Wij zullen geen vleiende woorden gebruiken en niet de vluchtige adem van menselijk applaus zoeken. Wij zullen ons door de openbaring van de waarheid aan hun geweten aanbevelen in het gezicht van God, als mensen die hun geestelijk welzijn en de eer van de gezegende Verlosser zoeken.
Het gezin van God stichten, troosten, onderwijzen, verder leiden en aanmoedigen te midden van al zijn beproevingen en smarten en al zijn verzoekingen en strijd: dat is of moet zijn het doel van allen die als predikers of schrijvers op de wallen van Sion staan. Heeft God ons dan in Zijn voorzienigheid en genade in een positie geplaatst waarin wij, zo al niet met de stem dan toch met de pen, velen, zeer velen van Zijn dierbare kinderen kunnen toespreken? Heeft Hij het hart van sommigen van hen geneigd naar ons te luisteren omdat zij geloven dat wij de waarheid zoals die in Jezus is kennen en liefhebben?
Dan zijn wij gebonden hun geestelijk voordeel tot het uiterste te zoeken. Dat zijn wij niet alleen door het gewicht dat de eeuwige werkelijkheden voor onze eigen ziel hebben, maar ook door de bereidwilligheid van onze vrienden en broeders om onze woorden te ontvangen.
Om van het minste geestelijke nut te zijn voor de gemeente van Christus. Om de zielen van Gods dierbare kinderen te stichten, ook van de geringsten en laagsten. Om op welke wijze ook een geest van liefde en eendracht te bevorderen in de gemeenten van de waarheid in het bijzonder en onder gelovigen in het algemeen. Om ernstig maar liefdevol te strijden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
Om vrijmoedig te getuigen tegen alle dwaling en al het kwaad. En om een begunstigd werktuig te zijn bij het bevorderen, in enige mate, van het koninkrijk van de Verlosser, de zaak van de levende, bevindelijke godzaligheid en de eer van de drie-enige God. Welke aardse rang of waardigheid, welke plaats van wereldse macht of winst kan ook maar een ogenblik met zo’n eer vergeleken worden?
En zijn wij, vrienden en broeders, zo begunstigd en geëerd? Gezegend zijn onze ogen, dierbare lezers, als zij enige goddelijke schoonheid en zaligheid in Jezus hebben gezien. Gezegend zijn onze oren als wij Zijn stem met zoetheid en kracht hebben gehoord.
Gezegend zijn uw tongen, u dienaren van God, als u in uw getuigenis van Zijn Persoon en werk, liefde en bloed, geschiktheid en dierbaarheid de dauw van de Geest van uw lippen hebt voelen druppen. En gezegend zijn uw vingers, u van wie de pennen Zijn waarde willen beschrijven, als wat u schrijft vergezeld gaat van de zalving van Zijn genade tot verslagen en gelovige harten.
Is dit onze bevinding en dit ons doel en einde, dan zal één levende band samenbinden: redacteur en schrijvers, lezers en dienaren van God, leden van evangeliegemeenten en gelovigen in het algemeen bij wie onze bladzijden komen. De eenheid van de gemeente met Christus, haar levende Hoofd, en de eenheid van alle leden van Zijn mystieke lichaam onderling in Hem zijn zulke levensnoodzakelijke en wezenlijke waarheden dat verwarring in leer, bevinding en praktijk het noodzakelijke gevolg moet zijn als zij uit het oog worden verloren of niet worden verwerkelijkt.
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken. Blijft in Mij, en Ik in u. Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen. Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn.
Als deze goddelijke waarheden verborgen of verduisterd worden en de bronnen van liefde tot Jezus en van liefde tot Zijn dierbare heiligen niet meer in onze harten vloeien, als zij door twist zijn opgedroogd of door dwaling en kwaad zijn vertroebeld, dan verliezen wij meteen niet alleen onze eigen staat in Christus uit het oog maar ook de plaats die de gemeente in Zijn Persoon en hart inneemt.
Wij willen daarom, als de Heere ons de kracht geeft, onze ogen vast op deze twee punten richten als leidsterren terwijl wij over de wateren van de tijd varen. Wij nodigen onze lezers uit er met ons naar te kijken in dit begin van het jaar. Met de hulp en zegen van de Heere moge het onze harten, lippen en levens beïnvloeden, dag na dag in onze wandel voor God en onze wandel met Zijn kinderen, van het begin tot het einde van het jaar.
Velen, zowel predikers als schrijvers, schijnen enig verlangen te hebben naar het welzijn van Sion. Toch hebben zij uit onwetendheid of vergeetachtigheid van deze grote onderscheidende waarheden van het heerlijke evangelie van de genade van God naar ons oordeel te uitsluitend stilgestaan bij de kwalen die Sion teisteren en bij de verdeeldheden die de schapen van Christus scheiden. Sommigen deden dat bijna met toorn.
In hun ijver en vuur tegen wat zij de lage, vleselijke staat van de gemeente noemen, lijken zij haar verbondsstaat in de Zoon van God bijna, zo niet helemaal, uit het oog te verliezen. Zij verliezen haar plaats in Zijn hart, haar belang bij Zijn bloed en gerechtigheid en ook Zijn tedere zorg over haar. Zij vergeten dat zij is wat zij is door Zijn soevereine genade of door Zijn alwijze toelating.
Wij kunnen soms naar de gemeente kijken zoals wij vaak naar onszelf kijken. Wij zien in haar, zoals in ons eigen boze hart, niets dan wat vleselijk en slecht is. Het resultaat is ongeveer hetzelfde: ongeloof en hopeloosheid over betere of helderder dagen. Maar hoe meer wij naar onszelf kijken los van Christus, des te dieper zinken wij. Zo zal ook de gemeente er des te slechter uitzien naarmate wij haar meer los van Hem bekijken.
Onze ogen steeds op de lage staat van de gemeente gevestigd houden en haar steeds bekritiseren om haar vlekken en gebreken is een geest die verwant is aan die welke in afzonderlijke gelovigen niets ziet dan hun fouten en zwakheden. Een vader kan diep bedroefd zijn dat zijn oudste kind kreupel is. Een man kan diep bedroefd zijn dat zijn vrouw aan lichaam of geest lijdt. Maar de liefde die het lijden zo diep voelt, zal deze gezinszwakheden niet steeds ruw blootleggen voor de grove blik van het gewone oog. Het kind is er ook niet minder een dierbare zoon om, noch de vrouw minder een geliefde levensgezellin.
Zijn wij leden van het geslacht in de hemelen en op de aarde (Efeze 3:15), dat koninklijke gezin waarvan allen gemaakt zijn tot koningen en priesteren voor God? (Openbaring 5:10.) Laten wij dan ijverzuchtig zijn op de eer van het gezin. Laten wij de waardigheid van het gezin niet bevlekken met twist.
Terwijl wij de zwakheden van het gezin diep betreuren, laten wij toch gezinsliefde tonen. Laten wij in genegenheid aanhangen aan ieder lid van het gezin als even dierbaar voor hun Verbondshoofd en daarom ook dierbaar voor ons.
Neem het volk van God weg: waar zijn dan onze vrienden, onze metgezellen, onze broeders? Hopen wij met hen een eeuwigheid van zaligheid door te brengen? Kunnen wij dan niet een beetje geduld met hen hebben op aarde, als wij hopen voor altijd met hen in de hemel te zijn? Steeds blijven stilstaan bij hun zwakheden is een taal spreken die heel anders is dan de taal van Christus tot Zijn bruid. Het is ook heel anders dan alles wat de gezegende Geest heeft geopenbaard over de verbondsstaat van de verloofde bruid van Jezus.
De gemeente los van Christus beschouwen is naar een romp zonder hoofd kijken. De leden van Zijn mystieke lichaam beschouwen zonder hun onderlinge eenheid is alleen verspreide ledematen zien. Zulke onschriftuurlijke opvattingen moeten tot een verkeerd oordeel leiden. Ze moeten ons noodzakelijk meer doen stilstaan bij wat de gemeente in zichzelf is, gezonken en gevallen, dan bij wat zij in haar Verbondshoofd is: geheel schoon, zonder vlek of rimpel.
In dezelfde geest schijnen velen ook sterk geneigd te zijn stil te staan bij de breuken van Sion en bij de verdeeldheden die ongetwijfeld bestaan onder hen die dezelfde waarheden belijden en in dezelfde gezegende Heere geloven. Maar ook hier schijnt hun de oogzalf van de zalving te ontbreken. Die zou hun tonen dat er meer is in het bloed van Christus om de afzonderlijke gelovige te redden dan in de zonde om hem te verdoemen. Zo is er ook meer in de genade om de leden van Christus te verenigen dan in de twist om hen te scheiden.
Welke verdeeldheden en meningsverschillen de zichtbare gemeente, die op haar best een gemengde menigte is, ook verscheuren, een vaste, onverbreekbare eenheid bindt de levende leden van Christus’ mystieke lichaam samen. Klein zijn hun verschillen vergeleken met hun overeenstemming. Wie een vreemdeling is voor de geestelijke eenheid die de leden van Christus aan Hem als hun levende Hoofd en aan elkaar in Hem verbindt, ziet alleen de verdeeldheden die scheiden. Maar wie de kracht en zoetheid kent van dat innerlijke leven dat hem eenheid met Christus geeft, voelt de kracht van die genade die hem ook eenheid met zijn broeders geeft.
Geloven wij dat de zonde sterker is dan de genade en Belial sterker dan Christus? Dat de wereld sterker is dan het geloof en de werken van de duisternis sterker dan Hij Die geopenbaard is om ze te vernietigen? Dan pas hebben wij grond om te geloven dat tweedracht en verdeeldheid, twist en strijd en wanklank sterker zijn dan liefde en eenheid, genegenheid en eendracht en vrede.
Voor een gewoon oog lijkt het schip van de gemeente misschien door elke golf heen en weer geslingerd te worden, uit koers gedreven te zijn of helemaal geen bepaalde koers te volgen. Haar zeilen zijn gescheurd, haar masten en touwen gebroken, haar loods onachtzaam, haar officieren slapen en haar bemanning is in strijd.
Maar het geestelijke oog kijkt voorbij alles wat de gewone blik ziet. Het ziet dat aan haar roer een almachtige en onfeilbare, hoewel onzichtbare Loods staat. Hij stuurt haar naar Zijn eigen wil en houdt de winden in Zijn vuisten. Hij bestuurt en richt de bewegingen van allen aan boord en beschikt al hun wegen en wensen tot Zijn eer. Hij brengt haar door elke storm naar de gewenste haven.
Laten wij vrij erkennen dat de kinderen van God elkaar niet altijd die liefde en genegenheid tonen die de discipelen van Christus zouden moeten kenmerken. Het gaat om tederheid en vriendelijkheid, zachtheid en verdraagzaamheid, zachtmoedigheid en broederlijke belangstelling. Laten wij belijden dat er onder velen die werkelijk God vrezen vaak een gebrek is aan wederzijds rekening houden met elkaars gevoelens. Er is een gebrek aan medeleven met elkaars beproevingen en verzoekingen. Er is een onvermogen of onwil om rekening te houden met verschillen in stand, opleiding of aard. Dat alles is zeer kwellend voor tedere gemoederen en vooral voor wie geneigd zijn te veel op hen te steunen voor hulp en troost.
Nee, laten wij een stap verder gaan en erkennen dat er in veel gevallen meer is dan een gebrek aan liefde en genegenheid. Er is werkelijke twist en strijd. Er is nijd en afgunst op de kansel, norsheid en bitterheid in de kerkbank. Er zijn leden van dezelfde gemeente die in het openbaar nauwelijks met elkaar spreken en elkaar in het geheim bijna afsnijden.
Bij de een is er trots of hebzucht, bij een ander liefde voor kleding en voor de wereld. Bij een derde is er een kritische, twistzieke geest en bij een vierde een bereidheid zich beledigd te voelen en een onvermogen de minste bestraffing te dragen. Bij een vijfde is er een muggenzifterige, twistzieke aard over elk punt of over helemaal geen punt. Bij een zesde is er een heet, vurig humeur. Bij een zevende is er een zelfbeklagende klaagzucht die altijd voelt of denkt dat iedereen haar slecht behandelt en misbruikt.
Laten wij toegeven dat al deze kwalen, die ongetwijfeld de eenheid droevig schaden, in vele gemeenten bestaan. Toch beweren wij, en wij zijn bereid ons te houden aan wat wij beweren, dat onder al deze hindernissen een vaste band van eenheid ligt onder het gezin van God. Omdat die uit genade is en daarom eeuwig en onvernietigbaar, overtreft zij al deze tijdelijke kwalen in kracht en duur zoveel als de zon de nevels overstraalt of de eeuwigheid verder reikt dan de tijd.
Wie op de krijtrotsen van Dover staat, ziet alleen het Kanaal dat Engeland van Frankrijk scheidt. Hij ziet de wilde watervlakte die ertussen ligt en de rollende golven die hen van elkaar scheiden. Maar onder de scheidende zee ligt de elektrische kabel, wel aan het oog onttrokken, maar elk ogenblik berichten heen en weer dragend en ons eiland nauwer met het vasteland verbindend dan het Kanaal het gescheiden houdt. Nee, de golven zelf zijn maar schijnbare barrières, want erover heen snellen de schepen met kostbare koopwaar die aan elk land de voortbrengselen van het andere brengen.
Zo ligt onder al de wateren van de twist die het levende gezin van God schijnen te scheiden een vaste band van geestelijke eenheid. En over de zee van tweedracht zelf gaan af en toe gebeden op vleugels voor elkaars welzijn, en vriendelijke, toegenegen gevoelens die niet minder diep gevoeld worden omdat zij niet altijd vrij worden uitgesproken. Die gebeden en gevoelens verenigen meer dan de golven scheiden.
Eenheid met Christus, ons levende Hoofd, en eenheid met Zijn volk als levende leden van Zijn mystieke lichaam staan op hetzelfde fundament als de andere gezegende waarheden van het eeuwige evangelie. Geloven wij dat het eeuwige verbond in alles geordend en zeker is? Dat het werk van Christus een voleindigd werk is? Dat Zijn bloed reinigt van alle zonde? Dat Zijn gerechtigheid volmaakt rechtvaardigt? Dat Hij de wet heeft vervuld, Satan overwonnen, de dood vernietigd en een volle en eindeloze overwinning heeft behaald voor allen die op Zijn naam geloven? Dit zijn de fundamenten van ons allerheiligst geloof en de grond van al onze hoop. Maar als de fondamenten worden omgestoten, wat moet de rechtvaardige dan doen?
Laat dan niet vergeten worden dat zoals de zonde de genade niet kan vernietigen en de wet het evangelie niet kan omverwerpen, zoals Satan niet kan zegevieren over Christus, de dood niet kan heersen over het leven en de hel de hemel niet kan overwinnen, zo ook alle verdeeldheden en tweedracht die de gemeente teisteren de band van eenheid niet kunnen verbreken die het gezin van God samenbindt.
Deze verdeeldheden zijn werken van het vlees (1 Korinthe 3:3; Galaten 5:20). Het zijn de boze vruchten die aan de takken van onze gevallen natuur hangen. Het zijn het broedsel en het vuil van die oude mens die verdorven is naar de bedrieglijke begeerten, en alles wordt aangewakkerd en uitgelokt door de rusteloze werkzaamheid van Satan die op onze vleselijke gezindheid inwerkt. Maar er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Zij staan volkomen in Hem, zonder vlek of smet of iets dergelijks. Alle leden van Zijn mystieke lichaam moeten deelgenoten zijn van Zijn heerlijkheid. Zij kunnen evenmin uit Zijn lichaam vallen als Hij Zelf van Zijn troon kan vallen.
Daarom moeten wij al deze verdeeldheden beschouwen als slechts voorbijgaande dingen van de tijd. Het zijn kwalen, het is waar, die zeer te betreuren zijn en evenzeer te vermijden. Maar zij raken het fundament niet en verwijderen de gemeente niet uit haar staat in de Persoon of het hart van Christus.
En zelfs al geven wij toe dat er verdeeldheden bestaan in de zichtbare gemeente, toch geloven wij dat zij grotendeels beperkt zijn tot hen die ‘buiten het geheim’ staan. Dat zijn louter belijders van de waarheid, zonder goddelijk licht of leven, vrijheid of liefde. Stel dat een gemeente verdeeld lijkt en het ook echt is. Maar voordat wij beginnen te jammeren en te klagen hoe een gemeente van Christus zo verscheurd en uiteengereten is, zou het goed zijn de werkelijke toestand van die gemeente wat nauwkeuriger te onderzoeken.
Misschien is zij zeer groot en bestaat zij uit leden die haastig, bijna onbezonnen zijn aangenomen toen de kansel bezet was door een onbetrouwbare predikant of toen wereldse diakenen een onbehoorlijke invloed uitoefenden.
Misschien wordt zelfs op dit moment meer respect getoond voor geld en aanzien dan voor genade. Misschien wordt vanaf de kansel een geest van twist gekoesterd. Misschien heerst er grote laksheid in tucht en orde en mogen kwalen groeien in plaats van in de kiem te worden gesmoord. Misschien worden losbandige karakters geduld en wordt er meer gestreden voor de leer dan voor de bevinding en de kracht van de godzaligheid. En misschien heerst er duidelijk een algemene doodsheid en verdoving in het geheel.
Als zo’n gemeente nu door verdeeldheid wordt verscheurd, gaat het niet aan haar aan te wijzen als een voorbeeld van een evangeliegemeente en te zeggen: ‘Zie hoe de kinderen van God verdeeld zijn.’ Want misschien is niet de helft kind van God, of zijn zij, als zij het wel zijn, zo diep in vleselijkheid en dood gezonken dat zij weinig bewijs geven van het leven van God in hen.
Richt uw ogen niet op de twistzieke geesten die vooraan vechten en kibbelen, maar op hen die buiten het lawaai en de strijd de achterhoede vormen. Zoek en let op de gebrokenen van hart en de stillen in het land. Let op de zieken en bedrukten, de beproefden en verzochten en de twijfelenden en vrezenden. Let op de eenvoudigen en oprechten en de langzamen van spreken maar snellen van daad. Let op de tedere van geweten en de geoefenden en bedroefden. Let op de warmhartigen en toegenegenen, de biddenden en waakzamen en de nederigen en geestelijk gezinden.
Zet de vechtende mannen en vrouwen opzij. Zet de praters en krakelers, de pochers en twistzoekers, de eigenwijzen en de onwetenden opzij. Kijk dan of u niet, als u het schuim hebt weggeblazen, iets smakelijkers en drinkbaarders kunt vinden. Kijk of u niet, als u het kaf en de lege aren hebt weggeveegd, wat kostbaar graan eronder kunt vinden.
Onder de treurenden in Sion moet u naar eenheid zoeken, onder hen die een zwaar kruis dragen en de hele dag geplaagd en elke morgen getuchtigd worden. Onder de waarachtige liefhebbers van Jezus die iets van Zijn liefde en genade persoonlijk hebben ondervonden. Onder hen die de zoetheid van gemeenschap met Christus kennen en de broeders met een rein hart vurig liefhebben. Zij hangen elkaar tederlijk en liefdevol aan.
Stel dat de leiders van de gemeente met elkaar overhoop liggen, predikant en diakenen botsen en het woord weinig gezegend wordt tot roeping of bevrijding. Stel dat de voornaamste steunpilaren van de zaak wereldlijk en trots zijn, de armere leden op een afstand houden en weinig geneigd zijn tot woorden van vriendelijkheid of daden van mildheid jegens hen. Onder die droevige stand van zaken kan er in een gemeente die zelfs zo laag is gezonken toch een diepe, hechte en gezegende eenheid zijn onder die onbekende en onopgemerkte schapen van de kudde, wier zielen levend zijn voor God en die begunstigd worden met Zijn onderwijzing en zegen.
Het is dan noch waar noch eerlijk de werkelijke gemeente van God, die alleen die naam verdient, voor te stellen als verscheurd door verdeeldheid. Die twisten en ruzies zijn voor een groot deel beperkt tot dode gemeenten die in wereldsgezindheid en dwaling zijn gezonken, of tot die leden van levende gemeenten die ofwel van genade verstoken zijn of er droevig van zijn afgeweken. Wij zijn er zeker van dat niemand die onder de invloed van de genade leeft, twistziek of ruziezoekend kan zijn.
Die heilige Duif, die als een Geest van vrede en liefde broedt over verslagen harten, rust nooit op die boezem die zich overgeeft aan voortdurende oorlog te midden van twist en waarin vijandschap tegen enige van Gods dierbare heiligen wordt toegelaten en voortwoekert.
Wij geloven dus niet dat het een feit is dat Gods werkelijke kinderen, althans zij die dagelijks onder de invloed van de gezegende Geest leven, verdeeld zijn of steeds met elkaar kibbelen en kijven. Het is waar dat onvriendelijke, boze gevoelens zich soms, met alle andere kwaden, in hun vleselijke gezindheid kunnen roeren.
Zij kunnen zich af en toe, tot hun smart en droefheid, openbaren in overhaaste woorden of koude blikken. Maar dit zijn voorbijtrekkende wolken. Want dezelfde genade die hun andere zonden bedwingt, houdt ook dit begin van twist tegen. En die belofte wordt in hen met deze zonde, zoals met andere ongerechtigheden, vervuld: de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
Wij hebben tijdens onze pelgrimsreis vele dierbare heiligen van God gekend, sommigen nu voor de troon en anderen nog in de woestijn, in verschillende delen van Engeland. Wij willen graag nalaten, wanneer God ons van dit sterfelijke toneel wegroept, dat wij van hen weinig anders dan de grootste vriendelijkheid en toegenegenheid hebben ontvangen. Met hen met wie wij in nauwer contact zijn gekomen, hebben wij in onveranderlijke liefde en eenheid geleefd. Behalve enkele voorbijgaande ogenblikken is het lawaai van twist niet in onze poorten gehoord.
Wij mogen eraan toevoegen dat het verlangen van onze ziel, als christen, als predikant en als redacteur, is om vrede, liefde en eenheid na te jagen met allen die God vrezen en de Heere Jezus Christus liefhebben. Wij willen twist en strijd zoveel mogelijk vermijden.
Het is waar dat twist in gemeenten en onder personen niet altijd te vermijden is, want er zijn twistzieke geesten die, als het hun werd toegestaan, elke gemeente in brand zouden steken. Het zijn salamanders die in de vlam leven en vogels die zich in een storm verlustigen. Let op hen en vermijd hen allen, u heiligen van God. (Romeinen 16:17.) Behandel hen vriendelijk en beleefd als zij in de gemeente zijn, maar breng geen brandstof voor hun vuur (Spreuken 26:20-21) en maak hen niet tot boezemvrienden. Zijn zij buiten de gemeente, doe dan alles wat u kunt opdat zij er niet in komen. (Spreuken 22:24.)
Maar genoeg, en misschien meer dan genoeg, is hierover door ons gezegd. Andere punten dan die van christelijke eenheid vragen in onze jaarlijkse oproep aan het hart en geweten van onze lezers ook onze aandacht.
Als wij zijn wat wij belijden te zijn, volgelingen van het Lam, dan zullen, geloven wij, drie dingen voor ons de voornaamste voorwerpen van geestelijk verlangen zijn:
1. De eer van God.
2. De opbouw van onze eigen ziel.
3. Het goede van onze broeders.
Missen wij het eerste, dan kan ons oog niet eenvoudig zijn en moet dus het licht dat in ons is duisternis zijn. Missen wij het tweede, dan kunnen de eeuwige werkelijkheden slechts met weinig gewicht en kracht op ons geweten rusten. Missen wij het derde, dan kan zuivere liefde tot de broeders niet in onze borst wonen. Door deze drie punten wat verder te openen en erbij stil te staan, kunnen wij misschien niet zonder nut de rest van onze boodschap vullen.
1. De eer van God. Predikers, schrijvers of redacteuren kunnen niet verwachten dat Gods zegen op hun arbeid rust als de eer van God niet hun voornaamste doel is. Toch, hoe weinig van deze eenvoud van oog, van deze eenvoudigheid en godzalige oprechtheid ziet men bij velen die zich dienaren van Christus en knechten van God noemen. En hoe pijnlijk duidelijk is vaak het tegendeel voor wie enige mate van geestelijk onderscheidingsvermogen bezit.
Voor allen die enige openbare positie in de gemeente innemen zijn hoogmoed, eigenwaan en zelfverheffing zowel de grootste verzoekingen als de zonden die hen het hardnekkigst aankleven. Waar deze zonden niet door de Geest worden gedood en door Zijn genade bedwongen, zijn zij daarom met zeldzame uitzonderingen de hoogmoedigsten in plaats van, zoals het hoort, de nederigste mensen.
O, als wij maar zagen wat wij werkelijk en waarachtig zijn! Hadden wij een indringend, blijvend zicht op de diepten van de val waarin wij als zondaren zo vreselijk zijn gezonken! Droegen wij dagelijks en elk uur het besef met ons mee waartoe ons hart in staat is als God het aan zichzelf overlaat en wat wij zonder genade al de volgende minuut zouden kunnen zeggen of doen! Zuchtten en treurden wij voortdurend over onze onwetendheid, ons ongeloof, onze ondankbaarheid, onze tekortkomingen en onze ellendige onvruchtbaarheid! Droegen wij onze uitglijders, vallen en zware afvalligheid steeds in gedachtenis!
En hadden wij daarbij een gelovig zicht op de heiligheid en reinheid van God, op het lijden en de smarten van Zijn dierbare Zoon in de dagen van Zijn vlees en op wat het Hem heeft gekost ons uit de diepste hel te verlossen: dan zouden wij met nederigheid bekleed zijn. Wij zouden wel moeten. Dan zouden wij onder gevoelens van de diepste zelfvernedering de laagste plaats innemen onder het gezin van God, als de voornaamste van de zondaren en als minder dan de allerminste van alle heiligen. Dit zou het gevoel van ieder kind van God moeten zijn.
Maar als de Heere in Zijn oneindige neerbuigendheid sommigen van ons tot Zijn dienaren heeft gemaakt en hen heeft bekwaamd en gezonden om het evangelie aan Zijn volk te prediken, wat een bijzondere, extra zelfvernedering vraagt dat dan! Kenden wij het menselijk hart niet en hoe het misbruik maakt van Gods eigen gaven en zelfs van Zijn genade zelf om zich tegen Hem te verheffen, dan zouden wij meteen zeggen: ‘Een hoogmoedige dienaar van Jezus Christus, een ingebeelde knecht van God! Een man om vernederende genade te prediken en dan trots te zijn op zijn manier om haar te prediken! Dat is onmogelijk! Het is een innerlijke tegenspraak! Zo’n man is een monster, geen christen en nog minder een christelijke predikant.’
Zeker is hij een monster. En de Heere laat sommigen van Zijn dierbare dienaren zich zo voelen wanneer deze vervloekte hoogmoed zich in hun hart verheft en zij in het licht van Zijn aangezicht zien wat een afschuwelijke gast daar is ondergebracht. Maar totdat deze hoogmoed in enige mate gekruisigd is, totdat wij hem haten en onszelf erom haten, zal de eer van God niet ons voornaamste doel zijn. Dan zullen wij onder het gewicht liggen van die snijdende bestraffing: Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?
Lezers, vrienden, medepredikers: mogen wij allen met één gemoed en hart de eer van God zoeken met een eenvoudig oog en altijd bereid zijn niets te zijn opdat Christus alles in allen zij. Laat de wereld, goddeloos en belijdend, haar eigen eer, haar eigen genoegen en haar eigen winst zoeken. Laten wij die belijden een eigen volk te zijn, ijverig in goede werken, de eer zoeken van die dierbare Heere. Hij heeft ons, naar wij vertrouwen, door Zijn genade geroepen en dicht bij Zichzelf gebracht. Hij gebruikt ons in enige mate in Zijn dienst.
2. Het geestelijke voordeel van onze eigen ziel, de zegen van de Heere als persoonlijke, bevindelijke werkelijkheid in ons eigen geweten, de dauw van Zijn gunst rustend op onze tak en onze eigen groei in genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus: hoe gewichtig, hoe wezenlijk zouden wij deze zegeningen moeten voelen. Onze eigen zielenzaligheid en vertroosting zouden stellig onze voornaamste zorg moeten zijn.
Wat zijn onze boerderijen en winkels, onze zaken en ons bezit, onze gezinnen en vrienden, ja onze lichamen en levens zelf vergeleken met de waarde van onze onsterfelijke zielen? Als het goed is met onze ziel, is alles goed. Is het slecht met haar, dan is alles slecht. En als sommige van onze lezers geroepen zijn om de zielen van anderen te dienen, met welke kracht of ernst, met welk gezicht kunnen wij dan de eeuwige werkelijkheden op het geweten van anderen drukken terwijl ze voor onszelf zo weinig gewicht hebben? En hoe kunnen wij hun zeggen hun wijngaarden schoon te houden terwijl wij onze eigen zo verwaarlozen?
Is onze ziel als de tuin van de luiaard, overwoekerd met doornen en distels en nooit gewied of bewaterd, met omheiningen die zijn neergehaald en het wilde zwijn uit het bos dat haar verwoest? En kijken wij er werkeloos naar, onverschillig wat de oogst is of er wel een oogst is? Dan zullen wij zielige tuiniers blijken van de gemeente van Christus, die besloten hof waarin zij haar Beminde uitnodigt te komen om zijn edele vruchten te eten.
Zonder een geest van gebed, zonder lezen en overdenking, afzondering van de wereld, zelfonderzoek en gemeenschap met het eigen hart kunnen wij nooit vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk. Dat kunnen wij ook niet zonder bezoekingen van de tegenwoordigheid van de Heere en de werkingen en invloeden van de gezegende Geest. Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
Omgang met wereldse mensen. Roddelen en van huis tot huis gaan. Hun kostbare tijd verlummelen met lege praat. Zich niet geven aan lezen, overdenking of studie maar uur na uur doorbrengen in volslagen geestelijke werkeloosheid. Niet beproefd, niet geoefend, niet roepend tot de Heere en zelfs niet denkend aan eeuwige dingen, laat staan genietend van de tegenwoordigheid van de Heere. Is dat week na week hun toestand, kunnen wij ons dan verbazen dat de bezetters van de kansel eerder een last dan een voordeel zijn voor de bezetters van de kerkbank? En kunnen wij ons verbazen als zij, in plaats van geëerd en opgezocht te worden, geleidelijk veracht en verlaten raken?
Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende. Als wij om ons heen kijken en vervallen gebouwen en doorlekkende huizen zien, mogen wij wel zeggen: ‘Luiheid en slapheid hebben dit gedaan!’
3. Een ernstig verlangen naar het goede van de broeders zal bloeien of verwelken naar de mate van het gewicht en de kracht waarmee de eeuwige werkelijkheden op onze eigen ziel drukken. In dit verlangen naar het welzijn van Sion, in deze liefde tot het volk van God om Christus’ wil en in deze zuivere, onbaatzuchtige, toegenegen bezorgdheid dat de zegen van God op hen mag rusten, straalt de genade van het evangelie zo duidelijk uit. Zij vormt zo’n edel contrast met de geest van de wereld.
De geest van de wereld zegt: ‘Alles voor mij, niets voor jou. Alles wat ik krijg, houd ik. Alles wat jij krijgt, gun ik je niet.’ Maar het edele, onbaatzuchtige beginsel van de genade zegt: ‘Dierbare broeder, ik wil dat u even goed en even zeer gezegend wordt als ikzelf. Want hoe meer de Heere mij geeft, des te meer wil ik dat Hij u geeft. Wij zijn partners, geen rivalen, vrienden en broeders, geen tegenstanders en vijanden!’
In niets toont de goddelijke genade haar hemelse oorsprong meer dan in het zoeken van het goede van de broeders. Predikanten die het geestelijk welzijn van hun kudde zoeken. Leden van gemeenten die de zegen van God wensen voor hen die met hen in gemeenschap van de gemeente verbonden zijn. Gelovigen in het algemeen die in gebed en smeking arbeiden opdat de kracht van God op Zijn dienaren, Zijn gemeenten en Zijn volk mag rusten.
Hoe past dit bij het evangelie, hoe is dit in overeenstemming met onze belijdenis en hoe sluit het aan bij het voorbeeld van de gezegende Verlosser,
“Die geen moeite spaarde en geen last meed,
maar vastbesloten ons kocht met Zijn bloed.”
Wij willen weinig over onszelf zeggen, opdat wij niet vervallen in dezelfde geest van zelfverheffing die wij hebben veroordeeld. Maar dit mogen wij, vertrouwen wij, wel zeggen: bij het redigeren van dit tijdschrift willen wij het goede van de broeders zoeken bij wie het komt. In wat uit onze pen vloeit, en ook in de keuze van wat onze correspondenten ter plaatsing inzenden, is ons voornaamste doel en streven het volk van de Heere te stichten. Wij willen alle vragen vermijden die tot twist en strijd kunnen leiden. Terwijl wij strijden voor de waarheid in de kracht en bevinding ervan in het hart, willen wij dat doen in een geest van tederheid, genegenheid en liefde.
In deze geest hebben wij willen schrijven wat wij onze lezers nu voorleggen. Menen sommigen van hen dat wij in enkele uitdrukkingen te hard zijn geweest tegen bestaande kwalen, laat hen ons dan dit onrecht vergeven. Laten zij het toeschrijven aan ons verlangen om getrouw te zijn en ook toegenegen, en niet onder de schijn van zachtheid duidelijke inconsequenties glad te strijken. “Broeders, bidt voor ons” is het beste verzoek en de meest passende afsluiting die kan worden aangeboden aan die lezers van ons die de waarheid kennen en liefhebben, door hun toegenegen vriend en dienaar.


