Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Overdenkingen over Efeze 1 en 2 — deel 9: Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten (deel 1 van 2)

Philpot zet de diepte van de val tegenover de hoogte van de genade. Daarna laat hij zien dat Christus alleen het fundament is, dat de apostelen en profeten het bedieningsgewijs legden en hoe de zondaar op Hem gaat rusten.

Wij gaan verder met onze uitleg van het hoofdstuk dat voor ons ligt (Efeze 2:1-22). Daarbij willen wij de aandacht van onze lezers vestigen op het wonderlijke contrast dat dit hoofdstuk ons laat zien. Aan de ene kant staat de natuurlijke en oorspronkelijke toestand van een zondaar, in het bijzonder een heidense zondaar. Hij is diep in de val gezonken en toont in zijn leven en gedrag de vreselijke vruchten en gevolgen daarvan. Aan de andere kant staat de toestand van een zondaar die door vrije en soevereine genade verlost, hersteld en behouden is.

Diep in de val gezonken en met in zijn leven en gedrag de afschuwelijke vruchten en praktische gevolgen daarvan is hij dood in de misdaden en de zonden. Hij wandelt naar de eeuw van deze wereld. Hij staat onder de heerschappij en invloed van Satan, de overste van de macht der lucht. Zijn wandel is in de begeerlijkheden van het vlees. Hij doet de wil van het vlees en van de gedachten. Hij is van nature een kind des toorns, blootgesteld aan de verschrikkelijke en eeuwige toorn van God als een verterend vuur, en hij heeft die ook verdiend.

Wat een beeld wordt hier getekend van de toestand van de mens van nature, en in het bijzonder van de heidense zondaars aan wie de brief gericht was! Maar hoe waar is het ook als beschrijving van wat wijzelf waren in vroegere dagen, toen wij dood waren in de zonde. Hoe wij wandelden, leefden en handelden voordat soevereine en onderscheidende genade ons in onze dolle loop tegenhield!

Het is goed en nuttig om vaak onze lage afkomst te gedenken en te overdenken wat onze toestand van nature was. Dan zien wij daarin als in een spiegel de vreselijke diepten van zonde en ondergang waarin wij verzonken waren.

Zo zien wij in het licht van onze eigen bevinding, als bevestiging van het woord van de waarheid, wat voor dood van de ziel er jegens God was. Wij zien welke roekeloze, harde ongevoeligheid voor Zijn wil en woord er was. Wij zien welk totaal gebrek aan godvrezendheid er was. Wij zien welke vastbesloten wil er was om onze eigen weg te gaan en onze verschillende plannen van genot of winst uit te voeren. Wij zien welke opzettelijke verwerping en trotse minachting van alle gezag heel onze geest in bezit had, ook al waren wij niet overgegeven aan uitspattingen of aan alle soorten van openlijke en uiterlijke goddeloosheid.

Zo leren wij ook ons verwonderen over de goedertierenheid, de tedere ontferming en de oneindige barmhartigheid van een gezegende Verlosser. Hij had medelijden met hen die geen medelijden met zichzelf hadden. Zonder Zijn genade zouden zij zonde op zonde en ongerechtigheid op ongerechtigheid zijn blijven stapelen, totdat zij neergestort waren in de poel die met vuur en zwavel brandt!

Aan Israël werd bevolen te belijden: Mijn vader was een bedorven Syrier (Deuteronomium 26:5). Toen de Heere de gemeente van weleer door een buitengewoon treffend beeld Zijn genaderijkdom wilde voorstellen, schilderde Hij haar als een hulpeloos, verlaten kindje: gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart (Ezechiël 16:5). Door het contrast van die ellendige toestand met Zijn ontferming en liefde voor haar en de vruchten daarvan wilde Hij haar iets in herinnering brengen.

Zij had een onvergelijkelijke dankbaarheidsschuld aan Hem. Zij had Hem daarentegen laag vergolden voor al Zijn weldaden en goedertierenheid aan haar bewezen.

Oppervlakkige belijders en vormelijke, dorre, dode predikers mogen ertegen roepen. Zij zeggen dat wij in onszelf wroeten, over onze ellende blijven peinzen, er een bevinding van maken of zelfs trots zijn op onze verdorvenheid. Maar wij zijn er volkomen van overtuigd dat een gelovig zien en beseffen en een gevoelde, bevindelijke kennis van de diepten van de val moet voorafgaan. Het gaat om de staat van ondergang, ellende en vernedering waarin de val ons persoonlijk en individueel heeft gestort. Die kennis moet voorafgaan aan de geestelijke, bevindelijke kennis van de kracht van het verzoenende bloed zoals dat op het geweten wordt toegepast.

Zij moet ook voorafgaan aan de kennis van de hoogten, lengten, diepten en breedten van de vergevende liefde zoals die aan de ziel wordt geopenbaard. Wie het ene niet kent, kent ook het andere niet.

Juist omdat zij over deze ernstige zaken niet diep en grondig geoefend zijn, hebben wij zo veel zelfgerechtige, aanmatigende, lichtzinnige, oppervlakkige, ijdele en lege belijders onder ons. Zij hebben zo weinig gekend en gevoeld van het vreselijke kwaad van de zonde, van Gods heiligheid en gerechtigheid en van hun eigen volkomen onvermogen om zichzelf te bevrijden en te behouden.

Als zij werkelijk gezien en gevoeld hadden wat de mens is van nature en in zijn praktijk, zou dat veel veranderd hebben.

Als hun ziel lang en diep geoefend was geweest onder een last van zonde en schuld en vervolgens gezegend was met een openbaring van Gods barmhartigheid en liefde, hoe zou dat hen dan genezen hebben van hun zelfgerechtigheid en hun aanmatiging! Hun lichtzinnige geest zou eruit verdreven zijn, of althans sterk getemperd. Het zou zo’n diepe, ernstige en blijvende indruk op hun gemoed hebben achtergelaten van wat zij jegens God geweest zijn en nog zijn en van wat Hij jegens hen geweest is en nog is.

Het zou in hen degelijkheid hebben gewerkt, nederigheid, berouw en gebrokenheid van geest, tederheid van geweten, afgescheidenheid van de wereld en geestelijke gezindheid. Daarvan zien wij nu zo weinig in de belijdende gemeente van God.

Maar nu wij neergekeken hebben in de verschrikkelijke put en de modderige klei waarin de zonde ons, samen met het hele menselijke geslacht, heeft doen verzinken, laten wij met de apostel de andere kant van de zaak bezien. Laten wij zien tot welke hoogten van gelukzaligheid de soevereine genade de uitverkorenen van God hersteld en verheven heeft.

Hoe wonderlijk is het contrast tussen de diepten van de val en de hoogten van het herstel! Tussen de ellende van de mens en de barmhartigheid van God! Tussen de toestand en het karakter van zondaars die dood zijn in de zonde en heiligen die gezegend zijn met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus Jezus!

Maar in onze uitleg van het hoofdstuk dat nu voor ons ligt hebben wij al geprobeerd de geestelijke zegeningen en verheven voorrechten te ontvouwen die de apostel beschrijft. Wij hebben de weldaden en gunsten waartoe de heiligen verheven worden, daarin een voor een nagegaan. Wij hoeven dat terrein dus niet opnieuw te betreden of ze zelfs kort samen te vatten, want dat zou slechts een herhaling zijn van onze vorige artikelen. Wij zullen ons daarom meteen wenden tot de uitleg van de overige verzen van het hoofdstuk.

Onze lezers zullen zich herinneren dat wij in ons vorige artikel zijn blijven staan bij de vraag hoe de heiligen van God, en in het bijzonder de heidense heiligen, niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods waren (Efeze 2:19). Het punt waarop wij nu gekomen zijn, is de manier waarop zij opgebouwd worden om een woonplaats van God te zijn door de Geest.

i. Het eerste wat wij moeten ontvouwen, is wat aan de basis van het geheel ligt. Dat is het fundament: Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen (Efeze 2:20).

Er staat hier dat zij gebouwd zijn op het fondament der apostelen en profeten. Dat betekent niet dat de apostelen en profeten zelf het fundament van het geestelijke gebouw vormen, alsof het werkelijk en feitelijk op hen gebouwd was. Het betekent dat het door hen bedieningsgewijs gelegd is.

Geen mens of groep van mensen kan een fundament zijn dat de gemeente van Christus kan dragen, hoe uitmuntend ook in bekwaamheid, gave of genade en hoe geroepen of begunstigd door God ook. Petrus kon dat niet zijn en zijn opvolgers, echte of valse, evenmin. Zij kunnen niet de rots zijn waarop Christus gezegd heeft Zijn gemeente te bouwen.

Zo’n fundament zou zand zijn, geen rots waartegen de poorten van de hel niets zouden vermogen. Wie erop vertrouwde en erop bouwde, zou onder de vloek komen: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt (Jeremia 17:5).

Christus, en Christus alleen, is het fundament. De apostel zelf legt dit goed uit in een andere brief: Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe. Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus (1 Korinthe 3:10-11).

Hij spreekt hier van zichzelf als een wijs bouwmeester. Dat is een bekwaam architect die zowel de zekerheid en waarde van het fundament kende als de geschikte materialen voor de bovenbouw. Naar de genade van God die hem gegeven was, legde hij het fundament bedieningsgewijs door Christus en Hem gekruisigd te prediken. Die genade had hem onderwezen in een geestelijke, bevindelijke kennis van Christus door een openbaring van Hem aan zijn ziel (Galaten 1:16).

Zij had hem ook de gave van het woord geschonken om zijn mond vrijmoedig te openen en de verborgenheid van het evangelie bekend te maken (Efeze 6:19).

Hij zegt ons dus duidelijk: niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. Dit fundament heeft God Zelf werkelijk gelegd, volgens Zijn eigen woorden: Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten (Jesaja 28:16). Maar Paulus legde het bedieningsgewijs.

Wanneer wij dus lezen van het fondament der apostelen en profeten en van het gebouwd worden op dat fundament, betekent dat niet dat de apostelen en profeten zelf het fundament waren. Het betekent dat zij het bedieningsgewijs legden. Zij deden dat toen zij door het woord van hun getuigenis verkondigden, in de woorden van Petrus: Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is (Handelingen 4:11).

Dit fundament werd dus gelegd door de apostelen en de profeten toen zij in hun bediening getuigden van de Persoon en het werk van Christus.

Zij predikten Hem als de Zoon van God (Handelingen 9:20) en stelden Hem voor als de Rots, de enige Rots waarop de gemeente gebouwd is. Als wij de verschillende preken en toespraken van Petrus en Paulus in de Handelingen aandachtig lezen, zien wij duidelijk hoe in alle Christus in Zijn lijden, dood en opstanding wordt gelegd als het fundament van alle vergeving van zonden en alle hoop op zaligheid (Handelingen 2:32-39; Handelingen 3:26; Handelingen 4:10-12; Handelingen 13:38-39).

Het is dus niet moeilijk de betekenis van het woord apostelen vast te stellen. Zij waren degenen aan wie een bijzondere zending en een ambt anders dan alle andere waren toevertrouwd. Onder de bijzonder begaafde leden van het lichaam van Christus die de apostel opsomt, nemen zij de eerste plaats in: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen (1 Korinthe 12:28).

Zo waren de twaalf discipelen: En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde (Lukas 6:13). Zo was ook Paulus, die van zichzelf verklaart dat hij een apostel is, niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft (Galaten 1:1).

De apostelen onderscheidden zich van alle andere leraars en ambtsdragers in de gemeente doordat zij hun opdracht en leer rechtstreeks en onmiddellijk van Christus Zelf hadden. De letterlijke betekenis van het woord apostel is „iemand die gezonden is”. Zo waren zij op een eigen en bijzondere wijze door Christus Zelf gezonden. Dat gebeurde door een uitdrukkelijke roeping toen Hij op aarde was of, zoals bij Paulus, door een uitdrukkelijke openbaring van Hem vanuit de hemel.

Aan hen was ook de macht gegeven om wonderen te doen als bewijzen van hun goddelijke zending. Alleen zij konden bedieningsgewijs door oplegging van de handen de Heilige Geest geven (Handelingen 8:14-17; Handelingen 19:6). Zij alleen hadden ook gezag om gemeenten te planten. Hun zending was niet beperkt tot een bepaalde gemeente. Zij hadden macht en gezag in alle gemeenten om het woord te prediken en de verordeningen te bedienen. Ook mochten zij raad, advies, bestraffing, vermaning en censuur geven, persoonlijk of per brief.

Niemand dan zij kon onder goddelijke inspiratie brieven aan de gemeenten schrijven die deel gingen uitmaken van de heilige Schrift. Het fundament dat gelegd is door mannen die zo uitmuntend waren in genade, met zo’n goddelijk gezag toegerust en met zulke buitengewone gaven uitgerust, moet wel een fundament zijn dat gelegd is in de kracht van de Heilige Geest. Het is waard om in geloof aanvaard te worden.

Maar de apostel zegt dat dit fundament ook gelegd is door „de profeten”. Daaronder verstaan wij niet de profeten van het Oude Testament, hoewel wij hen niet willen uitsluiten volgens het getuigenis van Petrus (Handelingen 10:43). Wij verstaan de profeten van het Nieuwe Testament. De apostel zegt ons immers in een reeds aangehaalde passage dat zij in de gemeente de plaats innamen naast de apostelen: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten.

Ook in de brief die nu voor ons ligt spreekt hij bijna in dezelfde bewoordingen: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten (Efeze 4:11).

Met het woord profeten mogen wij hier echter niet in de gewone zin van het woord mannen verstaan die toekomstige gebeurtenissen voorspelden, al waren die er in de oude gemeente wel, zoals Agabus (Handelingen 11:28; Handelingen 21:10). Wij moeten daaronder predikers verstaan, zoals wij ze nu noemen. Zij worden profeten genoemd omdat zij spraken in de naam van de Heere en vanuit Hem, als het ware Zijn mond.

Dit is inderdaad de ware en eigenlijke betekenis van het woord profeet. Zijn onderscheidende kenmerk is dat hij voor God spreekt als Zijn mond (Jeremia 15:19) en dat het woord van de Heere tot hem gekomen is. Dat hij toekomstige gebeurtenissen voorspelt, is maar een bijkomend deel van zijn zending. Het is meer verbonden aan zijn hoofdtaak als bevestiging dan als het voornaamste doel ervan.

In dit opzicht lijken de profeten van het Nieuwe Testament op die van het Oude, die zulke woorden spraken, of het nu voorspellingen waren of niet, van den Heilige Geest gedreven zijnde (2 Petrus 1:21). Dat zien wij heel duidelijk uit de taal van de apostel op een andere plaats: Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld (1 Korinthe 14:24).

Met profeteren wordt hier duidelijk niet bedoeld het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen maar het prediken met kracht voor het geweten van mensen.

Op die manier wordt de ongelovige immers van zonde overtuigd, als schuldig geoordeeld en worden de geheimen van zijn hart openbaar gemaakt. Profetie in de ware en eigenlijke zin van het woord omvat dus onderwijs en vertroosting, bestraffing en inderdaad het hele werk van de bediening: En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge. Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden (1 Korinthe 14:29-31).

Om die redenen verstaan wij de profeten die samen met de apostelen het fundament gelegd hebben waarop de gemeente gebouwd is, als de profeten of predikers. Niet die van het Oude maar die van het Nieuwe Testament. Daaronder vallen dus die dienaren van de levende God die het evangelie predikten omdat zij daartoe goddelijk geroepen en in staat gesteld waren door het onderwijs van de Heilige Geest en het gezag van God.

Maar laten wij nu de uitdrukking bezien: Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. De betekenis van deze uitdrukking, die in het Nieuwe Testament vaak voorkomt, wordt naar onze mening vaak verkeerd begrepen. Zij is in de eerste plaats ontleend aan de verklaring over onze Heere in de Psalmen. Hij heeft die in de evangeliën (Markus 12:10; Lukas 20:17) bijzonder voor Zichzelf opgeëist en op Zich toegepast: De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden (Psalm 118:22).

Het „hoofd des hoeks” of de „uiterste hoeksteen” betekent beide hetzelfde. Daarmee wordt niet de steen bedoeld die boven op het gebouw staat en vlak onder het dak de hoeken van twee muren verbindt. Het is de brede grondsteen die helemaal onderaan stevig vastligt. Zij heet de „hoeksteen” of het „hoofd” of de „uiterste van de hoek”, omdat zij als een enorme, brede steen is gelegd als fundament van het hele gebouw. Elke muur komt op de hoeken op haar samen en zij draagt en ondersteunt ze allemaal gelijkelijk.

De twee muren die zo samenkomen, stellen Jood en heiden voor. Maar elk van die muren rust gelijkelijk op de brede fundamentsteen die hen beiden gemeen is. Zij draagt ze niet alleen afzonderlijk, maar verenigt ze ook met elkaar op de hoek, waar elke muur op haar samenkomt en rust.

Het is het woord „hoofd” dat de misvatting heeft veroorzaakt van het woord „hoeksteen”, waarop wij gezinspeeld hebben. Maar het woord „hoofd” betekent in het Hebreeuws eigenlijk het eerste of voornaamste. Zo is het fundament niet alleen de voornaamste steen als drager van het geheel, maar ook de eerste die gelegd wordt. Zo is onze genadige Heere niet alleen de voornaamste in waardigheid maar ook de eerste in plaats gelegd, want de gemeente was in Hem uitverkoren.

In alle dingen moet Hij de eerste plaats innemen. Zo is Hij de eerste in waardigheid, als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Hij is de eerste in uitverkiezing, want God verkoos de uitverkorenen in Hem. Hij is de eerste in lijden, want welke smart was als Zijn smart? Hij is de eerste in opstanding, want Hij is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.

Hij is de eerste in macht, want Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij is de eerste in heerlijkheid, want Hij is heengegaan om voor Zijn volk een plaats te bereiden. En wij mogen er gerust aan toevoegen: Hij is de eerste in hun harten en genegenheden. Want wie vader of moeder, zoon of dochter liefheeft boven Hem, is Hem niet waardig.

Maar het hoofdpunt van de passage die nu voor ons ligt, is de manier waarop de Heere Jezus de uiterste Hoeksteen is voor hen die op Hem gebouwd zijn. Daarin zien wij het verband tussen het fundament zoals dat bedieningsgewijs door de apostelen en profeten gelegd is en het eigenlijke fundament zelf, dat Christus de Heere is.

Om dit verband beter te begrijpen kunt u uw eigen geval nemen, of dat van een andere arme, schuldige zondaar die tot goddelijk leven gebracht is. Hij kijkt aan alle kanten om zich heen naar iets dat zijn schuldige ziel, zijn verontruste gemoed, zijn angstige en bezorgde hart en zijn beladen geest kan ondersteunen.

Kijkt hij omhoog, wat ziet hij dan anders dan de gerechtigheid van een heilig God? Kijkt hij naar de wet, wat vindt hij daarin anders dan vloek en veroordeling, ellende, toorn en slavernij? Kijkt hij naar zijn verleden, wat is dat anders dan één aaneengesloten reeks van boosheid en zonde? Kijkt hij in zijn eigen hart, wat vindt hij het dan anders dan: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het?

Wat moet hij dan doen? Waarheen moet hij gaan? Waarop kan hij zijn hoop bouwen?

Nu wordt Christus, het fundament, hem voorgesteld, zoals dat in de Schriften van de waarheid door de apostelen gelegd is. Of Hij wordt in zijn bijzijn gepredikt door een van Gods profeten en door de toepassing van het woord op zijn hart wordt hij in staat gesteld zelf in de Zoon van God te geloven. Dan laat hij zichzelf los om op Christus, het fundament, te rusten. Zo wordt de allereerste steen van zijn hoop op Christus gelegd.

Dit gebeurt doordat het goddelijke licht in de ziel schijnt en hem verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus geeft (2 Korinthe 4:6). En de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, wordt hij zo getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (2 Korinthe 3:18; Kolossenzen 1:13).

Nu vindt hij een fundament waarop zijn ziel veilig en gelukkig kan rusten. Hij heeft ervaren dat de Heere goedertieren is, door de ontdekkingen van Zijn Persoon en werk en de openbaringen van Zijn barmhartigheid. Hij is getrokken met mensenzelen, met touwen der liefde (Hosea 11:4; Jeremia 31:3). Zo komt hij tot Hem, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.

Door tot Hem te komen wordt hij als het ware opgetild uit zonde en eigen ik, uit slavernij, duisternis en verwarring. Hij wordt neergezet op Hem als op een beproefde steen en een vast fundament. Zo vindt hij rust en vrede.

Zo op Christus als fundament te rusten brengt de voelbare goedkeuring van God mee. Want Hij heeft dit fundament in Sion gelegd, opdat het zou zijn een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is (Jesaja 28:16). Als het kind van God dus door het geloof op Christus rust, heeft hij het getuigenis van de gezegende Geest in zijn hart dat dit een vast fundament is. Hij weet dat Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden, niet in deze wereld en niet in de wereld die komt (1 Petrus 2:6).

ii. Nadat de apostel gesproken heeft over het fundament als bedieningsgewijs gelegd door de apostelen en profeten en werkelijk gelegd door Jezus Christus, die Zelf de uiterste Hoeksteen is, gaat hij verder. Hij laat zien hoe de levende stenen op en in Hem worden opgebouwd: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere (Efeze 2:21).

Met het gebouw moeten wij de hele gemeente van Christus verstaan. Zij omvat alle leden van Zijn mystieke lichaam, in Hem uitverkoren en aan Hem gegeven vóór de grondlegging van de wereld. Maar dit gebouw wordt hier beneden opgetrokken voordat het opgenomen wordt om eeuwig in al zijn volheid boven te zijn. Er is een eeuwige vereniging tussen de Heere Jezus Christus en Zijn volk, die de grondslag is van elke andere. Maar er is ook een vereniging van genade in de tijd, doordat elk volgend lid voortgebracht en door de Heilige Geest gedoopt wordt in Zijn mystieke lichaam.

De vereniging tussen Christus en Zijn volk wordt in de Schrift soms voorgesteld door het beeld van een wijnstok en zijn ranken. Soms gebeurt het door dat van een lichaam en zijn hoofd, soms door dat van een man en zijn vrouw. En soms, zoals in de passage die voor ons ligt, door dat van een gebouw waarvan Hij het fundament is en zij de bovenbouw. Met dat laatste hebben wij nu te maken.

De vereniging tussen het fundament en de bovenbouw is van nature heel nauw en innig. Maar bij Christus en Zijn volk omvat zij een nauwheid van omgang waartoe geen aards, materieel gebouw in staat is.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!