Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Meer parels van Philpot — deel 2: Overvloedige genade en de afgoden van het hart

Korte stukjes van Philpot over de voortdurende zaligheid, de vergankelijkheid van de wereld en de moeite van het ware geloof. Hij waarschuwt voor eigengerechtigheid en voor de afgoden die ieder in zijn hart draagt.

U moet dagelijks en bijna elk uur gered worden van de schuld, de smerigheid, de macht, de liefde en de praktijk van de inwonende zonde.

Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. (Psalm 119:146)

Hebben wij niet op duizend dingen geleund?

Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? (Hooglied 8:5)

Hebben wij niet op duizend dingen geleund? En wat zijn zij gebleken? Gebroken rieten die in onze hand zijn gelopen en ons hebben doorboord!

Onze eigen kracht en voornemens, de wereld en de kerk, zondaars en heiligen, vrienden en vijanden: zijn zij niet allemaal meer of minder gebroken rieten gebleken? Hoe meer wij erop leunden, als iemand die op een zwaard leunt, hoe dieper zij onze ziel doorboorden!

De Heere Zelf moet ons spenen van het leunen op de wereld, op vrienden, op vijanden en op onszelf. Zo brengt Hij ons ertoe op Hem Zelf te leunen.

En elke steun zal Hij vroeg of laat wegnemen opdat wij helemaal en alleen op Hem leunen.

Overvloedige genade

en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Romeinen 5:20)

Wat zijn alle verguldsel van de tijd vergeleken met de plechtige, zwaarwegende werkelijkheden van de eeuwigheid!

Maar helaas, wat zijn wij ellendelingen als wij aan zonde, ons ZELF en Satan zijn overgelaten! Hoe onmachtig om de lichtste verzoekingsbries te weerstaan! Hoe geneigd tot afval!

Wie kan de diepten van het menselijk hart peilen?

O, wat anders dan genade, overvloedige genade, kan zulke ellendelingen passen en redden?

en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Romeinen 5:20)

Jobs godsdienst

Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou (Job 23:3)

Met wat een oppervlakkige schijn van levende godzaligheid nemen de meeste predikanten, de meeste hoorders en de meeste gemeenten genoegen!

Maar in Jobs godsdienst was werkelijkheid.

Zij was niet van een dunne, theoretische en oppervlakkige aard. Zij was niet louter een gezonde calvinistische belijdenis en verder niets. Het was geen godsdienst van theorie en bespiegeling of een goed samengesteld stelsel van leerstellingen en plichten. Er was iets diepers, iets goddelijkers in Jobs godsdienst dan zo’n louter voorwendsel, zelfbedrog, namaak of huichelarij.

En als onze godsdienst van de juiste soort is, zal er iets diepers in zitten. Iets krachtigers, geestelijkers en bovennatuurlijkers dan opvattingen en leerstellingen, theorieën en bespiegelingen die in ons verstand heen en weer gaan, hoe schriftuurlijk en juist ook.

Er zal een goddelijke werkelijkheid in zijn als God de Geest er de Auteur van is. En er zal geen spelen zijn met de plechtige zaken van God en met onze eigen onsterfelijke zielen.

Het hart van Gods kind

Er moet veel aanmatiging, hoogmoed, huichelarij, bedrog, misleiding, vormendienst, bijgeloof en eigengerechtigheid uit het hart van Gods kind gezuiverd worden.

Maar al deze dingen houden hem klein. Zij verstoren zijn hoogmoed, vermorzelen zijn eigengerechtigheid en knippen de lokken van zijn aanmatiging af. Zij bezoedelen zijn eigendunk, brengen zijn roemen tot zwijgen en behoeden hem ervoor anderen te verachten. Zij laten hem de laagste plaats innemen en leren hem anderen uitnemender te achten dan zichzelf. Zij drijven hem tot ernstig gebed, maken hem geschikt als voorwerp van barmhartigheid, verbrijzelen zijn vrije wil en leggen hem laag aan de voeten van de Verlosser, als iemand die alleen door soevereine genade gered moet worden!

De wijze waarop de Geest van God werkt

Als de hoogmoed opkomt, moet hij gebroken worden.

Als de eigengerechtigheid opstaat, moet zij vernederd worden.

Als de wijsheid van het schepsel zich verheft tegen de wijsheid van God, moet zij ter aarde geworpen worden.

De wijze waarop de Geest van God werkt is het schepsel laag te maken. Hij brengt het tot niets en drukt het neer in zelfvernedering en zelfverfoeiing. Zo perst Hij uit het schepsel alles wat het kan vertrouwen.

Zoals een chirurg zijn lancet in de zweer steekt en het bloederige vocht eruit laat lopen om een grondige genezing te bewerken, zo steekt de Geest van de Heere Zijn scherpe zwaard in het hart en laat Hij het innerlijke verderf eruit lopen. Hij heelt de wond nooit voordat Hij haar grondig onderzocht heeft.

En als Hij het hart heeft blootgelegd, heelt Hij het door het balsemende bloed van Jezus erin te gieten, dat door zijn toepassing reinigt van alle zonde.

De wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid

En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid (1 Johannes 2:17)

De wereld en alles wat erin is komt tot een einde. Waar is het grootste deel van de mannen en vrouwen die vijftig, zestig of zeventig jaar geleden door de straten van Londen liepen? Waar zijn zij die rondreden in hun sierlijke koetsen, hun schitterende feesten gaven, zich getooid hadden met veren en juwelen en alle genoegens van het leven genoten?

Waar zijn zij?

Het graf houdt hun lichamen vast en de hel hun zielen.

de wereld gaat voorbij. Zij is als een optocht, een vrolijke en schitterende stoet die een paar minuten voor het oog voorbijtrekt, dan de hoek van de straat omslaat en uit het zicht verdwijnt. Voor wie ernaar gekeken heeft is zij nu alsof zij er nooit was. Zij is verdwenen om andere ogen te vermaken.

Zo ook: kon u jarenlang doorgaan met alles te genieten wat uw natuurlijk hart maar wenst, duizenden aan geld opsparen, in uw koets rijden, uw lichaam met sieraden tooien, uw huis vullen met prachtig meubilair en alles genieten wat de aarde kan geven, dan zou er toch op enige dag ziekte komen om u op uw sterfbed te leggen. Voor u is de wereld dan met al haar begeerlijkheden voorbijgegaan. Voor u is alles ten einde gekomen. En nu moet u met een schuldige ziel voor een heilige God verschijnen.

En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid

Al die begeerten waarvoor mensen lichaam en ziel hebben verkocht, hun gezin half te gronde hebben gericht en hun eigen naam hebben bezoedeld. Al die begeerten waarvoor zij zo dol waren dat zij ze tegen elke prijs wilden hebben en ze zelfs uit de muil van de hel wilden rukken. Al die begeerten zijn voorbijgegaan en wat hebben zij nagelaten? Een knagende worm, een worm die nooit kan sterven, en de toorn van God als een onblusbaar vuur.

Dat is alles wat de liefde tot de wereld voor u kan doen, met al uw zwoegen en zorgen en al uw vermaak en genot.

U hebt misschien niet veel van de goederen van deze wereld verworven, ondanks al uw streven ernaar. Maar kon de wereld uw hart vullen met genot en uw geldzakken met goud, zoals het stof van het graf eens uw mond zal vullen, dan was dat vrijwel hetzelfde. Als u de hele wereld had gewonnen, zou u na het dichtschroeven van uw doodskist niets hebben dan grafstof in uw mond.

Zo is het einde van de wereld.

En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid

De DOOD is de grote en laatste uitdover van alle menselijke hoop en genot. Zie hoe de mens ziek wordt en sterft en in de begraafplaats wordt neergelegd, waar zijn lichaam aan de wormen wordt overgelaten en zijn ziel op de grote oordeelsdag voor een toornige God moet verschijnen.

En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid

Vermoeid?

Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Mattheüs 11:28)

Het doel van de Heere met het opleggen van lasten is ons uit te putten. Wij kunnen onze godsdienst op geen andere manier leren. Wij kunnen haar niet leren uit de Bijbel of uit de bevinding van anderen. Het moet een persoonlijk werk zijn dat in het hart van ieder van ons wordt gewrocht. Als wij ooit rust in Christus willen vinden, moeten wij allen volkomen moe worden van zonde en eigen ik en geen eigen gerechtigheid, goedheid of heiligheid meer hebben.

Het gevolg van al het geestelijke werk is dus dat wij op dit punt komen. Moe te zijn van de wereld, want wij voelen haar voor het grootste deel als een dal van tranen. Moe te zijn van het eigen ik, want het is onze grootste plaag. Moe van belijders, want wij zien in hen de genade van God niet, die wij alleen waarderen en op prijs stellen. Moe van de goddelozen, want hun ongodzalige omgang doet onze geest alleen pijn. Moe van ons lichaam, want het zit vaak vol ziekte en pijn en is altijd een blok aan het been van onze ziel. En moe van het leven, want wij zien de leegheid van die dingen die het leven voor de meeste mensen zo aangenaam maken.

Door deze pijnlijke bevinding komen wij op dit punt: afgemat en moe te zijn. En daar moeten wij komen voordat wij geheel op Christus kunnen rusten.

Zolang wij in de wereld kunnen rusten, zullen wij in haar rusten. Zolang de dingen van tijd en zintuigen ons kunnen bevredigen, zullen wij daarin voldoening vinden. Zolang wij iets behaaglijks in onszelf kunnen vinden, zullen wij ons met onszelf behagen. Zolang iets zichtbaars en tastbaars ons kan voldoen, zullen wij daarmee tevreden zijn.

Maar als wij moe worden van alles wat zichtbaar, tastbaar en zintuiglijk is, van onszelf en van alles hier beneden, dan willen wij rusten op Christus en op Christus alleen.

Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Mattheüs 11:28)

O, wat was hij vroeger godsdienstig!

Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. (Lukas 19:10)

O, wat was hij vroeger godsdienstig!

Wat kon hij gemoedelijk met zijn Bijbel onder de arm naar de kerk lopen en er zo vroom en heilig mogelijk uitzien! Hoe geregeld kon hij ook de Schrift lezen en op zijn manier bidden en zichzelf behoorlijk goed vinden, met één voet al in de hemel.

Maar er is een straal van hemels licht in zijn ziel gevallen en die heeft hem getoond wie en wat God is, wat zonde en een zondig hart is en wie en wat hijzelf als zondaar is. Het scherpe snijdende mes van God is in zijn hart gekomen, heeft alles blootgelegd en het bloederige vocht laten wegvloeien. Nu zijn geweten bloedt onder het scalpel en helemaal overstroomd is van de etter en het vuil dat erdoor is vrijgekomen: waar is dan het reine hart waarop hij eens roemde?

Waar is zijn godsdienst nu?

Helemaal begraven onder een last van vuil!

Waar is al zijn heiligheid gebleven? Zijn heilige blikken, heilige uitdrukkingen, heilige manieren, heilige gebaren en heilige kleding: waar zijn ze allemaal gebleven? Alles is overstroomd en bedolven. De riool is doorgebroken en de vuile stroom heeft zich over zijn heilige blikken, heilige manieren, heilige woorden en heilige gebaren uitgestort. En hij zit, zoals Job zegt, in de gracht.

Wij vinden nooit de ware godsdienst voordat wij de valse hebben verloren. Wij vinden Christus nooit voordat wij het ZELF hebben verloren. Wij vinden genade nooit voordat wij onze eigen armzalige zelfheiligheid hebben verloren.

Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat VERLOREN was. (Lukas 19:10)

Het is een schepsel met vele levens!

De mens is een vreemd samenstel. Een zondaar, en de ergste van alle zondaars, en toch een farizeeër!

Een ellendeling, en de snoodste van alle ellendelingen, en toch pronkend met zijn goede werken!

Als de ervaring ons niet van het tegendeel overtuigde, zouden wij nauwelijks geloven dat een monster als de mens, een schepsel dat, zoals iemand terecht heeft gezegd, “half beest en half duivel” is, ervan zou dromen God te behagen door zijn gehoorzaamheid of de hemel in te klimmen langs een ladder van zijn eigen gerechtigheid.

Het farizeïsme zit vast in het menselijk hart. Diep is de wortel, breed de stam en wijd de takken maar giftig de vrucht van deze reusachtige boom, door hoogmoed en ongeloof geplant in de bodem van de menselijke natuur.

Eigengerechtigheid is niet eigen aan slechts bepaalde mensen. Zij is vervlochten met ons wezen zelf. Zij is de enige godsdienst die de menselijke natuur begrijpt, smaakt of bewondert.

Telkens opnieuw moet het hart omgeploegd worden en moet zijn verdorvenheid worden blootgelegd om de groei van deze farizeïsche geest tegen te houden.

Het is een schepsel met vele levens! Geen enkele slag, geen tien en geen honderd kunnen het doden. Het kan een tijdlang verdoofd zijn maar het komt telkens weer tot leven!

Het farizeïsme kan leven en gedijen onder elke belijdenis. Calvinisme of Arminianisme is voor hem hetzelfde. Het is niet het gewaad dat hij draagt of het masker dat hij voorhoudt dat de man maakt.

De voornaamste moeiten van de gelovige

Omdat de aarde slechts een dal van tranen is, heeft de christen veel verdrukkingen met de wereld gemeen. Gezinsmoeilijkheden waren het lot van Job, Abraham, Jakob en David. Ziekte trof Hizkia, Trofimus en Epafroditus. Tegenslagen en verliezen troffen Job. Armoede en hongersnood dreven Naomi het land Moab in.

Moeite is dus op zichzelf geen teken van genade. Want zij vloeit onvermijdelijk voort uit de gevallen staat van de mens en is er noodzakelijk mee verbonden.

Maar wij moeten onze blik vestigen op twee dingen die de tijdelijke benauwdheden van het gezin van de Heere in het bijzonder kenmerken:

1. Dat zij allemaal bij bijzondere beschikking worden toegemeten en getimed. Want hoewel de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen, geldt toch: Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde. (Job 5:6-7)

2. Dat zij bijzonder geheiligd worden en medewerken ten goede voor wie God liefhebben.

Maar de voornaamste moeiten van de gelovige zijn inwendig. Zij komen voort uit de aanvallen van Satan, krachtige verzoekingen, de schuld van de zonde die op het geweten ligt, twijfel en vrees over een zaligmakend aandeel in Christus en een dagelijkse, uurlijkse strijd met een natuur die steeds naar het kwade begeert.

Een godsdienst die duizenden voldoening geeft.

Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. (2 Timotheüs 3:5)

Veel wat voor godsdienst doorgaat is helemaal geen ware godsdienst.

Veel wat doorgaat voor hoop op zaligheid is niets dan leugenachtige toevluchten.

Veel wordt aangewezen als onderwijs van de Geest wat niets dan misleiding is.

Levende godzaligheid is zeer zeldzaam.

Er zijn maar weinig mensen die geestelijk van God geleerd zijn.

Er zijn maar weinig predikanten die werkelijk de waarheid prediken.

Zo misleidt Satan dagelijks duizenden en tienduizenden.

Een levende ziel kan, hoe zwak en machteloos in zichzelf ook, niet genoegen nemen met een godsdienst in het vlees.

Hij kan niet rusten op de meningen van mensen en laat zich niet misleiden door de dwalingen van Satan. Hij heeft een geheime knagende pijn in zijn geweten die hem ontevreden maakt met een godsdienst die duizenden voldoening geeft.

Dan zinken zij naar de bodem!

totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt (Psalm 94:13)

In oosterse landen is de gewone manier om wilde dieren te vangen een kuil te graven en scherpe speren op de bodem te zetten. Is de kuil diep genoeg gegraven, dan wordt hij bedekt met takken van bomen, aarde en bladeren totdat alle schijn van de valkuil volkomen is verborgen. Met welk doel? Dat het wilde dier dat op bloedvergieten uit is niet ziet wat hem te wachten staat. De tijger die op de loer ligt naar het hert, de wolf die rondzwerft naar het schaap en de leeuw die rondsluipt naar de antilope, zien de valkuil niet maar stormen erop af en erover heen. Zij zien hun ondergang pas als zij erdoor zakken en op de speren onderin vallen.

Wat een treffend beeld is dit!

Zo zijn de goddelozen allemaal bezig met hun eigen plannen. Zij sluipen rond op zoek naar het kwade, als de wolf naar het schaap of de tijger naar het hert. Zij denken alleen aan wereldse winst, een hebzuchtig plan, een wellustig complot of iets anders waar de vleselijke gezindheid zich in verlustigt. Maar zij gaan voort zonder enig gevaar te zien tot het ogenblik komt waarop zij, zoals Job zegt, “afdalen naar de grendels van de kuil”.

De Heere heeft het behaagd hun ondergang voor hen te verbergen. De kuil is helemaal bedekt met bladeren van bomen, gras en aarde. De valkuil was zelfs voor de wilde dieren geheel verborgen. Zij wisten er niets van tot zij erin vielen en doorboord werden.

Zo gaat het met de goddelozen, zowel met godsdienstige belijders als met de goddelozen van de wereld. Er is geen vreze Gods. Zij letten niet op hun stappen. Zij roepen niet om geleid te worden en bidden niet om de weg te worden gewezen. Zij houden niet stil en keren niet terug. Zij gaan maar door, achteloos, gedachteloos en roekeloos, op jacht naar een geliefd voorwerp. Zij gaan maar door tot zij in een oogwenk voor eeuwig en onherroepelijk in de kuil worden gestort!

Zulke mensen zijn er velen, zowel in de belijdende kerk als in de goddeloze wereld. De Heere ziet wat zij zijn en waar zij zijn. Hij weet waar de kuil is. Hij kent hun stappen. Hij ziet hoe zij voortjagen, voortjagen en voortjagen. Voor hen is alles bereid. De Heere geeft hun geen voorafgaande waarschuwing en geen bericht van hun gevaar. Hij geeft hun geen onderwijs, geen kastijding, geen vermaning, geen fronsen en geen striemen. Zij worden aan zichzelf overgelaten om de maat van hun ongerechtigheid vol te maken totdat zij de kuil naderen die voor hen is gegraven. En dan zinken zij naar de bodem!

Wie kan er levend uit de strijd komen?

Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn (Psalm 119:117)

Wij weten weinig van onszelf en minder van elkaar. Wij kennen onze eigen behoeften niet, noch wat goed voor ons is, welke strikken wij moeten vermijden en welke gevaren wij moeten ontlopen.

Ons pad ligt bezaaid met moeilijkheden, is bezet met verzoekingen, omringd door vijanden en omgeven door gevaren.

Bij elke stap ligt er een strik!

Bij elke bocht loert een vijand!

De hoogmoed graaft de kuil, de achteloosheid verblindt de ogen, de vleselijkheid verdooft en bedwelmt de zintuigen, de lust des vleses verleidt, de liefde tot de wereld lokt, het ongeloof verlamt de vechtende hand en de biddende knie, de zonde verstrikt de voeten, de schuld bezoedelt het geweten en Satan klaagt de ziel aan.

Wie kan er onder deze omstandigheden levend uit de strijd komen? Alleen wie door de machtige kracht van God bewaard wordt. Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.

BARMHARTIGHEID!

Zie mij aan, wees mij genadig (Psalm 119:132)

Wanneer zullen wij ooit de behoefte aan Gods barmhartigheid ontgroeid zijn?

Wij voelen onze behoefte aan voortdurende barmhartigheid naarmate onze zonden toenemen, onze schuld gevoeld wordt, ons verderf werkt, ons geweten belast wordt, de ongerechtigheden van ons hart worden blootgelegd en ons hart in het licht van de Geest wordt opengelegd.

Wij hebben barmhartigheid nodig voor elke overspelige blik. Barmhartigheid voor elke hebzuchtige gedachte. Barmhartigheid voor elk lichtzinnig en ijdel woord. Barmhartigheid voor elke boze beweging van ons verdorven hart. Barmhartigheid zolang wij leven en barmhartigheid wanneer wij sterven. Barmhartigheid die ons elk ogenblik vergezelt en met ons meegaat tot aan de poorten van het graf. Barmhartigheid om ons veilig door het zwellen van de Jordaan te dragen. Barmhartigheid om ons veilig voor de troon van de Verlosser aan land te zetten!

Zie mij aan, wees mij genadig

Waarom mij? Omdat ik zo’n gemene zondaar ben. Omdat ik zo’n laag afvallige ben. Omdat ik zo’n vermetel overtreder ben. Omdat ik met elke ademtocht tegen U zondig. Omdat de kwaden van mijn hart zich voortdurend openbaren. Omdat niets dan Uw barmhartigheid zulke ongerechtigheden kan uitdelgen als ik in mijn vleselijke gezindheid voel werken.

Ik heb onuitputtelijke barmhartigheid nodig, eeuwige barmhartigheid, overvloedige barmhartigheid.

Niets dan zo’n barmhartigheid kan zo’n schuldige zondaar passen!

Een bloemenpad?

Ligt de weg naar de hemel over een gladde, grazige weide waar wij rustig kunnen wandelen in de koelte van een zomeravond, terwijl wij ons op ons gemak vermaken met bloemen plukken en luisteren naar het gezang van de vogels?

Geen kind van God heeft de weg naar de hemel ooit een bloemenpad gevonden. Het is de wijde poort en de brede weg die tot het verderf leidt. Het is de enge poort en de nauwe weg, de weg omhoog vol moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en vijanden, die naar de hemel leidt en uitkomt in het eeuwige leven.

Maar onze Vader bewijst barmhartigheid en genade. Hij laat de voorwerpen van Zijn keuze nooit los en verlaat hen nooit. Hij vervult elke belofte, verslaat elke vijand, verschijnt in elke moeilijkheid, vergeeft rijkelijk elke zonde, heelt genadig elke afval en brengt hen uiteindelijk aan in de eeuwige zaligheid!

Speeltjes en speelgoed van het religieuze kinderkamertje

Ik zal Mijn schapen weiden (Ezechiël 34:15)

Het enige echte voedsel van de ziel moet door God Zelf bepaald, bereid en meegedeeld zijn.

Een hongerig kind kunt u nooit bedriegen. U kunt het een speeltje geven om zijn geschrei te stillen. Dat kan een paar minuten helpen. Maar de pijn van de honger wordt niet weggenomen door een pop. Een speelgoedpaard stilt het verlangen naar de moederborst niet.

Zo is het met kinderen in de genade. Een hongerige ziel kan zich niet voeden met speelgoed.

Altaren, gewaden, plechtigheden, kandelaars, buigingen, gemompel, beschilderde ramen, zingende priesters en zingende mannen en vrouwen: die poppen en houten paarden, dat speelgoed van het religieuze kinderkamertje, kunnen de ziel niet voeden die zoals David uitroept naar de levende God. (Psalm 42:2-3)

Christus, het brood des levens, het manna dat uit de hemel is neergedaald, is het enige voedsel van de gelovige ziel. (Johannes 6:51)

Maar o, de worsteling! O, de strijd!

Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen (Ezechiël 21:27)

Jezus wil onze harten en onze genegenheid. Daarom moet elke afgod vroeg of laat neergehaald worden, want de afgod trekt de genegenheid van de ziel weg van Christus. Alles wat in tegenstelling tot Hem wordt liefgehad, moet vroeg of laat weggenomen worden, zodat de Heere Jezus alleen wordt aanbeden. Alles wat de trouw van de ziel opeist, moet omvergeworpen worden.

Jezus zal ons hart en onze genegenheid hebben. Maar als Hij ons hart en onze genegenheid heeft, zal Hij die geheel, alleen en onverdeeld hebben. Hij zal ze volledig voor Zichzelf hebben. Hij zal regeren en heersen als de Hoogste.

Hier komt nu de strijd en de worsteling. Het ZELF zegt: Ik wil een deel hebben. Het ZELF wil geëerd, bewonderd, geacht en aanbeden worden. Het ZELF wil zijn begeerten toegeven en bevredigen. Het ZELF wil op enigerlei wijze zijn troon oprichten tegenover de Heere van leven en heerlijkheid.

Maar Jezus zegt: Nee! Ik moet als de Hoogste regeren!

Wat er ook tegenover Hem opstaat: het moet ten onder. Zoals Dagon neerviel voor de ark, zo moet het ZELF neervallen voor Christus. In elke gedaante, in elke vorm, in welke listige vermomming het ZELF zich ook hult, het moet ten onder gaan tot wrak en ruïne voor de Koning van Sion!

Als wij dus voortdurend het ZELF opbouwen, zal Jezus voortdurend het ZELF omverwerpen.

Als wij onze afgoden oprichten, zal Hij ze neerhalen.

Als wij voortdurend bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden, zal Hij die bakken voortdurend aan stukken slaan.

Als wij hoog denken over onze kennis, moeten wij tot volslagen dwaasheid gebracht worden.

Als wij vertrouwen op onze kracht, moeten wij tot volstrekte zwakheid gebracht worden.

Als wij onze verworvenheden hoog achten of in enige mate rusten op de kracht van het schepsel, dan moet de kracht van het schepsel omvergeworpen worden. Zo staan wij zwak voor God, niet in staat een vinger uit te steken om onze zielen te redden van het nederdalen in de kuil.

Op deze wijze leert de Heere Zijn volk de les dat Christus alles in allen moet zijn. Zij leren dit niet door bespiegeling en niet door louter dorre leer. Zij leren het niet uit de mond van anderen maar in pijnlijke zielsbevinding.

En elke levende ziel die zucht en verlangt naar een openbaring van Christus en Hem op de troon van het hart wil hebben, zal vroeg of laat een volslagen omverwerping van het ZELF kennen, een grondig neerwerpen van deze afgod en een volledig aan stukken breken van dit geliefde beeld. Opdat het verlangen van de rechtvaardigen wordt vervuld en Christus als Koning en Heere in hem en over hem regeert, Zijn gezegende koninkrijk daar opricht en elke genegenheid van het vernieuwde hart voor Zichzelf wint.

Zijn er niet ogenblikken, vrienden, enkele korte en vluchtige ogenblikken, waarin het verlangen van onze ziel is dat Christus onze Heere en God zij? Waarin wij willen dat Hij elke genegenheid heeft en elke weerspannige gedachte wordt bedwongen en gevangen genomen onder de gehoorzaamheid van het kruis van Christus. En dat elk plan wordt verijdeld dat niet strekt tot de eer van God en tot de geestelijke baat van onze ziel?

Zijn er niet tijden in onze bevinding waarin wij onze ziel voor God kunnen neerleggen en zeggen: Laat Christus kostbaar zijn voor mijn ziel, laat Hij met kracht in mijn hart komen, laat Hij Zijn troon oprichten als Heere en Koning en laat het ZELF niets zijn voor Hem? Maar o, de worsteling! O, de strijd! Wanneer God deze gebeden verhoort!

Wanneer onze plannen worden verijdeld, wat een opstand komt er dan op in de vleselijke gezindheid!

Wanneer het ZELF wordt neergeworpen, wat een opstaan van het mokkende, gemelijke ongeduld van het schepsel!

Wanneer de Heere onze gebeden werkelijk verhoort en alle valse vertrouwen wegneemt, wanneer Hij onze rotte steunsels verwijdert en onze gebroken bakken aan stukken slaat, wat een storm, wat een strijd ontstaat er dan in de ziel!

Maar Hij laat Zich niet bewegen. Hij zal Zijn eigen weg gaan. Ik zal omverwerpen, wat het schepsel ook zegt. Ik zal omverwerpen, wat het schepsel ook denkt. Het zal ten onder gaan! Het zal tot een wrak worden! Het zal omvergeworpen worden! Mijn voornemen zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Het ZELF is een rebel die een afgodentempel heeft opgericht, en Ik zal die tempel omverwerpen en tot ruïne maken om Mijn heerlijkheid en Mijn zaligheid te openbaren, zodat Ik uw Heere en uw God kan zijn.

Als God onze schitterende vooruitzichten heeft omvergeworpen, zullen wij dan zeggen dat het een wrede hand was die ze neerlegde? Als Hij onze wereldse plannen heeft vernield, zullen wij dan zeggen dat het een onvriendelijke daad was? Als Hij onze valse gerechtigheid tot een hoop puin heeft gemaakt zodat Christus als ons alles in allen wordt omhelsd, zullen wij dan zeggen dat het een wrede daad was?

Is hij een onvriendelijke vader die zijn kind vergif afneemt en het voedsel geeft? Is zij een wrede moeder die haar jongen grijpt van de afgrond waarop hij speelde? Nee! De vriendelijkheid bleek juist uit het grijpen van het kind weg van het verderf!

Zo is het ook een vriendelijke daad als de Heere onze voornemens heeft gebroken en omvergeworpen. Want daarmee brengt Hij ons tot niets, zodat Christus als ons alles in allen wordt omhelsd en ons hart kan terugechoën: O Heere, vervul al Uw eigen beloften in onze zielen en maak ons gewillig om niets te zijn, zodat op het niets van het ZELF de heerlijkheid, de schoonheid en de kostbaarheid van Christus verheven wordt!

Een slang, een aap, een ui, een lap

Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. (1 Johannes 5:21)

Afgoderij is een zonde die zeer diep in het menselijk hart geworteld is.

Wij hoeven niet ver te zoeken om daarvan de overtuigendste bewijzen te vinden. Behalve de bevinding van elk tijdperk en elk klimaat vinden wij haar waar wij haar het minst zouden verwachten: als de heersende zonde van een volk dat de grootst mogelijke bewijzen had van haar goddeloosheid en dwaasheid en van het bestaan, de grootheid en de macht van God.

Het is waar dat deze zonde zich nu niet precies in dezelfde vorm voordoet. Het is waar dat gouden kalveren nu niet meer worden aanbeden. Althans het kalf niet, als het goud maar wel. En protestanten aanbidden geen beelden van hout, koper of steen.

Maar rang, bezit, mode, eer en de mening van de wereld, met alles wat de lust des vleses, de lust der ogen en de grootsheid des levens voedt, worden nu evenzeer afgoddelijk vereerd als Baäl en Molech eens in Judea.

Wat is een afgod?

Het is wat in onze achting en genegenheid, in onze gedachten, woorden en wegen die plaats inneemt die alleen aan God toekomt. Wat het ook is dat voor ons is wat de Heere alleen zou moeten zijn: dat is voor ons een afgod.

Het is waar dat deze afgoden bijna even sterk verschillen als de eigenaardige neigingen van verschillende mensen. Maar zoals zowel in vroeger als in latere tijden de grovere afgoden van hout en steen in aantal, verscheidenheid, vorm en grootte alle berekening te boven gingen en gaan, zo is het ook met deze innerlijke afgoden waarvan de uiterlijke afgoden slechts tekens en afbeeldingen zijn.

Niets is te laag of te dierlijk geweest, te groot of te klein, te edel of te gemeen, van de zon die in haar schittering wandelt tot een slang, een aap, een ui, een lap, of de mens heeft het aanbeden. En die bedoelde afbeeldingen van de Godheid waren slechts de uiterlijke tekens van wat de mens innerlijk aanbad. Want de innerlijke afgod ging vooraf aan de uiterlijke en de vingers sneden slechts uit wat de verbeelding eerder had bedacht. De grove stoffelijke afgod is dus slechts een teken van het innerlijke gemoed van de mens.

Maar bij dit deel van het onderwerp hoeven wij niet lang stil te staan. Er is een andere vorm van afgoderij veel dichter bij huis. Niet de afgoderij van een oude heiden of een hedendaagse hindoe maar die van een christen.

Wij hoeven ook niet ver te gaan als wij maar eerlijk tegenover onszelf willen zijn om elk onze eigen afgod te vinden. Wat het is, hoe diep hij ligt, welke aanbidding hij krijgt, welke eer hij ontvangt en welke genegenheid hij in beslag neemt.

Laat ik mijzelf vragen: Wat heb ik het meest lief?

Als ik die vraag nauwelijks weet te beantwoorden, laat ik mijzelf dan een andere stellen: Waaraan denk ik het meest? In welke richting stromen mijn gedachten gewoonlijk als ze niet worden tegengehouden? Want gedachten stromen naar de afgod zoals water naar het laagste punt.

Als de gedachten dan voortdurend stromen naar de boerderij, de winkel, de zaak, de belegging, naar de man, vrouw of het kind, naar wat lust of hoogmoed voedt, wereldsgezindheid of hebzucht, eigendunk of zelfbewondering: dan is dat de afgod die als een magneet de gedachten van het gemoed naar zich toe trekt.

Uw afgod hoeft niet de mijne te zijn en de mijne niet de uwe. En toch kunnen wij allebei afgodendienaars zijn! U kunt mijn afgod verachten of zelfs haten en u afvragen hoe ik zo dwaas of zo’n zondaar kan zijn om hem aan mijn borst te drukken! En ik kan mij afvragen hoe een deelgenoot van de genade zo inconsequent kan zijn om zo’n dwaze afgod als de uwe lief te hebben! U kunt mij veroordelen en ik veroordeel u. En het Woord van God en het oordeel van een levend geweten kunnen ons beiden veroordelen.

O, hoe verschillend en hoe talrijk zijn deze afgoden! De een heeft misschien een verfijnde smaak en een ontwikkelde geest. Boeken, geleerdheid, letterkunde, talen en algemene kennis zullen zijn afgod zijn. Muziek, vocaal en instrumentaal, kan de afgod van een tweede zijn. Zo zoet is zij voor zijn oren en zulke innerlijke gevoelens van verrukking worden aangewakkerd door de melodieuze klanken van stem of instrument, dat muziek in al zijn gedachten is en hij uren besteedt aan het voortbrengen van harmonische klanken die vergaan zodra ze worden uitgesproken.

Schilderkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst en de schone kunsten in het algemeen kunnen de Baäl zijn, de heersende hartstocht van een derde. Poëzie, met haar gloeiende gedachten, brandende woorden, hartstochtelijke uitingen, levendige beelden, melodieuze cadans en de aanhoudende stroom van alles wat schoon is in taal en uitdrukking, kan de vreugde zijn van een vierde. Wetenschap is de gretige bezigheid van een vijfde. Dat zijn de hoogste vluchten van de menselijke geest. Dat zijn niet de lage afgoden van het dronken feest, de platte grap en de uitbundige maaltijd. Ook niet die minder vernederende maar verslappende afgod, slaap en luiheid, alsof de hoogste genoegens van het leven die van de zwijnen in het hok waren.

U uit de middenstand, die kunst en wetenschap, taal en geleerdheid verachten zoals u de herberg en het ballenveld verachten, kunt toch een afgod hebben. Uw tuin, uw prachtige rozen, uw verbena’s en fuchsia’s die alle zorg en aandacht nodig hebben van een baby op de arm, kunnen uw afgod zijn. Of uw mooie kinderen die zo bewonderd worden als ze over straat lopen. Of uw nieuwe huis met al het nieuwe meubilair. Of uw zoon die het zo goed doet in zaken. Of uw dochter die zo gerieflijk getrouwd is. Of uw lieve man die over het algemeen zo gerespecteerd wordt en het nu zo goed doet op de boerderij. Of uw eigen nog dierbaardere ZELF dat zoveel voeding, kleding en aandacht nodig heeft.

Wie zal de duizenden afgoden tellen die de gedachten tot zich trekken en de genegenheid in beslag nemen die aan de Heere alleen toekomt?

Misschien wordt u niet ontdekt. Uw afgod kan zo verborgen of zo bijzonder zijn dat al onze pogingen om hem aan te raken u en hem ongedeerd hebben gelaten. Moet u daaruit besluiten dat u er geen hebt? Zoek dieper, kijk nauwkeuriger. Het is niet te diep voor het oog van God en niet te verborgen voor de ogen van een teer geweten dat met goddelijke ogenzalf is gezalfd.

Verborgen ziekten zijn de ongeneeslijkste van alle ziekten. Doorzoek elke plooi van uw hart totdat u hem vindt. Hij is misschien niet zo groot of zo lelijk als die van uw buurman. Maar een afgod is nog altijd een afgod, of hij nu zo klein is dat hij in de jaszak gedragen kan worden of zo groot als een gigantisch standbeeld.

Een afgod moet niet bewonderd worden om zijn schoonheid of verafschuwd om zijn lelijkheid maar gehaat omdat hij een afgod is.

Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. (1 Johannes 5:21)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!