O, the mystery of redeeming love!
O, the blessedness of preserving grace! We have been preserved, upheld, and kept by the power of God through faith unto salvation!
“O Lord, You have kept me alive, that I should not go down to the pit!” — Psalm 30:3
“He has preserved our lives and kept our feet from slipping!” — Psalm 66:9
“Hold me up, and I shall be safe!” — Psalm 119:117
They will never perish!
“For God has reserved a priceless inheritance for His children. It is kept in heaven for you, pure and undefiled, beyond the reach of change and decay! And God, in His mighty power, will protect you until you receive this salvation.” — 1 Peter 1:4-5
The elect are preserved in Christ, BEFORE they are called by grace. They are kept by the power of God from perishing in their unregeneracy.
Have not you been almost miraculously preserved in the midst of dangers, and escaped when others perished by your side—or been raised up as it were, from the very brink of destruction and the very borders of the grave?