Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Overdenkingen over Efeze 1 en 2 — deel 7: De vijandschap gedood en één nieuwe mens in Christus

Philpot onderscheidt de vijandschap tussen God en mens en tussen mens en mens. Hij toont hoe het kruis beide doodt, het handschrift van de wet uitwist en de gelovigen tot één nieuwe mens verenigt.

Onder de vele droevige en verschrikkelijke vruchten van de val van Adam was de vijandschap tussen God en mens niet de minste of de laatste. Hetzelfde geldt voor de vijandschap tussen mens en mens die daaruit voortkwam. Wij rekenen beide samen, omdat dezelfde oorzaak ze heeft voortgebracht. De zonde zette de mens op voet van oorlog met God, zijn Maker. Zij zette de mens ook op voet van oorlog met zijn broeder. Als bewijs van de breuk die zo ontstond liet de oorspronkelijke zonde, die Adam uit het paradijs dreef, zich al snel zien in de daadwerkelijke zonde die de hand van Kaïn tegen Abel bewapende.

Zolang de zonde als oorzaak blijft, moet dus ook de vijandschap als gevolg blijven. Alleen het wegnemen van de zonde kan de vijandschap wegnemen die eruit voortkwam, of die nu tussen God en mens is of tussen de mens en zijn naaste. Maar de uitdrukking “vijandschap tussen God en mens” kan sommige van onze lezers hard in de oren klinken. Laten we daarom uitleggen wat wij met de term bedoelen.

We hebben al opgemerkt dat de vijandschap aan Gods kant is wat wij “een wetsvijandschap” hebben genoemd. Er is aan Gods kant geen werkelijke vijandschap tegen het volk van Zijn liefde en keuze, en die is er ook nooit geweest. Vijandschap en liefde zijn immers onverenigbaar en vernietigen elkaar wederzijds. Maar God was als oneindige Rechtvaardigheid die hen als zondaars zag noodzakelijk een vijand van hun zonden. Deze vijandschap tegen hun zonden is geen vijandschap tegen hun personen. Zij is volkomen verenigbaar met de zuiverste en diepste liefde voor hen.

Voor de duidelijkheid kunnen we hier onderscheid maken tussen vijandschap en toorn. Toorn treft de persoon evengoed als de zonde. Maar vijandschap kan de zonde treffen zonder de persoon te treffen. De Heere was toornig op Mozes (Deuteronomium 1:37), op Aaron (Deuteronomium 9:20) en op Salomo (1 Koningen 11:9). Hij was persoonlijk toornig op hen vanwege hun zonden, maar nooit in vijandschap met hun personen. Mozes bleef Gods knecht, die in Zijn hele huis getrouw was (Numeri 12:7). Aaron bleef de gezalfde hogepriester en den heilige des HEEREN (Psalm 106:16). En Salomo bleef door de Heere bemind (2 Samuël 12:24).

Een heel eenvoudige maar krachtige illustratie van dit onderscheid tussen toorn en vijandschap vinden we bij een vader en zijn ongehoorzame, weerspannige of losbandige zoon. De vader is een vijand van de zonden van zijn zoon, maar niet van zijn persoon. Hoe dieper en tederder hij zijn zoon liefheeft, des te meer is hij in vijandschap met die zonden en dat gedrag die tussen hen een scheiding maken. Wat zijn toorn betreft: hij is niet alleen toornig op de zonden van zijn zoon. Hij is ook toornig op zijn zoon zelf vanwege die zonden.

Neem nu aan dat zijn zoon op het slechte pad is gebracht door de kunsten van een gemene verleider. Wat voelt de vader dan jegens die lage ellendeling door wiens aansporing of voorbeeld zijn zoon naar zonde of misdaad is afgedwaald? Voelt hij geen vijandschap tegen zijn persoon, tegen de man zelf, evengoed als tegen zijn gemene praktijken? We zien dus dat God een vijand is van de personen van de goddelozen en niet alleen van hun zonden. Maar wat Zijn volk betreft, is Hij een vijand van hun zonden en niet van hun personen.

Neem nu verder aan dat zijn zoon berouw heeft van zijn zonden en ze verlaat. Om onze illustratie volledig te maken laten we de vader een genadig man zijn. En laten we de genade het geweten van de zoon zichtbaar aanraken, zodat hij thuiskomt zoals de bekeerde verloren zoon, met tranende ogen en een gebroken hart, en zijn misdaden belijdt. Zal er dan nog vijandschap of zelfs toorn zijn tussen vader en zoon?

We durven elke genadige vader die deze regels leest en wiens verdriet en kruis het is een weerspannige zoon te hebben, vol vertrouwen te vragen: zou al zijn toorn niet meteen wegsmelten als een sneeuwkluit voor de zon als hij zijn jongen zag? Kan hij zich ervan weerhouden hem om de hals te vallen en alle twijfels en angsten over een vriendelijke ontvangst weg te kussen?

Maar neem nog verder aan dat deze verloren zoon diep in de schulden zat en dat die schulden betaald moesten worden voordat hij zijn plaats in het huis van zijn vader weer kon innemen. Is er dan één offer dat zijn vader niet bereid zou zijn te brengen, opdat al die schulden volledig worden voldaan? Dan kan zijn zoon, die berouw heeft en teruggewonnen is, eervol en gelukkig bij hem wonen, zonder vrees voor schuldeiser of gevangenis.

Alle illustraties zijn noodzakelijk onvolkomen. Toch is er genoeg overeenkomst tussen een aardse en een hemelse vader om een helderder en vollediger licht te werpen op de betrekking waarin God tot Zijn volk staat en op Zijn handelen met hen. Toen onze genadige Heere door Zijn gehoorzaamheid, bloedstorting en dood volle genoegdoening gaf aan de beledigde Rechtvaardigheid, was deze wetsvijandschap aan Gods kant uit de weg geruimd. De eeuwige liefde kon nu vrij en volledig uit Zijn schoot stromen, zonder belemmering of hindernis.

Het is zo noodzakelijk om dit te verstaan, te geloven en te beseffen voor ons wandelen met God in vrede en in rechtmatigheid, dat wij hierbij zo uitvoerig zijn blijven stilstaan. Het woord dat met rechtmatigheid is vertaald (Maleachi 2:6), betekent eigenlijk “rechtheid”. Daarom wordt het soms ook vertaald met “gerechtigheid” en “oprechtheid”. Met God wandelen in rechtmatigheid en vrede is dus met en voor Hem wandelen als gerechtvaardigd door Christus’ gerechtigheid. Het is wandelen met die oprechtheid van hart, lippen en leven die er de vrucht en het gevolg van is.

Nauw verbonden met het wegnemen van de vijandschap aan Gods kant is het wegnemen van de vijandschap aan de kant van de mens, zowel tegen God als tegen zijn broeder. Dit is niet alleen een zeer belangrijk punt, maar ook het hoofdonderwerp van de redenering van de apostel in dat gedeelte van het hoofdstuk dat nu voor ons ligt. Daarom hervatten we hier onze uitleg:

Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren (Efeze 2:14-17).

In de gedachten van de apostel liep blijkbaar een aantal dingen door elkaar. Dat maakt zijn taal tot op zekere hoogte moeilijk. Het zal daarom onze aangename taak zijn om, voor zover wij licht en wijsheid ontvangen, zijn gedachte en bedoeling te ontwarren. Zo plaatsen wij het geheel in een helderder licht voor onze lezers.

Zijn grote onderwerp is hier de verzoening tussen God en mens en tussen mens en mens door het bloed van het kruis. We moeten dus de aard en de middelen van deze verzoening in beide gevallen ontvouwen. De vijandschap tussen God en mens en de vijandschap tussen mens en mens, waarvan wij hebben gesproken als voortkomend uit de val, is van de meest uitgebreide en verwoestende aard.

Toen deze vonk voor het eerst werd aangestoken, was het het ontsteken van een vuur dat brandt tot in de diepste hel. Het was het eerste uitbreken van een dodelijke ziekte die de aarde met de diepste ellende heeft gevuld en de sombere gewesten van eeuwige wanhoop met miljoenen bewoners heeft bevolkt. Geen gedachte of tong van mensen of engelen kan zich voorstellen of beschrijven wat het is voor een mens om in vijandschap met God te zijn. En de verslagen van de ellende die de vijandschap van mens tegen mens heeft voortgebracht, zouden wel in bloedletters geschreven kunnen worden.

De verwoesting, de ondergang en de ellende die deze staat van vijandschap heeft voortgebracht, kon niemand dan de Zoon van God herstellen. En dat deed Hij alleen door onze zonden in Zijn eigen lichaam te dragen op het hout en in Zijn eigen Persoon de toorn van God te ondergaan die wij rechtvaardig verdiend hadden.

De verzoening die Hij zo door Zijn bloedstorting en dood bewerkte, wordt door de apostel mooi beschreven in de woorden: En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, In het lichaam Zijns vleses, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen (Kolossenzen 1:21-22).

Maar verzoening houdt noodzakelijk in dat alle vijandschap wordt weggenomen, anders zou ze niet volledig zijn. Daarom moeten we opmerken dat dit werk van verzoening hoofdzakelijk uit deze drie dingen bestaat. (1) De personen van de uitverkorenen worden met God verzoend. (2) Hun verstand, geweten, wil en genegenheden worden verzoend. (3) Zij worden met elkaar verzoend.

Deze drie vruchten van het verlossende bloed worden door de apostel uitgedrukt of aangeduid in de woorden die wij al hebben aangehaald. De verzoening van hun personen, Jood of heiden, wordt uitgedrukt in de woorden: En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen. De verzoening van ons verstand, geweten, wil en genegenheden is vervat in de woorden: Hij is onze vrede. En de verzoening van mens met mens, en vooral van Jood met heiden, wordt uitgedrukt in de woorden: opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende.

Deze punten verdienen en vragen een uitvoeriger toelichting. Dat is nodig voor een helderder ontvouwing van de gedachte en bedoeling van de apostel. Het is ook nodig omdat ze gezegende bevindelijke waarheid inhouden. Bij het eerste punt, de verzoening van onze personen met God, blijven we niet stilstaan, want daar hebben we al genoeg over gezegd. Maar de verzoening van ons verstand, geweten, wil en genegenheden en de verzoening van ons met elkaar zijn onderwerpen die onze grootste aandacht verdienen.

Verzoening houdt in dat de vijandschap wordt weggenomen in haar oorzaak en in haar gevolgen. Ook houdt zij in dat de strijdende partijen worden verenigd in vriendschap en vrede. Het bloed van het kruis nam door de verzoening die daarmee voor de zonde werd gedaan de wetsvijandschap aan Gods kant weg. Maar datzelfde bloed neemt ook de vijandschap weg die er in ons verstand, ons geweten, onze wil en onze genegenheden is. Dat gebeurt als het bevindelijk wordt geopenbaard, toegepast en besprenkeld. Het brengt daarin harmonie, vriendschap en vrede teweeg.

Maar deze vijandschap moet gezien, gekend en gevoeld worden voordat ze merkbaar kan worden weggenomen. Daarom laten we, met het risico dat we een weinig van ons onderwerp afdwalen, zien hoe ze wordt ontdekt en aan het licht gebracht. Hier zien we de werking van de zedenwet, onderscheiden van de werking van de ceremoniële wet. De ceremoniële wet wekte, zoals wij in ons vorige nummer lieten zien, vijandschap op tussen Jood en heiden. Maar de zedenwet, die in het geweten doordringt, wekt de vijandschap van het hart tegen God op.

Deze vijandschap tegen God is de eigenlijke adem en het wezen van de vleselijke gezindheid. Ze ligt voor het grootste deel verdoofd en slapend in het hart. Zo blijft ze liggen tot ze wordt opgeschrikt als een slapende leeuw uit zijn hol, of als een slang die door een lichtstraal in zijn hol uit zijn winterslaap wordt gewekt. Hoeveel beminnelijke mensen vinden wij die nooit de vijandschap van hun hart tegen God hebben gezien of gevoeld! Zij zouden schrikken als hun werd gezegd dat zij Hem van nature met een volstrekte haat haten.

En aan de andere kant: in wat voor diepe nood, schuld en slavernij raakt menig dierbaar kind van God door het gesis van de giftige slang in zichzelf! Het is gewoon verschrikkelijk als de opstand en vijandschap soms als een overweldigende vloed lijken los te breken. Dan lijkt het alsof het einde eeuwige ellende en wanhoop zal zijn.

Het is de toegang van de wet tot het geweten die deze verschrikkelijke vijandschap van de vleselijke gezindheid niet alleen ontdekt maar ook opwekt, uitdaagt en als het ware leven inblaast. Zo ondervond en vond Paulus het: zonder de wet, zegt hij, dat wil zeggen zonder dat zij werd toegepast, is de zonde dood (Romeinen 7:8). Begeerte, vijandschap en elk ander kwaad lagen in hem alsof ze dood waren, zonder adem of beweging. Hij kon al zijn zedelijke en godsdienstige plichten zonder belemmering nakomen. Wat de rechtvaardigheid, die in de wet is betreft, dat wil zeggen de uiterlijke uitvoering ervan, was hij onberispelijk (Filippenzen 3:6).

Zo leefde hij vroeger zonder de wet. Maar als het gebod gekomen is, dat wil zeggen toen de wet in haar geestelijke betekenis, kracht en gezag in zijn hart kwam, is de zonde weder levend geworden. Die zonde, die voordien dood was, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood, doordat zij oorzaak genomen had door het gebod (Romeinen 7:9; Romeinen 7:11). Zo stierf hij voor God, neergeslagen door de vloek en de veroordeling van de wet, zonder hulp of hoop.

De vijandschap die zo ontdekt wordt en door de toepassing van de wet op het geweten ook geërgerd en uitgedaagd, moet worden weggenomen voordat enige inwendige verzoening kan worden gevoeld of gekend. De apostel zegt ons daarom dat zij gedood is en toont ons hoe: En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende (Efeze 2:16).

Het “één lichaam” waarvan hij hier spreekt, is Zijn mystieke lichaam. Dit mystieke lichaam bestaat uit Joden en heidenen. Zij zijn evenzeer door booze werken vijanden van God. Daarom was het nodig dat beiden evenzeer met God werden verzoend. Zo konden zij als levende leden van Christus aaneengesloten zijn en vereniging en gemeenschap hebben met Hem, hun Hoofd, en met elkaar in Hem. Maar deze vereniging en gemeenschap kunnen niet gevoeld of verwezenlijkt worden zolang er vijandschap in het hart is, hetzij tegen God of tegen elkaar.

Daarom is verzoening nodig, zowel inwendig als uitwendig: inwendig van de ziel, uitwendig van de persoon. Alleen door het kruis, en door het kruis alleen, wordt deze tweevoudige verzoening bewerkt. Aan het kruis en door het kruis doodde de gezegende Heere de vijandschap. Dat is de wetsvijandschap die God van de mens scheidde en de vleselijke vijandschap die de mens van God scheidt.

We hebben laten zien hoe de wet, toegepast op het geweten, deze vijandschap van de vleselijke gezindheid ontdekt en uitdaagt. Het was dus nodig de wet uit de weg te ruimen omdat zij een hindernis was voor Gods vriendschap met de mens. Het was ook nodig haar uit de weg te ruimen omdat zij een hindernis was voor de vriendschap van de mens met God. Dit ontvouwt de apostel mooi in deze opvallende woorden: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kolossenzen 2:14).

Deze woorden, in verband gebracht met de passage die wij nu proberen te openen (Efeze 2:16), werpen een helder en gezegend licht op de wonderlijke weg waarop deze vijandschap wordt gedood. Het “handschrift in inzettingen” dat als “uitgewist” wordt aangeduid, is niet de ceremoniële wet maar de zedenwet. Zij is het namelijk die tegen ons is als zondaars en die ons tegen is doordat zij ons veroordeelt omdat wij haar in gedachten, woorden en werken hebben overtreden.

Ze heet “handschrift” omdat ze door Gods vinger op de twee stenen tafelen is geschreven die Hij aan Mozes gaf. We kunnen opmerken dat wat Gods vinger schreef, niets dan Gods vinger kon uitwissen. Toen de Zoon van God de wet dus vervulde, zowel door Zijn volmaakte gehoorzaamheid als door haar vloek te ondergaan, wiste Hij als het ware met Zijn eigen goddelijke vingers het handschrift uit. Hij besprenkelde het geheel met Zijn allerdierbaarste bloed. Zo nam Hij het uit het midden weg, zodat het niet langer tegen ons zou staan als een lijst van beschuldigingen maar nietig en krachteloos zou zijn.

En niet alleen dat: Hij heeft het aan het kruis genageld, zodat niemand het als veroordelende wet weer kon wegnemen. Het zou altijd daar blijven staan en als uitgewist zichtbaar zijn, voor alle eeuwen een blijvende zegeprijs van Zijn overwinning op de vloek en de veroordeling van de wet.

Wanneer dan door een zoete en gezegende openbaring van de Persoon en het werk, het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God aan de ziel met het oog van het geloof wordt gezien dat deze vervloekende en veroordelende wet is uitgewist en weggenomen door het bloed van het kruis, dan is de vijandschap van de vleselijke gezindheid, door de wet opgewekt, gedood. De hindernis tussen God en mens is weggenomen, vrede is verkondigd en zonde is vergeven.

De apostel verbindt daarom de vergeving van de zonde met het uitwissen van het handschrift in inzettingen. Daarmee toont hij duidelijk dat dit handschrift niet de ceremoniële maar de zedenwet is. Zij is het immers, en niet de ceremoniële wet, die ons schuldig voor God bevindt: En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; Uitgewist hebbende het handschrift, enzovoort (Kolossenzen 2:13-14).

Deze verzoening kennen en genieten is de verzoening ontvangen (Romeinen 5:11, in de Engelse Bijbel “atonement”, met als kanttekening “reconciliation”). Het is inwendig, gevoelsmatig en bevindelijk met God verzoend worden door de bediening en het woord der verzoening te ontvangen (2 Korinthe 5:19-20).

Deze verzoening als inwendige zegen breidt zich, om zo te zeggen, uit over elk vermogen van de ziel. Ze verzoent alles in de ziel wat vroeger met God in strijd was. Zo verzoent zij 1. het verstand. Ze laat zien hoe Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is (Romeinen 3:26). Ze vervult het met een hemels licht en een heilige bewondering voor Gods wijsheid. God bedacht zo’n weg om zondaren te redden door het bloed van Zijn dierbare Zoon. Zo wordt vervuld wat geschreven staat: De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen (Psalm 85:11).

2. Ten tweede verzoent ze het geweten, dat voordien vol schuld was. Ze reinigt het door het bloed van de besprenging en geeft het vrede met God. 3. Ten derde verzoent ze de wil. Ze neemt zijn weerspannigheid en afkeer van onderworpen gehoorzaamheid weg en brengt hem in harmonie met Gods wil. 4. En ten vierde verzoent ze de genegenheden. Ze onttroont alle afgoden en vervult het hart met de teerste liefde tot Hem Die gans begeerlijk is (Hooglied 5:16).

Zo maakt ze een volledige verovering van de ziel. Ze verzoent en harmoniseert elk inwendig vermogen, zodat het in zoete eensgezindheid meebeweegt met Gods wil en woord en vrede geniet in het geloven.

Uit deze inwendige verzoening met God vloeit verzoening voort met heel de dierbare familie van God. Ook wordt dan de vijandschap weggenomen die de hand van de mens tegen zijn broeder zette en, zoals we in ons vorige stuk lieten zien, in het bijzonder Jood en heiden tegen elkaar in verzet bracht. Want zoals zij in één lichaam door het kruis verzoend moesten worden en zo tot één harmonieus lichaam aaneengesloten, zo moesten zij ook vrede met elkaar hebben. Zo zou deze harmonie en eenheid volledig zijn.

De apostel zegt daarom: opdat Hij die twee (dat wil zeggen de twee, dat wil zeggen de Jood en de heiden) in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende. De apostel lijkt hier een onderscheid te maken tussen het “één lichaam” en de “één nieuwe mens”. Omdat de uitdrukkingen verschillen, mogen we in elk geval aannemen dat ook hun bedoelde betekenis verschilt.

Onder het “één lichaam” kunnen we dus het mystieke lichaam van Christus verstaan, waarvan uitverkoren Joden en uitverkoren heidenen evenzeer leden zijn. Onder de “één nieuwe mens” verstaan we dat zij een nieuwe en goddelijke natuur bezitten. Daardoor hebben zij, gedoopt in één Geest en door Hem gedrenkt, geestelijke vereniging en gemeenschap met elkaar.

Om dit punt in een helderder licht te zetten, stellen we de vraag: wat is de hoofdoorzaak die de levende familie van God scheidt en uit elkaar drijft? Wat scheurt gemeenten aan stukken en scheidt vaak de beste vrienden? Wat veroorzaakt kilheid, schuwheid en zelfs onenigheid tussen mensen die eens in liefde en genegenheid wandelden en zo de harmonie en vrede verstoort? Is het niet het vlees? Hoogmoed, eerzucht, hebzucht, toorn, koppigheid en halsstarrigheid. Eigenzinnigheid, vooroordeel, laster, opvliegendheid, bijtende woorden en onvriendelijke daden. Zijn deze en andere soortgelijke vruchten van het vlees niet bijna de enige oorzaken van verdeeldheid en tweedracht onder de familie van God?

Is er ooit een omstandigheid geweest die een gemeente verdeelde of boezemvrienden scheidde en die niet terug te voeren was op de oude mens, het lichaam van zonde en dood dat wij met ons meedragen? En vraag nog eens: wat brengt samen, verenigt en cementeert ziel aan ziel? Wat heelt verdeeldheid, herstelt de vrede als die verbroken is en verbindt de levende leden van Christus in zoete harmonie en liefde? Is het niet de nieuwe mens van genade, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (Efeze 4:24), dat wil zeggen naar het beeld van God?

Als wij ooit in ons eigen binnenste de bitterheid, de ellende, de slavernij en de droefheid hebben gevoeld, de treurige dagen en slapeloze nachten die verdeeldheid en strijd in gemeenten of tussen christenvrienden voortbrengen, weten we iets. Hetzelfde geldt als wij aan de andere kant ooit het geluk, de zoetheid en de gezegendheid, het geestelijk voordeel en de troost hebben gevoeld van wandelen in liefde en eenheid met de dierbare familie van God.

Dan weten wij uit eigen ervaring dat de oude mens in onszelf of in anderen de oorzaak is geweest van alle ellende. En dat de nieuwe mens in onszelf en in anderen de bron is geweest van alle zoetheid die wij ooit hebben gevoeld in de omgang en het gesprek met de levende heiligen van de Allerhoogste.

Zo zien en weten wij uit eigen ervaring, van de bitterheid en van de zoetheid, wat de apostel bedoelt als hij zegt dat onze genadige Heere die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens schept, vrede makende. Zo maakt Hij vrede tussen hen die eens in onmin waren. Hij deelt hun van Zijn eigen genade en Geest mee en verbindt hen aaneen door de enigheid des Geestes door den band des vredes (Efeze 4:3).

Uit deze opmerkingen zien wij, als wij tenminste de gedachte en bedoeling van de Geest juist hebben uitgelegd, hoe inwendige verzoening met God ook verzoening met de mens meebrengt. Zij verenigt alle mystieke leden van Christus niet alleen tot één lichaam maar ook in het bezit van één Geest, zoals de apostel zegt: Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping (Efeze 4:4). En in dezelfde zin: Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt (1 Korinthe 12:13).

In Christus, en door gemeenschap met Hem, gaan al die onderscheidingen verloren die mens van mens scheiden en uit het vlees zijn. Rang, geslacht, leeftijd, stand en alle natuurlijke en wereldse onderscheidingen smelten weg voor een geest van liefde en eenheid. Als dit wordt gevoeld jegens een dierbaar kind van God, denken wij niet langer aan enig verschil dat er van nature tussen ons mag bestaan. De rijke en de arme, de jonge en de oude, de geleerde en de ongeleerde, de meester en de knecht, de meesteres en de meid zijn allen één in Christus. Alle natuurlijke onderscheidingen worden verzwolgen en gaan verloren door de vereniging met Hem en met elkaar in Hem.

Als wij deze zoete vereniging van hart met hart en geest met geest ervaren en beseffen, doen wij den nieuwen mens aan die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft. Dan is er niet langer verschil tussen mensen: Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen (Kolossenzen 3:10-11).

En weer: Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus (Galaten 3:27-28).

O, hoe duidelijk en gezegend zet de Heilige Geest in deze passages van ingegeven waarheid de aard uiteen van die geestelijke eenheid die de levende familie van God in Christus aaneensluit! En o, dat zij meer volledig werd verwezenlijkt, gevoeld en gekend! Dan zou er in ons een zichtbare vervulling zijn van dat wonderlijke gebed van onze genadige Heere: En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt (Johannes 17:20-21).

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!