Meditations on Ephesians Chapter Two — Part 1
Efeze 2:1-22
Wij hebben reden om te geloven dat onze Overdenkingen over het woord van de waarheid door onze geestelijke lezers over het algemeen gunstig zijn ontvangen. Dat moedigt ons aan om ze voort te zetten. Wie de nodige genade en gave heeft om de gedachte van de Geest in de Schrift te begrijpen en te openen, geeft daarmee meestal onderwijs en stichting. Daarom willen we onze Overdenkingen in die richting sturen. We hopen dat de Heere Zich zal verwaardigen Zijn eigen woord te zegenen voor Zijn eigen volk, zoals het hun zo wordt voorgehouden.
We bestuderen de Schriften al vele jaren, vooral die van het Nieuwe Testament. Soms hebben we er veel zoetheid en zaligheid in gezien, gevoeld en gesmaakt. Wat we zo met onze handel hebben gewonnen, willen we in de schatkist werpen. Mogen we daarmee het verstand verlichten, het geloof versterken, de hoop bemoedigen en de liefde opwekken van iemand uit het levende gezin van God, voor Zijn dierbare Zoon en voor het woord van de belofte in Hem? Dan achten we onszelf ruimschoots beloond voor al onze arbeid.
We hebben ons afgevraagd of we onze uitleg van de brief aan de Efeziërs moesten voortzetten of een ander gedeelte van het woord van de waarheid ter hand moesten nemen. Onder die andere gedeelten heeft 1 Petrus zich aan ons voorgedaan. We hebben daarin veel stichtelijke en leerzame stof voor een uitleg gezien. Elke weg heeft zijn eigen voordelen. Met 1 Petrus zouden we als het ware nieuwe grond openbreken en zo wat afwisseling in het onderwerp brengen. Dat is tot op zekere hoogte wenselijk, want één voortdurende gedachtegang heeft de neiging schrijver en lezer te vermoeien.
Door met de brief aan de Efeziërs door te gaan, hebben we echter het voordeel dat we kunnen bouwen op een fundament dat al is gelegd. Zo kunnen we de grote en heerlijke waarheden die we al hebben ontsloten, laten uitmonden in bevinding en praktijk. Efeze 2:1-22 is een zeer schone ontwikkeling en toepassing van de verheven en heerlijke leerstukken uit het eerste hoofdstuk. Het ontvouwt zeer helder en duidelijk de vrucht van de geestelijke zegeningen waarmee wij in Christus gezegend zijn in de hemelse gewesten.
In onze uitleg van het eerste hoofdstuk hebben we het fundament gelegd. Het voordeel van het optrekken van een passend bouwwerk daarop weegt volgens ons zwaarder dan het openbreken van nieuwe grond. In die hoop en dat vertrouwen hebben we dus besloten om met de hulp en zegen van de Heere door te gaan met onze uitleg van de brief aan de Efeziërs.
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1).
Het is opmerkelijk welke bevindelijke en praktische wending de apostel geeft aan de opstanding, verhoging en verheerlijking van de Heere Jezus Christus. Hij laat het niet bij een louter leerstuk, dor en werkeloos. Hij komt meteen bij persoonlijke en praktische vruchten: En u heeft Hij mede levend gemaakt. Zo doet hij een beroep op de persoonlijke bevinding van de heiligen in Efeze.
Zij droegen in hun eigen boezem een levend bewijs van de heerlijke waarheden die hij had uiteengezet over het opgestane Hoofd van de gemeente. Het was alsof hij zei: u hebt een bewijs en getuigenis in uw eigen boezem van de opstanding en verheerlijking van de Heere Jezus. Want als opgestane en verheerlijkte Heere heeft Hij goddelijk leven in uw ziel geblazen.
Hij kon hun dus schrijven zoals Petrus sprak toen hij voor de raad stond: De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout. Deze heeft God door Zijn rechter hand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden. En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn (Handelingen 5:30-32).
Zo zien we het verband tussen de verheerlijking van Christus en de gave van de Heilige Geest. Onze genadige Heere zei in Zijn gesprek met Zijn discipelen: Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (Johannes 16:7). Johannes verklaart daarom: En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was (Johannes 7:39).
Uit deze plaatsen zien we dat de gave en zending van de Heilige Geest de onmiddellijke vrucht was van de verheerlijking van Zijn dierbare Zoon. Het was ook het zichtbare getuigenis dat God Hem had verheerlijkt en tot Zijn rechterhand had verhoogd als Vorst en Zaligmaker.
Hij ging omhoog en nam het reukwerk van Zijn offer en dood met Zich binnen het voorhangsel. Zo stelde Hij Zichzelf voor de ogen van de Vader als de grote Hogepriester over het huis van God. Daarmee nam Hij elke hindernis weg die de vrije stroom van de Heilige Geest in Zijn gaven en genaden naar de mensenkinderen als het ware had tegengehouden.
Misschien rijst bij sommige van onze lezers de vraag: als dit zo is, lijkt het alsof de Heilige Geest pas gegeven werd toen Christus verheerlijkt was. Wat was dan het geloof, wat was de hoop en wat was de godsdienst van de oudtestamentische getuigen? Werden zij niet door de Heilige Geest onderwezen? Hadden zij de Heilige Geest niet? Zegt David niet uitdrukkelijk: neem Uw Heiligen Geest niet van mij (Psalm 51:13)?
Hierop antwoorden we ten eerste dat de Heilige Geest hun ongetwijfeld gegeven was en in hen was. Petrus zegt van de profeten van vroeger dat zij onderzochten op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende (1 Petrus 1:11).
Maar Hij werd vooruitlopend gegeven, op dezelfde manier als vergeving van zonde werd gegeven. Strikt genomen was er geen vergeving van zonde totdat de Zoon van God haar had weggedaan door het offer van Zichzelf. Maar God vergaf de zonde vooruitlopend, met het oog op de verzoening die Zijn dierbare Zoon ervoor zou aanbrengen.
Zo waren alle gaven en genaden van de Heilige Geest vóór de verheerlijking van Jezus vooruitlopend. Tot Zijn hemelvaart had Hij nog geen gaven ontvangen voor de wederspannigen, opdat de Heere God onder hen zou wonen (Psalm 68:19). Bovendien was de Heilige Geest nog niet uitgestort in de volle rijkdom van Zijn gaven en genaden. Er was nog niet die volle doop met de Heilige Geest die de Heere Zijn discipelen vóór Zijn hemelvaart beloofde: Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen (Handelingen 1:5).
Maar nu Hij omhoog is gegaan, heeft de genadige Heere als Middelaar tussen God en mensen een weg geopend. Arme zondaars kunnen langs die weg vrijuit tot God naderen. Het is ook een weg waarlangs Hij vrij en volledig de Heilige Geest kan uitzenden om van Hemzelf te getuigen. En die heilige en gezegende Trooster verheugt zich erin Zijn verbondsambt te vervullen. Hij neemt de dingen van Christus, toont ze aan Zijn volk en verheerlijkt Hem zo (Johannes 16:14).
In de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van Jezus zien we een schat van hemelse genade. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kolossenzen 1:19). Wie van de leden van Zijn mystieke lichaam nog dood is in de zonde, tot goddelijk en geestelijk leven te brengen, ligt dan ook in het hart en de handen van Hem, aan Wie alle macht in hemel en op aarde is gegeven.
Wat een mens ook is in de ogen van God, als in Christus Jezus uitverkoren voor de grondlegging der wereld en reeds gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel in Hem (Efeze 1:3-4), hij moet levend worden gemaakt tot goddelijk leven. Pas daarna kan hij komen tot die openbare vereniging en gemeenschap met Gods dierbare Zoon. Die brengt hem in het geestelijk bezit van de zegeningen van het evangelie en in werkelijke deelname eraan.
Bedenk echter eens in wat voor staat een mens verkeert voordat hij zo goddelijk levend is gemaakt. Zie in welke staat de mensen verkeren: vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten (Efeze 4:18). Merk dan op wat een wonderlijk vertoon het is van soevereine genade en almachtige kracht om geestelijk leven te blazen in een ziel die zo diep in de dood is weggezonken.
Het bijzondere kenmerk van God is dat Hij leeft. Het is dus het voornaamste kenmerk waarbij Hij zwoer toen Hij bij Zichzelf zwoer (Hebreeën 6:13): Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE (Numeri 14:28). Wat een nadruk ligt hier op Zijn eigen eeuwig bestaan! Toen godvrezende mannen van ouds bij Hem zwoeren, was hun taal: zo waarachtig als de HEERE leeft (1 Samuël 14:39).
Leven en dood kunnen nu zelfs op aarde en tussen mensen geen vereniging of gemeenschap hebben. Toen Sara stierf, de geliefde levensgezellin van Abraham, zei de bejaarde aartsvader tot de zonen van Heth: Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave (Genesis 23:4).
Zij die zo lang het sieraad van zijn ogen was geweest, de vrouw van zijn boezem en de moeder van zijn Izak, moest nu uit zijn ogen worden begraven. Want de dood was tussen hen gekomen en met de dood waren de noodzakelijke gevolgen van de dood gekomen die haar verwijdering uit zijn ogen eisten. Een levende Abraham en een dode Sara konden niet meer in dezelfde tent wonen en niet meer in hetzelfde bed liggen.
Als dit al waar is in de dingen van de aarde en in de banden die de ene mens aan de andere binden, hoeveel te meer is het dan waar in de dingen van de hemel. Wat voor vereniging of gemeenschap kan er zijn tussen een levende God en een dode ziel? Maar er is nog iets ergers dan de dood: dood waart door de misdaden en de zonden.
Bij de natuurlijke dood zijn bederf en verrotting erger dan het loutere overlijden, dan de bleke wang en het koude, stijve lichaam. Ze zijn weerzinwekkender, walgelijker en maken de vereniging en gemeenschap met de levenden nog meer onmogelijk. Konden onze mooie meisjes zichzelf zien of konden hun verliefde aanbidders hen zien zoals ze er een week of twee na hun begrafenis uitzien, dan zou dat de doodsklok luiden over alle bekoring van schoonheid.
Maar zelfs het natuurlijke bederf, de gruwelijkheid van de verrotting, de walgelijke verandering die over de zachte wang en de flonkerende ogen van de schoonheid is gekomen, zijn niets bij de walgelijkheid van de zonde in de ogen van een heilige God. Zelfs ons zedelijk gevoel ziet en voelt dit soms. We kunnen de bekoring van maagdelijke bescheidenheid bewonderen maar we walgen van de beschilderde wang van de pronkende hoer.
We kunnen ons in onze verbeelding de walging van een rottend lijk voor de geest halen. Maar alles wat het oog zou kunnen zien of de verbeelding zou kunnen aanreiken bij zo’n tafereel, blijft ver achter bij wat de mens is voor de ogen van zijn Maker als dood in misdaden en zonden.
We kunnen dus nooit genoeg de rijkdom van Zijn vrije, soevereine en onderscheidende genade verheerlijken en aanbidden. Dat geldt als we enig duidelijk getuigenis hebben dat de Heere ons, die dood waren in misdaden en zonden, levend heeft gemaakt. Nooit, nooit hadden we onze eigen dode ziel leven kunnen geven.
Een lijk kan evenmin uit het graf opstaan en tevoorschijn komen om te ademen en te leven in het licht van de zon en te wandelen onder levende mensen. Zo kan ook een ziel die dood is in misdaden en zonden zichzelf niet uit de dood levend maken om te leven in het licht van Gods aangezicht en te wandelen in vereniging en gemeenschap met Zijn dierbare Zoon en Zijn levende volk.
De dood in zonde is natuurlijk een beeld en moet ook zo worden uitgelegd. De betekenis is zedelijke dood. Daaronder verstaan we de volstrekte afwezigheid van alles wat heilig, hemels, geestelijk en goddelijk is. Het is het geheel ontbreken van deelname aan het leven dat God leeft, en van gelijkvormigheid daaraan. Hij leeft als wezenlijk en eeuwig heilig, rein, wijs en goed en woont voor eeuwig in het heerlijke licht van Zijn eigen oneindige volmaaktheden.
Dood zijn betekent dus geen deel of lot hebben met God. Er is geen kennis van Hem, geen geloof, geen vertrouwen en geen hoop op Hem. Er is geen besef van Zijn tegenwoordigheid en geen eerbied voor Zijn ontzagwekkende Majesteit. Er is geen verlangen naar Hem en geen neiging tot Hem. Er is geen beven voor Zijn woord en geen steunen op Zijn belofte. Er is geen hunkering naar Zijn genade en geen zorg of bekommernis om Zijn eer.
Het is voor Hem zijn als een beest. Zo’n mens is als een dier uit op bevrediging van de begeerten van de lust of de bewegingen van de louter dierlijke hartstocht, zonder enige gedachte of zorg over de afloop. Hij is erop gebrand elk natuurlijk voornemen in daden om te zetten, alsof we onze eigen scheppers waren en onze eigen rechter, onze eigen heer en onze eigen God.
O, wat een vreselijke staat is het om zo dood te zijn in de zonde en dat niet te weten en niet te voelen! Zo’n mens beseft het gevaar van nu en het zekere einde in het geheel niet, tenzij hij ervan wordt verlost door een machtige daad van soevereine kracht. Juist dit gebrek aan alle besef en gevoel maakt de dood van de ziel tot niet meer dan een afbeelding van die tweede dood, en tot het voorspel ervan. Die tweede dood strekt zich uit door een grenzeloze eeuwigheid.
Maar de apostel verandert nu het beeld: In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld. Als een mens werkelijk en letterlijk dood was, kon hij duidelijk niet wandelen. En als de ziel van de mens in hem dood was en beroofd van alle verstand, gevoel, verlangen, wil of genegenheid, zou ze evenmin als een richtende invloed tot enige beweging in het lichaam in staat zijn als een dood lichaam tot enige lichamelijke beweging.
De dood van de ziel is dus haar dood naar God toe. Ze is levendig en bedrijvig genoeg op de wegen van de zonde. Ze is levendig en bedrijvig genoeg in het volgen en uitvoeren van elke neiging en beweging tot zelfbevrediging. Daar kent ze geen dood. Haar dood is er alleen ten opzichte van God. Ten opzichte van de mens is ze levendig genoeg.
De hele wereld is niets anders dan een verzameling mensen. Allen zijn evenzeer dood voor God maar evenzeer levend voor zichzelf. Dezelfde hartstochten, begeerten, gedachten, gevoelens, lusten en neigingen beheersen met meer of minder kracht elke boezem. Het geheel vormt wat de apostel noemt “de loop van deze wereld”. In een rivier stroomt elke druppel met de rest in één koers naar de zee.
In een menigte die allemaal rent om hetzelfde schouwspel te zien, vormt elk mens met de rest een ononderbroken stroom van mensen, allemaal gericht op hetzelfde doel. Zo is er ook een “loop van deze wereld”. De enkelingen zijn slechts druppels in de stroom, elk mens een eenheid van een som die elke berekening te boven gaat. Maar het hele collectief vormt één massa, als een menigte die met een gemeenschappelijk doel voortstormt en waarin ieder zijn naaste voortduwt met een onweerstaanbare kracht waartegen niemand zich verzet.
Combineer nu de twee gedachten van de apostel. We zullen straks zien dat er nog een andere werkzaamheid bijkomt. Maar combineer en vergelijk de twee gedachten van de dood in de zonde en het wandelen naar de loop van deze wereld. Wat leiden we uit die combinatie af? Is het niet dat wandelen naar de loop van deze wereld hetzelfde is als dood zijn in de zonde?
De loop van deze wereld is niet altijd of misschien zelfs niet vaak een loop van die beslist openlijke overtreding die gewoonlijk met de naam zonde wordt gestempeld. Menig wereldmens kan het zich niet veroorloven een openlijk zondaar te zijn. Hij zou zijn plaats in de maatschappij verliezen, zijn goede naam verbeuren en zijn reputatie schaden. Daarmee zou hij ook zijn hoop op vooruitgang in het leven verliezen als hij zich de openlijke, ongeremde beoefening veroorloofde van die schendingen van de moraal waarop de wereld in het algemeen en de goede samenleving in het bijzonder haar stempel van afkeuring heeft gedrukt.
Toch is hij daarom niet minder een goddeloos mens, niet alleen dood maar dood in misdaden en zonden. Hij kan een heimelijke ongelovige zijn, hoewel hij geregeld zijn kerk of kapel bezoekt. Hij kan een innerlijke spotter en hoonder zijn van alle levende godzaligheid, hoewel hij de vorm ervan netjes in acht neemt. Hij kan een volslagen hater van God en Zijn volk zijn, maar te voorzichtig of te welvoeglijk om zijn vijandschap openlijk lucht te geven.
Hij kan een aanmatigende rebel zijn, een hoogmoedige, hebzuchtige, harde en ijzeren onderdrukker van de armen. Hij kan een liefdeloze echtgenoot zijn en een dwingende vader. Hij kan een strenge, gevoelloze meester zijn, een berekenende, gewetenloze geldgraaier en een zelfzuchtige ellendeling, niet in staat tot een edele gedachte of een royale daad. En toch kan hij al die tijd binnen de grenzen van de strengste moraal blijven en hard oordelen over de minste afwijking daarvan.
Duizenden van zulke mannen, die min of meer op verschillende punten van deze schets lijken, al zeggen we niet dat ze alle ergste trekken in zich verenigen, betreden elke dag de Londense stoep. Ze zitten in gemakkelijke stoelen op kantoor, schrijven cheques op hun bankiers en bedienen hun klanten in winkels. Ze vullen elke rang en stand van de maatschappij, van de miljonair die in zijn koets uit de City naar huis rolt tot de veger op het straatkruispunt, aan wie hij in de overvloedige milddadigheid van zijn hart een penny toewerpt na een geslaagde zakelijke slag.
Ook vinden we hier in dichte rijen tal van mannen en vrouwen die zichzelf zeer godsdienstig achten en dat meestal ook worden gevonden. Ze zouden het een smet en een schande vinden als ze niet een of andere godsdienst beleden, min of meer gekenmerkt door een uiterlijke en onderscheidende vorm. Ze zijn onbevlekt door uiterlijke zonden en zedelijk en consequent in hun gedrag.
Ze zijn vriendelijk, vrijgevig en mild, actief en energiek in allerlei werken van menslievendheid en weldadigheid. Ze bezitten werkelijk vele beminnelijke en bewonderenswaardige eigenschappen en zijn in ruime mate begiftigd met huiselijke en maatschappelijke deugden die respect en navolging verdienen. Ze zijn zeer nuttige en eervolle leden van de maatschappij, de steun en stut van ons gezegende land.
Toch dragen ze het noodlottige merkteken dat ze wandelen naar de loop van deze wereld. Hun godsdienst heeft hen er nooit werkelijk van gescheiden of hen eraan gekruisigd. Wat ze ook mogen zijn voor mensen, en we hebben vrijuit toegegeven dat ze vele bewonderenswaardige eigenschappen bezitten: voor God zijn ze dood in de zonde, omdat ze wandelen naar de loop van deze wereld. Hij ziet niet zoals de mens ziet en Hij kijkt naar het hart.
In een menigte mensen die allemaal dezelfde kant op gaan en uit zijn op hetzelfde doel, kunnen grote uiterlijke verschillen bestaan. Sommigen zijn gekleed in lompen en anderen in keurige kleding. Sommigen stormen onder gevloek en lawaai voorwaarts en anderen bewegen zich stil en gestaag. Sommigen leiden en anderen volgen. Sommigen sporen de achterblijvers aan en anderen lijken meer gedreven door dwang dan vol ijver en levendigheid om als eerste en voorste in de race te zijn. Maar allen volgen één koers, een koers die allen naar hetzelfde uiteindelijke einde leidt. Zo is het met allen die wandelen naar de loop van deze wereld.
Als ze tot op het diepste binnenste werden doorzocht en hun harten naakt en bloot lagen voor de ogen van Hem, met Welken wij te doen hebben (Hebreeën 4:13), zou blijken dat ze geen enkel oog hebben voor Zijn eer. Er zou geen godvrezende vrees of heilige eerbied voor Zijn grote naam zijn en geen oprecht streven Hem te behagen of angst Hem te mishagen.
Er zou geen ernstig verlangen zijn of ernstig uitademen van begeerte om Zijn wil te kennen en te doen. In één woord: niets hemels, heiligs, geestelijks of genadigs. Niets is de vrucht van een nieuwe geboorte of ontspringt aan de werking van de Geest van God op de ziel.
Hun beweegredenen, beginselen, doel, oogmerk en verlangen zijn werelds en naar de loop van deze wereld. Dat geldt voor waar ze van leven en waarvoor ze leven en voor de hele strekking en richting van hun woorden en daden. Ze zijn weliswaar bedekt met een dunne sluier van vrome belijdenis en godsdienstig taalgebruik. Daardoor misleiden ze zichzelf en anderen met de stellige overtuiging dat ze niet zijn zoals andere mensen. Ze menen dat ze er goed voor staan, als ze al niet nu hoog in de gunst van God staan.
Wat zou een straal van goddelijk licht deze bedrieglijke sluier uiteenrijten, wanneer die als een woord uit Gods mond met levendmakende kracht hun hart binnenkwam! Hij zou hun geweten doorboren als een tweesnijdend zwaard en hen met hun belijdenis naakt en bloot leggen voor Hem Die in Zijn heerlijke Majesteit een verterend vuur is (Hebreeën 12:29).
Maar de apostel noemt nog een ander kenmerk van wie dood zijn in misdaden en zonden. Hij noemt nog een andere reden waarom wie wandelen naar de loop van deze wereld nu zonder hoop en zonder God zijn. Ze staan onder een satanische invloed. Het is verschrikkelijk om eraan te denken. Als het ten volle werd beseft, zou het genoeg zijn om allen die eronder staan te vervullen met angst en schrik. En toch is het een even onloochenbaar feit als Gods eigen bestaan, als we het woord van God aanvaarden als zuivere onfeilbare waarheid.
De woorden van de apostel zijn: naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. U ziet dat het woord “naar” hier verbonden is met hun wandelen. Ze worden gezegd te wandelen “naar” de loop van deze wereld, dat wil zeggen in overeenstemming met en in gehoorzaamheid aan de drijvende kracht, prikkel en invloed van deze wereld. Zo wandelen ze ook “naar” de overste van de macht der lucht, dat wil zeggen onder de prikkel en invloed van hem.
Dit vraagt echter om een nauwkeuriger en volledigere beschouwing. Met den overste van de macht der lucht wordt hier Satan bedoeld, want hij is den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Hier zijn verscheidene dingen opmerkelijk. Ten eerste het plechtige feit dat er zo’n helse figuur is, vol dodelijke vijandschap tegen God en mens. Ten tweede dat zijn zetel in de lucht is. Ten derde dat hij werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Ten vierde dat allen die wandelen naar de loop van deze wereld onder zijn invloed staan.
1. Het bestaan zelf van zo’n wezen als Satan wordt nu door velen ontkend. De leer van de Schrift over de duivel wordt nu vaak beschouwd als een Joodse overlevering of als een oosterse mythe. Of men ziet haar als louter een sterke en figuurlijke voorstelling van het kwaad, dat in een beeldspraak een lichamelijke gedaante krijgt. Het geloof in het persoonlijke bestaan van de duivel zou in onze verlichte tijd op één lijn te stellen zijn met het geloof in het bestaan van heksen, spoken en verschijningen en in de werking van toverformules en magische bezweringen.
Maar het persoonlijke bestaan van Satan als boze geest wordt in de Schriften, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zo sterk beleden. Het is ook zo verweven met de geschiedenis van de Heere Zelf in de Evangeliën en met de taal van de inspiratie in de brieven. Daarom moeten we het ofwel geloven op het gezag van Gods getuigenis, ofwel erkennen dat we ongelovigen zijn wat het aannemen van het hele en onverkorte woord van God betreft.
Het is juist een deel van Satans eigen bijzondere sluwheid om mensen van zijn niet-bestaan te overtuigen. Zo kan hij hen met meer succes in zijn strikken vangen, zoals Hart terecht zegt:
De duivel kan zelfverloochening gebruiken, en dat met duivelse, zelfzuchtige bedoelingen. Hij loochent zijn bestaan en zijn staat en leert dat er geen duivel of hel is.
Zijn bestaan ontkennen is dus niet alleen het woord van God ontkennen. Het toont duidelijk dat hij de ogen van wie hij naar zijn wil leidt des te succesvoller heeft verblind, doordat hij voor hen verbergt dat hij hun gids is. Hierbij hoeven we echter niet langer stil te staan. Het is voor ons genoeg op dit punt, zoals op elk ander punt van geopenbaarde waarheid, te zeggen: God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig (Romeinen 3:4).
2. In de woorden voor ons wordt hij echter genoemd den overste van de macht der lucht. Daaruit leiden we drie dingen af: dat hij een overste is, dat hij grote macht bezit en dat zijn zetel in de lucht is. Onze genadige Heere noemt hem de overste dezer wereld en de apostel Paulus noemt hem de god dezer eeuw (Johannes 14:30; 2 Korinthe 4:4). De woorden “overste” en “god” zelf houden heerschappij en gezag in. Waarin deze heerschappij bestaat en waaruit dit gezag vooral bestaat, leert de Schrift ons niet duidelijk.
Toch vinden we telkens weer in het woord van de waarheid, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, een heerschappij en een gezag die aan Satan worden toegeschreven. Daarmee regeert en heerst hij over de mensenkinderen. We kunnen nu niet volledig op dit onderwerp ingaan.
Het meest verontrustende kenmerk ervan is dat het onzichtbaar is en toch van verbazingwekkende sterkte en kracht. Er zijn inderdaad grenzen aan gesteld door de bestuurlijke voorzienigheid en de absolute heerschappij van God. Bij Zijn dierbare kinderen is deze macht gebroken en mag ze slechts zo dicht bij hen komen als verenigbaar is met de voornemens van God en hun uiteindelijk voordeel.
Stond de macht van Satan niet onder het bestuurlijk gezag van God wat Zijn eigen gezin betreft, dan zou dit aardse tafereel spoedig een woeste arena van dood en verderf worden. De getuigen van Gods waarheid zouden dan worden weggevaagd door de boosaardigheid van de overste van deze wereld en de woedende vijandschap van zijn handlangers en volgelingen.
3. De zetel van deze overste, zijn woonplaats van waaruit hij de wijde uitgestrektheid van zijn rijk overziet, is de lucht boven en rondom deze aardbol. Dat geeft hem zo’n snelheid van vlucht en zo’n snelle toegang tot alle plekken en plaatsen. Het geeft hem het vermogen zich met meer dan de snelheid van de arend naar zijn prooi te verplaatsen, of van de gier naar het gevallen aas. Satan is niet alomtegenwoordig, dat wil zeggen niet op elke plaats aanwezig, want de algemene tegenwoordigheid behoort alleen God toe.
Maar als geest behoudt hij, ook al is hij een gevallen geest, de oorspronkelijke eigenschappen van een engelennatuur. Hij kan zich met een gemak en een snelheid waarvan we geen begrip hebben naar elk punt van het kompas verplaatsen en naar elke plek waarop zijn oog is gericht als toneel van helse activiteit.
Dit zijn geen louter bespiegelingen of zelfs maar gezonde afleidingen uit de taal van de inspiratie. Ze zijn zwanger van waarschuwing en vermaning. Zijn we omringd door Satan en een hele schare helse engelen, allemaal gereed op zijn wenk en allemaal met hem in bondgenootschap? Zijn ze misschien nauwelijks minder sterk en sluw dan hij en allen even erop gebrand ons wee te doen, zo niet ons te verderven?
Hoe zorgvuldig, hoe waakzaam en hoe voorzichtig moet ons dit maken in al onze bewegingen! We moeten voelen dat we, waar we ook gaan of zijn, worden bespied door een helse tegenstander. Hij zweeft om ons heen in de lucht als een roofvogel die wacht op een gunstig ogenblik om op ons neer te schieten en ons te verwonden en te verminken, als hij ons niet kan vernietigen.
En hoe zou dit ons ertoe moeten leiden ons onophoudelijk door geloof en gebed als het ware onder de bescherming van onze Almachtige Vriend te stellen. Dan kan Hij onze Beschermer en Behoeder zijn tegen de openlijke aanvallen en de innerlijke verzoekingen van onze dodelijke tegenstander. In het laatste hoofdstuk van deze brief geeft de apostel ons de plechtige oproep: Doet aan de gehele wapenrusting Gods.
En waarom? opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels (Efeze 6:11). En dan voegt hij toe: Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Efeze 6:12).
Als we de kantlijn raadplegen, zien we dat in de King James-vertaling “hoge plaatsen” vertaald is met “hemelse plaatsen”, dat wil zeggen de lagere hemelen, overeenkomend met het luchtgebied waarin Satan zijn zetel heeft.
4. Maar het hoofdpunt dat nu voor ons ligt, is het plechtige feit dat Satan werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Wat zijn deze woorden wijd en veelomvattend! Maar omdat dit onderwerp een uitvoeriger beschouwing vraagt dan we er nu aan kunnen geven, moeten we onze opmerkingen daarover bewaren voor ons volgende stuk.
As we have reason to believe that our Meditations on the word of truth have been, for the most part, favorably received by our spiritual readers, we feel encouraged to continue them; and as exposition of the Scriptures, if one has the necessary grace and gift to understand and open the mind of the Spirit in them, is generally allowed to be both instructive and edifying, we desire to direct our Meditations into that channel, in the hope that the Lord may condescend to bless his own word to his own people as thus brought before them.
Having been for many years a student of the Scriptures, especially those of the New Testament, and having at times seen, felt, and tasted much sweetness and blessedness in them, we desire to cast into the treasury what we may have thus gained by trading; and if we should be the favored instrument of thereby enlightening the understanding, strengthening the faith, encouraging the hope, and drawing forth the love of any of the living family of God upon his dear Son and the word of promise in him, we shall consider ourselves well repaid for all our labors.
It has been a question with us whether we should go on with our exposition of the Epistle to the Ephesians, or take up some other portion of the word of truth; and among them 1 Peter has presented itself to our view as a portion in which we have seen much edifying and instructive matter for exposition. Each course would have its distinctive advantages. By taking up 1 Peter, we would break, as it were, new ground, and thus afford a little variety of subject, which is, to a certain extent, desirable, as one continued strain of thought has a tendency to weary the mind of both writer and reader. But, on the other hand, by going on with the Epistle to the Ephesians, we would have the advantage of building on a foundation already laid, and thus be able to bring the great and glorious truths which we have already opened up to an experimental and practical outcome.
The second chapter of Ephesians is a most beautiful development and application of the sublime and glorious doctrines set forth in the first, and unfolds very clearly and distinctly the fruit of those spiritual blessings with which we are blessed in Christ in the heavenly places. As then in our exposition of the first chapter we have laid the foundation, we think that the advantage of rearing on it a fitting superstructure preponderates over breaking up fresh ground; and therefore, in that hope and confidence, we have decided, with the Lord’s help and blessing, to go on with our exposition of the Epistle to the Ephesians.
“And you has he quickened, who were dead in trespasses and sins.” (Eph. 2:1.)
It is worthy of observation, what an experimental and practical turn the Apostle gives to the resurrection, exaltation, and glorification of the Lord Jesus Christ. He does not leave it as a mere doctrine, barren and inoperative, but comes at once to personal and practical fruits—“And you has he quickened.” He thus appeals to the personal experience of the Ephesian saints, as carrying in their own bosom a living proof of the glorious truths which he had laid down concerning the risen Head of the Church. “You,” he would say, “have a proof and evidence in your own bosom of the resurrection and glorification of the Lord Jesus, for, as risen and glorified, he has breathed divine life into your soul.” He could, therefore, write to them, as Peter spoke when he stood before the council—“The God of our fathers raised Jesus from the dead—whom you had killed by hanging him on a tree. God exalted him to his own right hand as Prince and Savior that he might give repentance and forgiveness of sins to Israel. We are witnesses of these things, and so is the Holy Spirit, whom God has given to those who obey him.” (Acts 5:30-32.) We see here, then, the connection between the glorification of Christ and the gift of the Holy Spirit.
Our gracious Lord, in his discourse with his disciples, said to them, “Nevertheless I tell you the truth; It is expedient for you that I go away—for if I go not away, the Comforter will not come unto you; but if I depart, I will send him unto you.” (John, 16:7.) John, therefore, declares, “But this spoke he of the Spirit, which those who believe on him should receive—for the Holy Spirit was not yet given; because Jesus was not yet glorified.” (John 7:39.) We see from these passages that the giving and sending of the Holy Spirit was the immediate fruit as well as the visible testimony that God had glorified his dear Son, and exalted him to his own right hand to be a Prince and a Savior. By going up on high and taking with him within the veil the incense of his sacrifice and death, and thus presenting himself before the eyes of the Father as the great High Priest over the house of God, he removed every barrier which had checked, so to speak, the free flow of the Holy Spirit in his gifts and graces to the children of men.
But the question may, perhaps, arise in the mind of some of our readers—“If this be the case, it would seem as if the Holy Spirit was not given until Christ was glorified; and if so, what was the faith and hope, and what was the religion of the Old Testament worthies? Were they not taught by the Holy Spirit? Had they not the Holy Spirit? Does not David expressly say, “Take not your Holy Spirit from me?” To this we answer, First, that indubitably the Holy Spirit was given to them and was in them; for Peter, speaking of the ancient prophets, says of them that they “searched what or what manner of time the Spirit of Christ which was in them did signify, when it testified beforehand the sufferings of Christ, and the glory that should follow.” (1 Pet. 1:11.) But he was given prospectively, in the same way as pardon for sin was given. Properly speaking, there was no pardon of sin until the Son of God had put it away by the sacrifice of himself. But prospectively God pardoned sin with a view to the atonement which was to be made by his dear Son for it. So all the gifts and graces of the Holy Spirit before Jesus was glorified were prospective; for until his ascension, he had not received gifts for the rebellious, that the Lord God might dwell among them.
Also, the Holy Spirit was not yet poured out in all the fullness of his gifts and graces. There was not yet that full baptism of the Holy Spirit which the Lord promised to his disciples before his ascension—“For John truly baptized with water, but you shall be baptized with the Holy Spirit not many days hence.” (Acts 1:5.) But now having gone up on high, the gracious Lord, as Mediator between God and men, has not only opened a way whereby poor sinners may draw near freely unto God, but a way also whereby he can freely and fully send forth the Holy Spirit to testify of himself. And that holy and blessed Comforter delights in fulfilling his covenant office in taking of the things of Christ, showing them to his people, and thus glorifying him. In the resurrection, the ascension, and glorification of Jesus we see a treasure of heavenly grace; for it has pleased the Father that in him should all fullness dwell. To quicken, therefore, into divine and spiritual life those members of his mystical body who are yet dead in sin, is in his heart and his hands to whom all power has been given in heaven and in earth.
Now, whatever a man may be in the sight of God as chosen in Christ Jesus before the foundation of the world, and blessed, already blessed, with all spiritual blessings in heavenly places in him, he must be quickened into divine life before he can be brought into that manifest union and communion with God’s dear Son which puts him into a spiritual possession of, and real participation in the blessings of the gospel. But consider, for a moment, in what a state a man is before thus divinely quickened, and see how he is “alienated from the life of God through the ignorance that is in him, because of the blindness and hardness of his heart.” Then observe what a wonderful display it is of sovereign grace and omnipotent power to breathe spiritual life into a soul so utterly sunk in death.
The special character of God is that he lives. It is, therefore, the chief attribute by which he swore when he swore by himself, “As I live, says the Lord.” What emphasis is here! What a dwelling upon his own Eternal existence! And so when godly men of old swore by him, their language was, “As the Lord lives.” Now life and death, even on earth and between man and man, can have no union or communion. When Sarah, the beloved partner of Abraham, died, the aged patriarch said to the sons of Heth—“I am a stranger and a sojourner with you; give me a possession of a burying-place with you, that I may bury my dead out of my sight.” (Gen. 23:4.) She who had so long been the delight of his eyes, the wife of his bosom and the mother of his Isaac, must now be buried out of his sight; for death had come between them, and with death had come those necessary accompaniments of death which demanded her removal out of his sight. A living Abraham and a dead Sarah could live no more in the same tent, and lie no more in the same bed. If, then, this be true in the things of earth, and in those ties which bind together one human being to another; how much more is it so in the things of heaven. What union, what communion can there be between a living God and a dead soul?
But there is something even worse than death. “Dead in trespasses and sins.” In natural death, corruption and putrefaction are worse than the mere decease, than the pale cheek and cold rigid form, more loathsome, more disgusting, more cutting off union and communion with the living. Could our beautiful maidens see themselves, or could their doting lovers behold them, as they will appear a week or two after they have been buried out of sight, what a knell would it ring to all the charms of beauty. But even natural corruption, the hideousness of putrefaction, the loathsome change which has passed upon beauty’s soft cheek and flashing eyes are nothing to the loathsomeness of sin in the sight of a holy God. Even our moral sense sometimes sees and feels this. We may admire the charms of maidenly modesty, but we loathe the painted cheek of the flaunting harlot. We may picture to ourselves in imagination the loathsomeness of a putrefying corpse, but all that the eye might see or the imagination suggest of such a scene would fall far short of what man is before the eyes of his Maker as dead in trespasses and sins.
We can never, therefore, sufficiently magnify, and adore the riches of his free sovereign and distinguishing grace if we have any clear testimony that the Lord has quickened us who were dead in trespasses and sins, for never, never could we have given life to our own dead soul. As well might a corpse raise itself from the grave and come forth to breathe and live in the light of the sun, and walk among living men, as a soul, dead in trespasses and sins, quicken itself out of death to live in the light of God’s countenance, and walk in union and communion with his dear Son and his living people.
Death in sin is of course a figure, and must be interpreted as such; for moral death is its meaning, and by moral death we understand the utter absence of everything holy, heavenly, spiritual, and divine; the entire lack of participation in, and conformity to the life which God lives as essentially and eternally holy, pure, wise, and good, and forever dwelling in the glorious light of his own infinite perfections. To be dead, then, is to have no present part or lot with God; no knowledge of him, no faith, no trust, no hope in him; no sense of his presence, no reverence of his dreadful Majesty; no desire after him or inclination toward him; no trembling at his word, no reliance on his promise; no longing for his grace, no care or concern for his glory. It is to be as a beast before him, intent like a brute on satisfying the cravings of lust, or the movements of mere animal passion, without any thought or concern what shall be the outcome, and to be bent upon carrying out into action every natural purpose, as if we were self-creators, and were our own judge, our own lord; and our own God. O! what a terrible state is it to be thus dead in sin, and not to know it; not to feel it; to be in no way sensible of its present danger and certain end, unless delivered from it by a mighty act of sovereign power. It is this lack of all sense and feeling which makes the death of the soul to be but a representation of, as it is the prelude to, that second death which stretches throughout a boundless eternity.
But the Apostle now changes the figure—“Wherein in time past you walked according to the course of this world.” Clearly, if a man were actually, literally dead, he could not walk; and if the soul of man were dead within him, so as to be deprived of all understanding, feeling, desire, will, or affection, it would be as incapable of any movement within the body, as a directing influence, as a dead body would be incapable of any bodily movement. The death of the soul, therefore, is its death Godwards. It is lively and active enough in the ways of sin, lively and active enough in following and carrying out every inclination and movement towards self-gratification. It knows no death there. Its death is only as regards God. It is lively enough as regards man. And as the whole world is but an aggregate of human beings, all equally dead to God, but all equally alive to self; as the same passions, desires, thoughts, feelings, lusts, and inclinations sway with more or less force every bosom, the whole forms what the Apostle calls “the course of this world.” As in a river every drop flows with the rest in one course toward the sea, as in a crowd all rushing to see the same sight, each individual man makes up with the rest a continuous stream of men, all intent upon the same object, so there is “a course of this world,” individuals being but drops in the stream, each man being a unit of a sum exceeding calculation; but the whole collective body forming one mass, like a concourse of people rushing forward with common aim, and each pushing on his neighbor with unresisting, irresistible force. Now, combine the two ideas of the Apostle, though we shall presently see that there is another agency to come into force; but combine and compare the two ideas of death in sin, and walking according to the course of this world, what do we gather from this combination? Is it not that to walk according to the course of this world is to be dead in sin?
The course of this world is not always or perhaps often a course of that decided open transgression which is generally stamped by the name of sin. Many a worldly man cannot afford to be an open sinner. He would lose his place in society, he would forfeit character, he would damage his reputation, and with his reputation his hopes of advance in life, if he allowed himself the open, unchecked practice of those breaches of morality against which the world in general and good society in particular has affixed its mark of reprobation. But he may not be the less a wicked man—not only dead, but dead in trespasses and sins. He may be a secret infidel, though he regularly attends his church or chapel; an inward mocker and scorner of all vital godliness, though a decent observer of its form; a thorough hater of God and his people, though too prudent or too decorous to give his enmity open vent; a presumptuous rebel, a proud, covetous, stony-hearted, iron-handed oppressor of the poor, an unkind husband, a despotic father, a rigid, unfeeling master, a scheming, unprincipled money-grubber, a selfish wretch, incapable of a noble thought or generous action; and yet all the time he may keep within the range of the strictest morality, and deal out harsh censure against the least deviation from it.
Thousands of such men, more or less approaching various points of this sketch, though we will not say embodying all its worst features, tread the London pavement every day, sit in easy-chairs in counting-houses, draw cheques on their bankers, serve their customers in shops, and fill every rank and grade of society, from the millionaire rolling home from the City in his carriage, to the sweeper at the street crossing, to whom, in the overflowing liberality of his heart for a successful stroke in business, he throws a penny. Here, too, are to be found, in thickly crowded ranks, scores of men and women who consider themselves and are usually considered very religious, and who would count it a stigma and a reproach not to profess some kind of religion, more or less marked with outward and distinctive form. Unstained by outward sins, moral and consistent in conduct, kind, generous, and liberal, active and energetic in various works of philanthropy and benevolence, really possessed of many amiable and admirable qualities, endowed in large measure with domestic and social qualities worthy of respect and imitation, most useful and honorable members of society, the very stay and support of our favored country; yet they bear the fatal mark stamped upon them, that they walk according to the course of this world. Their religion has never really separated them from, or crucified them unto it. Whatever they may be before men (and we have freely allowed their possession of many admirable qualities), before God, who sees not as man sees, and who looks to the heart, they are dead in sin, as walking according to the course of this world.
In a crowd of men, all moving one way and bent on the pursuit of the same object, there may be great outward differences. Some may be clothed in rags, and others in choice apparel. Some may rush along with oath and noise, others move forward silently and steadily; some may lead and others follow; some may urge on the lagging, and others seem more driven by compulsion than full of eagerness and animation to be first and foremost in the race; but they all follow one course—a course which leads all to the same eventual end. So it is with all who walk according to the course of this world.
Were they searched to the very core, were their hearts laid naked and bare before the eyes of him with whom we have to do, they would be found to have no single eye to his glory, no godly fear or holy reverence of his great name, no sincere aim to please him, or dread to offend him; no earnest longing or breathing forth of earnest desire to know his will and do it; in a word, nothing heavenly, holy, spiritual, or gracious; nothing as the fruit of a new birth, and springing out of the operation of the Spirit of God upon the soul. Their motives, principles, aim, object, and, desire; what they live by, and what they live for; the whole tenor and drift of their words and actions, are worldly, and according to the course of this world; masked, indeed, by a thin veil of a pious profession and a religious phraseology, whereby they deceive themselves and others into the confident persuasion that they are not as other men are, but bid fair for, if they do not stand at present high in the favor of God.
How a ray of divine light, entering as a word from God’s mouth with quickening power into their heart, would rend asunder this deceptive veil, and piercing their conscience as a two-edged sword, would lay them and their profession naked and bare before him who, in his glorious Majesty, is a consuming fire.
But there is another mark of “the dead in trespasses and sins” given by the Apostle, another reason assigned by him why such as walk according to the course of this world are at present without hope and without God. They are under a Satanic influence. This is dreadful to think of, and were it fully realized, enough to appall all who are under it with dread and horror! And yet if we accept the word of God as pure infallible truth, it is as undeniable a fact as that of his own existence. The words of the Apostle are, “According to the prince of the power of the air, the spirit that now works in the children of disobedience.” You will observe here that the word “according” is connected with their walking; and that as they are said to walk “according to,” that is in union with, in obedience to the moving power, impulse, and influence of this world, so also do they walk “according to,” that is, under the impulse and influence of the prince of the power of the air. But this demands a little closer and fuller examination.
By “the prince of the power of the air” Satan is here intended, for he is “the spirit who works in the children of disobedience.” Several things are noteworthy here—1, The solemn fact that there is such an infernal being, full of deadly enmity to God and man; 2, That his seat is in the air; 3, That he works in the children of disobedience; 4, That all who walk according to the course of this world are under his influence.
1. The very existence of such a being as Satan is now denied by many. The Scripture doctrine concerning the devil is now often viewed as a Jewish tradition, or as an oriental myth, or as merely a strong and figurative representation of evil, investing it by way of metaphor with a bodily shape, and that all belief in the personal existence of the devil should be considered in our enlightened times as on a par with crediting the existence of witches, ghosts, apparitions, and the effect of charms and magical incantations. But the personal existence of Satan, as an evil spirit, is so strongly laid down in the Scriptures, both Old and New, and so interwoven with the history of the Lord himself in the Gospels and the language of inspiration in the Epistles, that we must either believe it on the force of God’s testimony or acknowledge ourselves infidels as regards receiving the whole and undiminished word of God. It is indeed a part of Satan’s own peculiar subtlety to persuade men of his non-existence, that he may more successfully entrap them in his snares, as Hart well says:
“The devil can self-denial use,
And that with devilish, selfish views;
His being and his state disown;
And teach that devil or hell there’s none.”
To deny, then, his existence, is not only to deny the word of God, but clearly shows that he has all the more successfully blinded the eyes of those whom he is leading at his will by hiding from them that he is their guide. On this point, however, we need not further dwell. It is sufficient for us on this as on every other point of revealed truth to say, “Let God be true and every man a liar.”
2. But he is called in the words before us “the prince of the power of the air;” from which we gather these three things, that he is a prince, that he possesses great power, and that his seat is in the air. Our gracious Lord calls him “the prince of this world,” and the Apostle Paul terms him “the god of this world.” (John 14:30; 2 Cor. 4:4.) The very words “prince” and “god” imply dominion and authority. What this dominion is, and in what this authority mainly consists, the Scripture does not clearly inform us. But we find again and again in the word of truth, both of the Old and New Testament, a dominion and authority ascribed to Satan whereby he rules and reigns over the children of men. Into this subject, however, we cannot now fully enter. Its most formidable feature is that it is unseen, and yet of amazing strength and power. Bounds indeed are set to it by the overruling providence and absolute dominion of God; and in the case of his dear children this power is broken, and only allowed to come so far near them as may be consistent with the purposes of God and their eventual benefit. Were not the power of Satan under God’s overruling authority as regards his own family, this earthly scene would soon become a wild arena of death and destruction, and the witnesses for God’s truth be swept out of by the malice of the prince of this world and the furious enmity of his agents and followers.
3. The seat of this prince, his dwelling-place from which he surveys the wide extent of his domain, is the air above and around this earthly ball. This gives him such velocity of flight, such ready access to all spots and places, such ability to transport himself with more than the swiftness of the eagle to his quarry, or of the vulture to the fallen prey. Satan is not ubiquitous, that is, he is not present in every place; for universal presence belongs only to God. But as a spirit, and retaining, though a fallen spirit, the original qualities of an angelic nature, he can transport himself with a readiness and a velocity of which we have no conception to every point of the compass, and to every spot on which his eye is fixed as a scene of infernal action. Now these are not mere speculations, or even sound deductions from the language of inspiration, but are pregnant with warning and admonition.
Are we surrounded by Satan and a whole host of infernal angels, all ready at his beck and call, and all in league with him, little perhaps inferior to him in strength and subtlety, and all equally bent to work us woe if not ruin? How careful, how watchful, how cautious should this make us in all our movements, as feeling that wherever we go or wherever we are we are watched by an infernal adversary, hovering around us in the air, like a bird of prey watching for a favorable moment to swoop down upon us, and if not destroy, to wound and maim us. And how it should lead us to be unceasingly putting ourselves, so to speak, by faith and prayer, under the protection of our Almighty Friend, that he may be our Protector and Preserver from the open assaults and inward temptations of our deadly adversary. In the last chapter of this epistle the Apostle gives us a solemn exhortation to “put on the whole armor of God;” and why? “That we may be able to stand against the wiles of the devil.” And then he adds—“For we wrestle not against flesh and blood, but against principalities, against powers, against the rulers of the darkness of this world, against spiritual wickedness in high places.” (Ephesians 6:12.) By referring to the margin we see that “high places” are translated “heavenly places,” that is, the lower heavens, corresponding to the airy region in which Satan has his seat.
4. But the main point before us is the solemn fact that Satan “works in the children of disobedience.” How wide, how comprehensive are these words. But as this subject demands a more ample consideration than we can now give it, we must reserve our comment upon it for our next paper.