Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

De kennis van Christus

Het eeuwige leven bestaat in de kennis van de enige ware God en van Jezus Christus, die alleen door goddelijke openbaring geschonken wordt. Philpot kondigt een overdenking aan van de heilige menselijke natuur van de Verlosser.

In dat wonderlijke gebed dat de Heere Jezus Christus als de grote Hogepriester over het huis van God op de avond van Zijn lijden en sterven tot Zijn hemelse Vader opzond staat een verklaring die van allen die God vrezen de diepste en meest aandachtige overweging vraagt. Ze luidt: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. (Johannes 17:3.)

Deze woorden worden vaak onjuist aangehaald: “En dit is het eeuwige leven, U te kennen” enzovoort. Daardoor gaat veel van hun kracht en betekenis verloren. Maar de woorden van de Heere zijn: dat zij U kennen. In de grondtekst staat het lidwoord vóór “eeuwige leven”. De betekenis van de hele tekst is dus: “En dit is het eeuwige leven dat Hij te geven heeft: dat zij die Gij Hem gegeven hebt U kennen” enzovoort.

Zo legt Hij uit wat dit eeuwige leven is. Het wordt gegeven aan hen die het voorwerp zijn van de liefde en de keuze van Zijn Vader. Zij en zij alleen zouden er in de tijd en in de eeuwigheid het innerlijke en onverliesbare bezit van hebben. In het voorgaande vers had de gezegende Heere Zijn hemelse Vader gezegd dat Hij Hem macht gegeven hebt over alle vlees. Dat was met dit uitdrukkelijke doel: opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.

Maar ter onderwijzing van de gemeente van God voor alle tijden voegt Hij genadig de reeds genoemde verklaring toe. Zij moest duidelijk begrijpen en weten wat dit eeuwige leven is dat Hij te schenken heeft. Over een zaak die zo belangrijk en zo wezenlijk is mocht geen vergissing mogelijk zijn.

Met deze eenvoudige en beslissende uitspraak wil Hij voor altijd laten zien dat het eeuwige leven dat Hij geeft geen denkbeeldige, schimmige en vage hemel is. Het is geen louter bevrijding bij het sterven van ziekte, pijn en lijden. Het is geen ternauwernood ontkomen aan de hel op het allerlaatste ogenblik. Het is geen beloning voor verdienste en geen aankoop door een berouw op het sterfbed. Het is geen vrucht van goochelachtige plechtigheden of vergevende priesters, verkregen in de doodsstrijd door een druppel olie of een stukje brood en een beetje wijn. Het is geen toegang voor onwedergeboren zielen tot een paradijs van onbekende zaligheid, waarvan er op aarde geen voorsmaak is geweest en waarvoor niemand innerlijk geschikt of geestelijk toebereid is gemaakt.

Al dergelijke vleselijke voorstellingen van de hemel en al zulke natuurlijke gedachten over een toestand van geluk na de dood voor bedriegers en bedrogenen heeft de gezegende Heere in één keer en voor altijd buitengesloten. Met Zijn eigen lippen van waarheid en genade verklaarde Hij dat het eeuwige leven dat Hij te schenken had uit twee dingen bestaat. Het eerste is de kennis van de enige ware God. Het tweede is de kennis van Hemzelf als Degene die door de Vader gezonden is.

Het belang en de betekenis van deze verklaring kunnen niet overschat worden. Haar oneindige gewicht wordt bepaald door het eeuwige leven dat in de tegenovergestelde schaal ligt. Haar onmetelijke breedte blijkt uit het feit dat de hemel al begint met een leven op aarde. Want het eeuwige leven begint hier beneden om daarboven voltooid te worden. Het wordt in genade gezaaid om in heerlijkheid te worden geoogst.

Zo wandelde Henoch met God voordat hij werd weggenomen. Abraham was de vriend van God en Mozes zag de Heere van aangezicht tot aangezicht. Deze en alle heiligen van het Oude Testament waren begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse voordat zij het bereikten. (Hebreeën 11:16.) Maar hoe konden zij naar een land verlangen waarvan zij geen kennis, voorsmaak of genot hadden? Kunnen wij begeren wat wij niet kennen, niet voelen, niet proeven en niet genieten?

Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde is de bevinding van elke ziel die door het neerdalen van de hemel op de aarde juist de aarde zelf ontdekt als de poort van de hemel. Maar hoe kan zo’n ziel weten dat er een God in de hemel is als zij die God niet op aarde gevonden heeft? En hoe kan zij hier beneden niemand naast Hem begeren als zij hier beneden Zijn liefde niet gevoeld en gekend heeft?

Het is echter niet onze bedoeling deze verklaring van de gezegende Heere in haar algemene strekking te behandelen of de hele belangrijke waarheid die erin besloten ligt uit te werken. Wat op dit moment zwaar op onze gedachten rust is het deel dat de kennis van de Heere Jezus Christus op één lijn stelt met de kennis van de enige ware God. Hoe diep, hoe verborgen en toch hoe zalig moet die kennis zijn! Haar te verkrijgen, te bezitten en te genieten betekent immers dat men nog hier beneden in het bezit wordt gesteld van het eeuwige leven.

Wetenschap, geleerdheid, kennis in het algemeen of in een bijzonder vak, verstandelijke begaafdheid en technische vaardigheid zijn goed voor de tijd. Dat geldt ook voor politieke wijsheid, beschaafdheid van geest en elke vaardigheid die in een hoogontwikkelde samenleving mensen verheft boven de slaven van dronkenschap en uitspattingen. Wie zou een wonder van wetenschap en kunde als de Great Eastern kunnen verachten? Toch kan wie God vreest en beeft voor Zijn woord zich de rampen herinneren die over het Tyrus van weleer werden aangezegd vanwege zijn rijkdom en zijn hoogmoed. (Ezechiël 26:1-21; 27:1-36; 28:1-26.) Hij kan met vrees zien dat wat Tyrus was nu Engeland is en dat dezelfde zonden dezelfde ondergang kunnen afroepen.

Maar wat zijn alle verworvenheden van de wetenschap, alle wonderen van de kunst en alle zegepralen van de bouwkunde voor de eeuwigheid? Ja, stel dat alle wetenschap en kunst, alle vaardigheid, rijkdom en macht die nu over duizenden verdeeld zijn in één mens waren samengebracht. Wat zou al die bijeengebrachte pracht betekenen naast één korreltje genade, één straal van goddelijk onderwijs, één druppel verzoenend bloed in het geweten of één lichtstraal van de liefde van God die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort?

Als deze geestelijke en zaligmakende kennis van Jezus Christus, Die God gezonden heeft, dus een vrije gave is en toch alleen wordt geschonken aan hen die de Vader aan Zijn dierbare Zoon heeft gegeven, hoe kostbaar is dan dat bezit! Maar och, hoe uitsluitend is deze weldaad! Als met een tweesnijdend zwaard snijdt dit woord uit de mond van de Zoon van God naar twee kanten. (Openbaring 1:16.) Als een sleutel die op Zijn schouder gedragen en door Zijn goddelijke hand gehanteerd wordt sluit het evenzeer als dat het opent. Met de ene hand verheft het miljoenen tot hoop en hemel en met de andere stort het miljoenen in wanhoop en hel.

Als een helend woord van de lippen van de Heere brengt het rust en vrede aan biddende harten, gewonde gewetens en verslagen geesten. Maar als een woord van waarheid en gerechtigheid bezegelt het voor altijd het lot van de onwetenden en ongelovigen, van de zelfverzekerden en de zelfgerechtigen, van de doden in de zonde en de doden in de belijdenis.

Alle ware christenen geloven dat de Heere Jezus Christus zowel God als mens is. Daarom verdeelt deze geestelijke en zaligmakende kennis van Zijn Persoon en werk, van Zijn liefde en genade, van Zijn bloed en gerechtigheid zich in twee takken. Ten eerste is er een genadig kennen van Zijn GODHEID als de eeuwige Zoon van God. Ten tweede is er een genadige kennis van Zijn MENSHEID als de Mensenzoon.

In enkele van onze laatste nummers hebben wij ons veroorloofd onze geestelijke lezers enkele schriftuurlijke inzichten voor te leggen over het eeuwige Zoonschap van onze gezegende Heere. Wij hebben die gezien en gevoeld in onze eigen ziel als de ernstige waarheid van God. Wij hebben reden om te geloven dat wat wij daarover mochten schrijven met enige instemming is ontvangen door hen die de waarheid zoals die in Jezus is kennen en liefhebben. Dat heeft ons aangemoedigd hun nu enkele gedachten voor te leggen over de heilige menselijke natuur van de gezegende Verlosser.

Hem kennen als God, Hem kennen als mens, Hem kennen als God-mens, en dat door een goddelijke openbaring van Zijn heerlijke Persoon, bloed en liefde aan onze ziel: dat is waarlijk het eeuwige leven in onze boezem hebben. Op geen andere wijze dan door goddelijke en bijzondere openbaring kan Hij zaligmakend gekend worden. Want niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren. (Mattheüs 11:27.)

Daarom bidt de apostel voor de heiligen te Efeze dat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Namelijk verlichte ogen uws verstands. (Efeze 1:17-18.) Hij bad voor hen om dezelfde zegen die hijzelf had genoten, zoals hij zegt: Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren. (Galaten 1:15-16.)

Hij wist dus in zichzelf, uit zijn eigen zalige en gelukkige bevinding, wat het was om vervuld te worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand. (Kolossenzen 1:9.) Hij wist ook wat het was om gezegend te zijn met allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus; In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. (Kolossenzen 2:2-3.)

Zo leed hij opnieuw barensweeën over de Galaten totdat Christus een gestalte in u krijge. (Galaten 4:19.) En hij bad voor de Efeziërs dat Christus door het geloof in uw harten wone. (Efeze 3:17.) Hij spreekt er ook over dat zij Christus hebben geleerd, van Christus hebben gehoord en door Christus zijn onderwezen. (Efeze 4:20-21.) Al deze uitdrukkingen wijzen op een goddelijke ontdekking van Zijn Persoon en werk aan het hart.

Ook Zijn bedroefde discipelen verzekerde de gezegende Heere dat Hij tot hen zou komen, dat zij Hem zouden zien en van Hem zouden leven. Zij zouden weten dat Hij in hen was en Hij zou Zichzelf aan hen openbaren en woning bij hen maken. (Johannes 14:18-23.) Deze zegeningen en gunsten waren niet beperkt tot de eigen discipelen van de Heere.

Zoals de kostelijke olie op het hoofd van onze grote Hogepriester nederdaalt tot op den zoom zijner klederen, (Psalm 133:2,) zo is er een zalving die ook de laagste en geringste leden van het mystieke lichaam van Christus leert van alle dingen. Die zalving is waarachtig, en is geen leugen. (1 Johannes 2:27.) Door deze zalving van boven komt een ieder die het van den Vader gehoord en geleerd heeft tot Christus. (Johannes 6:45.) Zo iemand weet voor zichzelf dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen. (1 Johannes 5:20.)

Worden wij dan met dit onderwijs begunstigd? Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. (Johannes 3:27.) Dan zullen wij met de ogen van ons verlichte verstand de grote verborgenheid der godzaligheid zien: dat God is geopenbaard in het vlees. Wat wij zo zien zullen wij geloven, liefhebben en aanbidden.

Moeten wij dan niet met alle heilige eerbied en godvrezend ontzag proberen deze verborgenheid van wijsheid, kracht en liefde te naderen? Want alle zaligheid en alle geluk, alle genade en alle heerlijkheid liggen erin besloten. Juiste inzichten zijn onmisbaar voor het juiste geloof en het juiste geloof is onmisbaar voor de zaligheid. Wie struikelt over het fundament lijdt wat het geloof betreft totaal schipbreuk. Want Immanuël, God met ons, is het grote Voorwerp van het geloof. Dwalen in de inzichten over Zijn eeuwige Godheid of dwalen in de inzichten over Zijn heilige menselijke natuur is daarom even verderfelijk.

Er zijn waarheden die niet fundamenteel zijn. Toch moet een dwaalleer over elk punt tot gevolgen leiden die God onteren, juist in verhouding tot het belang en de omvang van dat punt. Maar er zijn bepaalde fundamentele waarheden waarover dwalen voor de dwalenden en ongelovigen de zwartheid van de duisternis in eeuwigheid verzekert. Bij het uiteenzetten van dit gezegende onderwerp, de heilige menselijke natuur van de Heere Jezus, zullen wij onze gedachten naar ons vermogen onder vier afzonderlijke hoofden rangschikken.

I. De wijsheid, liefde en genade van God zoals die geopenbaard zijn in de menswording van Zijn dierbare Zoon.

II. De aard van die heilige menselijke natuur die de gezegende Heere aannam bij de uitvoering van dit wonderlijke plan.

III. Het werk dat in die heilige menselijke natuur hier op aarde is volbracht, in haar staat van vernedering en lijden.

IV. De verhoging van die heilige menselijke natuur tot de rechterhand van de Vader in de hemel en wat dat inhoudt voor het heden en voor de toekomst.

Bij een onderwerp dat zo diep en zo belangrijk is en toch zo vol genade en waarheid past het ons wel wijsheid van boven te zoeken. Wij moeten er bijzonder op letten dat onze pen geen woord laat vallen dat in strijd is met de woorden van God of de zuiverheid bevlekt van de leer die naar de godzaligheid is.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!