Meditations on Ephesians, Part VIII
Wij willen ons onderwerp voortzetten en stap voor stap met deze heilige man van God optrekken. Wij vinden hoe hij onder goddelijke ingeving zijn hart uitstort voor de heiligen van God te Efeze. Paulus en zij hebben zulke gebeden niet meer nodig. Zij zijn bij Christus en zien Hem zoals Hij is. Zij aanschouwen Hem en Zijn heerlijkheid niet zoals zij eens deden en wij nu doen, door het geloof, als in een spiegel in een duistere rede. Zij zien Hem van aangezicht tot aangezicht en kennen Hem zoals zij ook gekend zijn.
Maar wij die nog in deze woestijn zijn en ons voortworstelen om hetzelfde hemelse huis te bereiken, kunnen niet dankbaar genoeg zijn. Dat geldt vooral in deze dagen van dwaling en kwaad. De Heilige Geest heeft hem zo laten bidden en de gebeden die hij opzond blijvend laten optekenen, zodat zij ons tot onderwijs en opbouwing zouden zijn. Wij willen God zegenen en prijzen voor alle zoetheid, geschiktheid en zaligheid die wij daarin hebben gezien en gevoeld. En ook ervoor dat Hij ons tot nu toe in staat heeft gesteld onze geestelijke lezers voor te leggen wat, naar wij hopen, tot nut van hun ziel is geweest.
Mocht Hij ons nog genade en wijsheid geven om de schatten van de hemelse waarheid verder te openen. Zij liggen opgeslagen voor verlichte verstanden en gelovige harten in dat deel van het gebed van de apostel dat nog te overwegen overblijft.
In ons vorige stuk hebben wij laten zien dat de apostel enkele zegeningen noemt die de gave van de Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus vergezellen. Dat zijn er hoofdzakelijk vier: 1, een verlichting van de ogen van het verstand; 2, een kennis van de hoop van Zijn roeping; 3, een kennis van wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; 4, en een kennis van wat de uitnemende grootheid is van Zijn kracht aan ons die geloven, naar de werking van Zijn machtige kracht die God in Christus werkte toen Hij Hem uit de doden opwekte, enzovoort.
De eerste van deze zegeningen hebben wij gedeeltelijk overwogen. Wij hadden echter voorgenomen haar uitvoeriger te behandelen in verband met de rest van de tekst. Nu willen wij onze belofte inlossen.
Als wij de ZIEL van de mens zien als de zetel en het onderwerp van die genadige werkingen van God de Heilige Geest die haar geschikt maken voor het erfdeel van de heiligen in het licht, kunnen wij zeggen dat zij beschikt over 1, verstand; 2, wil; 3, geweten; 4, genegenheden.
Zien wij haar als wedergeboren en van boven vernieuwd, dan kunnen wij eraan toevoegen dat de gezegende Geest voor haar en in haar is 1, een Geest van licht in het verstand (2 Korinthe 3:16-18; 1 Korinthe 2:9-12); 2, een Geest van leven en kracht in de wil (Psalm 110:3; Filippenzen 2:13); 3, een Geest van godvrezende schroom in het geweten (Jeremia 32:40); 4, en een Geest van liefde in de genegenheden (Romeinen 5:5).
De Schriften leggen dit alles weliswaar niet in zoveel woorden vast, met een soort wiskundige of wijsgerige nauwkeurigheid. Zo heeft het God immers niet behaagd de goddelijke waarheid te openbaren. Maar het is gemakkelijk uit het Woord na te sporen als wij het lezen met een verlicht oog.
Zo horen wij in Psalm 119, die wij mogen nemen als een allerschoonste en gezegende beschrijving van het werk van de genade in het hart door de kracht van het Woord, de psalmist soms getuigen van het binnenschijnen van goddelijk licht of erom roepen. De opening Uwer woorden geeft licht (Psalm 119:130). Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet (Psalm 119:18). En ook: doe ze mij verstaan, zo zal ik leven (Psalm 119:144). Zie ook Psalm 119:27; Psalm 119:33; Psalm 119:73; Psalm 119:105; Psalm 119:169.
Wie de duisternis van zijn verstand kent en voelt, zoekt en verzucht niet van tijd tot tijd dat goddelijke licht? Het verlicht zijn verstand en tegelijk verzacht en vertroost het zijn hart. Hoe dwaas is het dan, om niet méér te zeggen, om dat hemelse licht neer te halen als louter hoofdkennis! Dat licht straalt in de ziel uit de volheid van Christus. Het verlicht het verstand en leidt ons in een geestelijke kennis van de verborgenheden van het koninkrijk van de hemel.
Wij zouden graag laten zien hoe dezelfde heilige en gezegende Geest een Geest van leven en kracht is in de wil, een Geest van godvrezende schroom in het geweten en een Geest van liefde in de genegenheden. Maar dat zou ons te ver van ons huidige onderwerp afvoeren.
2. Als een andere vrucht van deze verlichting van de ogen van het verstand, en daarmee gepaard gaand, bidt de apostel dat de heiligen te Efeze zouden mogen weten wat de hoop is van Christus’ roeping. Er ligt veel kostelijke waarheid in deze woorden besloten, als wij maar genade en wijsheid hebben om ze te openen.
In Romeinen 8:28-30 vinden wij een gezegende sleutel tot de bedoeling van de apostel met dit gebed: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Romeinen 8:28-30).
In die heerlijke keten van goddelijke zegeningen is het voorkennen de eerste schakel, het voorbestemmen de tweede, de roeping de derde, de rechtvaardiging de vierde en de verheerlijking de vijfde. De ROEPING is dus als middelste schakel in deze heerlijke keten aan de ene kant verbonden met de voorbestemming in de voorbije eeuwigheid en aan de andere kant met de verheerlijking in de eeuwigheid die komt. In de schoot van de roeping ligt daarom de liefde van God van alle eeuwigheid als haar oorzaak, en het genieten van deze liefde in alle eeuwigheid als haar vrucht en uitwerking.
Wanneer de apostel dus bidt dat zij mogen weten wat de hoop van deze roeping is, begeert hij dat zij duidelijk de zekerheid beseffen dat zij krachtdadig geroepen zijn door de genade van God. En dat zij mogen weten wat hij elders noemt de hoop des eeuwigen levens (Titus 1:2), die daarin besloten ligt. Het eeuwige leven omvat immers het hierna bij Christus zijn waar Hij is, het aanschouwen van Zijn heerlijkheid en het deel hebben daaraan (Johannes 17:22-24). Het omvat ook een volkomen gelijkvormigheid aan Zijn heerlijke beeld naar lichaam en ziel.
Geen hart kan zich voorstellen en geen tong van mensen of engelen kan beschrijven in wat voor een oceaan van zaligheid en gelukzaligheid, van heiligheid en geluk en van een eeuwig gewicht van heerlijkheid de krachtdadige roeping zal uitmonden.
Hoe gezegend is het dan om nu te weten, te beseffen en te genieten wat de hoop van deze roeping is! De apostel noemt haar Zijn roeping, omdat zij rechtstreeks van Christus Zelf komt. Zo worden wij verkwikt en bezield door een goede hoop uit genade. Wij zien uit naar een zalige eeuwigheid waarin wij voor altijd klaar zullen zijn met alle zonden en smarten van dit leven. Wij kunnen onze gedachten voeden met het vooruitzicht van de heerlijkheid die zal geopenbaard worden. Zo worden wij opgetild uit het slijk en de modder van deze ellendige wereld en uit de ellendige droesem van slavernij, wettisch denken en eigen ik, die zo dicht aan ons kleven!
Het is alsof de apostel tot ons zegt: hebt u enig getuigenis van uw krachtdadige roeping? Heeft de genade werkelijk uw hart gegrepen? Hebt u hemels licht in uw verstand, goddelijk leven in uw wil, godvrezende schroom in uw geweten en hemelse liefde in uw genegenheden? Zijn dat evenzovele bewijzen dat u de gave van de Geest hebt ontvangen als Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus?
O, dat u meer mocht weten, God geve dat u krachtiger mocht weten, wat een gezegende hoop op het eeuwige leven in de schoot van deze hemelse roeping is weggelegd. Mocht zij u bemoedigen om steeds meer voort te dringen om alles te beseffen wat Hij u in Christus heeft gegeven, voor hier en hierna, in tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid.
Zo leren de heiligen van God, als zij weten wat de hoop van hun krachtdadige roeping is, dat deze hoop alles omvat wat in Christus hun eigendom wordt. Het omvat hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. En dat om deze gezegende en alles genoegzame reden dat zij van Christus zijn en Christus van God (1 Korinthe 3:22-23).
Door onze roeping vast te maken, maken wij onze verkiezing vast (2 Petrus 1:10). Het ene is immers het zekere bewijs van het andere. Als twijfel en onzekerheid over onze roeping blijven hangen, rusten dezelfde twijfel en onzekerheid ook op onze uitverkiezing tot het eeuwige leven.
Maar als deze twijfels en vrezen worden weggenomen door de Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus, zien wij duidelijk en geloven wij volkomen dat de genade van God ons krachtdadig heeft geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Dan zien wij door het geloof wat in de schoot van deze roeping is weggelegd. En dan zien wij welk een heerlijke hoop op het eeuwige leven daardoor wordt geboden, een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is. Zo zijn wij overvloedig in de hoop door de kracht van de Heilige Geest (Romeinen 15:13; 1 Korinthe 3:22-23).
3. De volgende vrucht en uitwerking van deze gave van de Geest van wijsheid en openbaring is te weten wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Christus’ erfenis in de heiligen.
Let op hoe de apostel zijn ziel uitstort in ernstig gebed en smeking dat de heiligen van God een geestelijke kennis mogen hebben van de heerlijke erfenis die de Heere Jezus heeft in Zijn gemeente en volk. En zouden wij dan, met dit gebed voor ogen, die goddelijke verlichting van het verstand verachten en kleineren waar de apostel zo ernstig om smeekt als vrucht van de gave van de Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus?
Als het louter hoofdkennis is, een geloof van de letter en dorre speculatie, laten wij het dan met beide voeten neertrappen en uitroeien als een bedrog en een waan. Maar laten wij ons ervoor wachten kostbaar goud weg te werpen omdat er valse munten zijn, of diamanten weg te gooien omdat er imitatiejuwelen bestaan.
Christus voor onszelf kennen door Zijn gezegende openbaringen. Zijn waarheid kennen in haar bevrijdende en heiligende invloed en kracht. Vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand (Kolossenzen 1:9). De liefde van Christus kennen die de kennis te boven gaat, zodat wij worden vervuld tot al de volheid Gods (Efeze 3:19). Wat zijn dit voor uitgelezen zegeningen! En worden zij niet alle als zodanig in de Schriften voorgehouden?
Maar hoe zullen wij tot de zaligmakende kennis ervan komen? Worden zij ons niet bekendgemaakt door de gave van de Geest van wijsheid en openbaring? Hij opent aan ons verlichte verstand de gezegende verborgenheden van ons allerheiligst geloof zoals die zijn geopenbaard in het Woord van de waarheid, en verzegelt ze op ons gelovige hart.
Onder deze hemelse verborgenheden hoort ook de kennis van de rijkdom van de heerlijkheid van Christus’ erfenis in de heiligen. Als wij een erfenis hebben in Christus, heeft Christus een erfenis in ons. De heiligen, dat wil zeggen het hele lichaam van de geheiligden, zijn Zijn toegewezen deel.
Het Israël van weleer was daarvan een voorafbeelding: Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve (Deuteronomium 32:9). Mozes maakte dit daarom zijn krachtige pleidooi toen hij Gods uitgestrekte arm wilde tegenhouden: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet (Deuteronomium 9:26). Maar om te tonen dat deze erfenis niet beperkt was tot het Israël dat er een voorafbeelding van was, zei God tot Zijn dierbare Zoon: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting (Psalm 2:8).
Toen dan in de raad van de eeuwigheid God de Vader aan Zijn eeuwige en eniggeboren Zoon de gemeente aanbood in haar hele maagdelijke reinheid om Zijn bruid te zijn, en Hij haar Zich verloofde om de Zijne te zijn voor eeuwig en altijd, werd zij Zijn erfenis.
Hij zag haar niet zoals wij haar nu zien, door de val gebroken en verwoest. Hij zag haar zoals zij eens zal verschijnen: stralend in alle schoonheid van haar volkomen gelijkvormigheid aan Zijn heerlijke beeld. Hij zag haar met al haar zonden afgewassen in de fontein van Zijn allerdierbaarste bloed, gekleed in Zijn vlekkeloze gerechtigheid en zonder enige smet van sterfelijke smart en zwakheid. Hij zag haar in staat Zijn liefde te genieten en te beantwoorden op de bruiloftsdag, wanneer de verloofde bruid de getrouwde vrouw zal worden.
Bedenk eens: nadat Hij haar Zich had verloofd, viel zij zo diep uit haar maagdelijke reinheid. Uit de diepten van Zijn oneindige liefde en ontferming daalde Hij uit de hemel naar de aarde neer om haar te redden. Hij arbeidde, zuchtte en zweette grote druppels bloed en leed voor haar alle benauwdheden van het kruis. Zo wilde Hij elke vlek van zonde en schuld in Zijn dierbaar bloed wegwassen. Hij stierf voor haar, stond weer op en ging omhoog als haar Middelaar, Voorspraak en Advocaat.
Zo teder waakte Hij over elk lid. Zo onvermoeid droeg Hij al hun zonden en tergingen. Zo getrouw maakte Hij ieder op het bestemde ogenblik levend en verloste hem. Zo krachtig bewaarde Hij hen door alle stormen van het leven en zo zegevierend bracht Hij elk van hen tot volle en eindelijke heerlijkheid. Zal dit alles Zijn liefde en vreugde jegens Zijn beminde bruid niet verdubbelen wanneer Hij Zich over haar verheugt in de woningen van Zijn Vader met vreugde en gejuich?
In het huwelijksleven maakt het delen in verdriet en tegenspoed man en vrouw even dierbaar voor elkaar als, of nog dierbaarder dan, het delen in vreugde en geluk. Zo zal ook het feit dat de genadige Heere een Man van smarten, en verzocht in krankheid is geweest en dat de gemeente gemeenschap met Hem heeft gehad in Zijn lijden, haar alleen maar dierbaarder voor Hem maken en Hem voor haar wanneer de eeuwige heerlijkheid hun wederzijdse liefde en geluk kroont.
Het is de heerlijkheid van Christus dat Hij deze erfenis in de heiligen heeft. God is wezenlijk onzichtbaar. De Zoon van God had daarom niet kunnen worden gezien en gekend. Hij had dus ook niet voldoende en volledig kunnen worden verheerlijkt zoals de Vader wilde, zonder Zijn menswording als Mensenzoon. Als de eniggeboren Zoon van de Vader was Hij weliswaar het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid.
Maar opdat er voor geschapen verstanden een zichtbare voorstelling van het karakter van God zou zijn, behaagde het de Vader in de diepten van Zijn oneindige wijsheid voor Zijn dierbare Zoon een lichaam te bereiden. Daarin kon Hij die aanbiddelijke uitnemendheden openbaren. Zo konden de liefde, de genade en de barmhartigheid van een drie-enig Jehova bekend worden, evenals Zijn ontferming, wijsheid, waarheid en macht. En zo zouden zij voor eeuwig worden aanbeden.
Toen de Heere Jezus hier beneden was, was Hij daarom een zichtbare voorstelling van de onzichtbare God. Zo getuigt Johannes: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Johannes 1:18). Voor gelovige ogen was deze afbeelding van het beeld van God vol heerlijkheid: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Johannes 1:14).
Zij zagen de heerlijkheid van God in het aangezicht, of de persoon, van Jezus Christus. En terwijl zij de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwden, werden zij naar hetzelfde beeld veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de heiligmakende werking van de Geest van God op hun hart (2 Korinthe 3:18; 2 Korinthe 4:6).
Zo zien wij dat de heerlijkheid van God schijnt in het aangezicht van Jezus Christus en dat zij van Hem wordt teruggekaatst door de spiegel van het evangelie op Zijn heiligen. Hier in tegenwoordige genade en hierna in toekomstige heerlijkheid.
In de ogen van Christus is deze heerlijkheid uitermate groot. De apostel noemt haar daarom de rijkdom van Zijn heerlijkheid, alsof de Heere in Zijn heiligen, die Zijn genade nu in hun hart hebben en de eeuwige heerlijkheid als hun zekere deel hierna, een verrijking van Zichzelf met onuitsprekelijke heerlijkheid zag. Hij ziet in hen Zijn eigen beeld. Zijn eigen genade straalt eruit, Zijn eigen liefde wordt openbaar, Zijn eigen gehoorzaamheid, Zijn eigen heiligheid en Zijn eigen voorbeeld worden ontdekt en getoond.
De hele wereld ligt in het boze. Allen zijn van nature slaven van zonde en Satan, vijanden van God en van de godzaligheid.
Maar Zijn heiligen, Zijn eigen erfenis, heeft Hij verlost met Zijn bloed en gerechtvaardigd door Zijn gerechtigheid. Hij heeft hen levend gemaakt door Zijn Geest en Zijn vreze in hun hart geplant. Hij heeft Zich aan hen geopenbaard en bekendgemaakt en hen zo geleerd in Hem te geloven, Hem lief te hebben en Hem te gehoorzamen. In hen roemt Hij als in Zijn eigen erfenis. Van hen zegt Hij: De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden (Psalm 16:6). Dat dit de taal van Christus is, blijkt uit vers 10: Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, enzovoort.
Deze te redden, te heiligen en gelijkvormig te maken, eerst aan Zijn lijden en daarna aan Zijn verheerlijkte beeld: dat was de vreugde die Hem was voorgesteld, waarvoor Hij het kruis verdroeg en de schande minachtte, enzovoort. De apostel bidt dan dat wij als vrucht en uitwerking van de gave van de Geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Christus mogen weten wat de rijkdom van Zijn heerlijkheid in deze erfenis is.
Wat zien wij voor het merendeel in de heiligen? Zwakheid en onvolmaaktheid. Wij zien hen alleen zoals zij zijn, niet zoals zij zullen zijn. Wij waarderen zelfs de genade die wij in hen zien niet genoeg, hoewel wij haar liefhebben en hen er ook om liefhebben. Vaak is zij zo belemmerd en beladen met zwakheden, zo bedolven onder verdorvenheid en schittert zij zo weinig als de gezindheid en het beeld van Christus, dat wij haar in onszelf of in anderen nauwelijks herkennen.
Maar voor zover wij onze ogen niet vestigen op de zwakheden van de heiligen, wat de eigenlijke geest van de wereld is, maar op de genade die in hen is, hebben wij de gezindheid en de Geest van Christus. Dit vraagt dus geestelijke ogen om te zien en een geestelijke gezindheid om lief te hebben.
Als de Heere de rijkdom van Zijn heerlijkheid in Zijn erfenis in de heiligen beziet, ziet Hij hen zoals zij volkomen zijn in Hem. Al hun zonden zijn afgewassen in de fontein van Zijn dierbaar bloed en zij zijn getooid met Zijn kleed van gerechtigheid. Met onze zwakheden heeft Hij medelijden. Hij weet immers dat wij stof zijn. Hij weet dat zij niet voortkomen uit opzettelijke opstand of vijandschap van het hart tegen Hem. Hij weet ook dat wij Hem waarlijk en werkelijk liefhebben, ook al zeggen en doen wij door de zwakheid van ons vlees voortdurend dingen die onze geest bedroeven en niet passen bij onze heilige belijdenis.
Naarmate dit deel van het gebed van de apostel in ons wordt vervuld, zullen wij de dierbare familie van God achten en liefhebben. In aardse zaken weten wij met hoeveel eerbied alles wordt bekeken wat met het koningschap samenhangt. Als iemand ons in Windsor Castle zou zeggen: dit is de privétuin van de koningin, dit is haar lievelingswandeling, zij zit vaak op die bank onder de boom, dan zouden wij natuurlijk eerbied voelen voor de aangewezen plekken. En treurig zal de dag voor Engeland zijn, als hij ooit mocht komen, dat dit instinctieve gevoel van eerbied en trouw aan de vorst uit het Engelse hart verdwijnt.
Maar pas nu het beeld toe. Als wij meer doordrongen waren van liefde en trouw aan onze verheven Koning, zouden wij Zijn erfenis en de plaatsen waar Hij dagelijks komt meer liefhebben, achten en eerbiedigen. Deze erfenis is voor gewone ogen nu weliswaar een wrak en een ruïne. Zij lijkt meer op een verwaarloosde tuin, overwoekerd met doornen en distels. De afrasteringen zijn allemaal neergehaald, in elke hoek groeien brandnetels, het tuinhuisje is ingestort en de paden zijn overgroeid met mos en gras.
Dat is iets anders dan een besloten hof waarin groeien Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloe, mitsgaders alle voornaamste specerijen (Hooglied 4:12-14). Maar een geoefend tuinier ziet in een verwaarloosde tuin meer wat er van gemaakt kan worden dan wat zij nu is. Het oog van de tuinier ziet hier en daar waardevolle struiken die vechten voor hun leven tussen het onkruid dat ze bijna verstikt. Zo moeten ook wij, wier ogen zijn verlicht, de gemeente van Christus bekijken. Hoewel zij nu zo’n wrak en ruïne is, moeten wij haar meer zien zoals zij zal zijn dan zoals zij nu is.
Zo zal het gelovige oog ook de genaden van de Geest zien die zich van tijd tot tijd tonen bij het volk van God, onder hun verschillende beproevingen en verdrukkingen. Zij worstelen als voor hun leven te midden van al het puin van de natuur, waardoor zij zo vaak lijken verstikt en gesmoord te worden. Maar er is genade nodig om genade te zien en lief te hebben. En als die genade maar flauwtjes zichtbaar is of sterk wordt neergedrukt door natuurlijke zwakheid en verdorvenheid, is evenredige genade nodig om haar te onderscheiden en er verbondenheid mee te voelen.
Het beeld van Christus te zien en lief te hebben, hoe flauw en zwak ook, is volstrekt iets anders (laat dit altijd bedacht worden) dan die valse, algemene liefde die van iedereen het beste denkt en niemand wantrouwt. Het is evenzeer iets anders dan die harde, strenge en snijdende geest die alles en iedereen wil neermaaien tot één gemeenschappelijke hoop als het niet precies overeenkomt met een voorgeschreven maatstaf.
Geen oog onderscheidt zo scherp als het oog dat door de Geest van wijsheid is verlicht. Geen hart is zo teder als het hart dat gezegend en verzacht is door de Geest van openbaring in de kennis van Christus. Zo’n oog ziet, en zo’n hart heeft lief, de rijkdom van de heerlijkheid van Christus’ erfenis in de heiligen. Het ziet en bemint haar omdat zij de Zijne is.
Als wij er dan mee begunstigd werden de lijdende leden van het mystieke lichaam van Christus meer met de ogen van het geloof en minder met de ogen van de zinnen te zien, welk een heerlijkheid zouden wij dan zien in menig arm, verachte kind van God, die wij nu lijken te missen!
In plaats van die arme oude man te bekijken zoals de dokter hem bekijkt, hoestend en naar adem snakkend met een ongeneeslijke astma, en bij hem weg te gaan zodra wij dat fatsoenlijk kunnen, of hem te zien zoals de begrafenisondernemer van de gemeente hem ziet, die hem alleen geschikt vindt voor een houten kist en een armengraf, zouden wij in hem een erfgenaam zien van de heerlijkheid die zal geopenbaard worden. Wij zouden hem zien als gekochte door het bloed van Christus en deelgenoot van Zijn Geest. Wij zouden hem zien als bekleed met de gerechtigheid en gelijkvormig aan het verheerlijkte beeld van de Zoon van God, en bestemd om eens de engelen te overstralen.
In plaats van een verschrompelde oude vrouw te zien, door armoede en ziekte tot niets ineengekrompen, of een arm ellendig schepsel dat aan kanker sterft en walgelijk is voor zichzelf en voor allen om haar heen, zouden wij een kostbaar juweel zien in die kroon van heerlijkheid die in de hand van de Heere is.
Of, om geen uiterste gevallen te nemen: als onze ogen meer van boven gezalfd waren om de heerlijkheid te zien die Christus op Zijn heiligen heeft gelegd en het welbehagen dat Hij in hen heeft, zouden wij in de dagelijkse omgang met hen hun meer achting, genegenheid en eerbied betonen dan wij gewoonlijk doen. Wij zouden hen zien als de gekochten van het dierbare bloed van Christus, nu deelgenoten van Zijn genade en als zodanig erfgenamen van een eeuwig en onuitsprekelijk gewicht van heerlijkheid. Dan zouden wij in hen, zelfs in hun tegenwoordige toestand, een schoonheid, een waardigheid en een gezegendheid zien die de hoogste achting en de tederste liefde zouden opwekken.
Wij zouden niemand verachten die zwak van geest of arm van bezit was onder hen. Wij zouden niet kwaad worden om werkelijke of vermeende krenkingen. Wij zouden hen niet koel en afstandelijk behandelen en geen geest van afgunst, verdeeldheid en twist koesteren. Wij zouden hun gevoelens niet kwetsen en hun gemoed geen pijn doen met woorden en gedrag die onze belijdenis onwaardig zijn. Wij zouden ernaar streven hier enigszins met hen te wandelen zoals wij hopen hierna met hen te wandelen.
Hoe dierbaar moeten zij zijn voor God, Die hen van alle eeuwigheid heeft liefgehad! Hoe kostbaar moeten zij zijn voor Zijn dierbare Zoon, Die voor hen Zijn eigen bloed heeft vergoten! Hoe geliefd zijn zij bij de Heilige Geest, Die hen tot geestelijk leven heeft levend gemaakt en zo teder waakt over Zijn eigen genadewerk in hun hart! Moeten zij dan niet ook ons dierbaar zijn? En zo ja, hoe kunnen wij die liefde anders tonen dan door op elke manier die in onze macht ligt hun welzijn te zoeken?
Wij zien dus dat er in dit deel van het gebed van de apostel veel is dat bijzonder praktisch is en ook diep bevindelijk. De vervulling ervan in ons hart zou ons niet alleen leiden tot helderder en dieper inzicht in wat de gemeente van Christus is in tegenwoordige genade en wat zij zal zijn in toekomstige heerlijkheid. Zij zou ook veel invloed hebben op onze gezindheid en ons gedrag in onze dagelijkse wandel en omgang met onze medeheiligen.
Oppervlakkige en lage gedachten over de Persoon van Christus, over Zijn volbrachte werk en over Zijn opgestane heerlijkheid gaan altijd gepaard met oppervlakkige en lage gedachten over de gemeente, Zijn bruid, als de uitverkoren metgezellin van Zijn heerlijkheid. Een oppervlakkige en lage kennis van de waarheid zoals die is geopenbaard in de Persoon van Christus en Zijn geopenbaarde heerlijkheid gaat altijd samen met een zwakke bevinding van haar kracht. En een zwakke bevinding van de kracht van de waarheid in verband met wat de Heere Jezus in Zichzelf is en voor Zijn volk, loopt bijna altijd uit op wereldsgezindheid en te vaak op algemene lichtzinnigheid en losheid van wandel, gedrag en omgang.
Voor de meesten die de naam van Christus noemen, zijn deze grote en heerlijke waarheden van ons allerheiligst geloof echter even onbekend als onsmakelijk. Dat is een reden waarom dit gebed van de apostel zo weinig wordt begrepen, gevoeld en beseft.
Honderden zijn tevreden met een paar dode en dorre inzichten. Zij houden de beschuldigingen en verontschuldigingen van het natuurlijke geweten (Romeinen 2:15) voor genadige bevinding. Zoals de gemeente van Laodicea menen zij: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek. Zij zien niet dat zij, zolang zij een genadige kennis van de waarheid missen en een bevinding van haar bevrijdende en heiligende invloed en kracht, ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt zijn.
Hier moeten wij echter pauzeren. Wij bewaren de rest van het gebed van de apostel voor ons volgende stuk, waarin wij hopen, als het kan, onze verklaring van het hoofdstuk te voltooien.
Pursuing our subject, we desire to walk step by step with this holy man of God, as we find him pouring forth his heart, under divine inspiration, for the saints of God at Ephesus. He and they no longer need such prayers. They are with Christ, seeing him as he is, and behold him and his glory, not as they once did and we do now, by faith, as in a glass darkly—but face to face, and know him as they also are known. But we who are still in this wilderness, struggling onwards to reach the same heavenly home, cannot be sufficiently thankful, and especially so in these days of error and evil, that the Holy Spirit inspired him so to pray, and to leave also on permanent record the petitions which he thus put up, that they might be for our instruction and edification. And we desire to bless and praise God for all the sweetness, suitability, and blessedness which we have seen and felt in them, and that he has thus far enabled us to lay before our spiritual readers what we hope has been for the profit of their souls. May he give us grace and wisdom still further to open the treasures of heavenly truth which are stored up for enlightened understandings and believing hearts in that portion of the Apostle’s prayer which remains to be considered.
We showed in our last paper that there were certain blessings mentioned by the Apostle as attending the gift of the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Christ. These blessings are mainly four—1. An enlightening of the eyes of the understanding; 2, A knowledge of the hope of his calling; 3, A knowledge of what are the riches of the glory of his inheritance in the saints; 4, And what is the exceeding greatness of his power to us who believe, according to the working of his mighty power which God wrought in Christ when he raised him from the dead, etc.
The first of these blessings we have partly considered; but, as we proposed to examine it more fully in connection with the rest of the passage, we shall now attempt to redeem our pledge.
Viewing, then, the SOUL of man as the seat and subject of those gracious operations of God the Holy Spirit which give it a fitness for the inheritance of the saints in light, we may say that it possesses, 1, intellect; 2, will; 3, conscience; 4, affections; and viewing it as regenerated and renewed from above, we may add that the blessed Spirit is to it and in it, 1, a Spirit of light in the understanding; (2 Cor. 3:16-18; 1 Cor. 2:9-12;) 2, a Spirit of life and power in the will; (Psalm 110:3; Phil. 2:13;) 3, a Spirit of godly fear in the conscience; (Jer. 32:40;) 4, and a Spirit of love in the affections. (Rom. 5:5.) The Scriptures, it is true, do not lay all this down in so many express terms, with a kind of mathematical or metaphysical accuracy, for that is not the way in which God has been pleased to reveal divine truth, but it is easy to trace it out from the word when we read it with an enlightened eye.
Thus in Psalm 119, which we may take as a most beautiful and blessed description of the work of grace upon the heart, through the power of the word, we find the Psalmist sometimes testifying to, or crying out for a shining in of divine light—“The entrance of your words gives light;” (130;) “Open my eyes, that I may behold wondrous things out of your law;” (18;) “Give me understanding, and I shall live.” (144.) See also verses 27, 33, 73, 105, 169. Who that knows and feels the darkness of his mind does not from time to time seek and sigh after that divine light which, while it enlightens his understanding, at the same time softens and comforts his heart? How foolish, then, if not worse, to beat down as mere head knowledge that heavenly light, which, beaming into the soul out of the fullness of Christ, illuminates the mind and leads us into a spiritual knowledge of the mysteries of the kingdom of heaven! We would like to show how the same Holy and blessed Spirit is a Spirit of life and power in the will, a Spirit of godly fear in the conscience, and a Spirit of love in the affections; but it would take us too much away from our present subject.
2. But as another fruit of, and as attending this enlightening of the eyes of the understanding, the Apostle prays that the saints at Ephesus “might know what was the hope of Christ’s calling.” There is much precious truth couched in these words, if we have but grace and wisdom to open them up. We shall find in Rom. 8:28-30, a blessed key to the meaning of the Apostle in uttering this prayer—“And we know that all things work together for good to those who love God, to those who are the called according to his purpose. For whom he did foreknow, he also did predestinate to be conformed to the image of his Son, that he might be the firstborn among many brethren. Moreover, whom he did predestinate, them he also called; and whom, he called, them he also justified; and whom he justified, them he also glorified.” (Rom. 8:28-30.) In that glorious chain of divine blessings, foreknowledge is the first link, predestination the second, calling the third, justification the fourth, and glorification the fifth. Thus CALLING, as an intermediate link in this glorious chain, is connected on one side with predestination in eternity past, and on the other with glorification in eternity to come.
In the bosom of calling, therefore, is lodged the love of God from all eternity as its cause, and the enjoyment of this love to all eternity as its fruit and effect. When, then, the Apostle prays that they might know what was the hope of this calling, he desires that they might clearly realize the certainty of their having been effectually called by the grace of God, and might know what he elsewhere terms “the hope of eternal life,” (Titus 1:2,) which was couched in it. Now, as eternal life embraces a being hereafter with Christ where he is, a beholding and partaking of his glory, (John 17:22-24,) and a perfect conformity in body and soul to his glorious image, no heart can conceive, or tongue of men or angels describe, in what an ocean of bliss and blessedness, of holiness and happiness, and of an eternal weight of glory, effectual calling will issue.
How blessed then to know, realize, and enjoy now what is the hope of this calling, termed by the Apostle “his calling,” as being immediately from Christ himself, that being cheered and animated by a good hope through grace, and looking forward to a blissful eternity, when we shall forever be done with all the sins and sorrows of this life, we may feed our thoughts with prospects of the glory that shall be revealed, and thus be lifted up out of the mud and mire of this wretched world and the miserable dregs of bondage, legality, and self—which cleave so closely to us! It is as if he would say to us, “Have you any testimony to your effectual calling? Has grace indeed laid hold of your heart? Have you heavenly light in your understanding, divine life in your will, a godly fear in your conscience, and heavenly love in your affections, as so many evidences of having received the gift of the Spirit as a Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Christ? O that you might know more fully—God grant that you may know it more powerfully—what a blessed hope of eternal life is laid up in the bosom of this heavenly calling, that it may cheer and encourage you to press on more and more to realize all that he given you in Christ both for here and hereafter, in present grace and in future glory.”
Thus, in knowing what is the hope of their effectual calling, the saints of God learn that this hope embraces all things which are made theirs in Christ, whether life or death, or things present or things to come—that all are theirs; and for this blessed and all-sufficient reason, that they are Christ’s and Christ is God’s. It is by making sure our calling that we make sure our election, (2 Pet. 1:10, )—for the one is the sure evidence of the other; and thus, if doubt and uncertainty hang over our calling, the same doubt and uncertainty must rest upon our election to eternal life. But as these doubts and fears are removed by the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Christ, and we can clearly see and fully believe that the grace of God effectually called us out of darkness into his marvelous light, then we see by faith what is laid up in the bosom of this calling, and what a glorious hope of eternal life is thereby afforded as an anchor of the soul, both sure and steadfast, and thus abound in hope through the power of the Holy Spirit. (Rom. 15:13; 1 Cor. 3:22, 23.)
3. The next fruit and effect of this gift of the Spirit of wisdom and revelation is “to know what are the riches of the glory of Christ’s inheritance in the saints.”
Observe how the Apostle pours out his soul in earnest prayer and supplication that the saints of God might have a spiritual knowledge of the glorious inheritance which the Lord Jesus has in his Church and people. And shall we, with this prayer before us, despise and disparage that divine illumination of the understanding which the Apostle begs for so earnestly as the fruit of the gift of the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Christ? If it be but mere head knowledge, letter faith, and dry speculation—let us beat it down with both our feet, tread it down, and stamp it out as a deceit and a delusion; but let us beware of casting away precious gold because there are counterfeit sovereigns, or throwing away diamonds because there are fictitious jewels. To know Christ for ourselves by his blessed manifestations, to know his truth in its liberating, sanctifying influence and power, and to be filled with the knowledge of his will in all wisdom and spiritual understanding, to know the love of Christ which passes knowledge so as to be filled with all the fullness of God—what choice blessings are these! And are they not all held forth as such in the Scriptures? But how shall we attain to the saving knowledge of them? Are they not made known to us through the gift of the Spirit of wisdom and revelation, opening to our enlightened understanding and sealing on our believing heart the blessed mysteries of our most holy faith as revealed in the word of truth?
Now, among these heavenly mysteries is a knowledge of the riches of the glory of Christ’s inheritance in the saints. If we have an inheritance in Christ, Christ has an inheritance in us. The saints, that is, the whole body of the sanctified, are his allotted portion. Of this Israel of old was a type—“For the Lord’s portion is his people; Jacob is the lot of his inheritance.” (Deut. 32:9.) Moses, therefore, made this his prevailing plea when he would arrest his outstretched arm—“O Lord God, destroy not your people and your inheritance.” (Deut. 9:26.) But to show that this inheritance was not limited to the typical Israel, God said to his dear Son—“Ask of me, and I shall give you the heathen for your inheritance, and the uttermost parts of the earth for your possession.” (Psalm 2:8.) When, then, in the counsels of eternity, God the Father presented to his eternal and only-begotten Son the Church in all her virgin purity to be his bride, and he espoused her to himself, to be his forever and ever—she became his inheritance. He did not view her, as we now see her, wrecked and ruined by the fall, but as she will one day appear, radiant in all the beauty of her perfect conformity to his glorious image, with all her sins washed away in the fountain of his most precious blood, clothed in his spotless righteousness, with every stain of mortal woe and weakness gone—and able to enjoy and return his love, in that bridal day when the espoused bride will become the wedded wife. That after he had espoused her to himself she should have so fallen from her virgin purity; that he should, out of the depths of his infinite love and pity, have gone down from heaven to earth for her rescue; that he should have so toiled, groaned, sweated great drops of blood, and suffered for her all the agonies of the cross; that he might wash out every stain of sin and guilt in his precious blood; that he should have died for her, and risen again, and gone up on high as her Mediator, Intercessor, and Advocate; that he should have watched over every member so tenderly, borne with all their sins and provocations so unweariedly, quickened and delivered each at the appointed season so faithfully, preserved them through all the storms of life so efficaciously; and brought each and every one to full, and final glory so triumphantly; will not all this double his love and joy to his beloved bride when he rejoices over her in his Father’s mansions with joy and singing?
As in the married life, to share in its sorrows and afflictions endears to each other husband and wife as much as, if not more than, to share in its joys and happiness, so that the gracious Lord should have been “a man of sorrows and acquainted with grief,” and that the Church should have had fellowship with him in his sufferings will only more endear her to him and him to her when eternal glory crowns their mutual love and happiness.
It is the glory of Christ that he should have this inheritance in the saints. God being essentially invisible, the Son of God could not have been seen and known, and therefore not fully or sufficiently glorified as the Father would have him to be but for his incarnation as the Son of Man. He was, indeed, as his only-begotten Son, “the brightness of his glory and the express image of his Person;” but that there might be a visible representation to created intelligences of the character of God, that the love, the grace, the mercy, the compassion, the wisdom, truth, and power of a Triune Jehovah might be made known, and thus forever adored, it pleased the Father, in the depths of his infinite wisdom, to prepare for his dear Son a body in which he might reveal those adorable excellences. When, then, the Lord Jesus was here below, he was a visible representation of the invisible God. Thus John testifies—“No man has seen God at any time; the only-begotten Son, which is in the bosom of the Father, he has declared him.” (John 1:18.)
To believing eyes this representation of the image of God was full of glory—“And the Word was made flesh, and dwelt among us, (and we beheld his glory, the glory as of the only-begotten of the Father,) full of grace and truth.” (John 1:14.) They saw the glory of God in the face (or person) of Jesus Christ, and beholding, as in a glass, the glory of the Lord, were changed into the same image, from glory to glory, by the sanctifying operations of the Spirit of God on their hearts. (2 Cor. 3:18; 4:6.) We thus see that the glory of God shines forth in the face of Jesus Christ, and that it is reflected from him through the glass of the gospel upon his saints—here in present grace, hereafter in future glory. In the eyes of Christ this glory is exceedingly great. The Apostle, therefore, calls it “the riches of his glory,” as if the Lord viewed his saints with his grace now in their hearts, and eternal glory their assured portion hereafter, as enriching himself with ineffable glory. He sees his own image in them, his own grace shining forth, his own love manifested, his own obedience, his own holiness, his own example, discovered and displayed. The whole world lies in the wicked one. All, in a state of nature, are slaves to sin and Satan, enemies to God and godliness. But his saints, his own inheritance, whom he has redeemed by his blood and justified by his righteousness, whom he has quickened by his Spirit, in whose hearts he has planted his fear, to whom he has revealed and made himself known, and whom he has thus taught to believe in him, love him, and obey him—in these he glories as his own inheritance. Of them he says—“The lines are fallen unto me in pleasant places; I have a goodly heritage.” (Psalm 16:6.) That this is the speech of Christ is evident from verse 10; “You will not leave my soul in hell,” etc.
These to save, these to sanctify, these to conform, first to his suffering, afterwards to his glorified image, was the joy set before him, for which he endured the cross, despising the shame, etc. The Apostle then prays that as a fruit and effect of the gift of the Spirit of wisdom and revelation in the knowledge of Christ, we might know what are the riches of his glory in this inheritance. What do we for the most part see in the saints? Weakness and imperfection. We see them only as they are, not what they shall be. Nor indeed do we sufficiently value even the grace which we see in them, though we love it and love them for it. Often, indeed, it is so clogged and loaded with infirmities, so buried under corruption, so little shining forth as the mind and image of Christ, that we can hardly recognize it in ourselves or others. But so far as we fix our eyes, not on the infirmities of the saints, which is the very spirit of the world, but on the grace which is in them, have we the mind and Spirit of Christ. This therefore requires spiritual eyes to see, and a spiritual mind to love. In viewing the riches of his glory in his inheritance in the saints, the Lord sees them as they are complete in him, with all their sins washed away in the fountain of his precious blood, and as arrayed in his robe of righteousness. Our infirmities he pities, knowing that we are dust, and that they are not from willful rebellion or enmity of heart against him, and that we truly and really love him, though, from the weakness of our flesh, we continually say and do things which grieve our spirit, and are inconsistent with our holy profession.
Now, in proportion as this part of the Apostle’s prayer is fulfilled in us, we shall esteem and love the dear family of God. In earthly matters we know with what respect everything is looked at connected with royalty. If at Windsor Castle one should say to us—“This is the Queen’s private garden; this is her favorite walk; she often sits on that seat under the tree;” we would naturally feel a respect for the objects thus pointed out; and sad will that day be for England, should it ever come, when this instinctive feeling of respect and loyalty to the Sovereign dies out of the English heart. But now apply the figure. If we were more imbued with love and loyalty to our exalted King, we would more love, esteem, and respect his inheritance, and the places of his daily resort. This inheritance, it is true, is now, as viewed by ordinary eyes, a wreck and a ruin, more like some neglected garden, overrun with thorns and briers, the fences all broken down, nettles growing in every corner, the summer-house fallen in, and the walks overgrown with moss and grass, than “a garden enclosed,” where grow “spikenard and saffron, calamus and cinnamon, with all trees of frankincense; myrrh and aloes, with all the chief spices.” (Song 4:12-14.)
But as a practiced gardener sees in a neglected garden more what it may be made into, than what it now is, and as his eye can discern here and there valuable shrubs struggling for life amid the weeds which well-near choke them, so should we whose eyes have been enlightened, view the Church of Christ, though now such a wreck and ruin, and look at her more as she will be, than what she now is. So also will the believing eye see the graces of the Spirit which from time to time manifest themselves in the people of God, under their various trials and afflictions, though struggling as if for life, amid all the rubbish of nature, by which they so often seem as if choked and suffocated.
But it requires grace to see and love grace, and when that grace is but dimly visible, or much borne down by natural infirmity and corruption, it needs proportionate grace to discern and feel union with it. Thus to perceive and love the image of Christ, however faint and feeble, is, let, it ever be borne in mind, as utterly distinct from that false and universal charity which thinks well of everybody and doubts nobody; as it is from that harsh, severe, and cutting spirit which would mow down into one common heap everything and everybody which does not exactly tally with a prescribed standard. No eye is so discerning as the eye enlightened by the Spirit of wisdom; no heart so tender as the heart blessed and softened by the Spirit of revelation in the knowledge of Christ. Such an eye sees, such a heart loves the riches of the glory of Christ’s inheritance in the saints, and sees and loves it because it is his.
Were we then favored to view the suffering members of the mystical body of Christ more with the eyes of faith and less with the eyes of sense, what a glory would we see in many a poor despised child of God, which we now seem to lose! Instead of looking at this poor old man, coughing and gasping with an incurable asthma, almost as the doctor eyes him, and getting away from him, perhaps, as soon as we decently can; or as the parish undertaker views him, only fit for an wooden coffin and a pauper’s grave, we should see in him, as the purchase of Christ’s blood and a partaker of his Spirit, an heir of the glory that shall be revealed, and as clothed in the righteousness and conformed to the glorified image of the Son of God, one day to outshine angels. Instead of seeing a withered old woman, shrunk into nothing by poverty and illness, or a poor miserable creature dying of a cancer, loathsome to herself and to all around her, we would behold a precious jewel in that crown of glory which is in the hand of the Lord. Or, not to take extreme cases, were our eyes more anointed from above to see the glory which Christ has put upon his saints, and the delight which he takes in them, we would in our daily communion with them, treat them with more esteem, affection, and respect than we are accustomed to do. Viewing them as the purchase of Christ’s precious blood, now partakers of his grace, and as such heirs of an eternal and unspeakable weight of glory, we would see in them, even in their present condition, a beauty, a dignity, a blessedness which would call forth the highest esteem and the tenderest love. So far from despising any who were weak in mind or poor in estate among them, so far from resenting any real or fancied injuries, so far from treating them with coldness and shyness, or, fostering a spirit of jealousy, division, and strife; so far from wounding their feelings and hurting their minds by words and conduct unbecoming our profession, we should seek to walk with them here, in some measure as we hope to walk with them hereafter.
How dear must those be to God whom he has loved from all eternity! how precious must those be to his dear Son for whom he shed his own blood! how beloved by the Holy Spirit who has quickened them into spiritual life and who so tenderly watches over his own work of grace in their heart! Should they not then be dear to us? And if so, how should we manifest that love but by seeking their good in every way that lies in our power?
Thus we see that in this portion of the prayer of the Apostle there is much that is eminently practical as well as deeply experimental, and that its fulfillment in our heart would not only lead us into clearer and deeper views of what the Church of Christ is in present grace and what she will be in future glory, but would much influence our mind and conduct in our daily walk and communion with our fellow-saints. Shallow and low views of the Person of Christ, of his finished work, and of his risen glory, will always be attended with shallow and low views of the Church, his bride, as the chosen companion of his glory; a shallow and low knowledge of the truth as revealed in the Person of Christ and his manifested glory will always be accompanied with a feeble experience of its power; and a feeble experience of the power of truth as connected with what the Lord Jesus is in himself, and is to his people, will almost always issue in worldliness of spirit and too often in general lightness and looseness of walk, conduct, and conversation.
To most however, who name the name of Christ, these grand and glorious truths of our most holy faith are as unknown as they are distasteful; and that is one reason why this prayer of the Apostle is so little understood, felt, and realized. Satisfied with a few dead and dry notions, and mistaking the accusings and excusings of natural conscience (Rom. 2:15) for a gracious experience, hundreds, like the Laodicean Church, think they are “rich and increased with goods, and have need of nothing,” not seeing that, while destitute of a gracious knowledge of the truth, and an experience of its liberating, sanctifying influence and power, they are “wretched, and miserable, and poor, and blind, and naked.”
Here, however, we must pause, reserving the remainder of the Apostle’s prayer to our next paper, when we hope, if possible, to conclude our exposition of the chapter.