Pearls from Philpot, Volume 5 — Part 2 of 2
Behalve enkele opvallende ontkomingen aan zogenaamde “ongelukken” ben ik driemaal in mijn leven van de rand van het graf opgericht: eenmaal in mijn kindsheid, eenmaal in mijn jongensjaren en eenmaal als volwassen man. Bijna iedereen rond mijn bed dacht toen dat ik de hevigheid van de aanval niet zou overleven.
Waren dit geen voorbeelden van bewaard worden door de kracht van God? Ik kon niet sterven voordat God Zijn voornemens van uitverkiezende genade en barmhartigheid aan mijn ziel had geopenbaard.
Maar de uitverkorenen worden ook door de machtige kracht van God bewaard NADAT ze door genade geroepen zijn. Ze zijn immers in de holte van Zijn hand en worden bewaard als Zijn oogappel.
Ik zal niet zeggen dat ze voor alle zonden bewaard worden. Wel zeg ik dat ze bewaard worden voor verdoemende zonden. Ze worden vooral voor drie dingen bewaard . . . voor de heerschappij van de zonde, voor vermetele en definitieve aanmatiging en voor blijvende en verdoemelijke dwaling.
Ze worden nooit zo in de zonden en kwaden van dit tegenwoordige leven verdronken dat ze erin verzwolgen worden. Het is immers onmogelijk dat ze ooit verloren gaan!
Daarom worden ze bewaard in uren van verzoeking. Ze worden bewaakt door alle macht van de Almacht en beschut door de onophoudelijke zorg en waakzaamheid van Hem Die niet sluimeren, noch slapen zal.
Ziet u niet, als u terugkijkt over een lange reeks van jaren, hoe de hand van God met u is geweest? Hoe Hij u heeft ondersteund, u door menige storm heeft gebracht en u onder krachtige verzoekingen heeft bewaard? Hoe zachtjes Hij u soms voorttrok of soms tegenhield?
En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. (Johannes 10:28)
Nadat God ons uitverkoren heeft, baart Hij ons door Zijn woord, schenkt Hij ons de wedergeboorte door een goddelijke invloed en maakt Hij ons tot nieuwe schepselen door de kracht en invloed van de Heilige Geest.
Alle dingen!
met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij (Hebreeën 2:7-8)
Zie de soevereine oppermacht van Jezus!
Er kunnen omstandigheden in uw aardse lot zijn die op dit moment bijzonder zwaar zijn. U kijkt om u heen en vraagt zich af hoe deze of die omstandigheid zal aflopen. Op dit moment ziet het er erg donker uit. Wolken en nevels hangen erboven en u vreest dat die wolken niet als regenbuien op uw hoofd zullen losbarsten maar als bliksemflits en donderslag!
Maar alle dingen zijn onder de voeten van Christus onderworpen! Wat u vreest kan niet gebeuren zonder Zijn soevereine wil en het kan ook niet verder komen zonder Zijn opperste beschikking. Wees dan stil. Hij zal niet toelaten dat u schade lijdt. Die norse voorzienigheid zal alleen Zijn soevereine voornemens uitvoeren en ze zal behoren tot die alle dingen die volgens Zijn belofte medewerken ten goede.
Geen enkele van onze beproevingen overkomt ons bij toeval! Ze zijn allemaal naar gewicht en maat toegemeten en allemaal bedoeld om een bepaald doel te bereiken. En hoe pijnlijk ze op dit moment ook zijn, ze zijn toch bedoeld voor uw bestwil.
Wanneer de beproeving u overkomt, wat zou het een hulp voor u zijn als u haar zo kon zien: “Deze beproeving is gezonden tot mijn bestwil. Ze komt niet uit het stof voort. De Heere Zelf is er de opperste beschikker van. Ze is zeer pijnlijk om te dragen, maar laat mij geloven dat Hij mij deze bijzondere beproeving heeft toegewezen, samen met elke andere omstandigheid. Hij zal daarin Zijn eigen wil volbrengen en de beproeving wegnemen of mij geduld onder haar geven en onderwerping eraan.”
Misschien wordt u door ziekte getroffen. Het is niet toevallig dat deze of gene ziekte uw lichaam bezoekt en dat de Heere het goed vindt uw hoofd, hart of borst te treffen, uw lever, hand of voet of enig ander deel van uw lichaam. Alle dingen zijn onder Hem onderworpen en Hij heeft ziekte en kwaal niet uitgezonderd! Wat u ook lijdt aan lichamelijke ziekte, Hij beschikt en regelt het tot uw bestwil. Berust in Zijn heilige en almachtige wil.
Al uw verdrukkingen zijn onder de voeten van Jezus gesteld! Soms denkt u misschien hoe hard u behandeld wordt. Misschien treurt u onder sterfgevallen in uw gezin en rouwt u om het verlies van uw “huisschatten”: een geliefde man, vrouw of kind. Maar och, kon u maar bedenken dat al uw verdrukkingen, welke het ook zijn, onder de voeten van Jezus gesteld zijn. Zo kan er als het ware niet één van onder Zijn voeten kruipen dan met Zijn toestemming. En als uitgescholden honden kruipen ze op een bevel van Zijn lippen er weer onder!
Laten we dan deze waarheid vasthouden, want er hangt zoveel van onze troost van af.
Zonder vlek of rimpel of enige andere smet!
Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Efeze 5:25, 27)
Wat zijn wijzelf in onze eigen ogen? Vol vlekken, rimpels en smetten! En wat zien we elke dag in onszelf dan zonde, vuil en dwaasheid? Welk kwaad is er in de wereld dat niet in ons en in ons hart is? Het is waar dat anderen ons hart niet kunnen lezen. Maar wij lezen het wel, ja, we zijn het elke dag, en soms de hele dag, aan het lezen. En wat lezen we daar? Net als de boekrol van Ezechiël is het beschreven voor en achter. En we mogen er wel aan toevoegen, als we goed lezen wat er geschreven staat, dat we alle reden hebben om te zeggen dat het vol staat met klaagliederen, en zuchting, en wee (Ezechiël 2:10).
Want ik ben ervan overtuigd dat er niets is wat we daar elke dag en elk uur zien dat ons niet met schaamte en beschaming over ons gezicht zou bedekken. Het zou ons doen blozen om onze ogen voor God op te heffen of bijna om in de tegenwoordigheid van onze medemens te verschijnen!
Maar noch anderen noch wijzelf zien nu wat de gemeente eens zal zijn en wat ze altijd was in de ogen van Jezus! Hij kon door alle zonden en smarten van deze tussentijd heen kijken en Zijn oog vestigen op de bruiloftsdag. Dat is de dag waarop Hij haar voor verzamelde engelen, in de voorhoven van de hemel en in de gewesten van eeuwige zaligheid Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk.
O, wat een dag zal dat zijn wanneer de Zoon van God Zijn verloofde bruid openlijk zal huwen! Dan zal in de hemel gehoord worden als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst. Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid. (Openbaring 19:6-7)
Gebeten door de tand van deze slang
Niemand heeft ooit de diepten van de val gepeild.
De kinderen van God hebben inderdaad ontdekkingen van het kwaad van de zonde. En ze krijgen soms zulke beelden van de wanhopige goddeloosheid en de vreselijke verdorvenheid van de menselijke natuur dat ze als vervuld lijken met onuitsprekelijke afgrijzen over de afschuwelijke omvang van het bederf dat in hun vleselijke gezindheid werkt.
Maar niemand heeft ooit gezien, zoals niemand in deze tijdelijke staat ooit kan zien, wat de zonde in haar volle omvang is en zoals ze hierna in de diepten van de hel ontwikkeld zal worden.
Uit eigen ervaring zien we inderdaad iets van haar begin, maar we kunnen ons weinig voorstellen van haar voortgang en nog minder van haar einde. De zonde heeft immers dit eigenaardige kenmerk dat ze zich steeds verder uitbreidt totdat ze alles wat ze aanraakt in volslagen ondergang meesleept.
In dit opzicht kunnen we haar vergelijken met de giftand van een slang. Er zijn slangen met zo’n dodelijk gif, zoals de Cobra de Capello of brilslang, dat het binnendringen van de kleinste hoeveelheid gif uit hun giftand in enkele uren alle vloeistoffen van het lichaam in een massa van bederf verandert. Een mens kan het ene uur in perfecte gezondheid verkeren en het volgende uur, gebeten door de tand van deze slang, een walgelijke massa van verrotting en bederf zijn. Zo is de zonde.
De binnenkomst van de zonde in de natuur van Adam bij de val was als het binnendringen van gif uit de tand van een dodelijke slang in het menselijk lichaam. Het drong meteen door in zijn ziel en lichaam en vervulde beide met dood en bederf.
Of, om een meer schriftuurlijk beeld te gebruiken, de zonde kan vergeleken worden met de ziekte van melaatsheid. Die begon gewoonlijk met een witte blaar of een gezwel in het vel, nauwelijks waarneembaar. Toch breidde ze zich steeds verder uit totdat ze elk lid omsloot en heel het lichaam een massa van rottend, afschuwelijk bederf werd.
Of de zonde kan vergeleken worden met kanker. Die begint misschien met een klein knobbeltje dat een lichte jeuk veroorzaakt, maar voedt zich verder op het deel dat ze aantast totdat de patiënt uitgeput van pijn en lijden sterft.
Als de zonde nu . . . deze giftand, deze zich uitbreidende melaatsheid en deze walgelijke kanker is, en als haar verwoestende kracht zo groot is dat ze lichaam en ziel samen in de hel zal vernietigen tenzij ze wordt tegengehouden en genezen, dan moet het geneesmiddel even groot zijn als de kwaal, als er al een geneesmiddel is. Als er dus . . . een genezing is voor de zonde, een middel tegen de val en een verlossing van den toekomenden toorn, dan moet die minstens zo volkomen en volledig zijn als de ondergang die de zonde ons heeft bezorgd.
Wie een oppervlakkig, vluchtig inzicht en gevoel van de zonde heeft, zal een even oppervlakkig en vluchtig inzicht hebben in de verzoening die voor de zonde is gedaan. Het kermen van Christus zal nooit in zijn oren klinken als het smartelijke kermen van een worstelende Heere. Het lijden van Christus zal nooit voor zijn ziel ontsloten worden als de smarten van Immanuël, God met ons. De dood van Christus zal hij nooit zien als het bloedvergieten van de geliefde Zoon van God. Zolang hij zo’n oppervlakkig, vluchtig inzicht in de kwaal heeft, zal zijn inzicht in het geneesmiddel even oppervlakkig en vluchtig zijn.
Zoals we neergeleid worden in een geestelijke kennis van onszelf en van de zonde, zo worden we opgeleid tot een genadige kennis van de Heere Jezus Christus.
Doordat Jezus alle straffen van onze zonde heeft geleden, verlost Hij ons uit de laagste hel en verheft Hij ons tot de hoogste hemel. Hij geeft arme aardwormen de kracht om boven de hemelen uit te stijgen en voor eeuwig te leven in de tegenwoordigheid van Hem Die een verterend vuur is!
En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mattheüs 1:21)
Als een onkruid op een mesthoop!
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden. (Spreuken 8:13)
Ons hart is wanhopig hoogmoedig.
Als er één zonde is die God meer haat dan een andere en waartegen Hij Zich meer verzet, dan is het de zonde van de hoogmoed.
Als een onkruid op een mesthoop groeit de hoogmoed weelderiger in sommige gronden, vooral als ze goed bemest is door . . . rang, rijkdom, lof, vleierij, onze eigen onwetendheid en de onwetendheid van anderen.
We hebben allemaal de hoogmoed geërfd van onze gevallen voorvader Adam, die haar van Satan had, die “koning over alle kinderen van de hoogmoed” is.
Wie denkt het minste hoogmoed te hebben en zichzelf met wonderlijke zelfbewondering als de nederigste van de stervelingen beschouwt, heeft misschien meer hoogmoed dan wie haar voelt en belijdt. Ze is misschien alleen dieper verborgen in de donkere schuilhoeken van hun vleselijke gezindheid.
Omdat God dan alle harten ziet en elke beweging van hoogmoed kent, of wij haar nu zien of niet, is Zijn doel ons te vernederen!
Als ik terugkijk op mijn leven en al mijn zonden, al mijn dwaasheden, al mijn misstappen en al mijn vallen zie, getuigt mijn geweten van de vele dingen die ik gedacht, gezegd en gedaan heb en die . . . mijn ziel bedroeven, mij mijn hoofd doen buigen voor God, mijn mond in het stof doen leggen en mij mijn zonden aan Hem doen belijden.
Als ik mijn eigen overmatige zondigheid afzet tegen . . . Gods grootheid, Gods majesteit, Gods heiligheid en Gods reinheid . . . val ik nederig en zachtmoedig voor Hem neer, leg ik mijn mond in het stof en erken ik dat ik snood ben.
hoewel ik stof en as ben (Abraham)
Zie, ik ben te gering (Job)
Wee mij, want ik verga (Jesaja)
want ik ben een zondig mens (Petrus)
Hij alleen kan mij redden
Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. (Psalm 25:15)
Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want ’s mensen heil is ijdelheid. (Psalm 60:13)
Met wat een machtige God hebben wij te maken!
En wat zou bij onze toestand passen dan een machtige God?
Hebben wij geen machtige zonden?
Hebben wij geen machtige beproevingen?
Hebben wij geen machtige verzoekingen?
Hebben wij geen machtige vijanden en machtige vrezen?
En wie moet ons uit dit hele machtige leger verlossen, behalve de machtige God? Een kleine God (als ik deze uitdrukking mag gebruiken) is niet genoeg voor het volk van God. Ze hebben een machtige God nodig, omdat ze in omstandigheden verkeren waarin niemand dan een machtige God voor hen kan optreden.
Het is ook de moeite waard op te merken dat de Heere Zijn volk er opzettelijk in brengt in omstandigheden waarin ze als het ware gebruik kunnen maken van Zijn almachtige kracht. Zo leren ze uit levende persoonlijke bevinding dat Hij een machtig God is, niet louter in leer en theorie, maar een machtig God voor hen persoonlijk en in het bijzonder.
Immers, als u . . . uw machtige zonden, uw machtige beproevingen, uw machtige verzoekingen en uw machtige vrezen niet voelbaar en bevindelijk kende, zou u geen machtige God nodig hebben.
O, hoe brengt dit de sterkte van God en de zwakheid van de mens samen! Hoe verenigt het arme, hulpeloze schepselen met de Majesteit van de hemel! Hoe draagt het aan zwakke, waardeloze wormen de kracht zelf van de almachtige Jehova over!
Dit besef van . . . onze zwakheid en Zijn kracht, onze ellende en Zijn barmhartigheid, onze ondergang en Zijn herstel, het overvloeien van onze zonde en het meer dan overvloeien van Zijn genade: dit gevoelsmatige besef van deze tegengestelde maar harmonieuze dingen brengt ons tot persoonlijke, bevindelijke omgang met God. En in deze persoonlijke omgang met God bestaat het leven van alle godsdienst.
Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. (Psalm 34:18)
De Heere ranselt Zijn kinderen soms naar huis!
als getuchtigd, en niet gedood (2 Korinthe 6:9)
De Heere vindt het niet goed om dezelfde tuchtigingen aan al Zijn volk op te leggen. Hij heeft roeden van verschillende grootte en verschillende soort, al wordt elke roede als een roede gevoeld wanneer God haar op de rug brengt.
De Heere tuchtigt met de ene hand en ondersteunt met de andere. In uw geestelijke bevinding bent u misschien onder vele tuchtigende slagen doorgegaan. Toen ze op u vielen, leken ze als een doodvonnis van Gods lippen te komen. U vreesde dat uw ziekte in de dood zou eindigen. Onder uw verlies voelde u alsof u nooit meer uw hoofd zou kunnen opheffen. U dacht dat uw verliezen in de voorzienigheid uw aardse ondergang zouden blijken. Uw verdrukkingen in het gezin leken zo zwaar dat ze in de grond ongeneeslijk waren.
Dit waren allemaal dodelijke slagen. Maar hoewel u getuchtigd werd, werd u niet gedood. U verloor daardoor geen goddelijk leven. Wel verloor u veel dat het vlees behaagde, veel dat het schepsel bevredigde, veel dat er goed uitzag voor dagen van voorspoed maar de storm niet zou doorstaan.
Maar u verloor niets wat tot uw waarachtig welzijn was.
Als u de lichamelijke gezondheid verloor, kreeg u geestelijke gezondheid.
Als u een dierbare man of een dierbaar kind verloor, vulde God de leegte in uw hart door Christus dierbaarder te maken.
Als u moeilijkheden in uw gezin had, maakte de Heere het goed door meer openbaringen van Zijn liefde en genade te geven.
Uw verliezen in de voorzienigheid zelf waren tot uw bestwil, want God maakte ze goed of wat u in de voorzienigheid verloor, verdubbelde Hij in genade.
Zo bent u, hoewel getuchtigd, niet gedood!
Heeft iets van wat u overkomen is het leven van God in uw ziel gedoofd of uitgeblust?
Nu het schuim en het tin meer gescheiden werden, heeft het goud niet helderder geschenen? Hebt u de geestelijke dingen niet steviger vastgehouden? Wanneer God Zijn volk tuchtigt, is het niet om hen te doden. Het is . . . opdat ze Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Het is om hun hangende genaden te doen herleven. Het is om hen oprechter, rechtschapener en tederder in hun geweten te maken en meer afgezonderd van de wereld. Het is om hen meer Zijn eer te laten zoeken, een meer enkelvoudig oog te laten hebben voor Zijn lof en meer een leven van geloof te laten leven.
Hier ligt de zaligheid: wanneer God Zijn volk tuchtigt, is het niet tot hun schade maar tot hun nut. Het is niet tot hun verderf maar tot hun zaligheid. Het is niet om hen met de onvriendelijkheid van een vijand te behandelen maar met de liefde van een vriend!
Kijk naar de verdrukkingen, tuchtigingen en grievende smarten waar u doorheen bent gegaan. Zijn ze . . . vrienden voor u geweest of vijanden? Middelen om u te helpen of hindernissen? Ladders waarlangs u naar de hemel bent geklommen of treden waarlangs u in de hel bent afgedaald? Middelen om u dichter bij Christus te brengen of middelen om u meer in de wereld mee te voeren?
Als u iets kent van Gods tuchtiging, zult u zeggen: “Elke slag heeft mij dichter bij God gebracht! Hij heeft mij naar huis geranseld!” Zoals een vader zijn spijbelende jongen uit een troep andere kinderen grijpt en hem naar huis ranselt, zo ranselt de Heere Zijn kinderen soms naar huis! Elke slag die op hun rug valt, brengt hen een stap dichter bij hun huis in de woningen boven!
U weet uit eigen bevinding dat Gods tuchtigingen u niet gedood hebben. Ze zijn veeleer middelen geweest om het werk van genade in uw hart te doen herleven en levend te houden!
als getuchtigd, en niet gedood (2 Korinthe 6:9)
Hij kan praten als een engel en leven als een duivel.
Er is “een kennis van de dingen van God” die een mens kan bezitten zonder persoonlijke bevinding van de nieuwe geboorte, zonder enige goddelijke werking aan zijn ziel en zonder enig deel aan de genade van God.
Door het lezen van de Schriften en het horen prediken van het evangelie komen velen tot een vleselijke, verstandelijke, dorre hoofdkennis van de waarheid. Wat betreft enige bevindelijke, levende, zaligmakende kennismaking ermee bevinden ze zich nog in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.
Een mens kan de kennis van een apostel hebben en de wereldgezindheid van een Demas.
Hij kan helder zijn in het hoofd en verrot in het hart.
Hij kan praten als een engel en leven als een duivel.
Hij kan al de verborgenheden en al de wetenschap verstaan en toch niets zijn dan een huichelaar en een bedrieger.
In onze dagen komen zulke mensen in overvloed voor in de kerken.
Maar daarvan onderscheiden, zo verschillend als hemel en hel, is er een zeer gezegende “geestelijke kennis” van de dingen van God waarmee het volk van God begunstigd wordt.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. (Lukas 24:45)
Deze afgodenmakende, afgodenliefhebbende wereld
Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt. (Exodus 19:4)
Het beeld hier is dat Hij Zijn volk uit Egypte wegrukt zoals een arend haar jongen zou wegrukken uit de handen van wie haar nest plundert, en hen wegvoert en omhoog draagt op haar uitgespreide vleugels.
Verlossing . . . van afgoderij, van onderdrukking, van een staat van vernedering en diepe slavernij is de leidende gedachte van het uitleiden van Zijn volk uit Egypte.
Zo draagt de Heere ons geestelijk uit een veel ergere Egypte, door Zijn almachtige kracht. Heeft Hij u enige verlossing gegeven van de wereld en haar geest en u door de kracht van Zijn genade tot Zichzelf gebracht? Heeft Hij u uit de zonde omhooggedragen . . . uit haar openlijke bedrijf, haar heimelijke praktijk en haar innerlijke toegeeflijkheid, en de liefde en de macht ervan in zekere mate gebroken?
Heeft Hij u niet alleen uit de grovere ongerechtigheden van Egypte gedragen maar ook uit haar meer verfijnde en aanvaardbare zonden, zoals . . . afgoderij met schepselen, godsdienstige lippendienst, eigengerechtigheid en God bespotten door bijgeloof, overlevering en ijdele ceremoniën?
Heeft Hij u, als op vleugelen der arenden, uit alle afgoden van Egypte gedragen? Egypte was immers een land vol afgoderij en daarom een passend zinnebeeld van deze afgodenmakende, afgodenliefhebbende wereld.
Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn (Leviticus 26:13)
Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Farao’s hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft! (Exodus 18:10)
Volleerde acteurs
“De kansel heeft zijn volleerde acteurs, net als de schouwburg!”
Hij heeft mij een beker van diepe smart te drinken gegeven
Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. (Klaagliederen 3:15)
Het volk van de Heere heeft vele harde lessen te leren in de “school van Christus”. Ieder moet een dagelijks kruis dragen en wordt onder zijn gewicht belast en neergedrukt. Dit dagelijkse kruis kan verschillen en verschilt ook van persoon tot persoon. Maar elk kind van God heeft zijn eigen kruis, dat door een onoverwinnelijke hand op zijn schouders is gelegd en dat hij grotendeels tot in het graf moet dragen.
Zo worden sommigen van Gods volk in hun lichaam getroffen vanaf het moment dat de Heere Zijn genadewerk in hun hart begint. Of, als ze van ziekte verschoond blijven, zijn ze overspannen van zenuwen, neerslachtig van geest en neergedrukt door loomheid en slapte, die vaak moeilijker te dragen zijn dan ziekte zelf.
Sommigen zijn verbonden aan goddeloze partners en ondervinden bij elke stap tegenstand en vervolging.
Anderen hebben niets dan moeite in hun gezin, hetzij door de inval van de dood in hun kring, hetzij door wat soms erger is dan de dood: schande, schaamte en goddeloosheid.
Weer anderen hebben weinig anders dan een aaneengesloten reeks van verliezen en tegenslagen in hun omstandigheden, golf na golf die over hun hoofd rolt.
O, aanschouw de familie van God die huiswaarts zwoegt . . . sommigen slepen een gekweld lichaam mee, anderen een gewonde geest, weer anderen dragen op hun schouders stervende kinderen, en nog anderen hebben nauwelijks een lap aan hun lijf of een korst in hun hand. Ze zijn voetzeer en bevreesd van hart, beven voor een ritselend blad en hebben een diepe rivier te doorwaden en een woedende vijand in het zicht.
Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. De Heere HEERE is mijn Sterkte (Habakuk 3:17-19)
Als we er geheel aan overgelaten werden!
Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke (1 Korinthe 10:13)
Er is geen enkele zonde die ooit door een mens bedreven is die niet diep verborgen ligt in de schuilhoeken van onze gevallen natuur! Maar deze zonden komen niet in beweging totdat de verzoeking ze tevoorschijn haalt.
De verzoeking is voor de verdorvenheden van het hart wat vuur is voor stoppels. De zonde ligt rustig in onze vleselijke gezindheid totdat de verzoeking haar in brand komt steken.
De verzoeking is voor onze verdorven natuur wat de vonk is voor buskruit. Hebt u deze droevige waarheid niet ondervonden: hoe gemakkelijk de verdorvenheden van ons ellendige hart door de verzoeking in brand worden gestoken en uitbarsten in allerlei vermetele en vreselijke ongerechtigheid?
In de verzoeking leren we wat de zonde is . . . haar vreselijke aard en haar verzwaarde karakter, haar angstaanjagende werkingen en haar waanzinnige, wanhopige opstanden tegen God. We leren ook wat we zijn of zouden zijn als we er geheel aan overgelaten werden!
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt (Mattheüs 26:41)
Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn. (Psalm 119:117)
Romantische dromen van genot en aardse vreugde?
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. (Hebreeën 12:27)
De mens zoekt altijd geluk in de een of andere vorm in de dingen van deze wereld. Hij ziet en voelt niet dat geluk buiten God onmogelijk is en dat het zoeken ervan in “het schepsel” zonde op zonde stapelen is. Maar kijk naar deze vergeefse poging in een aantal gevallen.
Kijk naar mensen die jong zijn in het leven. Wat een romantische vooruitzichten dansen er voor hun ogen! “Wat een dromen van liefde en een huis bij bloemrijke beken!” Maar wat een ruwe schok krijgen deze dromen van aards geluk doorgaans te verwerken! Dit geldt voor de meesten, zo niet allen, die hun hoop op geluk bouwen op het schepsel. Maar het geldt in het bijzonder voor de familie van God. Hoe jaloers is Hij op al zulke plannen van aardse zaligheid, en hoe verbrijzelt Hij ze vroeg of laat allemaal door Zijn machtige hand!
Kijk bijvoorbeeld naar gezondheid, dat onmisbare element van alle aardse gelukzaligheid! Wat een ruwe schok hebben velen van de dierbare familie van God in hun aardse tabernakel ondervonden, zelfs in hun jonge jaren, door een ongeluk of ziekte, zodat alle aards geluk bijna bedorven werd voordat de wedloop van het leven begonnen was!
Kijk weer naar het huwelijksgeluk, die “bestendige bron van huiselijke zoetheid”: hoe bitter een druppel valt er vaak uit de handen van God in die honingzoete beker! Waarom zucht die rouwende weduwe? Waarom zwelt haar hart en loopt haar oog over? Wat betekent die brandende druppel op haar wang?
Hoeveel bloeiende dochters zijn niet voor de ogen van een moeder weggekwijnd aan tering! Hoeveel flinke, sterke zonen zijn niet neergemaaid door een ongeluk of door een plotselinge ziekte weggevoerd naar het koude graf, in de volle kracht en het volle vooruitzicht van het leven!
Maar afgezien van deze elementen van verbrijzeld en gebroken schepselgeluk, wat een teleurstelling, wat een ergernis, wat een verdriet en zorg vinden we in alles waar we de hand aan slaan! Zelfs met ongebroken gezondheid en huis, met vrouw en kind die niet door de koude hand van de dood zijn aangeraakt, is er in de eigen boezem van een mens genoeg zonde en ellende om zijn hart met voortdurend verdriet te vullen!
Zo mislukken, wijs en barmhartig, al onze pogingen om aards geluk te grijpen en lopen ze op niets uit.
Kind van genade, murmureer niet tegen de hand van de Heere die uw dromen van schepselgeluk heeft gebroken. God bedoelt niet dat u uw hemel hier op aarde zou hebben, noch dat u zou leven naar de mode van deze wereld. Het is een vriendelijke hand, hoewel een ruwe. Ze verwoest al uw plannen van schepselgeluk en breekt uw lichaam met ziekte in stukken. Ze verdort al uw vooruitzichten op rijkdom, roem, aanzien en eerzucht en giet bittere gal in elke honingzoete beker.
Waarom breekt de Heere al uw aardse plannen van menselijk geluk? Waarom verdort Hij al . . . uw vooruitzichten, uw plannen van eerzucht en van succes in het leven en uw romantische dromen van genot en aardse vreugde?
Opdat ze allemaal uit de genegenheden van uw hart verwijderd worden en Hij u een geluk geeft dat voor eeuwig en altijd zal duren!
Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. (Hebreeën 12:28)
De liefde der waarheid
degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden (2 Thessalonicenzen 2:10)
Er is een aannemen van de waarheid en een aannemen van de liefde der waarheid. Deze twee dingen verschillen sterk.
De waarheid aannemen maakt niet noodzakelijk zalig, want velen die de waarheid aannemen, nemen nooit de liefde der waarheid aan.
Duizenden belijders nemen de waarheid in hun oordeel aan en nemen het heilsplan als hun geloofsbelijdenis aan, maar worden daardoor niet gered en niet geheiligd. Maar de liefde der waarheid aannemen doordat Jezus zoet en dierbaar wordt voor de ziel, is de zaligheid zelf ontvangen.
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petrus 2:7)
Deze “boelen” van ons
Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven (Hosea 2:4)
Hier wordt ontsloten wat we van nature zijn, waarop onze vleselijke gezindheid altijd gericht is en wat we doen of in staat zijn te doen, tenzij we worden teruggehouden door de waakzame voorzienigheid en de onophoudelijke genade en goedheid van de Heere.
Deze “boelen” van ons zijn onze oude zonden en vroegere lusten die nog steeds om bevrediging smeken. Daarnaar kijkt de vleselijke gezindheid soms terug en zegt: “Waar zijn mijn boelen die mij mijn eten en drinken gaven? Waar zijn die vroegere genoegens die mijn snode hartstochten zo behaagden en mijn lage begeerten zo bevredigden?”
Deze boelen zijn dus . . . de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens. Als ze niet door soevereine genade bedwongen worden, werken ze nog steeds in onze verdorven natuur en proberen ze hun vroegere heerschappij terug te winnen.
Maar de Heere komt meestal barmhartig tussenbeide en laat Zijn kinderen gewoonlijk niet doen wat ze graag zouden doen of zijn wat ze graag zouden zijn. Hij zegt: Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden (Hosea 2:5).
De Heere belet in Zijn voorzienigheid of in Zijn genade onze vleselijke gezindheid om haar snode begeerten uit te voeren. Hij versperrt onze weg met doornen. Daaronder mogen we geestelijk verstaan: steken van het geweten, prikkels van wroeging en pijnen van berouw. Het zijn zoveel doornige en met doornstruiken begroeide heggen die de weg van de overtreding afsluiten. Zo verhinderen ze dat onze vleselijke gezindheid uitbreekt in haar oude paden en deze vroegere boelen nagaat om haar goddeloze verbond met hen te hernieuwen.
Nu er door de genade van God een doornheg is opgericht, is onze ziel niet in staat door deze sterke omheining heen te breken. Op het moment dat ze erdoorheen of erover wil komen, biedt elk deel ervan een prikkende doornstruik of een scherpe en sterke doorn die ons geweten verwondt en doorboort.
Wat een oneindige barmhartigheid en wat een overtreffende genade worden hierdoor geopenbaard! Als ons geweten niet zo teder gemaakt was dat het de prikkende doornstruik voelt, kunnen we nauwelijks zeggen wat het vreselijke gevolg zou zijn of in wat voor een ellendige afgrond van zonde en overtreding onze ziel zou vallen.
Maar deze scheurende doornen werken wroeging van de ziel voor God uit. Want ze ondervindt wat de Heere zegt: zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden. Dan komt er in haar gemoed een verlangen naar zuiverder genoegens en heiliger vreugde dan haar overspelige boelen haar konden geven. Zo ontstaat een verandering in haar gevoelens, een omwenteling in haar verlangens: dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu. Het beeld is dat van een overspelige vrouw die de onschuldige genoegens van haar eerste huwelijksliefde afzet tegen de ellendige toestand waarin ze door gemene verleiders gebracht was.
Zo zet de ziel geestelijk haar vroegere genieten van de tegenwoordigheid en kracht van de Heere af tegen haar huidige toestand van duisternis en verlatenheid. “Waar”, zou ze zeggen, “zijn mijn vroegere genoegens, mijn eerste vreugden en de zoetheid die ik in vervlogen dagen had in het kennen, dienen en aanbidden van de Heere? Ach! Hij was in die dagen een vriendelijke en liefhebbende Man voor mij. Ik zal tot Hem terugkeren als Hij mij dat genadig wil toestaan. Het was immers beter met mij toen ik in het licht van Zijn aangezicht kon wandelen dan sinds ik mijn boelen heb gezocht en niets oogst dan schuld, dood en verdoemenis.”
In deze stormen
Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. (Spreuken 10:25)
Juist de stormen waar de gelovige doorheen gaat, zullen hem alleen maar sterken om Christus vaster vast te grijpen.
Zoals dezelfde wind die de boom met ondiepe wortels omblaast de boom met diepe wortels alleen maar vaster laat staan, zo vestigen dezelfde stormen die de oppervlakkige belijder ontwortelen de ware gelovige alleen maar vaster in Christus.
Hoewel deze stormen enkele van zijn bladeren kunnen afschudden of enkele rotte takken aan het einde van de tak kunnen afbreken, ontwortelen ze het geloof van de gelovige niet maar versterken ze het juist.
In deze stormen leert hij . . . meer van zijn eigen zwakheid en van Christus’ sterkte. Hij leert meer van zijn eigen ellende en van Christus’ barmhartigheid, meer van zijn eigen zondigheid en van de meer dan overvloedige genade. Hij leert meer van zijn eigen armoede en van Christus’ rijkdom, meer van de hel die hij verdiend heeft en van zijn eigen recht op de hemel.
In deze stormen zet dezelfde gezegende Geest, Die het werk begonnen heeft, het voort. Hij graveert het beeld van Christus in diepere tekens op zijn hart en leert hem steeds meer bevindelijk de waarheid zoals ze in Jezus is.
Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. (Psalm 57:2)
Besides some striking escapes from what are called ‘accidents’, three times in my life—once in infancy, once in boyhood, and once in manhood, I have been raised up from the borders of the grave, when almost everyone who surrounded my bed thought I would not survive the violence of the attack.
Were not these instances of being kept by the power of God? I could not die until God had manifested His purposes of electing grace and mercy to my soul. But the elect are also kept by the mighty power of God AFTER they are called by grace; for they are in the hollow of His hand, and are kept as the apple of His eye. I will not say they are kept from all sins. Yet I will say that they are kept from damning sins. They are kept especially from three things . . .
from the dominion of sin,
from daring and final presumption,
from lasting and damnable error.
They are never drowned in the sins and evils of the present life so as to be swallowed up in them—for it is impossible that they can ever be lost!
They are therefore preserved in hours of temptation, for they are guarded by all the power of Omnipotence, shielded by the unceasing care and watchfulness of Him who can neither slumber nor sleep.
Looking back through a long vista of years, can you not see how the hand of God has been with you—how He has held you up, and brought you through many a storm, and preserved you under powerful temptations? How gently He sometimes drew you on, or sometimes kept you back? “I give them eternal life, and they will never perish! No one can snatch them out of My hand!” John 10:28
Having chosen us, God begets us with His word, regenerates us by a divine influence, and makes us new creatures by the power and influence of the Holy Spirit.
All things!
“You crowned Him with glory and honor and put all thingsunder His feet. In putting all things under Him, God left nothing that is not subject to Him.” Hebrews 2:7-8
See the sovereign supremacy of Jesus!
There may be circumstances in your earthly lot which at this moment are peculiarly trying. You look around and wonder how this or that circumstance will terminate. At present it looks very dark—clouds and mists hang over it, and you fear lest these clouds may break, not in showers upon your head, but burst forth in the lightning flash and the thunder stroke! Butall things are put in subjection under Christ’s feet! That which you dread cannot take place except by His sovereign will—nor can it move any further except by His supreme disposal. Then make yourself quiet. He will not allow you to be harmed. That frowning providence shall only execute His sovereign purposes, and it shall be among those all things which, according to His promise, shall work together for your good.
None of our trials come upon us by chance! They are all appointed in weight and measure—are all designed to fulfill a certain end. And however painful they may at present be, yet they are intended for your good. When the trial comes upon you, what a help it would be for you if you could view it thus, “This trial is sent for my good. It does not spring out of the dust. The Lord Himself is the supreme disposer of it. It is very painful to bear; but let me believe that He has appointed me this peculiar trial, along with every other circumstance. He will bring about His own will therein, and either remove the trial, or give me patience under it, and submission to it.”
You may be afflicted by sickness. It is not by chance that such or such sickness visits your body—that the Lord sees fit to afflict head, heart, chest, liver, hand, foot, or any other part of your body. All things are put in subjection under Him, and He has not exempted sickness and disease! Whatever you suffer in bodily disease, He appoints and arranges it for your good. Be resigned to His holy and almighty will.
All your afflictions are put under the feet of Jesus! You may think at times how harshly you are dealt with—mourning, it may be, under family bereavements, sorrowing after the loss of your ‘household treasures’—a beloved husband, wife, or child. But O that you could bear in mind that all your afflictions, be they what they may, are put under the feet of Jesus, so that, so to speak, not one can crawl from under His feet but by His permission—and, like scolded hounds, they crawl again beneath them at a word of command from His lips! Let us then hold fast this truth, for on it depends so much of our comfort.
Without a spot or wrinkle or any other blemish!
“Christ loved the church and gave Himself up for her. He did this to present her to Himself as a glorious church without a spot or wrinkle or any other blemish! Instead, she will be holy and without fault.” Ephesians 5:25, 27
What are we ourselves as viewed by our own eyes?
Full of spots, wrinkles, and blemishes! And What do we see in ourselves every day, but sin and filth and folly? What evil is there in the world that is not in us, and in our hearts? It is true others cannot read our hearts. But we read them; yes, are every day, and sometimes all the day reading them. And what do we read there? Like Ezekiel’s scroll, it is “written within and without;” and we may well add, if we rightly read what is there written, we have every reason to say it is “full of lamentations, and mourning, and woe.” Ezekiel 2:10
For I am sure that there is nothing that we see there every day and every hour, but would cover us with shame and confusion of face, and make us blush to lift up our eyes before God, or almost to appear in the presence of our fellow man!
But neither others, nor we ourselves, now see what the church one day will be, and what she ever was in the eyes of Jesus! He could look through all the sins and sorrows of this intermediate period, and fix His eye upon the bridal day—the day when before assembled angels, in the courts of heaven, in the realms of eternal bliss, He would present her to Himself a glorious church, without a spot or wrinkle or any other blemish, but holy, and without fault. O what a day will that be, when the Son of God shall openly wed His espoused bride; when there shall be heard in heaven, “what sounded like a great multitude, like the roar of rushing waters and like loud peals of thunder, shouting—Hallelujah! For our Lord God Almighty reigns! Let us rejoice and be glad and give Him glory! For the wedding of the Lamb has come, and His bride has made herself ready.” Revelation 19:6-7
Bitten by this serpent’s tooth
No man has ever sounded the depths of the fall. The children of God have indeed discoveries of the evil of sin. And they have such views at times of the desperate wickedness and awful depravity of human nature, that they seem as if filled with unspeakable horror at the hideous enormity of the corruption that works in their carnal mind. But no man has ever seen, as no man ever can see, in this time-state, what sin is to its full extent, and as it will be hereafter developed in the depths of hell. We may indeed in our own experience see something of its commencement; but we can form little idea of its progress, and still less of its termination. For sin has this peculiar feature attending it, that it ever spreads and spreads until it involves everything that it touches in utter ruin.
We may compare it in this point of view to the venom-fang of a serpent. There are serpents of so venomous a kind, as for instance the Cobra de Capello, or hooded snake, that the introduction of the minutest portion of venom from their poison tooth will in a few hours convert all the fluids of the body into a mass of putrefaction. A man shall be in perfect health one hour, and bitten by this serpent’s tooth shall in the next, be a loathsome mass of rottenness and corruption. Such is sin.
The introduction of sin into the nature of Adam at the fall was like the introduction of poison from the fang of a deadly serpent into the human body. It at once penetrated into his soul and body, and filled both with death and corruption.
Or, to use a more scriptural figure, sin may be compared to the disease of leprosy, which usually began with a “bright spot,” or “rising in the skin”, scarcely perceptible, and yet spread and spread until it enveloped every member, and the whole body becoming a mass of putrefying hideous corruption.
Or sin may be compared to a cancer, which begins perhaps with a little lump causing a slight itching, but goes on feeding upon the part which it attacks, until the patient dies worn out with pain and suffering. Now if sin be . . .
this venom fang,
this spreading leprosy,
this loathsome cancer;
if its destructive power be so great that, unless arrested and healed, it will destroy body and soul alike in hell, the remedy for it, if remedy there be, must be as great as the malady. Thus if there be . . . a cure for sin,
a remedy for the fall,
a deliverance from the wrath to come,
it must be at least as full and as complete as the ruin which sin has entailed upon us.
The man who has slight, superficial views and feelings of sin will have equally slight and superficial views of the atonement made for sin. The groans of Christ will never sound in his ears as the dolorous groans of an agonizing Lord; the sufferings of Christ will never be opened up to his soul as the sorrows of Immanuel, God with us; the death of Christ will never be viewed by him, as the blood shedding of the darling Son of God. While he has such slight, superficial views of the malady, his views of the remedy will be equally slight and superficial. As we are led down into a spiritual knowledge of self and sin, so we are led up into a gracious knowledge of the Lord Jesus Christ.
By suffering all the penalties of our sin, Jesus redeems us from the lowest hell and raises us up to the highest heaven—empowering poor worms of earth to soar above the skies and live forever in the presence of Him who is a consuming fire!
“And she will have a son, and you are to name Him Jesus, for He will save His people from their sins.” Matthew 1:21
Like a weed upon a dung-heap!
“I hate pride and arrogance!” Proverbs 8:13
Our hearts are desperately proud.
If there is one sin which God hates more than another, and more sets Himself against, it is the sin of pride.
Like a weed upon a dung-heap, pride grows more profusely in some soils, especially when well fertilized by . . .
rank,
riches,
praise,
flattery,
our own ignorance,
and the ignorance of others.
We all inherit pride from our fallen ancestor Adam, who got it from Satan, that “king over all the children of pride.”
Those, perhaps, who think they possess the least pride, and view themselves with wonderful self-admiration as the humblest of mortals, may have more pride than those who feel and confess it. It may only be more deeply hidden in the dark recesses of their carnal mind.
As God then sees all hearts, and knows every movement of pride, whether we see it or not,
His purpose is to humble us!
When I look back upon my life, and see . . .
all my sins,
all my follies,
all my slips,
all my falls,
my conscience testifies of the many things I have thought, said, and done, which . . .
grieve my soul,
make me hang my head before God,
put my mouth in the dust, and
confess my sins unto Him.
When I contrast my own exceeding sinfulness with . . .
God’s greatness,
God’s majesty,
God’s holiness, and
God’s purity . . .
I fall down, humbly and meekly before Him,
I put my mouth in the dust,
I acknowledge I am vile.
“I am nothing but dust and ashes.” (Abraham)
“Behold, I am vile!” (Job)
“Woe to me! I am ruined!” (Isaiah)
“I am a sinful man!” (Peter)
He alone can rescue me
“My eyes are always looking to the Lord for help, for He alone can rescue me from the traps of my enemies.” Psalm 25:15
“Oh, please help us against our enemies,
for all human help is useless.” Psalm 60:11
What a mighty God we have to deal with!
And what would suit our case but a mighty God? Have we not mighty sins?
Have we not mighty trials?
Have we not mighty temptations?
Have we not mighty foes and mighty fears?
And who is to deliver us from all this mighty army, except the mighty God? It is not a ‘little God’ (if I may use the expression) that will do for God’s people. They need a ‘mighty God’, because they are in circumstances where none but a mighty God can intervene in their behalf. And it is well worth our notice that the Lord puts His people purposely into circumstances where they may avail themselves, so to speak, of His omnipotent power, and thus know from living personal experience, that He is a mighty God, not in mere doctrine and theory, but a mighty God in their special and particular behalf. Why, if you did not feelingly and experimentally know . . . your mighty sins,
your mighty trials,
your mighty temptations,
your mighty fears,
you would not need a mighty God.
O how this brings together the strength of God and the weakness of man! How it unites poor helpless creatures with the Majesty of heaven! How it conveys to feeble, worthless worms the very might of the Omnipotent Jehovah!
This sense of . . .
our weakness and His power,
our misery and His mercy,
our ruin and His recovery,
the aboundings of our sin and
the super-aboundings of His grace;
a feeling sense of these opposite yet harmonious things, brings us to have personal, experimental dealings with God. And it is in these personal dealings with God that the life of all religion consists.
“The Lord hears His people when they call to Him for help. He rescues them from all their troubles.” Psalm 34:17
The Lord sometimes flogs His children home!
“As chastened, yet not killed.” 2 Corinthians 6:9
The Lord does not see fit to lay the same chastisements upon all His people. He has rods of different sizes and different descriptions; though all are felt to be rods when God brings them upon the back.
The Lord chastises with one hand, and upholds with the other. In your spiritual experience, you may have passed under many chastising strokes. And when they fell upon you, they seemed to come as a killing sentence from God’s lips. You feared your illness might end in death. Under your bereavement, you felt as if you could never hold up your head again. You thought your providential losses might prove to be your earthly ruin. Your family afflictions seemed to be so heavy, as to be radically incurable. All these were killing strokes. But though chastened, you were not killed. You lost no divine life thereby; but you lost much that pleased the flesh; much that gratified the creature; much that looked well for days of prosperity, but would not abide the storm. But you lost nothing that was for your real good. If you lost bodily health; you gained spiritual health. If you lost a dear husband or child; God filled up the void in your heart by making Christ more precious. If you had troubles in your family; the Lord made it up by giving more manifestations of His love and grace. Your very losses in providence were for your good; for God either made them up, or what you lost in providence He doubled in grace.
So that though chastened; you are not killed! Has anything that has happened to you quenched or extinguished the life of God in your soul? As the dross and tin were more separated; has not the gold shone more brightly? Have you not held spiritual things with a tighter grasp? When God chastens His people, it is not to kill them; it is . . . to make them partakers of His holiness,
to revive their drooping graces,
to make them more sincere, upright and tender in conscience, to make them more separate from the world,
to make them seek more His glory,
to make them have a more single eye to His praise, to make them live more a life of faith.
Here is the blessedness—that when God chastises His people, it is not for their injury, but for their profit; not for their destruction, but for their salvation; not to treat them with the unkindness of an enemy, but with the love of a friend!
Look at the afflictions, chastenings and grievous sorrows that you have passed through. Have they been . . . friends to you, or enemies?
instruments of helping you, or hindrances?
ladders whereby you have climbed up to heaven, or steps whereby you have descended into hell? means of taking you nearer to Christ, or means of carrying you more into the world?
If you know anything of God’s chastening, you will say, “Every stroke has brought me nearer to God! He has flogged me home!” As a father will seize his truant boy out of a horde of other children and flog him home, so the Lord sometimes flogs His children home! Every stroke laid upon their back brings them a step nearer to their home in the mansions above!
In your own experience, you know that God’s chastenings have not killed you. But rather they have been the means of reviving and keeping alive the work of grace upon your heart!
“As chastened, yet not killed.” 2 Corinthians 6:9
He may talk like an angel, and live like a devil. There is “a knowledge of the things of God” which a man may possess without a personal experience of the new birth—without any divine operation upon his soul whatever, or any participation of the grace of God. >From reading the scriptures and hearing the Gospel preached, many attain to a carnal, intellectual, barren head knowledge of the truth; who, as to any experimental, vital, saving acquaintance with it, are still in the very gall of bitterness and the bond of iniquity.
A man may have the ‘knowledge of an apostle’
and the ‘worldliness of a Demas’.
He may be clear in head, and rotten in heart.
He may talk like an angel, and live like a devil.
He may understand all mysteries and all knowledge, and be nothing but a hypocrite and an impostor. In our day such characters abound in the churches. But distinct from this “head knowledge”, as distinct from it as heaven from hell, there is a most blessed “spiritual knowledge” of the things of God, with which the people of God are favored.
“Then He opened their minds so they could understand the Scriptures.” Luke 24:45
This idol-making, idol-loving world
‘You have seen what I did to the Egyptians.
You know how I brought you to Myself and carried you on eagle’s wings.” Exodus 19:4
The idea here, is of snatching His people out of Egypt as an eagle would snatch her young away from the hands of the spoiler of her nest, and bear them away and aloft on her outstretched wings. Deliverance . . .
from idolatry,
from bondage,
from a state of degradation and abject slavery, is the leading idea of bringing His people out of Egypt. So, spiritually, the Lord bears us out of a worse Egypt, by His Almighty power. Has He given you some deliverance from the world and the spirit of it, and brought you to Himself by the power of His grace? Has He carried you up out of sin . . .
its open commission,
its secret practice,
its inward indulgence,
and broken in some measure the love and the power of it? Has He carried you not only out of the grosser iniquities of Egypt, but its more ‘refined and acceptable sins’, such as . . . creature idolatry,
religious lip-service,
self-righteousness, and
mocking God by superstition, tradition, and vain ceremony? Has He carried you, as on eagles’ wings, out of all the idols of Egypt? For Egypt was a land teeming with idolatry, and therefore an apt emblem of this idol-making, idol-loving world.
“I am the Lord your God, who brought you out of Egypt, so that you would no longer be slaves to the Egyptians.” Leviticus 26:13
“Praise be to the Lord, for He has saved you from the Egyptians and from Pharaoh. He has rescued His people from the power of Egypt!” Exodus 18:10
Accomplished actors
“The pulpit has its accomplished actors, as well as the playhouse!”
He has given me a cup of deep sorrow to drink “He has filled me with bitterness. He has given me a cup of deep sorrow to drink.” Lamentations 3:15
The Lord’s people have many hard lessons which they have to learn in the ‘school of Christ’. Each one has to carry a daily cross, and are burdened and pressed down under its weight. This daily cross may and does differ in individuals. But every child of God has his own cross, which laid upon his shoulders by an invincible hand, he has, for the most part, to carry down to the very grave. Thus, some of God’s people are afflicted in body from the very time the Lord begins His work of grace upon their heart. Or if exempt from disease, are shattered in nerve, depressed in spirits, and weighed down by lassitude and languor, often harder to bear than disease itself.
Some are tied to ungodly partners, meeting with opposition and persecution at every step. Others have nothing but trouble in their family, either from the invasion of death into their circle, or what sometimes is worse than death—disgrace, shame, and ungodliness.
Others have little else but one continual series of losses and crosses in their circumstances, wave after wave rolling over their heads.
O, view the family of God toiling homeward . . .
some dragging along an afflicted body;
others a wounded spirit;
others carrying upon their shoulders dying children; others with scarcely a rag to their back or a crust in their hand; footsore,
fearful in heart,
trembling at a rustling leaf,
a deep river to pass, and
a furious enemy in sight.
“Even though the fig trees have no blossoms, and there are no grapes on the vine; even though the olive crop fails, and the fields lie empty and barren; even though the flocks die in the fields, and the cattle barns are empty, yet I will rejoice in the Lord! I will be joyful in the God of my salvation. The Sovereign Lord is my strength!” Habakkuk 3:17-19
Were we left wholly in its hands!
“No temptation has seized you except what is common to man.” 1 Cor. 10:13
There is not a single sin ever perpetrated by man which does not lie deeply hidden in the recesses of our fallen nature! But these sins do not stir into activity until temptation draws them forth.
Temptationis to the corruptions of the heart, what fire is to stubble. Sin lies quiet in our carnal mind until temptation comes to set it on fire.
Temptation is to our corrupt nature, what the spark is to gunpowder. Have you not found this sad truth: how easily by temptation are the corruptions of our wretched heart set on fire, and burst into every kind of daring and dreadful iniquity?
In temptation, we learn what sin is . . .
its dreadful nature,
its aggravated character,
its fearful workings,
its mad, its desperate upheavings against God, and what we are or would be,
were we left wholly in its hands!
“Watch and pray so that you will not fall into temptation.” Matthew 26:41
“Hold me up, and I shall be safe!” Psalm 119:117
Romantic dreams of pleasure and earthly joy?
“The things on earth will be shaken, so that only eternal things will be left.” Hebrews 12:27
Man is always seeking happiness in some shape or other, in the things of this world. He does not see or feel that outside of God, happiness is impossible; and that to seek it in ‘the creature’ is to add sin to sin. But look at this vain attempt in a variety of instances. Look at people young in life. What romantic prospects dance before their eyes! “What dreams of love and home by flowery streams!” But what a rude shock do these ‘dreams of earthly happiness’ usually experience! This is true of most, if not all, who build their hopes of happiness on ‘the creature’. But particularly so in the case of the family of God. How jealous is He of all such schemes of earthly bliss—and how, sooner or later, He shatters them all by His mighty hand! Look, for instance, at health, that indispensable element of all earthly happiness! What a rude shock many of the dear family of God have experienced in their earthly tabernacle, even in their youthful days, by accident or disease, so as to mar all earthly happiness almost before the race of life was begun!
Look again at wedded happiness—that “perpetual fountain of domestic sweets”—how bitter a drop often falls from the hands of God into that honeyed cup! Why does that mourning widow sigh? Why does her heart swell, and her eye run over? What does that scalding drop on her cheek mean? How many a blooming daughter has faded away in consumption before a mother’s eye! How many a fine strong son has been cut down by an accident—or sudden illness has borne him away to the cold grave, in the very pride and prospect of life! But apart from these elements of shattered and broken creature happiness, what disappointment, what vexation, what sorrow and care we find in everything we put our hands to! Even with health and home unbroken, wife and child untouched by death’s cold hand, there is sin and misery enough in a man’s own bosom to fill his heart with continual sorrow!
Thus wisely and mercifully, all our attempts to grasp earthly happiness fail and come to nothing.
Child of grace, do not murmur at the hand of the Lord which has broken your ‘dreams of creature happiness’. God does not intend that you should have your heaven here on earth, nor live after the fashion of this world. It is a kind hand, though a rough one, which blasts all your schemes of creature happiness, which breaks your body into pieces with sickness, blights all your prospects of wealth, and fame, and reputation, and ambition, and pours bitter gall into each honeyed cup.
Why does the Lord brake all your earthly schemes of human happiness? Why does He blight all . . . your prospects,
your plans of ambition and of success in life, your romantic dreams of pleasure and earthly joy? That they may all be removed out of your hearts’ affections; and give you happiness which shall endure forever and ever! “Therefore, since we are receiving a kingdom that cannot be shaken, let us be thankful, and so worship God acceptably with reverence and awe.” Hebrews 12:28
The love of the truth
“They perish because they did not receive the love of the truth, that they might be saved.” 2 Thess. 2:10
There is a receiving of ‘the truth’, and a receiving of ‘the love of the truth’. These two things widely differ. To receive the truth will not necessarily save; for many who receive the truth, never receive ‘the love of the truth’. Professors by thousands receive the truth into their judgment, and adopt the plan of salvation as their creed; but are neither saved nor sanctified thereby. But to receive ‘the love of the truth’ by Jesus being made sweet and precious to the soul, is to receive salvation itself. “Yes, He is very precious to you who believe.” 1 Peter 2:7
These “lovers” of ours
“I will run after my lovers and sell myself to them for food and drink, for clothing of wool and linen, and for olive oil.” Hosea 2:5
Here is the opening up of what we are by nature, what our carnal mind is ever bent upon, what we do or are capable of doing, except as held back by the watchful providence and unceasing grace and goodness of the Lord.
These “lovers” of ours are our old sins and former lusts which still crave for gratification. To these sometimes the carnal mind looks back and says, “Where are my lovers that gave me my food and drink? Where are those former delights that so pleased my vile passions, and so gratified my base desires?”
These lovers, then, are . . .
the lust of the flesh,
the lust of the eyes,
and the pride of life;
all which, unless subdued by sovereign grace, still work in our depraved nature, and seek to regain their former sway.
But the Lord, for the most part, mercifully interposes, nor will He usually let His children do what they gladly would do; or be what they gladly would be. He says, “therefore I will block your path with thornbushes; I will wall you in so that your cannot find your way.” (Hosea 2:6)
The Lord, in His providence or in His grace, prevents our carnal mind from carrying out its base desires; hedges up our way with thorns—by which we may spiritually understand prickings of conscience, stings of remorse, pangs of penitence—which are so many thorny and briery hedges that fence up the way of transgression, and thus prevent our carnal mind from breaking forth into its old paths, and going after these former lovers to renew its ungodly alliance with them. A hedge of thorns being set up by the grace of God, our soul is unable to break through this strong fence, because the moment that it seeks to get through it, or over it, every part of it presents a pricking brier or a sharp and strong thorn, which wounds and pierces our conscience.
What infinite mercy, what surpassing grace, are hereby manifested! Were our conscience not made thus tender so as to feel the pricking brier, we can hardly tell what might be the fearful consequence, or into what a miserable abyss of sin and transgression our soul would fall. But these lacerating briers produce remorse of soul before God; for finding, as the Lord speaks, “that when she runs after her lovers, she won’t be able to catch up with them. She will search for them but not find them,” there comes a longing in her mind for purer pleasures and holier delights than her adulterous lovers could give her. And thus a change in her feelings is produced, a revolution in her desires. “Then she will say, I will go back to my Husband as at first, for then I was better off than now.” The idea is of an adulterous wife contrasting the innocent enjoyments of her first wedded love—with the state of misery into which she had been betrayed by base seducers.
And thus the soul spiritually contrasts its former enjoyment of the Lord’s presence and power—with its present state of darkness and desertion. “Where,” she would say, “are my former delights, my first joys, and the sweetness I had in days now passed, in knowing, serving, and worshiping the Lord? Ah! He was a kind and loving husband to me in those days. I will return to Him if He will graciously permit me, for it was better with me when I could walk in the light of His countenance, than since I have been seeking for my lovers, and reaping nothing but guilt, death, and condemnation.”
It is in these storms
“When the storm has swept by, the wicked are gone; but the righteous stand firm forever.” Proverbs 10:25
The very storms through which the believer passes, will only strengthen him to take a firmer hold of Christ. As the same wind that blows down the shallow-rooted tree, only establishes the deep-rooted tree—so the same storms which uproot the ‘shallow professor’, only establish the ‘true believer’ more firmly in Christ. Though these storms may shake off some of his ‘leaves’, or break off some of the ‘rotten boughs’ at the end of the branch, they do not uproot the believer’s faith, but rather strengthen it.
It is in these storms that he learns . . .
more of his own weakness, and of Christ’s strength; more of his own misery, and of Christ’s mercy; more of his own sinfulness, and of superabounding grace; more of his own poverty, and of Christ’s riches; more of his own desert of hell, and of his own title to heaven. It is in these storms that the same blessed Spirit who began the work carries it on; and goes on to engrave the image of Christ in deeper characters upon his heart; and to teach him more and more experimentally the truth as it is in Jesus.
“Have mercy on me, O God, have mercy!
I look to You for protection.
I will hide beneath the shadow of Your wings until this violent storm is past.” Psalm 57:1